Joas herstelt het huis van Yahweh en verlaat Yahweh
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Joas wordt koning
1Joas was 7 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 40 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Zibja en kwam uit Beër-Sjeba.
בֶּן
(ben)
zoon van
שֶׁ֤בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִים֙
(shanim)
jaar
יֹאָ֣שׁ
(yoash)
Joas
בְּמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
וְאַרְבָּעִ֣ים
(vearbaim)
en veertig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּֽירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
צִבְיָ֖ה
(tsivya)
Zibja
מִבְּאֵ֥ר
(mibeer)
uit Beër
שָֽׁבַע
(shava)
Sjeba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Beër-Sjeba (בְּאֵר שֶׁבַע) lag in het zuiden van Juda, bij het huidige Tel Beër-Sjeva in het zuiden van Israël.
De ligging is vrij zeker.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Kon. 12 (Hebreeuwse telling: 2 Kon. 12:1 is 11:21 in Nederlandse Bijbels).
De naam צִבְיָה (Tsivyah), ‘Zibja’, betekent waarschijnlijk ‘gazelle’.
5Hij verzamelde de priesters en de Levieten en zei tegen hen: „Ga naar de steden van Juda. Verzamel van heel Israël geld om het huis van jullie Elohim te herstellen, elk jaar opnieuw. Haast je met deze zaak.” Maar de Levieten haastten zich niet.
וַיִּקְבֹּץ֮
(vayiqbots)
en verzamelde
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּם֒
(vehalviyim)
en de Levieten
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶ֡ם
(lahem)
tegen hen
צְא֣וּ
(tseu)
ga uit
לְעָרֵ֪י
(learei)
naar de steden van
יְהוּדָ֟ה
(yehuda)
Juda
וְקִבְצוּ֩
(veqivtsu)
en verzamel
מִכָּל
(mikal)
van heel
יִשְׂרָאֵ֨ל
(yisrael)
Israël
כֶּ֜סֶף
(kesef)
geld
לְחַזֵּ֣ק
(lechazeq)
om te herstellen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אֱלֹֽהֵיכֶ֗ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
מִדֵּ֤י
(midei)
van elk
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
בְּשָׁנָ֔ה
(beshana)
in het jaar
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
תְּמַהֲר֣וּ
(temaharu)
zullen haasten
לַדָּבָ֑ר
(ladavar)
met de zaak
וְלֹ֥א
(velo)
maar niet
מִֽהֲר֖וּ
(miharu)
haastten zich
הַֽלְוִיִּֽם
(halviyim)
de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Dit is een ander werkwoord dan ‘vernieuwen’ (לְחַדֵּשׁ, lechadesh) in vers 4.
מִדֵּי שָׁנָה בְּשָׁנָה (middei shanah beshanah), ‘elk jaar opnieuw’: letterlijk ‘van de keren van jaar tot jaar’, een vaste uitdrukking voor ‘jaar na jaar’.
De geschiedenis van dit geld komt ook voor in 2 Kon. 12:5–17.
6De koning riep Joiada, het hoofd, en zei tegen hem: „Waarom heb je niet van de Levieten geëist dat zij de bijdrage brengen uit Juda en uit Jeruzalem? Die bijdrage is van Mozes, de dienaar van Yahweh, en van de vergadering van Israël, voor de tent van het getuigenis.
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en riep
הַמֶּלֶךְ֮
(hamelekh)
de koning
לִֽיהוֹיָדָ֣ע
(lihoyada)
Joiada
הָרֹאשׁ֒
(harosh)
het hoofd
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
מַדּ֨וּעַ֙
(madua)
waarom
לֹֽא
(lo)
niet
דָרַ֣שְׁתָּ
(darashta)
heb je geëist
עַל
(al)
van
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
לְהָבִ֞יא
(lehavi)
om te brengen
מִֽיהוּדָ֣ה
(mihuda)
uit Juda
וּמִֽירוּשָׁלִַ֗ם
(umirushaliam)
en uit Jeruzalem
אֶת
(et)
(obj.)
מַשְׂאַת֙
(masat)
de bijdrage van
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
עֶֽבֶד
(eved)
de dienaar van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהַקָּהָ֖ל
(vehaqahal)
en de vergadering
לְיִשְׂרָאֵ֑ל
(leyisrael)
van Israël
לְאֹ֖הֶל
(leohel)
voor de tent van
הָעֵדֽוּת
(haedut)
het getuigenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
הָרֹאשׁ (harosh), ‘het hoofd’: de leider van de priesters.
In vers 11 staat de gelijkluidende titel כֹּהֵן הָרֹאשׁ (kohen harosh), ‘de priester die het hoofd is’; wij vertalen daar ‘hoofdpriester’.
מַשְׂאַת מֹשֶׁה (masat Moshe), ‘de bijdrage van Mozes’: מַשְׂאַת (masat) betekent letterlijk ‘wat wordt opgetild’; dat kan een last, een bijdrage of een schatting zijn. Het gaat om de bijdrage die Mozes voor de tent heeft ingesteld, zie Exod. 30:11–16 en Exod. 38:25–28.
אֹהֶל הָעֵדֻת (ohel ha’edut), ‘tent van het getuigenis’: de tabernakel; zie Num. 9:15 en 17:22–23.
7Want Atalia, die goddeloze vrouw, en haar zonen hadden het huis van Elohim opengebroken. Ook alle heilige dingen van het huis van Yahweh hadden zij voor de Baäls gebruikt.”
כִּ֤י
(ki)
want
עֲתַלְיָ֨הוּ֙
(atalyahu)
Atalia
הַמִּרְשַׁ֔עַת
(hamirshaat)
de goddeloze
בָּנֶ֥יהָ
(baneiha)
haar zonen
פָרְצ֖וּ
(paretsu)
braken open
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
וְגַם֙
(vegam)
en ook
כָּל
(kal)
alle
קָדְשֵׁ֣י
(qadeshei)
heilige dingen van
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עָשׂ֖וּ
(asu)
zij maakten
לַבְּעָלִֽים
(labealim)
voor de Baäls
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּעָלִים (be’alim), ‘Baäls’: het meervoud.
Er worden meerdere Baäl-goden of -beelden bedoeld.
De tekst noemt de zonen van Atalia niet bij naam.
עָשׂוּ לַבְּעָלִים (asu laba’alim), ‘zij gebruikten voor de Baäls’: letterlijk ‘zij maakten voor de Baäls’.
9Zij lieten in Juda en in Jeruzalem uitroepen dat men voor Yahweh de bijdrage moest brengen. Mozes, de dienaar van Elohim, had die Israël in de woestijn opgelegd.
וַיִּתְּנוּ
(vayitenu)
en zij gaven
ק֞וֹל
(qol)
een stem
בִּֽיהוּדָ֣ה
(bihuda)
in Juda
וּבִֽירוּשָׁלִַ֗ם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
לְהָבִ֤יא
(lehavi)
om te brengen
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
מַשְׂאַ֞ת
(masat)
de bijdrage van
מֹשֶׁ֧ה
(moshe)
Mozes
עֶֽבֶד
(eved)
de dienaar van
הָאֱלֹהִ֛ים
(haElohim)
de Elohim
עַל
(al)
op
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
11Telkens als de kist door de Levieten naar de toezichthouders van de koning werd gebracht, zagen zij dat er veel geld was. Dan kwamen de secretaris van de koning en de opzichter van de hoofdpriester. Zij leegden de kist, tilden haar op en zetten haar terug op haar plaats. Zo deden zij dag na dag. Zij verzamelden geld in grote hoeveelheid.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
בְּעֵת֩
(beet)
wanneer
יָבִ֨יא
(yavi)
men bracht
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽאָר֜וֹן
(haaron)
de kist
אֶל
(el)
naar
פְּקֻדַּ֣ת
(pequdat)
het toezicht van
הַמֶּלֶךְ֮
(hamelekh)
de koning
בְּיַ֣ד
(beyad)
door de hand van
הַלְוִיִּם֒
(halviyim)
de Levieten
וְכִרְאוֹתָ֞ם
(vekhirotam)
en toen zij zagen
כִּי
(ki)
dat
רַ֣ב
(rav)
veel was
הַכֶּ֗סֶף
(hakesef)
het geld
וּבָ֨א
(uva)
en kwam
סוֹפֵ֤ר
(sofer)
de secretaris van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וּפְקִיד֙
(ufeqid)
en de opzichter van
כֹּהֵ֣ן
(kohen)
de priester
הָרֹ֔אשׁ
(harosh)
het hoofd
וִיעָ֨רוּ֙
(viaru)
en zij leegden
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אָר֔וֹן
(haaron)
de kist
וְיִשָּׂאֻ֖הוּ
(veyisauhu)
en tilden hem op
וִֽישִׁיבֻ֣הוּ
(vishivuhu)
en zetten hem terug
אֶל
(el)
naar
מְקֹמ֑וֹ
(meqomo)
zijn plaats
כֹּ֤ה
(ko)
zo
עָשׂוּ֙
(asu)
deden zij
לְי֣וֹם
(leyom)
dag
בְּי֔וֹם
(beyom)
na dag
וַיַּֽאַסְפוּ
(vayaasfu)
en zij verzamelden
כֶ֖סֶף
(kesef)
geld
לָרֹֽב
(larov)
in menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פְּקֻדַּת הַמֶּלֶךְ (pequddat hamelekh), ‘de toezichthouders van de koning’: letterlijk ‘het toezicht van de koning’.
Hier zijn de mensen van de koning bedoeld die het geld controleerden.
כֹּהֵן הָרֹאשׁ (kohen harosh), ‘hoofdpriester’: zie vers 6.
12De koning en Joiada gaven het geld aan wie het werk voor de dienst van het huis van Yahweh leidde. Dezen huurden steenhouwers en vaklieden om het huis van Yahweh te vernieuwen. Ook huurden zij vaklieden in ijzer en koper om het huis van Yahweh te herstellen.
וַיִּתְּנֵ֨הוּ
(vayitenehu)
en gaf het
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וִֽיהוֹיָדָ֗ע
(vihoyada)
en Joiada
אֶל
(el)
aan
עוֹשֵׂה֙
(ose)
wie deed
מְלֶ֨אכֶת֙
(melekhet)
het werk van
עֲבוֹדַ֣ת
(avodat)
de dienst van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּֽהְי֤וּ
(vayihyu)
en zij waren
שֹׂכְרִים֙
(sokherim)
huurders van
חֹצְבִ֣ים
(chotsevim)
steenhouwers
וְחָרָשִׁ֔ים
(vecharashim)
en vaklieden
לְחַדֵּ֖שׁ
(lechadesh)
om te vernieuwen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְ֠גַם
(vegam)
en ook
לְחָרָשֵׁ֤י
(lecharashei)
vaklieden van
בַרְזֶל֙
(barzel)
ijzer
וּנְחֹ֔שֶׁת
(unechoshet)
en koper
לְחַזֵּ֖ק
(lechazeq)
om te herstellen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָרָשִׁים (charashim), ‘vaklieden’: mensen met een ambacht.
Bij ijzer en koper zijn dat smeden of metaalbewerkers; de tekst gebruikt voor hen hetzelfde woord.
13De werklieden deden hun werk. Het herstel van het werk kwam vooruit onder hun handen. Zij zetten het huis van Elohim weer op zijn maat en maakten het sterk.
וַֽיַּעֲשׂוּ֙
(vayaasu)
en deden
עֹשֵׂ֣י
(osei)
de makers van
הַמְּלָאכָ֔ה
(hamelakha)
het werk
וַתַּ֧עַל
(vataal)
en kwam op
אֲרוּכָ֛ה
(arukha)
het herstel
לַמְּלָאכָ֖ה
(lamelakha)
aan het werk
בְּיָדָ֑ם
(beyadam)
door hun hand
וַֽיַּעֲמִ֜ידוּ
(vayaamidu)
en zij lieten staan
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֧ית
(beit)
het huis van
הָֽאֱלֹהִ֛ים
(haElohim)
de Elohim
עַל
(al)
op
מַתְכֻּנְתּ֖וֹ
(matkunto)
zijn maat
וַֽיְאַמְּצֻֽהוּ
(vayametsuhu)
en versterkten het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲרוּכָה (arukhah), ‘herstel’: letterlijk ‘genezing’, zoals het nieuwe vlees dat een wond sluit.
Het werk aan het huis genas het huis als het ware.
מַתְכֻּנְתּוֹ (matkunto), ‘zijn maat’: de juiste maat of vorm van het huis. Het huis kreeg zijn oude vorm terug.
14Toen zij klaar waren, brachten zij de rest van het geld voor de koning en Joiada. Daarvan maakte men voorwerpen voor het huis van Yahweh: voorwerpen voor de dienst en voor het offeren, schalen en voorwerpen van goud en zilver. Zolang Joiada leefde, droeg men voortdurend brandoffers op in het huis van Yahweh.
וּֽכְכַלּוֹתָ֡ם
(ukhekhalotam)
en toen zij klaar waren
הֵבִ֣יאוּ
(heviu)
brachten zij
לִפְנֵי֩
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וִֽיהוֹיָדָ֜ע
(vihoyada)
en Joiada
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁאָ֣ר
(shear)
de rest van
הַכֶּ֗סֶף
(hakesef)
het geld
וַיַּעֲשֵׂ֨הוּ
(vayaasehu)
en men maakte het
כֵלִ֤ים
(kelim)
voorwerpen
לְבֵית
(leveit)
voor het huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כְּלֵ֣י
(kelei)
voorwerpen voor
שָׁרֵ֔ת
(sharet)
de dienst
וְהַעֲל֣וֹת
(vehaalot)
en voor het offeren
וְכַפּ֔וֹת
(vekhapot)
en schalen
וּכְלֵ֥י
(ukhelei)
en voorwerpen van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
וָכָ֑סֶף
(vakhasef)
en zilver
וַ֠יִּֽהְיוּ
(vayihyu)
en zij waren
מַעֲלִ֨ים
(maalim)
die opdroegen
עֹל֤וֹת
(olot)
brandoffers
בְּבֵית
(beveit)
in het huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
תָּמִ֔יד
(tamid)
voortdurend
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
יְהוֹיָדָֽע
(yehoyada)
Joiada
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כְּלֵי שָׁרֵת (kele sharet), ‘voorwerpen voor de dienst’: dezelfde uitdrukking als in Num. 4:12.
כַּפּוֹת (kappot), ‘schalen’: kleine schalen of lepels, zoals de gouden schalen in Num. 7:14.
In 2 Kon. 12:14 (Hebreeuwse telling) staat dat het geld niet voor zilveren voorwerpen werd gebruikt, maar alleen voor het herstel. Kronieken zegt dat men met het restant voorwerpen maakte. Wij vertalen beide teksten zoals zij staan.
18Zij verlieten het huis van Yahweh, de Elohim van hun vaderen, en dienden de heilige palen en de afgodsbeelden. Er kwam toorn over Juda en Jeruzalem vanwege deze schuld.
וַיַּֽעַזְב֗וּ
(vayaazvu)
en zij verlieten
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֤ית
(beit)
het huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶ֔ם
(avoteihem)
hun vaderen
וַיַּֽעַבְד֥וּ
(vayaavdu)
en dienden
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲשֵׁרִ֖ים
(haasherim)
de heilige palen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָֽעֲצַבִּ֑ים
(haatsabim)
de afgodsbeelden
וַֽיְהִי
(vayhi)
en er was
קֶ֗צֶף
(qetsef)
toorn
עַל
(al)
over
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
בְּאַשְׁמָתָ֖ם
(beashmatam)
vanwege hun schuld
זֹֽאת
(zot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
הָאֲשֵׁרִים (ha’asherim), ‘de heilige palen’: houten palen of beelden bij de verering van de godin Asjera.
De Hebreeuwse naam heeft hier een mannelijke meervoudsvorm.
Zie ook Richt. 6:25–30.
הָעֲצַבִּים (ha’atsabbim), ‘afgodsbeelden’: beelden die als god werden vereerd.
20De Geest van Elohim bekleedde Zacharia, de zoon van de priester Joiada. Hij ging boven het volk staan en zei tegen hen: „Zo zegt Elohim: ‘Waarom overtreden jullie de geboden van Yahweh? Jullie zullen niet slagen. Want jullie hebben Yahweh verlaten, en daarom heeft Hij jullie verlaten.’”
וְר֣וּחַ
(veruach)
en de Geest van
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
לָֽבְשָׁה֙
(lavesha)
bekleedde
אֶת
(et)
(obj.)
זְכַרְיָה֙
(zekharya)
Zacharia
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֣ע
(yehoyada)
Joiada
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וַֽיַּעֲמֹ֖ד
(vayaamod)
en hij ging staan
מֵעַ֣ל
(meal)
boven
לָעָ֑ם
(laam)
het volk
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶ֜ם
(lahem)
tegen hen
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
de Elohim
לָמָה֩
(lama)
waarom
אַתֶּ֨ם
(atem)
jullie
עֹבְרִ֜ים
(overim)
overtreden
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְוֺ֤ת
(mitsvot)
de geboden van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תַצְלִ֔יחוּ
(tatslichu)
zullen jullie slagen
כִּֽי
(ki)
want
עֲזַבְתֶּ֥ם
(azavtem)
jullie hebben verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּֽעֲזֹ֥ב
(vayaazov)
en Hij heeft verlaten
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לָבְשָׁה (lavshah), ‘bekleedde’: letterlijk ‘trok aan als een kleed’.
Vergelijk Richt. 6:34 en 1 Kron. 12:19, waar de Geest iemand bekleedt.
De woorden ‘Zo zegt Elohim’ en wat daarop volgt spreekt Zacharia uit. Wij zetten ze zwart, met enkele aanhalingstekens, omdat een profeet Elohim citeert.
Vergelijk Matt. 23:35 en Luk. 11:51, waar Yeshua spreekt over Zacharia die bij het altaar werd gedood.
לֹא תַצְלִיחוּ (lo tatslichu), ‘jullie zullen niet slagen’: het werkwoord betekent dat een onderneming goed uitkomt. Vergelijk Num. 14:41.
22Koning Joas dacht niet aan de trouw die Joiada, zijn vader, hem had bewezen. Hij doodde zijn zoon. Bij zijn dood zei hij: „Moge Yahweh het zien en het opeisen.”
וְלֹא
(velo)
en niet
זָכַ֞ר
(zakhar)
dacht aan
יוֹאָ֣שׁ
(yoash)
Joas
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַחֶ֨סֶד֙
(hachesed)
de trouw
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
עָשָׂ֜ה
(asa)
had bewezen
יְהוֹיָדָ֤ע
(yehoyada)
Joiada
אָבִיו֙
(aviv)
zijn vader
עִמּ֔וֹ
(imo)
aan hem
וַֽיַּהֲרֹ֖ג
(vayaharog)
en hij doodde
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנ֑וֹ
(beno)
zijn zoon
וּכְמוֹת֣וֹ
(ukhemoto)
en bij zijn dood
אָמַ֔ר
(amar)
zei hij
יֵ֥רֶא
(yere)
moge zien
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיִדְרֹֽשׁ
(veyidrosh)
en opeisen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Zijn vader’ en ‘zijn zoon’: in het Hebreeuws staat ‘zijn’ zonder naam.
Uit het verband blijkt dat Joiada de vader van Zacharia is (vers 20).
Wij houden het onbepaald zoals de tekst.
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: Joiada had Joas in leven gehouden en tot koning laten maken (2 Kron. 22:11–23:21).
יִרֶא יְהוָה וְיִדְרֹשׁ (yere Yahweh veyidrosh), ‘moge Yahweh het zien en het opeisen’: het werkwoord דָּרַשׁ (darash) betekent ook ‘terugvragen’ of ‘rekenschap vragen’, zoals bij bloedschuld in Gen. 9:5.
23Bij de wisseling van het jaar trok het leger van Aram tegen hem op. Zij kwamen in Juda en Jeruzalem. Zij vernietigden alle leiders van het volk uit het volk. Heel hun buit stuurden zij naar de koning van Damascus.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
לִתְקוּפַ֣ת
(litqufat)
bij de wisseling van
הַשָּׁנָ֗ה
(hashana)
het jaar
עָלָ֣ה
(ala)
trok op
עָלָיו֮
(alav)
tegen hem
חֵ֣יל
(cheil)
het leger van
אֲרָם֒
(aram)
Aram
וַיָּבֹ֗אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
וַיַּשְׁחִ֛יתוּ
(vayashchitu)
en zij vernietigden
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
שָׂרֵ֥י
(sarei)
leiders van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
מֵעָ֑ם
(meam)
uit het volk
וְכָל
(vekhal)
en heel
שְׁלָלָ֥ם
(shelalam)
hun buit
שִׁלְּח֖וּ
(shilechu)
zij stuurden
לְמֶ֥לֶךְ
(lemelekh)
naar de koning van
דַּרְמָֽשֶׂק
(darmaseq)
Damascus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.
Uitleg
לִתְקוּפַת הַשָּׁנָה (litqufat hashanah), ‘bij de wisseling van het jaar’: dezelfde uitdrukking als in Exod. 34:22.
Het gaat om het einde van het jaar.
Het leger van Aram trok toen het jaar zich keerde op tegen Juda. Vergelijk 2 Kon. 12:18–19 (Hebreeuwse telling) waar Hazaël Jeruzalem bedreigt en Joas hem de schatten geeft.
24Het leger van Aram kwam met maar weinig mannen. Toch gaf Yahweh een zeer groot leger in hun hand, omdat men Yahweh, de Elohim van hun vaderen, had verlaten. Zo voerden zij oordelen uit tegen Joas.
כִּי֩
(ki)
want
בְמִצְעַ֨ר
(bemitsar)
met een klein aantal
אֲנָשִׁ֜ים
(anashim)
mannen
בָּ֣אוּ
(bau)
kwam
חֵ֣יל
(cheil)
het leger van
אֲרָ֗ם
(aram)
Aram
וַֽיהוָה֙
(vaYahweh)
en Yahweh
נָתַ֨ן
(natan)
gaf
בְּיָדָ֥ם
(beyadam)
in hun hand
חַ֨יִל֙
(chayil)
een leger
לָרֹ֣ב
(larov)
groot in aantal
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
כִּ֣י
(ki)
omdat
עָֽזְב֔וּ
(azevu)
zij hadden verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶ֑ם
(avoteihem)
hun vaderen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יוֹאָ֖שׁ
(yoash)
Joas
עָשׂ֥וּ
(asu)
zij voerden uit
שְׁפָטִֽים
(shefatim)
oordelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁפָטִים (shefatim), ‘oordelen’: de uitspraken van Elohim als rechter.
Zie Exod. 6:6 en 7:4 voor hetzelfde woord bij Egypte.
Dat een klein leger wint van een groot leger is een teken dat Yahweh het doet; vergelijk Lev. 26:8 en Deut. 32:30, waar Yahweh zelf bepaalt wie wint.
25Toen zij van hem weggingen, want zij lieten hem achter met veel ziekten, smeedden zijn dienaren een samenzwering tegen hem. Dat was vanwege het bloed van de zonen van de priester Joiada. Zij doodden hem op zijn bed en hij stierf. Zij begroeven hem in de stad van David, maar niet in de graven van de koningen.
וּבְלֶכְתָּ֣ם
(uvelekhtam)
en toen zij weggingen
מִמֶּ֗נּוּ
(mimenu)
van hem
כִּֽי
(ki)
want
עָזְב֣וּ
(azevu)
zij lieten achter
אֹתוֹ֮
(oto)
hem
בְּמַחֲלוּיִ֣ם
(bemachaluyim)
met ziekten
רַבִּים֒
(rabim)
veel
הִתְקַשְּׁר֨וּ
(hitqasheru)
smeedden een samenzwering
עָלָ֜יו
(alav)
tegen hem
עֲבָדָ֗יו
(avadav)
zijn dienaren
בִּדְמֵי֙
(bidmei)
vanwege het bloed van
בְּנֵי֙
(benei)
de zonen van
יְהוֹיָדָ֣ע
(yehoyada)
Joiada
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וַיַּֽהַרְגֻ֥הוּ
(vayaharguhu)
en doodden hem
עַל
(al)
op
מִטָּת֖וֹ
(mitato)
zijn bed
וַיָּמֹ֑ת
(vayamot)
en hij stierf
וַֽיִּקְבְּרֻ֨הוּ֙
(vayiqberuhu)
en zij begroeven hem
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֔יד
(david)
David
וְלֹ֥א
(velo)
maar niet
קְבָרֻ֖הוּ
(qevaruhu)
zij begroeven hem
בְּקִבְר֥וֹת
(beqivrot)
in de graven van
הַמְּלָכִֽים
(hamelakhim)
de koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
In 2 Kon. 12:21–22 (Hebreeuwse telling) wordt Joas bij Bet-Millo vermoord, op de afdaling naar Silla.
Kronieken noemt zijn bed.
Lezing
Het Hebreeuws schrijft (ketiv) een iets andere vorm van het woord ‘ziekten’ (בְּמַחֲלִיִּים) dan het leest (qere, בְּמַחֲלוּיִם).
De betekenis blijft gelijk.
Het woord komt alleen hier voor.
De tekst heeft ‘de zonen van Joiada’ (בְּנֵי, bene), het meervoud. Sommige oude vertalingen hebben ‘zoon’; dat zou passen bij vers 20–22, waar alleen Zacharia wordt genoemd. Wij volgen de Masoretische tekst.
26Dit zijn zij die een samenzwering tegen hem smeedden: Zabad, de zoon van Sjimeat, de Ammonitische, en Jehozabad, de zoon van Sjimrit, de Moabitische.
וְאֵ֖לֶּה
(veele)
en dit zijn
הַמִּתְקַשְּׁרִ֣ים
(hamitqasherim)
die een samenzwering smeedden
עָלָ֑יו
(alav)
tegen hem
זָבָ֗ד
(zavad)
Zabad
בֶּן
(ben)
zoon van
שִׁמְעָת֙
(shimat)
Sjimeat
הָֽעַמּוֹנִ֔ית
(haamonit)
de Ammonitische
וִיה֣וֹזָבָ֔ד
(vihozavad)
en Jehozabad
בֶּן
(ben)
zoon van
שִׁמְרִ֖ית
(shimrit)
Sjimrit
הַמּוֹאָבִֽית
(hamoavit)
de Moabitische
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Kronieken noemt de moeders van de samenzweerders: een Ammonitische en een Moabitische.
In 2 Kon. 12:22 (Hebreeuwse telling) staan Jozabad, de zoon van Sjimeat, en Jehozabad, de zoon van Sjomer.
Kronieken heeft Zabad, de zoon van Sjimeat, en Jehozabad, de zoon van Sjimrit.
Wij schrijven de namen zoals in het Hebreeuws van elk boek.
27Over zijn zonen, over de zware last die op hem kwam en over de nieuwe grondvesting van het huis van Elohim: zie, het staat geschreven in de uitleg van het boek van de koningen. Zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats.
וּבָנָ֞יו
(uvanav)
en zijn zonen
יִ֧רֶ֞ב
(yirev)
groot was
הַמַּשָּׂ֣א
(hamasa)
de last
עָלָ֗יו
(alav)
op hem
וִיסוֹד֙
(visod)
en de grondvesting van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie zij
כְּתוּבִ֔ים
(ketuvim)
staan geschreven
עַל
(al)
in
מִדְרַ֖שׁ
(midrash)
de uitleg van
סֵ֣פֶר
(sefer)
het boek van
הַמְּלָכִ֑ים
(hamelakhim)
de koningen
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
אֲמַצְיָ֥הוּ
(amatsyahu)
Amazia
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמַּשָּׂא (hammassa), ‘de last’: dat kan ook ‘godsspraak’ betekenen.
Het gaat om de zware uitspraken tegen Joas.
מִדְרַשׁ סֵפֶר הַמְּלָכִים (midrash sefer hamelakhim), ‘de uitleg van het boek van de koningen’: מִדְרָשׁ (midrash) betekent ‘onderzoek’ of ‘uitleg’. Of dit hetzelfde werk is als het ‘dagboek van de koningen van Juda en Israël’ (2 Kron. 25:26), zegt de tekst niet.
Lezing
Het Hebreeuws schrijft (ketiv) וְרֹב (verov), ‘en de grote hoeveelheid van’, maar leest (qere) יִרֶב (yerev), ‘groot was’.