Elohim Bijbel

Spreuken 22

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Slotspreuken van Salomo en het begin van de woorden van de wijzen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Een naam is te verkiezen boven grote rijkdom; gunst is beter dan zilver en goud.
נִבְחָ֣ר
(nivchar)
is te kiezen
שֵׁ֭ם
(shem)
een naam
מֵעֹ֣שֶׁר
(meosher)
boven rijkdom
רָ֑ב
(rav)
grote
מִכֶּ֥סֶף
(mikesef)
boven zilver
וּ֝מִזָּהָ֗ב
(umizahav)
en boven goud
חֵ֣ן
(chen)
gunst
טֽוֹב
(tov)
is goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁם (shem), ‘naam’: hier de goede naam, de goede reputatie.

חֵן (chen), ‘gunst’: de welwillendheid die iemand van anderen krijgt.

2Rijke en berooide ontmoeten elkaar; Yahweh is de Maker van hen allen.
עָשִׁ֣יר
(ashir)
rijke
וָרָ֣שׁ
(varash)
en berooide
נִפְגָּ֑שׁוּ
(nifgashu)
ontmoeten elkaar
עֹשֵׂ֖ה
(ose)
Maker
כֻלָּ֣ם
(kulam)
van hen allen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹשֵׂה (oseh), ‘Maker’: Yahweh heeft rijk en berooid gemaakt.

Vergelijk Job 34:19 en Spr. 29:13.

3De slimme ziet het kwaad en verbergt zich; maar de eenvoudigen gaan door en worden gestraft.
עָר֤וּם
(arum)
slimme
רָאָ֣ה
(raa)
ziet
רָעָ֣ה
(raa)
het kwaad
וְנִסְתָּ֑ר
(venistar)
en verbergt zich
וּ֝פְתָיִ֗ים
(ufetayim)
en eenvoudigen
עָבְר֥וּ
(averu)
gaan door
וְֽנֶעֱנָֽשׁוּ
(veneenashu)
en worden gestraft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרוּם (arum), ‘slimme’: slim in de goede zin, dus bedachtzaam en voorzichtig.

Verwant aan ‘slimheid’ (ערמה, orma).

פְּתָיִים (petayim), ‘eenvoudigen’: wie licht te beïnvloeden is.

Deze spreuk komt bijna woordelijk terug in Spr. 27:12.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft וְיִסָּתֵר (‘en hij verbergt zich’); het gelezen woord (qere) heeft וְנִסְתָּר (‘en verbergt zich’).

Wij volgen de lezing; de betekenis is gelijk.

4Het loon van nederigheid, van de vrees voor Yahweh, is rijkdom, eer en leven.
עֵ֣קֶב
(eqev)
het loon van
עֲ֭נָוָה
(anava)
nederigheid
יִרְאַ֣ת
(yirat)
vrees voor
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
עֹ֖שֶׁר
(osher)
rijkdom
וְכָב֣וֹד
(vekhavod)
en eer
וְחַיִּֽים
(vechayim)
en leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵקֶב (eqev), ‘loon’: eigenlijk ‘wat erop volgt’, het gevolg.

Het Hebreeuws heeft hier geen voegwoord: ‘Het loon van nederigheid, vrees voor Yahweh, rijkdom, eer en leven.’

Wij lezen ‘vrees voor Yahweh’ als nadere uitleg van ‘nederigheid’.

Het kan ook zijn: nederigheid en vrees voor Yahweh brengen rijkdom, eer en leven.

כָּבוֹד (kavod), ‘eer’: hier de eer van een persoon.

5Doornen en strikken liggen op de weg van de verdraaide; wie zijn ziel bewaart, blijft ver van hen.
צִנִּ֣ים
(tsinim)
doornen
פַּ֭חִים
(pachim)
strikken
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
עִקֵּ֑שׁ
(iqesh)
de verdraaide
שׁוֹמֵ֥ר
(shomer)
wie bewaart
נַ֝פְשׁ֗וֹ
(nafsho)
zijn ziel
יִרְחַ֥ק
(yirchaq)
blijft ver
מֵהֶֽם
(mehem)
van hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Leid de jongen op volgens zijn weg; zelfs als hij oud wordt, wijkt hij er niet van af.
חֲנֹ֣ךְ
(chanokh)
leid op
לַ֭נַּעַר
(lanaar)
de jongen
עַל
(al)
volgens
פִּ֣י
(pi)
de mond van
דַרְכּ֑וֹ
(darko)
zijn weg
גַּ֥ם
(gam)
ook
כִּֽי
(ki)
als
יַ֝זְקִ֗ין
(yazqin)
hij oud wordt
לֹֽא
(lo)
niet
יָס֥וּר
(yasur)
wijkt hij af
מִמֶּֽנָּה
(mimena)
ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲנֹךְ (chanokh), ‘leid op’: eigenlijk ‘inwijden’, ‘beginnen te onderwijzen’ (zo ook Deut. 20:5 voor het in gebruik nemen van een huis).

עַל פִּי דַרְכּוֹ (al pi darko), letterlijk ‘naar de mond van zijn weg’: naar de weg die voor hem bestemd is of die bij hem past. Beide uitleggingen zijn mogelijk.

7De rijke heerst over berooiden, en de lener is een dienaar van de man die uitleent.
עָ֭שִׁיר
(ashir)
de rijke
בְּרָשִׁ֣ים
(berashim)
over berooiden
יִמְשׁ֑וֹל
(yimshol)
heerst
וְעֶ֥בֶד
(veeved)
en een dienaar is
לֹ֝וֶ֗ה
(love)
de lener
לְאִ֣ישׁ
(leish)
van de man
מַלְוֶֽה
(malve)
die uitleent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָשִׁים (rashim), ‘berooiden’: wie niets bezit.

8Wie onrecht zaait, oogst onheil; en de stok van zijn woede houdt op.
זוֹרֵ֣עַ
(zorea)
wie zaait
עַ֭וְלָה
(avla)
onrecht
יִקְצָר
(yiqtsar)
oogst
אָ֑וֶן
(aven)
onheil
וְשֵׁ֖בֶט
(veshevet)
en de stok van
עֶבְרָת֣וֹ
(evrato)
zijn woede
יִכְלֶֽה
(yikhle)
houdt op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁבֶט עֶבְרָתוֹ (shevet evrato), ‘de stok van zijn woede’: het middel waarmee de onderdrukker slaat; zijn macht komt tot een einde.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft יקצור en het gelezen woord (qere) יִקְצָר; beide betekenen ‘hij oogst’.

Sommige oude vertalingen hebben na deze spreuk een extra regel over een blijmoedige gever die Elohim zegent. De Masoretische tekst heeft die regel niet; wij volgen de Masoretische tekst.

9Wie goed van oog is, wordt gezegend, want hij geeft van zijn brood aan de geringe.
טֽוֹב
(tov)
goed van
עַ֭יִן
(ayin)
oog
ה֣וּא
(hu)
hij
יְבֹרָ֑ךְ
(yevorakh)
wordt gezegend
כִּֽי
(ki)
want
נָתַ֖ן
(natan)
hij geeft
מִלַּחְמ֣וֹ
(milachmo)
van zijn brood
לַדָּֽל
(ladal)
aan de geringe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טוֹב־עַיִן (tov ayin), ‘goed van oog’: gul, iemand die met welwillende blik naar de behoeftige kijkt.

Het tegengestelde is ‘een boos oog’ (Spr. 23:6).

דַּל (dal), ‘geringe’: de arme.

10Verjaag de spotter, dan gaat de twist weg; geschil en smaad houden op.
גָּ֣רֵֽשׁ
(garesh)
verjaag
לֵ֭ץ
(lets)
de spotter
וְיֵצֵ֣א
(veyetse)
dan gaat weg
מָד֑וֹן
(madon)
twist
וְ֝יִשְׁבֹּ֗ת
(veyishbot)
en houdt op
דִּ֣ין
(din)
geschil
וְקָלֽוֹן
(veqalon)
en smaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִּין (din), ‘geschil’: een rechtszaak of twist.

קָלוֹן (qalon), ‘smaad’: schande.

11Wie zuiverheid van hart liefheeft, heeft gunst op zijn lippen; de koning is zijn vriend.
אֹהֵ֥ב
(ohev)
wie liefheeft
טְהָר
(tehar)
zuiverheid van
לֵ֑ב
(lev)
hart
חֵ֥ן
(chen)
gunst van
שְׂ֝פָתָ֗יו
(sefatav)
zijn lippen
רֵעֵ֥הוּ
(reehu)
zijn vriend
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zin is in het Hebreeuws kort en onvolledig: ‘Wie zuiverheid van hart liefheeft, gunst van zijn lippen, zijn vriend is de koning.’

Wij vullen alleen ‘heeft’ aan.

Het kan ook zijn: wie zuiverheid van hart en gunst van de lippen liefheeft.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft טהור (‘zuiver’), het gelezen woord (qere) טְהָר-.

De betekenis is gelijk.

12De ogen van Yahweh bewaken kennis, maar Hij werpt de woorden van de trouweloze omver.
עֵינֵ֣י
(einei)
de ogen van
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
נָ֣צְרוּ
(natseru)
bewaken
דָ֑עַת
(daat)
kennis
וַ֝יְסַלֵּ֗ף
(vaysalef)
maar Hij werpt omver
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
בֹגֵֽד
(boged)
de trouweloze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָצְרוּ דָעַת (natsru da’at), ‘zij bewaken kennis’: Yahweh waakt over wie kennis heeft en houdt die in stand.

בֹּגֵד (boged), ‘trouweloze’: wie trouw verbreekt.

13De luiaard zegt: „Er is een leeuw buiten! Midden op de pleinen word ik vermoord!”
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
עָ֭צֵל
(atsel)
de luiaard
אֲרִ֣י
(ari)
een leeuw
בַח֑וּץ
(bachuts)
buiten
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
midden op
רְ֝חֹב֗וֹת
(rechovot)
de pleinen
אֵֽרָצֵֽחַ
(eratseach)
word ik vermoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָצֵל (atsel), ‘luiaard’: wie een smoes zoekt om niet te hoeven werken.

Een verwante spreuk staat in Spr. 26:13.

14De mond van vreemde vrouwen is een diepe kuil; wie door Yahweh verwenst is, valt daarin.
שׁוּחָ֣ה
(shucha)
een kuil
עֲ֭מֻקָּה
(amuqa)
diep
פִּ֣י
(pi)
de mond van
זָר֑וֹת
(zarot)
vreemde vrouwen
זְע֥וּם
(zeum)
wie verwenst is door
יְ֝הוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יִפָּל
(yipal)
valt
שָֽׁם
(sham)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָרוֹת (zarot), ‘vreemde vrouwen’: vrouwen buiten het huwelijk.

Zie ook Spr. 2:16, 5:3 en 7:5.

זְעוּם יְהוָה (zeum Yahweh), ‘door Yahweh verwenst’: wie Yahweh heeft opgegeven, valt in die kuil.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft יפול en het gelezen woord (qere) יִפָּל; beide betekenen ‘valt’.

15Zotheid zit gebonden in het hart van de jongen; de stok van de tucht verwijdert haar van hem.
אִ֭וֶּלֶת
(ivelet)
zotheid
קְשׁוּרָ֣ה
(qeshura)
gebonden
בְלֶב
(belev)
in het hart van
נָ֑עַר
(naar)
de jongen
שֵׁ֥בֶט
(shevet)
de stok van
מ֝וּסָ֗ר
(musar)
tucht
יַרְחִיקֶ֥נָּה
(yarchiqena)
verwijdert haar
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: wat de zot (אֱוִיל, evil) kenmerkt.

מוּסָר (musar), ‘tucht’: ook ‘onderricht’ of ‘vermaning’. Zie ook Spr. 13:24 en 23:13–14.

16Wie de geringe onderdrukt om voor zichzelf te vermeerderen, en wie aan een rijke geeft: het leidt slechts tot gebrek.
עֹ֣שֵֽׁק
(osheq)
wie onderdrukt
דָּ֭ל
(dal)
de geringe
לְהַרְבּ֣וֹת
(leharbot)
om te vermeerderen
ל֑וֹ
(lo)
voor zichzelf
נֹתֵ֥ן
(noten)
wie geeft
לְ֝עָשִׁ֗יר
(leashir)
aan een rijke
אַךְ
(akh)
slechts
לְמַחְסֽוֹר
(lemachsor)
tot gebrek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het tweede deel is kort: ‘wie geeft aan een rijke, slechts tot gebrek’.

Beide handelingen, de geringe onderdrukken en de rijke geven, leiden tot gebrek.

Wij laten de zin zoals hij staat.

לוֹ (lo), ‘voor zichzelf’: hij wil er zelf rijker van worden.

Woorden van de wijzen

17Neig je oor en hoor de woorden van de wijzen, en richt je hart op mijn kennis.
הַ֥ט
(hat)
neig
אָזְנְךָ֗
(azenekha)
je oor
וּ֭שְׁמַע
(ushema)
en hoor
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
חֲכָמִ֑ים
(chakhamim)
wijzen
וְ֝לִבְּךָ֗
(velibekha)
en je hart
תָּשִׁ֥ית
(tashit)
richt
לְדַעְתִּֽי
(ledati)
op mijn kennis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier tot Spr. 24:22 loopt een reeks leerstukken die ‘woorden van de wijzen’ heet.

De reeks vertoont overeenkomst met het Egyptische geschrift ‘De leer van Amenemope’; de verhouding tussen beide teksten is niet zeker.

דִּבְרֵי חֲכָמִים (divre chakhamim), ‘woorden van de wijzen’: het opschrift van deze verzameling. Zie ook Spr. 24:23.

De spreker is hier de leraar; hij spreekt zijn leerling, zijn ‘zoon’, aan.

18Want het is aangenaam als je ze bewaart in je binnenste; laat ze samen vaststaan op je lippen.
כִּֽי
(ki)
want
נָ֭עִים
(naim)
aangenaam
כִּֽי
(ki)
als
תִשְׁמְרֵ֣ם
(tishmerem)
je ze bewaart
בְּבִטְנֶ֑ךָ
(bevitnekha)
in je binnenste
יִכֹּ֥נוּ
(yikonu)
zijn vastgesteld
יַ֝חְדָּ֗ו
(yachdav)
samen
עַל
(al)
op
שְׂפָתֶֽיךָ
(sefateikha)
je lippen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִכֹּנוּ (yikkonu), ‘zij zijn vastgesteld’: de woorden staan gereed op de lippen om uitgesproken te worden.

19Opdat je vertrouwen op Yahweh is, maak ik het je vandaag bekend, ja, jou.
לִהְי֣וֹת
(lihyot)
opdat
בַּ֭יהוָה
(baYahweh)
op Yahweh zij
מִבְטַחֶ֑ךָ
(mivtachekha)
je vertrouwen
הוֹדַעְתִּ֖יךָ
(hodatikha)
maak ik je bekend
הַיּ֣וֹם
(hayom)
vandaag
אַף
(af)
ook
אָֽתָּה
(ata)
jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹדַעְתִּיךָ (hoda’tikha), ‘ik maak je bekend’: de leraar verklaart nadrukkelijk dat het hem om het vertrouwen op Yahweh gaat.

20Heb ik niet voortreffelijke dingen voor je opgeschreven, in raadgevingen en kennis?
הֲלֹ֤א
(halo)
is het niet
כָתַ֣בְתִּי
(katavti)
heb ik geschreven
לְ֭ךָ
(lekha)
voor jou
שָׁלִישִׁ֑ים
(shalishim)
voortreffelijke dingen
בְּמ֖וֹעֵצֹ֣ת
(bemoetsot)
in raadgevingen
וָדָֽעַת
(vadaat)
en kennis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלִישִׁים (shalishim): de betekenis is onzeker.

Het woord kan ‘voortreffelijke dingen’ betekenen (van ‘drie’, dus ‘de derde man’, de beste), ‘drievoudig’ of ‘dertig’.

Het laatste past bij de ‘dertig’ leerstukken in Spr. 22:17–24:22.

Wij vertalen ‘voortreffelijke dingen’.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft שִׁלְשׁוֹם (shilshom), ‘eergisteren’, ‘al eerder’; het gelezen woord (qere) heeft שָׁלִישִׁים.

Wij volgen het gelezen woord.

21Om je de juistheid van woorden van waarheid te laten kennen, zodat je woorden van waarheid terugbrengt aan wie je zendt.
לְהוֹדִֽיעֲךָ֗
(lehodiakha)
om je te laten kennen
קֹ֭שְׁטְ
(qoshet)
de juistheid van
אִמְרֵ֣י
(imrei)
woorden van
אֱמֶ֑ת
(emet)
waarheid
לְהָשִׁ֥יב
(lehashiv)
om terug te brengen
אֲמָרִ֥ים
(amarim)
woorden van
אֱ֝מֶ֗ת
(emet)
waarheid
לְשֹׁלְחֶֽיךָ
(lesholecheikha)
aan wie je zendt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֹשְׁטְ (qoshet), ‘juistheid’, ‘betrouwbaarheid’: de zekerheid van wat waar is.

אֱמֶת (emet), ‘waarheid’.

לְשֹׁלְחֶיךָ (leshol’chekha), ‘aan wie je zendt’: aan degene die je een opdracht geeft of een vraag stelt.

22Beroof de geringe niet, omdat hij gering is, en onderdruk de ellendige niet in de poort.
אַֽל
(al)
niet
תִּגְזָל
(tigzal)
beroof
דָּ֭ל
(dal)
de geringe
כִּ֣י
(ki)
want
דַל
(dal)
gering
ה֑וּא
(hu)
hij is
וְאַל
(veal)
en niet
תְּדַכֵּ֖א
(tedake)
onderdruk
עָנִ֣י
(ani)
de ellendige
בַשָּֽׁעַר
(bashaar)
in de poort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דַּל (dal), ‘geringe’: de arme.

עָנִי (ani), ‘ellendige’: wie klein gemaakt is.

בַּשָּׁעַר (basha’ar), ‘in de poort’: de poort van de stad was de plaats waar recht werd gesproken.

23Want Yahweh voert hun rechtszaak, en Hij berooft hun berovers van het leven.
כִּֽי
(ki)
want
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
יָרִ֣יב
(yariv)
voert
רִיבָ֑ם
(rivam)
hun rechtszaak
וְקָבַ֖ע
(veqava)
en Hij berooft
אֶת
(et)
(obj.)
קֹבְעֵיהֶ֣ם
(qoveeihem)
hun berovers
נָֽפֶשׁ
(nafesh)
van het leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָרִיב רִיבָם (yarib rivam), ‘Hij voert hun rechtszaak’: Yahweh treedt voor hen op als pleitbezorger.

נֶפֶשׁ (nefesh): hier ‘leven’. Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘Hij berooft het leven van hun berovers’: Yahweh neemt hun het leven.

24Wees niet bevriend met een heer van toorn, en ga niet om met een man van woede.
אַל
(al)
niet
תִּ֭תְרַע
(titra)
wees bevriend
אֶת
(et)
met
בַּ֣עַל
(baal)
een heer van
אָ֑ף
(af)
toorn
וְאֶת
(veet)
en met
אִ֥ישׁ
(ish)
een man van
חֵ֝מוֹת
(chemot)
woede
לֹ֣א
(lo)
niet
תָבֽוֹא
(tavo)
kom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּעַל אַף (baal af), ‘heer van toorn’: iemand die door zijn toorn wordt beheerst.

25Anders leer je zijn paden, en haal je een strik over je ziel.
פֶּן
(pen)
anders
תֶּאֱלַ֥ף
(teelaf)
leer je
אֹֽרְחֹתָ֑יו
(orechotav)
zijn paden
וְלָקַחְתָּ֖
(velaqachta)
en haal je
מוֹקֵ֣שׁ
(moqesh)
een strik
לְנַפְשֶֽׁךָ
(lenafshekha)
voor je ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֹרְחֹתָיו (orchotav), ‘zijn paden’: zijn manier van leven.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft het enkelvoud (‘zijn pad’); het gelezen woord (qere) het meervoud.

Wij volgen het gelezen woord.

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier het leven, de hele persoon.

26Wees niet onder wie een handslag geven, onder wie borg staan voor schulden.
אַל
(al)
niet
תְּהִ֥י
(tehi)
wees
בְתֹֽקְעֵי
(betoqeei)
onder wie geven
כָ֑ף
(kaf)
een handslag
בַּ֝עֹרְבִ֗ים
(baorevim)
onder wie borg staan
מַשָּׁאֽוֹת
(mashaot)
voor schulden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֹקְעֵי כָף (toqe kaf), ‘die een handslag geven’: wie met een handslag een belofte bezegelt.

Zie ook Spr. 6:1 en 17:18.

מַשָּׁאוֹת (mashsha’ot), ‘schulden’: wat iemand aan een ander verschuldigd is.

27Als je niets hebt om te betalen, waarom zou men dan je bed onder je weghalen?
אִם
(im)
als
אֵֽין
(ein)
er niet is
לְךָ֥
(lekha)
voor jou
לְשַׁלֵּ֑ם
(leshalem)
om te betalen
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
יִקַּ֥ח
(yiqach)
zou men nemen
מִ֝שְׁכָּבְךָ֗
(mishkavekha)
je bed
מִתַּחְתֶּֽיךָ
(mitachteikha)
onder je weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een arme gaf zijn deken of zijn bed in onderpand.

Vergelijk Exod. 22:25–26 en Deut. 24:12–13.

28Verschuif de eeuwenoude grens niet, die je vaders hebben gemaakt.
אַל
(al)
niet
תַּ֭סֵּג
(taseg)
verschuif
גְּב֣וּל
(gevul)
de grens van
עוֹלָ֑ם
(olam)
altijd
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עָשׂ֣וּ
(asu)
hebben gemaakt
אֲבוֹתֶֽיךָ
(avoteikha)
je vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּבוּל עוֹלָם (gevul olam), ‘eeuwenoude grens’: de grens die al sinds lang bestaat.

Zie ook Spr. 23:10, Deut. 19:14 en Deut. 27:17.

29Heb je een man gezien die vaardig is in zijn werk? Hij zal voor koningen staan; hij zal niet voor onbekenden staan.
חָזִ֡יתָ
(chazita)
heb je gezien
אִ֤ישׁ
(ish)
een man
מָ֘הִ֤יר
(mahir)
vaardig
בִּמְלַאכְתּ֗וֹ
(bimlakhto)
in zijn werk
לִֽפְנֵֽי
(lifnei)
voor
מְלָכִ֥ים
(melakhim)
koningen
יִתְיַצָּ֑ב
(yityatsav)
zal hij staan
בַּל
(bal)
niet
יִ֝תְיַצֵּב
(yityatsev)
zal hij staan
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
חֲשֻׁכִּֽים
(chashukim)
onbekenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲשֻׁכִּים (chashukkim), ‘onbekenden’: eigenlijk ‘donkeren’, mensen zonder naam of aanzien.

Het woord komt alleen hier voor.