Elohim Bijbel

Zacharia 7

1234567891011121314

De vraag over het vasten en het antwoord van Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een vraag over het vasten

1Het gebeurde in het vierde jaar van koning Darius dat het woord van Yahweh tot Zacharia kwam, op de vierde dag van de negende maand, in Kislev.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het gebeurde
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
אַרְבַּ֔ע
(arba)
vier
לְדָרְיָ֖וֶשׁ
(ledareyavesh)
van Darius
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הָיָ֨ה
(haya)
kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
זְכַרְיָ֗ה
(zekharya)
Zacharia
בְּאַרְבָּעָ֛ה
(bearbaa)
op de vierde
לַחֹ֥דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הַתְּשִׁעִ֖י
(hateshii)
de negende
בְּכִסְלֵֽו
(bekhislev)
in Kislev
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בשׁנת ארבע לדריושׁ המלך (bishnat arba ledaryavesh hammelekh), ‘in het vierde jaar van koning Darius’: Darius I.

Dit is ongeveer 518 v.Chr., twee jaar na Zach. 1:1.

De gebeurtenissen van Zach. 1–6 liggen dus vóór dit hoofdstuk.

בכסלו (bekislev), ‘in Kislev’: de negende maand, ongeveer november–december.

2Betel stuurde Sarezer en Regem-Melech met zijn mannen om het aangezicht van Yahweh te smeken.
וַיִּשְׁלַח֙
(vayishlach)
en hij zond
בֵּֽית
(beit)
huis van
אֵ֔ל
(el)
El
שַׂר
(sar)
Sar
אֶ֕צֶר
(etser)
Ezer
וְרֶ֥גֶם
(veregem)
en Regem
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
Melech
וַֽאֲנָשָׁ֑יו
(vaanashav)
en zijn mannen
לְחַלּ֖וֹת
(lechalot)
om te smeken
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

בית אל (Beit El), ‘Betel’: het Hebreeuws kan hier op twee manieren gelezen worden.

Betel kan de stad zijn die de mannen stuurt.

Het kan ook het begin van een naam zijn: Bet-El-Sarezer, een man die Regem-Melech stuurt.

Wij houden ‘Betel’ als de zender.

שׂר אצר (Sar-Etser), ‘Sarezer’: een naam van Assyrische afkomst; zie ook Jes. 37:38. ורגם מלך (Regem-Melekh), ‘Regem-Melech’: letterlijk ‘vriend van de koning’; de betekenis is onzeker.

לחלות את פני (lechallot et penei Yahweh), ‘om het aangezicht van Yahweh te smeken’: het werkwoord chalah betekent letterlijk ‘zacht maken’. Het wordt gebruikt voor het gunstig stemmen van Yahweh, zoals in 1 Kon. 13:6.

3Zij zeiden tegen de priesters die bij het huis van Yahweh van de legermachten hoorden, en tegen de profeten: „Moet ik in de vijfde maand wenen en mij afzonderen, zoals ik al zoveel jaren doe?”
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
om te zeggen
אֶל
(el)
tot
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לְבֵית
(leveit)
bij het huis van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וְאֶל
(veel)
en tot
הַנְּבִיאִ֖ים
(haneviim)
de profeten
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הַֽאֶבְכֶּה֙
(haevke)
zal ik wenen
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַחֲמִשִׁ֔י
(hachamishi)
de vijfde
הִנָּזֵ֕ר
(hinazer)
mij afzonderen
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
עָשִׂ֔יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
זֶ֖ה
(ze)
dit
כַּמֶּ֥ה
(kame)
zoveel
שָׁנִֽים
(shanim)
jaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

האבכה בחדשׁ (ha’evkeh bachodesh), ‘Moet ik wenen in de maand’: de vijfde maand is de maand waarin de tempel werd verbrand (2 Kon. 25:8–9).

Er werd gerouwd en gevast.

הנזר (hinnazer), ‘mij afzonderen’: een werkwoord verwant met nazir (Num. 6). Het gaat hier om onthouding van eten en genot tijdens de rouw.

Het antwoord van Yahweh

4Het woord van Yahweh van de legermachten kwam tot mij:
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het kwam
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJes 10:16
5„Zeg tegen heel het volk van het land en tegen de priesters: ‘Jullie hebben in de vijfde en in de zevende maand gevast en gerouwd, nu al zeventig jaar. Hebben jullie toen werkelijk gevast, voor Mij?
אֱמֹר֙
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
עַ֣ם
(am)
het volk van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְאֶל
(veel)
en tot
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כִּֽי
(ki)
wanneer
צַמְתֶּ֨ם
(tsamtem)
jullie hebben gevast
וְסָפ֜וֹד
(vesafod)
en rouwen
בַּחֲמִישִׁ֣י
(bachamishi)
in de vijfde
וּבַשְּׁבִיעִ֗י
(uvashevii)
en in de zevende
וְזֶה֙
(veze)
en dit
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
הֲצ֥וֹם
(hatsom)
het vasten
צַמְתֻּ֖נִי
(tsamtuni)
hebben jullie gevast voor Mij
אָֽנִי
(ani)
Ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הצום צמתני אני (hatsom tsamtuni ani), ‘hebben jullie werkelijk gevast, voor Mij?’: de vraag verwacht het antwoord ‘nee’.

Zij vastten voor zichzelf en niet voor Yahweh.

וזה שׁבעים שׁנה (vezeh shiv’im shanah), ‘nu al zeventig jaar’: de zeventig jaar van de verwoesting en de ballingschap (Jer. 25:11–12; 29:10; Zach. 1:12).

בחמישׁי ובשׁביעי (bachamishi uvashvi’i), ‘in de vijfde en in de zevende’: de vijfde maand (verbranding van de tempel) en de zevende maand (de moord op Gedalja, 2 Kon. 25:25; Jer. 41:1–2).

6En toen jullie aten en toen jullie dronken, waren jullie het niet zelf die aten en jullie zelf die dronken?
וְכִ֥י
(vekhi)
en wanneer
תֹאכְל֖וּ
(tokhlu)
jullie eten
וְכִ֣י
(vekhi)
en wanneer
תִשְׁתּ֑וּ
(tishtu)
jullie drinken
הֲל֤וֹא
(halo)
niet
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
הָאֹ֣כְלִ֔ים
(haokhelim)
de etenden
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
הַשֹּׁתִֽים
(hashotim)
de drinkenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Zijn dit niet de woorden die Yahweh door de vroegere profeten heeft uitgeroepen? Toen was Jeruzalem bewoond en onbezorgd, met haar steden rondom haar, en ook de Negev en de Sefela waren bewoond.’”
הֲל֣וֹא
(halo)
niet
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֗ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
קָרָ֤א
(qara)
heeft geroepen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד֙
(beyad)
door de hand van
הַנְּבִיאִ֣ים
(haneviim)
de profeten
הָרִֽאשֹׁנִ֔ים
(harishonim)
de vroegere
בִּהְי֤וֹת
(bihyot)
toen was
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
יֹשֶׁ֣בֶת
(yoshevet)
bewoond
וּשְׁלֵוָ֔ה
(usheleva)
en onbezorgd
וְעָרֶ֖יהָ
(veareiha)
en haar steden
סְבִיבֹתֶ֑יהָ
(sevivoteiha)
rondom haar
וְהַנֶּ֥גֶב
(vehanegev)
en de Negev
וְהַשְּׁפֵלָ֖ה
(vehashefela)
en de Sefela
יֹשֵֽׁב
(yoshev)
bewoond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda.

Uitleg

הלוא את הדברים אשׁר קרא יהוה ביד הנביאים הראשׁנים (halo et haddevarim ...), ‘zijn dit niet de woorden’: het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord.

De vraag wijst terug op de vroegere profeten.

והנגב והשׁפלה (vehannegev vehashshefelah), ‘de Negev en de Sefela’: het zuiden en het heuvelland ten westen van Juda.

Wat de vroegere profeten zeiden

8Het woord van Yahweh kwam tot Zacharia:
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het kwam
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
זְכַרְיָ֖ה
(zekharya)
Zacharia
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Spreek recht naar waarheid. Doe trouw en ontferming, ieder aan zijn broeder.
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֛ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
מִשְׁפַּ֤ט
(mishpat)
recht
אֱמֶת֙
(emet)
waarheid
שְׁפֹ֔טוּ
(shefotu)
spreekt
וְחֶ֣סֶד
(vechesed)
en trouw
וְרַֽחֲמִ֔ים
(verachamim)
en ontferming
עֲשׂ֖וּ
(asu)
doet
אִ֥ישׁ
(ish)
man
אֶת
(et)
aan
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

משׁפט אמת (mishpat emet), ‘recht naar waarheid’: recht dat waar en betrouwbaar is.

Het zijn de woorden van de vroegere profeten, ook te vinden in Zach. 8:16.

וחסד ורחמים (chesed verachamim), ‘trouw en ontferming’: chesed is trouw aan een verbond; rachamim is de ontferming van een moeder (verwant met rechem, ‘baarmoeder’).

10Onderdruk de weduwe niet, de wees, de vreemdeling en de arme. Bedenk in jullie hart geen kwaad tegen elkaar.”
וְאַלְמָנָ֧ה
(vealmana)
en weduwe
וְיָת֛וֹם
(veyatom)
en wees
גֵּ֥ר
(ger)
vreemdeling
וְעָנִ֖י
(veani)
en arme
אַֽל
(al)
niet
תַּעֲשֹׁ֑קוּ
(taashoqu)
onderdrukt
וְרָעַת֙
(veraat)
en het kwaad van
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broeder
אַֽל
(al)
niet
תַּחְשְׁב֖וּ
(tachshevu)
bedenkt
בִּלְבַבְכֶֽם
(bilvavkhem)
in jullie hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואלמנה ויתום גר ועני (almanah veyatom ger ve’ani), ‘de weduwe, de wees, de vreemdeling en de arme’: de vier groepen die Yahweh in de wet beschermt (Exod. 22:20–22; Deut. 24:17–21).

11Maar zij weigerden op te merken. Zij boden een weerspannige schouder en maakten hun oren zwaar, zodat zij niet konden horen.
וַיְמָאֲנ֣וּ
(vaymaanu)
en zij weigerden
לְהַקְשִׁ֔יב
(lehaqshiv)
op te merken
וַיִּתְּנ֥וּ
(vayitenu)
en zij gaven
כָתֵ֖ף
(katef)
schouder
סֹרָ֑רֶת
(soraret)
weerspannige
וְאָזְנֵיהֶ֖ם
(veazeneihem)
en hun oren
הִכְבִּ֥ידוּ
(hikhbidu)
maakten zij zwaar
מִשְּׁמֽוֹעַ
(mishemoa)
om te horen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כתף סררת (katef sorerret), ‘een weerspannige schouder’: een beeld van een rund dat zich aan het juk onttrekt, zoals in Hos. 4:16.

12Zij maakten hun hart zo hard als diamant. Zij wilden de wet niet horen, en ook niet de woorden die Yahweh van de legermachten door Zijn Geest had gestuurd door de vroegere profeten. Er kwam een grote toorn van Yahweh van de legermachten.
וְלִבָּ֞ם
(velibam)
en hun hart
שָׂ֣מוּ
(samu)
maakten zij
שָׁמִ֗יר
(shamir)
diamant
מִ֠שְּׁמוֹעַ
(mishemoa)
om te horen
אֶת
(et)
(obj.)
הַתּוֹרָ֤ה
(hatora)
de wet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַדְּבָרִים֙
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
שָׁלַ֜ח
(shalach)
zond
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
בְּרוּח֔וֹ
(berucho)
door Zijn Geest
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
הַנְּבִיאִ֣ים
(haneviim)
de profeten
הָרִֽאשֹׁנִ֑ים
(harishonim)
de vroegere
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en er was
קֶ֣צֶף
(qetsef)
toorn
גָּד֔וֹל
(gadol)
grote
מֵאֵ֖ת
(meet)
van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁמיר (shamir), ‘diamant’: een zeer harde steen, zoals in Ezech. 3:9 en Jer. 17:1.

ברוחו (beruchô), ‘door Zijn Geest’: Yahweh stuurde Zijn woorden door de profeten, door Zijn Geest. Wij schrijven ‘Geest’ met hoofdletter.

קצף (qetsef), ‘toorn’: een grote toorn van Yahweh van de legermachten. Het is de oorzaak van de ballingschap.

13Het gebeurde: zoals Hij riep en zij niet wilden horen, „zo riepen zij en wilde Ik niet horen, zei Yahweh van de legermachten.
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het gebeurde
כַאֲשֶׁר
(kaasher)
zoals
קָרָ֖א
(qara)
Hij riep
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שָׁמֵ֑עוּ
(shameu)
zij hoorden
כֵּ֤ן
(ken)
zo
יִקְרְאוּ֙
(yiqreu)
zij riepen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶשְׁמָ֔ע
(eshma)
Ik hoorde
אָמַ֖ר
(amar)
zei
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כן יקראו ולא אשׁמע (ken yiqre’u veló eshma), ‘zo riepen zij en wilde Ik niet horen’: de werkwoordsvormen in het Hebreeuws kunnen toekomst of herhaling betekenen.

Wij lezen het als een terugblik: Yahweh herinnert aan wat in het verleden gebeurde.

Vergelijk Jer. 11:11.

De woorden van Yahweh beginnen hier midden in de zin en staan rood. Het begin van het vers is van de profeet.

14Ik verstrooide hen met een storm onder alle volken die zij niet kenden. Het land bleef achter hen verwoest, zodat niemand erdoorheen trok of terugkeerde. Zo maakten zij het begeerlijke land tot een woestenij.”
וְאֵ֣סָעֲרֵ֗ם
(veesaarem)
en Ik verstrooide hen met een storm
עַ֤ל
(al)
onder
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יְדָע֔וּם
(yedaum)
zij kenden hen
וְהָאָ֨רֶץ֙
(vehaarets)
en het land
נָשַׁ֣מָּה
(nashama)
werd verwoest
אַֽחֲרֵיהֶ֔ם
(achareihem)
achter hen
מֵֽעֹבֵ֖ר
(meover)
van doortrekken
וּמִשָּׁ֑ב
(umishav)
en van terugkeren
וַיָּשִׂ֥ימוּ
(vayasimu)
en zij maakten
אֶֽרֶץ
(erets)
land van
חֶמְדָּ֖ה
(chemda)
begeerte
לְשַׁמָּֽה
(leshama)
tot woestenij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואסערם (ve’esa’arem), ‘Ik verstrooide hen met een storm’: het werkwoord sa’ar, ‘stormen’.

Het beeld is dat een stormwind het volk wegvoert.

De vorm kan ook als toekomst worden gelezen.

Wij lezen het als terugblik, zoals in vers 13.

מעבר ומשׁב (me’over umishshav), ‘van doortrekken en van terugkeren’: er was niemand meer die het land doorkruiste.

ארץ חמדה (erets chemdah), ‘het begeerlijke land’: een benaming voor het land Israël, zoals in Ps. 106:24 en Jer. 3:19.