Elohim Bijbel

Jeremia 37

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Zedekia vraagt om gebed, maar Jeremia wordt opgesloten

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Zedekia luistert niet

1Zedekia, de zoon van Josia, regeerde als koning in de plaats van Jojachin, de zoon van Jojakim. Nebukadnezar, de koning van Babel, had hem tot koning gemaakt in het land Juda.
וַיִּ֨מְלָךְ
(vayimlakh)
en regeerde als koning
מֶ֔לֶךְ
(melekh)
koning
צִדְקִיָּ֖הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹֽאשִׁיָּ֑הוּ
(yoshiyahu)
Josia
תַּ֗חַת
(tachat)
in plaats van
כָּנְיָ֨הוּ֙
(kaneyahu)
Jojachin
בֶּן
(ben)
zoon van
יְה֣וֹיָקִ֔ים
(yehoyaqim)
Jojakim
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הִמְלִ֛יךְ
(himlikh)
maakte tot koning
נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

כָּנְיָהוּ (Konyahu), ‘Konjahu’: een korte vorm van de naam Jojachin; zie de Uitleg bij Jer. 22:24.

Zedekia, vroeger Mattanja, kreeg zijn naam van de koning van Babel (2 Kon. 24:17).

Het Hebreeuws zegt ‘die Nebukadnezar tot koning had gemaakt’. Wij nemen aan dat dit over Zedekia gaat.

2Maar noch hij, noch zijn dienaren, noch het volk van het land luisterde naar de woorden van Yahweh. Hij had ze door de hand van Jeremia, de profeet, gesproken.
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמַ֛ע
(shama)
luisterde
ה֥וּא
(hu)
hij
וַעֲבָדָ֖יו
(vaavadav)
en zijn dienaren
וְעַ֣ם
(veam)
en het volk van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
אֶל
(el)
naar
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
דִּבֶּ֔ר
(diber)
Hij sprak
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
יִרְמְיָ֥הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִֽיא
(hanavi)
de profeet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook 2 Kron. 36:12, waar staat dat Zedekia zich niet verootmoedigde voor Jeremia, de profeet, die sprak uit de mond van Yahweh.

3Koning Zedekia stuurde Jehuchal, de zoon van Sjelemja, en Sefanja, de zoon van Maäseja, de priester, naar Jeremia, de profeet. Zij zeiden: „Bid toch voor ons tot Yahweh, onze Elohim.”
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en zond
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
צִדְקִיָּ֜הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּכַ֣ל
(yehukhal)
Jehuchal
בֶּן
(ben)
zoon van
שֶֽׁלֶמְיָ֗ה
(shelemya)
Sjelemja
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צְפַנְיָ֤הוּ
(tsefanyahu)
Sefanja
בֶן
(ben)
zoon van
מַֽעֲשֵׂיָה֙
(maaseya)
Maäseja
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
אֶל
(el)
naar
יִרְמְיָ֥הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִתְפַּלֶּל
(hitpalel)
bid
נָ֣א
(na)
toch
בַעֲדֵ֔נוּ
(baadenu)
voor ons
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוּכַל (Yehukhal), ‘Jehuchal’: in Jer. 38:1 staat יוּכַל (Yukhal), ‘Jukal’.

Waarschijnlijk is het dezelfde man; de naam heeft twee schrijfwijzen.

Wij houden beide spellingen zoals ze staan.

צְפַנְיָהוּ בֶּן־מַעֲשֵׂיָה (Tsefanyahu ben-Ma’aseyah), ‘Sefanja, de zoon van Maäseja’: een priester die ook in Jer. 21:1 en 29:25–29 voorkomt.

הִתְפַּלֶּל־נָא (hitpallel-na), ‘bid toch’: de koning vraagt de profeet om voorbede. Vergelijk Jer. 21:2.

4Jeremia ging nog in en uit onder het volk. Men had hem nog niet in de gevangenis gezet.
וְיִרְמְיָ֕הוּ
(veyirmeyahu)
en Jeremia
בָּ֥א
(ba)
kwam
וְיֹצֵ֖א
(veyotse)
en ging uit
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נָתְנ֥וּ
(natenu)
hadden zij gegeven
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הַכְּלֽוּא
(hakelu)
de gevangenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft הַכְּלִיא, het qere הַכְּלוּא.

Beide betekenen ‘de gevangenis’ (letterlijk ‘het huis van opsluiting’).

Wij volgen het qere.

Het leger van de farao en het woord van Yahweh

5Het leger van de farao was uit Egypte getrokken. Toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden, het bericht over hen hoorden, trokken zij weg van Jeruzalem.
וְחֵ֥יל
(vecheil)
en het leger van
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
farao
יָצָ֣א
(yatsa)
was uitgetrokken
מִמִּצְרָ֑יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וַיִּשְׁמְע֨וּ
(vayishmeu)
en hoorden
הַכַּשְׂדִּ֜ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
הַצָּרִ֤ים
(hatsarim)
de belegerende
עַל
(al)
over
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁמְעָ֔ם
(shimam)
het bericht over hen
וַיֵּ֣עָל֔וּ
(vayealu)
en zij trokken weg
מֵעַ֖ל
(meal)
van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

‘Het leger van de farao’: waarschijnlijk dat van farao Hofra (Jer. 44:30), die Juda te hulp kwam.

De tekst noemt hier geen naam.

שִׁמְעָם (shim’am), ‘het bericht over hen’: de Chaldeeën hoorden dat het leger van Egypte kwam en trokken weg van Jeruzalem. Zie ook Jer. 34:21.

6Het woord van Yahweh kwam tot Jeremia, de profeet:
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en kwam
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
יִרְמְיָ֥הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: „Zo moeten jullie zeggen tegen de koning van Juda. Hij heeft jullie naar Mij gestuurd om Mij te raadplegen: ‘Zie, het leger van de farao is jullie te hulp uitgetrokken. Het keert terug naar zijn land, Egypte.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כֹּ֤ה
(ko)
zo
תֹֽאמְרוּ֙
(tomru)
zullen jullie zeggen
אֶל
(el)
tot
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
הַשֹּׁלֵ֧חַ
(hasholeach)
die zond
אֶתְכֶ֛ם
(etkhem)
jullie
אֵלַ֖י
(elay)
naar Mij
לְדָרְשֵׁ֑נִי
(ledaresheni)
om Mij te raadplegen
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
חֵ֣יל
(cheil)
het leger van
פַּרְעֹ֗ה
(paro)
farao
הַיֹּצֵ֤א
(hayotse)
dat uittrekt
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
לְעֶזְרָ֔ה
(leezra)
tot hulp
שָׁ֥ב
(shav)
zal terugkeren
לְאַרְצ֖וֹ
(leartso)
naar zijn land
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

לְדָרְשֵׁנִי (lidrishni), ‘om Mij te raadplegen’: het werkwoord דָּרַשׁ (darash) betekent ‘zoeken, raadplegen’.

De koning vraagt Yahweh om raad via de profeet, zoals in vers 3.

עֶזְרָה (ezrah), ‘hulp’: de hulp van Egypte. Zie ook Jes. 30:1–5.

De boodschap loopt door tot en met vers 10. De hele opdracht is Yahweh’s woord en staat rood; de boodschap aan de koning staat tussen enkele aanhalingstekens.

8De Chaldeeën zullen terugkomen. Zij zullen tegen deze stad strijden, haar innemen en haar met vuur verbranden.
וְשָׁ֨בוּ֙
(veshavu)
en zullen terugkeren
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
וְנִלְחֲמ֖וּ
(venilchamu)
en zullen strijden
עַל
(al)
tegen
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
וּלְכָדֻ֖הָ
(ulekhaduha)
en zullen haar innemen
וּשְׂרָפֻ֥הָ
(userafuha)
en zullen haar verbranden
בָאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zo zegt Yahweh: Misleid jullie zelf niet door te zeggen: De Chaldeeën gaan zeker van ons weg. Want zij gaan niet weg.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אַל
(al)
niet
תַּשִּׁ֤אוּ
(tashiu)
misleid
נַפְשֹֽׁתֵיכֶם֙
(nafshoteikhem)
jullie zielen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הָלֹ֛ךְ
(halokh)
gaan
יֵלְכ֥וּ
(yelekhu)
zullen weggaan
מֵעָלֵ֖ינוּ
(mealeinu)
van ons
הַכַּשְׂדִּ֑ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
כִּי
(ki)
want
לֹ֖א
(lo)
niet
יֵלֵֽכוּ
(yelekhu)
zullen zij weggaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַל־תַּשְּׁאוּ נַפְשֹׁתֵיכֶם (al-tassu nafshotekhem), ‘misleid jullie zelf niet’: het werkwoord נָשָׁא (nasha) betekent ‘bedriegen’.

Letterlijk staat er ‘jullie zielen’, dat wil zeggen ‘jullie zelf’.

10Want ook als jullie het hele leger van de Chaldeeën versloegen dat tegen jullie strijdt, en er alleen nog doorstoken mannen van hen overbleven, dan zou ieder in zijn tent opstaan en deze stad met vuur verbranden.’”
כִּ֣י
(ki)
want
אִם
(im)
als
הִכִּיתֶ֞ם
(hikitem)
jullie versloegen
כָּל
(kal)
heel
חֵ֤יל
(cheil)
het leger van
כַּשְׂדִּים֙
(kasdim)
de Chaldeeën
הַנִּלְחָמִ֣ים
(hanilchamim)
die strijden
אִתְּכֶ֔ם
(itekhem)
met jullie
וְנִ֨שְׁאֲרוּ
(venisharu)
en overbleven
בָ֔ם
(bam)
onder hen
אֲנָשִׁ֖ים
(anashim)
mannen
מְדֻקָּרִ֑ים
(meduqarim)
doorstoken
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
בְּאָהֳלוֹ֙
(beaholo)
in zijn tent
יָק֔וּמוּ
(yaqumu)
zouden opstaan
וְשָֽׂרְפ֛וּ
(vesarefu)
en verbranden
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְדֻקָּרִים (medukkarim), ‘doorstoken’: mannen met steekwonden.

Het beeld is: zelfs als de Chaldeeën bijna allemaal verslagen waren en alleen gewonden over waren, zou Yahweh de stad toch aan hen overgeven.

Jeremia wordt gegrepen bij de Poort van Benjamin

11Het leger van de Chaldeeën trok zich terug van Jeruzalem, vanwege het leger van de farao.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het gebeurde
בְּהֵֽעָלוֹת֙
(behealot)
bij het optrekken van
חֵ֣יל
(cheil)
het leger van
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
מֵעַ֖ל
(meal)
van
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
חֵ֥יל
(cheil)
het leger van
פַּרְעֹֽה
(paro)
farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie ookJer 37:5
12Toen ging Jeremia Jeruzalem uit om naar het land Benjamin te gaan, om daar zijn deel te ontvangen te midden van het volk.
וַיֵּצֵ֤א
(vayetse)
en ging uit
יִרְמְיָ֨הוּ֙
(yirmeyahu)
Jeremia
מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
לָלֶ֖כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אֶ֣רֶץ
(erets)
naar het land
בִּנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
לַחֲלִ֥ק
(lachaliq)
om een deel te ontvangen
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

לַחֲלִק מִשָּׁם בְּתוֹךְ הָעָם (lachaliq misham betokh ha’am): het werkwoord חָלַק (chalaq) betekent ‘verdelen, een deel ontvangen’, maar de zin is moeilijk.

Wij vertalen ‘om daar zijn deel te ontvangen te midden van het volk’; Jeremia heeft familiegrond in Anatot, in het land Benjamin (Jer. 32:6–9).

Andere lezers vertalen ‘om zich daar tussen het volk te onttrekken’.

Het is niet zeker.

13Hij was bij de Poort van Benjamin. Daar was een wachtcommandant, die Jirijja heette, de zoon van Sjelemja, de zoon van Chananja. Hij greep Jeremia, de profeet, en zei: „Jij loopt over naar de Chaldeeën.”
וַיְהִי
(vayhi)
en het gebeurde
ה֞וּא
(hu)
hij
בְּשַׁ֣עַר
(beshaar)
bij de poort van
בִּנְיָמִ֗ן
(binyamin)
Benjamin
וְשָׁם֙
(vesham)
en daar
בַּ֣עַל
(baal)
heer van
פְּקִדֻ֔ת
(peqidut)
de wacht
וּשְׁמוֹ֙
(ushemo)
en zijn naam
יִרְאִיָּ֔יה
(yiriyay)
Jirijja
בֶּן
(ben)
zoon van
שֶֽׁלֶמְיָ֖ה
(shelemya)
Sjelemja
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲנַנְיָ֑ה
(chananya)
Chananja
וַיִּתְפֹּ֞שׂ
(vayitpos)
en greep
אֶֽת
(et)
(obj.)
יִרְמְיָ֤הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִיא֙
(hanavi)
de profeet
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אֶל
(el)
naar
הַכַּשְׂדִּ֖ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
נֹפֵֽל
(nofel)
loopt over
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Poort van Benjamin (ligging onzeker): De Poort van Benjamin was een stadspoort aan de noordkant van Jeruzalem, op de weg naar het land Benjamin.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

שַׁעַר בִּנְיָמִן (sha’ar Binyamin), ‘de Poort van Benjamin’: een poort in de noordelijke muur van Jeruzalem, waar de weg naar het land Benjamin begint.

Zie ook Jer. 38:7.

בַּעַל פְּקִדֻת (ba’al pequdut), ‘wachtcommandant’: letterlijk ‘heer van de wacht’.

יִרְאִיָּיה (Yir’iyyah), ‘Jirijja’: de naam betekent ‘Yahweh ziet’.

נֹפֵל אַתָּה אֶל־הַכַּשְׂדִּים (nofel attah el-hakasdim), ‘jij valt naar de Chaldeeën’: ‘vallen naar’ betekent ‘overlopen’. Zie ook Jer. 38:19 en 2 Kon. 25:11, waar de ‘overlopers’ staan.

14Jeremia zei: „Dat is een leugen. Ik loop niet over naar de Chaldeeën.” Maar hij luisterde niet naar hem. Jirijja greep Jeremia en bracht hem bij de oversten.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יִרְמְיָ֜הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
שֶׁ֗קֶר
(sheqer)
leugen
אֵינֶ֤נִּי
(eineni)
ik ben niet
נֹפֵל֙
(nofel)
overlopend
עַל
(al)
naar
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמַ֖ע
(shama)
luisterde hij
אֵלָ֑יו
(elav)
naar hem
וַיִּתְפֹּ֤שׂ
(vayitpos)
en greep
יִרְאִיָּיה֙
(yiriyay)
Jirijja
בְּיִרְמְיָ֔הוּ
(beyirmeyahu)
Jeremia
וַיְבִאֵ֖הוּ
(vayviehu)
en bracht hem
אֶל
(el)
naar
הַשָּׂרִֽים
(hasarim)
de oversten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15De oversten werden woedend op Jeremia. Zij sloegen hem en zetten hem vast in het huis van de hechtenis, in het huis van Jonatan, de schrijver. Want dat huis hadden zij tot gevangenis gemaakt.
וַיִּקְצְפ֧וּ
(vayiqtsefu)
en werden woedend
הַשָּׂרִ֛ים
(hasarim)
de oversten
עַֽל
(al)
op
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
וְהִכּ֣וּ
(vehiku)
en sloegen
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
וְנָתְנ֨וּ
(venatenu)
en gaven
אוֹת֜וֹ
(oto)
hem
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָאֵס֗וּר
(haesur)
de hechtenis
בֵּ֚ית
(beit)
het huis van
יְהוֹנָתָ֣ן
(yehonatan)
Jonatan
הַסֹּפֵ֔ר
(hasofer)
de schrijver
כִּֽי
(ki)
want
אֹת֥וֹ
(oto)
hem
עָשׂ֖וּ
(asu)
hadden zij gemaakt
לְבֵ֥ית
(leveit)
tot het huis van
הַכֶּֽלֶא
(hakele)
de gevangenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּית הָאֵסוּר (beit ha’esur), ‘huis van de hechtenis’: de plaats waar men iemand vasthield.

Het was het huis van Jonatan, de schrijver, dat tot gevangenis was gemaakt.

בֵּית הַכֶּלֶא (beit hakkele), ‘huis van de gevangenis’: een andere schrijfwijze dan in vers 4 (הַכְּלוּא, hakkelu). De betekenis is gelijk.

Jeremia in het kuilhuis

16Jeremia kwam in het kuilhuis, in de cellen, en bleef daar vele dagen.
כִּ֣י
(ki)
want
בָ֧א
(ba)
was gekomen
יִרְמְיָ֛הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֶל
(el)
naar
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הַבּ֖וֹר
(habor)
de put
וְאֶל
(veel)
en naar
הַֽחֲנֻ֑יוֹת
(hachanuyot)
de cellen
וַיֵּֽשֶׁב
(vayeshev)
en bleef
שָׁ֥ם
(sham)
daar
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
רַבִּֽים
(rabim)
vele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּית הַבּוֹר (beit habor), ‘huis van de put’: waarschijnlijk een onderaardse ruimte, zoals een droge regenput of een kelder.

Wij vertalen ‘kuilhuis’.

הַחֲנֻיוֹת (hachanuyot), ‘de cellen’: het woord komt alleen hier voor.

Het betekent waarschijnlijk ‘gewelfde cellen’ of ‘gewelven’.

De betekenis is niet zeker.

Het vers begint met כִּי (ki), ‘want’ of ‘toen’. Wij laten het weg en laten het vers volgen op vers 15.

Zedekia ondervraagt Jeremia in het geheim

17Koning Zedekia stuurde iemand en liet hem halen. De koning vroeg hem in het geheim in zijn huis: „Is er een woord van Yahweh?” Jeremia zei: „Ja.” En hij zei: „In de hand van de koning van Babel zult u worden gegeven.”
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en zond
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
צִדְקִיָּ֜הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
וַיִּקָּחֵ֗הוּ
(vayiqachehu)
en liet hem halen
וַיִּשְׁאָלֵ֨הוּ
(vayishalehu)
en vroeg hem
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּבֵיתוֹ֙
(beveito)
in zijn huis
בַּסֵּ֔תֶר
(baseter)
in het geheim
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
הֲיֵ֥שׁ
(hayesh)
is er
דָּבָ֖ר
(davar)
een woord
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יִרְמְיָ֨הוּ֙
(yirmeyahu)
Jeremia
יֵ֔שׁ
(yesh)
er is
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
תִּנָּתֵֽן
(tinaten)
zult u gegeven worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

בַּסֵּתֶר (bassether), ‘in het geheim’: de koning durft niet openlijk naar het woord van Yahweh te vragen.

Het antwoord is hetzelfde als in Jer. 34:2–3.

Wij gebruiken ‘u’ voor Jeremia’s woorden tot de koning, een hoge persoon.

18Jeremia zei tegen koning Zedekia: „Wat heb ik misdaan tegen u, tegen uw dienaren en tegen dit volk, dat u mij naar het gevangenhuis hebt gebracht?
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֶל
(el)
tegen
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
צִדְקִיָּ֑הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
מֶה֩
(me)
wat
חָטָ֨אתִֽי
(chatati)
heb ik misdaan
לְךָ֤
(lekha)
tegen u
וְלַעֲבָדֶ֨יךָ֙
(velaavadeikha)
en tegen uw dienaren
וְלָעָ֣ם
(velaam)
en tegen het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
כִּֽי
(ki)
dat
נְתַתֶּ֥ם
(netatem)
hebben jullie gegeven
אוֹתִ֖י
(oti)
mij
אֶל
(el)
naar
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הַכֶּֽלֶא
(hakele)
de gevangenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְתַתֶּם (netattem), ‘jullie hebben gegeven’: het werkwoord staat in het meervoud, terwijl Jeremia de koning aanspreekt.

Jeremia bedoelt de koning en de oversten (vers 15).

Wij vertalen ‘dat u mij … hebt gebracht’.

19En waar zijn uw profeten die voor u hebben geprofeteerd: ‘De koning van Babel zal niet tegen u en tegen dit land optrekken’?
וְאַיֵּה֙
(veaye)
en waar zijn
נְבִ֣יאֵיכֶ֔ם
(nevieikhem)
uw profeten
אֲשֶׁר
(asher)
die
נִבְּא֥וּ
(nibeu)
hebben geprofeteerd
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לֹֽא
(lo)
niet
יָבֹ֤א
(yavo)
zal komen
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
עֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
tegen jullie
וְעַ֖ל
(veal)
en tegen
הָאָ֥רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft וְאַיּוֹ, het qere וְאַיֵּה.

Beide betekenen ‘en waar is/zijn’.

Wij volgen het qere.

De profeten van Juda die zeiden dat Babel niet zou komen, worden ook genoemd in Jer. 27:14–16 en 28.

20Hoor nu toch, mijn heer de koning. Laat mijn smeekbede toch voor u komen. Breng mij niet terug naar het huis van Jonatan, de schrijver, anders sterf ik daar.”
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
שְֽׁמַֽע
(shema)
hoor
נָ֖א
(na)
toch
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
תִּפָּל
(tipal)
laat vallen
נָ֤א
(na)
toch
תְחִנָּתִי֙
(techinati)
mijn smeekbede
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor u
וְאַל
(veal)
en niet
תְּשִׁבֵ֗נִי
(teshiveni)
laat mij terugkeren
בֵּ֚ית
(beit)
het huis van
יְהוֹנָתָ֣ן
(yehonatan)
Jonatan
הַסֹּפֵ֔ר
(hasofer)
de schrijver
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָמ֖וּת
(amut)
zal ik sterven
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּפָּל־נָא תְחִנָּתִי (tippol-na techinnati), ‘laat mijn smeekbede toch vallen’: dezelfde uitdrukking als in Jer. 36:7.

Jeremia werpt zich als het ware voor de koning neer.

הַסֹּפֵר (hassofer), ‘de schrijver’: Jonatan was een schrijver; zijn huis was door de oversten tot gevangenis gemaakt (vers 15).

21Koning Zedekia gaf bevel, en zij plaatsten Jeremia op de binnenplaats van de wacht. Elke dag werd hem een brood gegeven uit de straat van de bakkers, tot al het brood in de stad op was. Zo bleef Jeremia op de binnenplaats van de wacht.
וַיְצַוֶּ֞ה
(vaytsave)
en gebood
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
צִדְקִיָּ֗הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
וַיַּפְקִ֣דוּ
(vayafqidu)
en zij plaatsten
אֶֽת
(et)
(obj.)
יִרְמְיָהוּ֮
(yirmeyahu)
Jeremia
בַּחֲצַ֣ר
(bachatsar)
in de voorhof van
הַמַּטָּרָה֒
(hamatara)
de wacht
וְנָתֹן֩
(venaton)
en er werd gegeven
ל֨וֹ
(lo)
aan hem
כִכַּר
(kikar)
een ronde
לֶ֤חֶם
(lechem)
brood
לַיּוֹם֙
(layom)
voor de dag
מִח֣וּץ
(michuts)
uit de straat van
הָאֹפִ֔ים
(haofim)
de bakkers
עַד
(ad)
totdat
תֹּ֥ם
(tom)
was opgebruikt
כָּל
(kal)
al
הַלֶּ֖חֶם
(halechem)
het brood
מִן
(min)
uit
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַיֵּ֣שֶׁב
(vayeshev)
en bleef
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
בַּחֲצַ֖ר
(bachatsar)
in de voorhof van
הַמַּטָּרָֽה
(hamatara)
de wacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲצַר הַמַּטָּרָה (chatsar hammattarah), ‘binnenplaats van de wacht’: een ruimte bij het paleis waar Jeremia onder bewaking werd gehouden.

Hij zat niet in een kerker.

Vandaar werd Jeremia later in de put gegooid (Jer. 38:6).

חוּץ הָאֹפִים (chuts ha’ofim), ‘de straat van de bakkers’: een straat in Jeruzalem waar bakkers hun werkplaats hadden.

כִּכַּר לֶחֶם (kikkar lechem), ‘een brood’: letterlijk ‘een ronde van brood’, een plat rond brood.

עַד־תֹּם כָּל־הַלֶּחֶם (ad-tom kol-hallechem), ‘tot al het brood op was’: de hongersnood tijdens het beleg (2 Kon. 25:3).