Elohim Bijbel

1 Samuël 27

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

David bij de Filistijnen in Siklag

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David vlucht naar Gat

1David zei in zijn hart: „Eens zal ik door de hand van Saul omkomen. Er is niets beters voor mij dan dat ik mij in veiligheid breng in het land van de Filistijnen. Dan geeft Saul het op mij nog langer te zoeken in heel het gebied van Israël. Zo ontkom ik aan zijn hand.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
לִבּ֔וֹ
(libo)
zijn hart
עַתָּ֛ה
(ata)
nu
אֶסָּפֶ֥ה
(esafe)
zal ik omkomen
יוֹם
(yom)
dag
אֶחָ֖ד
(echad)
één
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
אֵֽין
(ein)
niet is
לִ֨י
(li)
voor mij
ט֜וֹב
(tov)
goed
כִּ֣י
(ki)
dan
הִמָּלֵ֥ט
(himalet)
ontkomen
אִמָּלֵ֣ט
(imalet)
ik zal ontkomen
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
פְּלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וְנוֹאַ֨שׁ
(venoash)
en zal opgeven
מִמֶּ֤נִּי
(mimeni)
van mij
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
לְבַקְשֵׁ֤נִי
(levaqsheni)
om mij te zoeken
עוֹד֙
(od)
meer
בְּכָל
(bekhal)
in heel
גְּב֣וּל
(gevul)
gebied van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְנִמְלַטְתִּ֖י
(venimlatti)
en ik zal ontkomen
מִיָּדֽוֹ
(miyado)
uit zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

David was eerder al in Gat, bij dezelfde koning, en moest toen doen alsof hij gek was (1 Sam. 21:11–16).

Nu vlucht hij opnieuw naar de Filistijnen.

2David stond op en trok over, hij en de 600 man die bij hem waren, naar Achis, de zoon van Maoch, de koning van Gat.
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
דָּוִ֔ד
(david)
David
וַיַּעֲבֹ֣ר
(vayaavor)
en stak over
ה֔וּא
(hu)
hij
וְשֵׁשׁ
(veshesh)
en zes
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
אִ֖ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עִמּ֑וֹ
(imo)
bij hem
אֶל
(el)
naar
אָכִ֥ישׁ
(akhish)
Achis
בֶּן
(ben)
zoon van
מָע֖וֹךְ
(maokh)
Maoch
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
גַּֽת
(gat)
Gat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gat is een van de vijf steden van de Filistijnen, waarschijnlijk Tell es-Safi, in het laagland ten westen van Juda (Israël).

Uitleg

David had al 600 man bij zich in 1 Sam. 23:13.

3David bleef bij Achis in Gat, hij en zijn mannen, ieder met zijn huisgezin. David had zijn twee vrouwen bij zich: Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vrouw van Nabal uit Karmel.
וַיֵּשֶׁב֩
(vayeshev)
en bleef
דָּוִ֨ד
(david)
David
עִם
(im)
bij
אָכִ֥ישׁ
(akhish)
Achis
בְּגַ֛ת
(begat)
in Gat
ה֥וּא
(hu)
hij
וַאֲנָשָׁ֖יו
(vaanashav)
en zijn mannen
אִ֣ישׁ
(ish)
man
וּבֵית֑וֹ
(uveito)
en zijn huis
דָּוִד֙
(david)
David
וּשְׁתֵּ֣י
(ushtei)
en twee
נָשָׁ֔יו
(nashav)
zijn vrouwen
אֲחִינֹ֨עַם֙
(achinoam)
Achinoam
הַיִּזְרְעֵאלִ֔ית
(hayizreelit)
de Jizreëlitische
וַאֲבִיגַ֥יִל
(vaavigayil)
en Abigaïl
אֵֽשֶׁת
(eshet)
vrouw van
נָבָ֖ל
(naval)
Nabal
הַֽכַּרְמְלִֽית
(hakarmelit)
de Karmelitische
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.

Dit is niet geheel zeker.

Zie Jizreël (in Juda, ligging onzeker): Dit Jizreël was een stad in het bergland van Juda, bij Zif en Juta; Khirbet Terrama is voorgesteld.

Het is niet de vallei van Jizreël in het noorden.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Karmel (in Juda): Dit Karmel wordt gezocht bij Khirbet el-Kirmil, ten zuiden van Hebron.

Uitleg

Over Achinoam en Abigaïl zie 1 Sam. 25:42–43.

4Er werd aan Saul verteld dat David naar Gat gevlucht was. Toen zocht hij hem niet meer.
וַיֻּגַּ֣ד
(vayugad)
en werd verteld
לְשָׁא֔וּל
(leshaul)
aan Saul
כִּֽי
(ki)
dat
בָרַ֥ח
(barach)
was gevlucht
דָּוִ֖ד
(david)
David
גַּ֑ת
(gat)
naar Gat
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָסַ֥ף
(yasaf)
hij voegde toe
ע֖וֹד
(od)
meer
לְבַקְשֽׁוֹ
(levaqsho)
om hem te zoeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.

Dit is niet geheel zeker.

Achis geeft David Siklag

5David zei tegen Achis: „Als ik gunst heb gevonden in uw ogen, geef mij dan een plaats in een van de steden op het land. Dan kan ik daar wonen. Waarom zou uw dienaar met u in de koningsstad wonen?”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
אָכִ֗ישׁ
(akhish)
Achis
אִם
(im)
als
נָא֩
(na)
toch
מָצָ֨אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵ֤ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֨יךָ֙
(beeineikha)
in uw ogen
יִתְּנוּ
(yitenu)
laat hen geven
לִ֣י
(li)
aan mij
מָק֗וֹם
(maqom)
plaats
בְּאַחַ֛ת
(beachat)
in een van
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
וְאֵ֣שְׁבָה
(veesheva)
en ik zal wonen
שָּׁ֑ם
(sham)
daar
וְלָ֨מָּה
(velama)
en waarom
יֵשֵׁ֧ב
(yeshev)
zou wonen
עַבְדְּךָ֛
(avdekha)
uw dienaar
בְּעִ֥יר
(beir)
in de stad van
הַמַּמְלָכָ֖ה
(hamamlakha)
het koningschap
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Achis gaf hem die dag Siklag. Daarom behoort Siklag tot op deze dag aan de koningen van Juda.
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en gaf
ל֥וֹ
(lo)
aan hem
אָכִ֛ישׁ
(akhish)
Achis
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
אֶת
(et)
(obj.)
צִֽקְלָ֑ג
(tsiqlag)
Siklag
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
הָיְתָ֤ה
(hayeta)
was
צִֽקְלַג֙
(tsiqlag)
Siklag
לְמַלְכֵ֣י
(lemalkhei)
voor de koningen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De ligging van Siklag is onzeker, in het zuiden van Juda (Joz. 15:31).

Voorgesteld worden Tell esh-Shari'a en Tell el-Chuweilifeh (Israël).

Uitleg

‘Tot op deze dag aan de koningen van Juda’ is een opmerking van de schrijver.

Hij schrijft in een tijd dat Juda al koningen had.

7De tijd dat David in het gebied van de Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
מִסְפַּ֣ר
(mispar)
getal van
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָשַׁ֥ב
(yashav)
woonde
דָּוִ֖ד
(david)
David
בִּשְׂדֵ֣ה
(bisde)
in het veld van
פְלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
וְאַרְבָּעָ֥ה
(vearbaa)
en vier
חֳדָשִֽׁים
(chodashim)
maanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Lezing

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘dagen en vier maanden’.

Het woord ‘dagen’ (יָמִים, yamim) kan ‘een jaar’ betekenen.

Wij vertalen ‘een jaar en vier maanden’.

Zie ook1 Sam 29:3

David overvalt de volken in het zuiden

8David trok met zijn mannen omhoog en overviel de Gesurieten, de Gizrieten en de Amalekieten. Want zij woonden van oudsher in het land, in de richting van Sur tot aan het land Egypte.
וַיַּ֤עַל
(vayaal)
en trok omhoog
דָּוִד֙
(david)
David
וַֽאֲנָשָׁ֔יו
(vaanashav)
en zijn mannen
וַֽיִּפְשְׁט֛וּ
(vayifshetu)
en zij overvielen
אֶל
(el)
op
הַגְּשׁוּרִ֥י
(hageshuri)
de Gesuriet
וְהַגִּזְרִ֖י
(vehagizri)
en de Gizriet
וְהָעֲמָלֵקִ֑י
(vehaamaleqi)
en de Amalekiet
כִּ֣י
(ki)
want
הֵ֜נָּה
(hena)
zie
יֹשְׁב֤וֹת
(yoshevot)
inwoners van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
מֵֽעוֹלָ֔ם
(meolam)
van oudsher
בּוֹאֲךָ֥
(boakha)
in de richting van
שׁ֖וּרָה
(shura)
Sur
וְעַד
(vead)
en tot
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Gesurieten zijn hier een volk in het zuiden, bij de Filistijnen (Joz. 13:2).

Het is niet het Gesur in het noordoosten.

Sur ligt in het noordwesten van de Sinaï, bij Egypte (Gen. 16:7; Exod. 15:22).

Zie Gesuriërs in het zuiden (ligging onzeker): Dit zijn de Gesurieten in het zuiden, bij de Filistijnen en in de richting van Sur (Jozua 13:2; 1 Samuël 27:8).

Het is niet het koninkrijk Gesur in het noorden.

De ligging is niet zeker.

Uitleg

De Amalekieten zijn het volk dat Saul met de ban had moeten slaan (1 Sam. 15:3).

Zie ook Exod. 17:8–16 en Deut. 25:17–19.

Lezing

Er staat een geschreven vorm הַגִּרְזִי (hagirzi), ‘de Girziet’.

De leesvorm is הַגִּזְרִי (hagizri), ‘de Gizriet’.

Wij volgen de leesvorm.

9David sloeg het land. Hij liet geen man of vrouw in leven. Hij nam schapen, runderen, ezels, kamelen en kleren mee. Daarna keerde hij terug en kwam bij Achis.
וְהִכָּ֤ה
(vehika)
en sloeg
דָוִד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְחַיֶּ֖ה
(yechaye)
liet leven
אִ֣ישׁ
(ish)
man
וְאִשָּׁ֑ה
(veisha)
en vrouw
וְלָקַח֩
(velaqach)
en nam
צֹ֨אן
(tson)
schapen
וּבָקָ֜ר
(uvaqar)
en runderen
וַחֲמֹרִ֤ים
(vachamorim)
en ezels
וּגְמַלִּים֙
(ugemalim)
en kamelen
וּבְגָדִ֔ים
(uvegadim)
en kleren
וַיָּ֖שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
naar
אָכִֽישׁ
(akhish)
Achis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David liet niemand in leven.

Dat lijkt op de ban in 1 Sam. 15:3.

Het woord ‘ban’ (חֵרֶם, cherem) staat hier niet.

De tekst zegt als reden alleen wat in vers 11 staat.

10Achis zei: „Waarheen hebben jullie vandaag een inval gedaan?” David zei: „Tegen de Negev van Juda, tegen de Negev van de Jerachmeëlieten en tegen de Negev van de Kenieten.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אָכִ֔ישׁ
(akhish)
Achis
אַל
(al)
waarheen
פְּשַׁטְתֶּ֖ם
(peshattem)
jullie hebben een inval gedaan
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֗ד
(david)
David
עַל
(al)
tegen
נֶ֤גֶב
(negev)
Negev van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וְעַל
(veal)
en tegen
נֶ֣גֶב
(negev)
Negev van
הַיַּרְחְמְאֵלִ֔י
(hayarchemeeli)
de Jerachmeëliet
וְאֶל
(veel)
en tegen
נֶ֖גֶב
(negev)
Negev van
הַקֵּינִֽי
(haqeini)
de Keniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Uitleg

David zegt niet de waarheid.

Hij overviel de volken van vers 8, maar zegt dat hij Juda, de Jerachmeëlieten en de Kenieten aanviel.

Zo denkt Achis dat David bij zijn eigen volk gehaat is (vers 12).

נֶגֶב (negev), ‘zuidland’: het droge gebied in het zuiden van Juda.

De Jerachmeëlieten zijn een familie van Juda (1 Kron. 2:9). De Kenieten wonen bij Juda in de Negev (Richt. 1:16).

Lezing

In het Hebreeuws staat alleen אַל (al), ‘naar’ of ‘tegen’, zonder vraagwoord.

Wij begrijpen dit als de vraag ‘waarheen’.

Davids antwoord begint met ‘tegen’ (עַל, al).

11David liet geen man of vrouw in leven om naar Gat te brengen. Hij zei: „Anders vertellen zij over ons: ‘Zo heeft David gedaan.’” Dat was zijn manier van doen, al de dagen dat hij in het gebied van de Filistijnen woonde.
וְאִ֨ישׁ
(veish)
en man
וְאִשָּׁ֜ה
(veisha)
en vrouw
לֹֽא
(lo)
niet
יְחַיֶּ֣ה
(yechaye)
liet leven
דָוִ֗ד
(david)
David
לְהָבִ֥יא
(lehavi)
om te brengen
גַת֙
(gat)
naar Gat
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
פֶּן
(pen)
opdat niet
יַגִּ֥דוּ
(yagidu)
zij vertellen
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
over ons
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כֹּֽה
(ko)
zo
עָשָׂ֤ה
(asa)
deed
דָוִד֙
(david)
David
וְכֹ֣ה
(vekho)
en zo
מִשְׁפָּט֔וֹ
(mishpato)
zijn manier van doen
כָּל
(kal)
alle
הַ֨יָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָשַׁ֖ב
(yashav)
hij woonde
בִּשְׂדֵ֥ה
(bisde)
in het veld van
פְלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.

Dit is niet geheel zeker.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘manier van doen’: dit woord betekent meestal ‘recht’.

Hier betekent het de gewoonte van David.

Wij vertalen ‘manier van doen’.

12Achis geloofde David. Hij zei: „Hij heeft zich zeer gehaat gemaakt bij zijn volk, bij Israël. Daarom zal hij voor altijd mijn dienaar zijn.”
וַיַּאֲמֵ֥ן
(vayaamen)
en geloofde
אָכִ֖ישׁ
(akhish)
Achis
בְּדָוִ֣ד
(bedavid)
in David
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הַבְאֵ֤שׁ
(havesh)
hij heeft laten stinken
הִבְאִישׁ֙
(hivish)
hij heeft laten stinken
בְּעַמּ֣וֹ
(beamo)
bij zijn volk
בְיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
bij Israël
וְהָ֥יָה
(vehaya)
en hij zal zijn
לִ֖י
(li)
voor mij
לְעֶ֥בֶד
(leeved)
tot dienaar
עוֹלָֽם
(olam)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִבְאִישׁ (hivish), ‘laten stinken’: iemand gehaat maken.

Het Hebreeuws zegt: ‘hij heeft zich laten stinken bij zijn volk’.