1 Korintiërs 16
De inzameling, reisplannen en groeten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De inzameling voor de heiligen
Zie Galatië (ongeveer): Galatië is het binnenland van het huidige Turkije, rond Ankara.
Of Paulus de streek in het noorden bedoelt of de Romeinse provincie, die ook Pisidië en Lykaonië omvatte (met Ikonium, Lystra en Derbe), is niet zeker; het punt is bij benadering.
λογεία (logeia), ‘inzameling’: een woord voor een geldinzameling. ἅγιοι (hagioi), ‘heiligen’: de gelovigen; blijkens vers 3 gaat het om de gelovigen in Jeruzalem. διατάσσω (diatasso), ‘opdracht geven, voorschrijven’: zoals in 7:17; in 9:14 ‘bevelen’, in 11:34 ‘regelen’.
Zie ook Hand. 11:29–30; Hand. 24:17; Gal. 2:10; 2 Kor. 8:1–9:15; Rom. 15:25–26.
μία σαββάτου (mia sabbatou), ‘de eerste dag van de week’: letterlijk ‘de eerste van de sabbat’, de dag na de sabbat, zoals in Hand. 20:7. θησαυρίζω (thesaurizo), ‘sparen’: schatten opzij leggen. εὐοδόω (euodoo), ‘lukken’: letterlijk ‘een goede weg hebben’; wat iemand kan missen.
Het Grieks heeft een bevel in de derde persoon: ‘laat hij leggen’. κατά (kata) staat verdelend: op elke eerste dag.
Wij splitsen de zin; ‘zo’ geeft het doel (ἵνα, hina).
Zie ook Hand. 20:7.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
δοκιμάζω (dokimazo), ‘goedkeuren’: op de proef stellen en goedkeuren. δι’ ἐπιστολῶν (di epistolon), ‘met brieven’: het kan bij ‘goedkeuren’ horen (‘die jullie bij brief goedkeuren’) of bij ‘sturen’; wij kiezen ‘met brieven sturen’. χάρις (charis), ‘genade’: hier de gave die uit genade wordt gegeven; wij vertalen ‘gave’.
ἄξιον (axion), ‘passend, de moeite waard’.
Reisplannen
Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden.
De grenzen zijn bij benadering.
διέρχομαι (dierchomai), ‘doortrekken’: het Grieks heeft de tegenwoordige tijd, ‘ik trek door’, voor een voornemen.
Zie ook Hand. 19:21; Hand. 20:1–2.
παραχειμάζω (paracheimazo), ‘overwinteren’. προπέμπω (propempo), ‘op weg helpen’: uitgeleide doen en geven wat voor de reis nodig is. τυχόν (tychon), ‘misschien’.
Zie ook Hand. 20:2–3.
ἐν παρόδῳ (en parodo), ‘in het voorbijgaan’. ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: Yeshua of Elohim; het Grieks zegt het niet uitdrukkelijk, vergelijk Jak. 4:15.
Wij schrijven ‘de Heer’.
Zie Efeze: Efeze lag aan de westkust van Turkije, bij het huidige Selçuk.
Het was de grootste stad van de Romeinse provincie Asia.
πεντηκοστή (pentekoste), ‘Pinksteren’: letterlijk ‘de vijftigste (dag)’, het feest van de weken (Hebreeuws Shavuot), vijftig dagen na Pesach.
Efeze: zie ook 15:32.
Zie ook Hand. 2:1; Hand. 18:19–21; Hand. 19:1; Hand. 20:16.
θύρα (thyra), ‘deur’: een beeld voor een gelegenheid om de goede boodschap te brengen. ἐνεργής (energes), ‘doeltreffend, werkzaam’. ἀντίκειμαι (antikeimai), ‘zich verzetten, tegenover staan’.
Zie ook Hand. 14:27; Hand. 19:8–10; Hand. 19:23–40.
Timoteüs en Apollos
βλέπετε ἵνα (blepete hina), ‘zie erop toe dat’. ἀφόβως (aphobos), ‘zonder vrees’.
‘Het werk van de Heer’: de Heer is Yeshua.
Zie ook Hand. 19:22; 1 Kor. 4:17.
ἐξουθενέω (exoutheneo), ‘minachten’: letterlijk ‘als niets beschouwen’. προπέμπω (propempo): zie vers 6. ἐκδέχομαι (ekdechomai), ‘wachten op’, zoals in 11:33.
‘Met de broers’ (μετὰ τῶν ἀδελφῶν): het Grieks laat open of Timoteüs met de broers komt of dat Paulus hem met de broers verwacht.
Ἀπολλῶς (Apollos): zie ook 1:12 en 3:4–6. ἀδελφός (adelphos), ‘broer’: een medegelovige. θέλημα (thelema), ‘wil’: het Grieks heeft ‘het was helemaal niet de wil’ en zegt niet wiens wil, die van Apollos of van Elohim. εὐκαιρέω (eukaireo), ‘gelegenheid hebben’.
Zie ook Hand. 18:24–28; Hand. 19:1.
Laatste vermaningen
γρηγορέω (gregoreo), ‘waakzaam zijn’. στήκω (steko), ‘vaststaan’. ἀνδρίζομαι (andrizomai), ‘moed tonen’: letterlijk ‘zich als een man (ἀνήρ) gedragen’. κραταιόομαι (krataioomai), ‘sterk worden’.
Vier korte bevelen.
Stefanas, Fortunatus en Achaïcus
Zie Achaje (ongeveer): Achaje was de Romeinse provincie in het zuiden van Griekenland, met Korinte als hoofdstad en Athene als bekendste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
οἰκία (oikia), ‘huis’: het huisgezin, alle bewoners. ἀπαρχή (aparche), ‘eersteling’: de eerste gelovigen van Achaje; zie ook 15:20. διακονία (diakonia), ‘dienst’. τάσσω (tasso), ‘aanstellen, ordenen’: wij vertalen ‘zich hebben ingezet’.
De zin begint hier met ‘Ik vraag jullie, broers’ en gaat in vers 16 verder met ‘dat ook jullie …’; daartussen staat de tussenzin over het huis van Stefanas.
Zie ook 1 Kor. 1:16.
ὑποτάσσω (hypotasso), ‘zich onderwerpen’: zie 14:32 en 14:34. συνεργέω (synergeo), ‘meewerken’; κοπιάω (kopiao), ‘zwoegen’: zie 15:10.
παρουσία (parousia), ‘komst’: letterlijk ‘aanwezigheid’; dezelfde weergave als in 15:23. ὑστέρημα (hysterema), ‘tekort’: wat ontbrak.
Het Grieks zegt niet of zij hun eigen aanwezigheid in de plaats van die van de gemeente aanboden of tekorten aanvulden.
ἀναπαύω (anapauo), ‘verkwikken’: rust geven. ἐπιγινώσκω (epiginosko), ‘erkennen’: ten volle kennen en waarderen; zie 13:12.
‘Mijn geest en die van jullie’: wij schrijven ‘geest’ met een kleine letter, de geest van mensen.
Groeten
Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
Ἀσία (Asia): de Romeinse provincie Asia in het westen van het huidige Turkije, met Efeze. Ἀκύλας (Akylas), ‘Aquila’, en Πρίσκα (Priska), ‘Priska’: Hand. 18:2 heeft Πρίσκιλλα (Priskilla), ‘Priscilla’, een verkleinvorm; het gaat om hetzelfde echtpaar.
‘De gemeente in hun huis’: de gemeente kwam bij hen thuis bijeen.
Zie ook Hand. 18:2; Hand. 18:18; Hand. 18:26.
φίλημα ἅγιον (philema hagion), ‘heilige kus’: een kus als groet onder gelovigen.
Zie ook 2 Kor. 13:12; Rom. 16:16; 1 Tess. 5:26.
Groet met Paulus’ eigen hand
Het Grieks heeft in dit vers geen werkwoord. τῇ ἐμῇ χειρί (te eme cheiri), ‘met mijn eigen hand’: Paulus noemt zijn eigen hand; vergelijk Gal. 6:11.
Zie ook Gal. 6:11.
φιλέω (phileo), ‘liefhebben, genegen zijn’: een ander woord dan ἀγάπη (agape) in hoofdstuk 13; vergelijk Joh. 21:15–17. ἀνάθεμα (anathema), ‘vervloekt’: iemand of iets dat aan Elohim is overgegeven om afgezonderd en geoordeeld te worden; zoals in 12:3 en Gal. 1:8–9. ἤτω (eto), ‘laat hij zijn’: een bevel in de derde persoon. Μαράνα θά (Marana tha): Aramees.
De SBLGNT schrijft twee woorden.
Het kan gelezen worden als marana tha, ‘onze Heer, kom!’, of als maran atha, ‘onze Heer is gekomen’ (of ‘komt’); het Grieks laat het open.
Wij laten de woorden onvertaald.
Zie ook Joh. 21:15–17; Gal. 1:8–9; 1 Kor. 12:3; Openb. 22:20.
χάρις (charis), ‘genade’.
De SBLGNT markeert hier een lezing in de naam ‘Yeshua’; wij volgen de SBLGNT.
ἀγάπη (agape), ‘liefde’: het laatste woord van de brief haalt het woord uit hoofdstuk 13 terug.
De SBLGNT markeert hier een lezing; wij vertalen alleen wat in de SBLGNT staat.