De omkering: de Joden overwinnen hun vijanden, en Purim wordt ingesteld
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De dertiende van Adar
1In de twaalfde maand, dat is de maand Adar, op de dertiende daarvan, kwam het woord van de koning en zijn besluit om uitgevoerd te worden. Op die dag hoopten de vijanden van de Joden over hen te heersen. Maar het werd omgekeerd: de Joden zelf zouden over hun haters heersen.
וּבִשְׁנֵים֩
(uvishneim)
en in twee
עָשָׂ֨ר
(asar)
tien
חֹ֜דֶשׁ
(chodesh)
maand
הוּא
(hu)
dat is
חֹ֣דֶשׁ
(chodesh)
de maand
אֲדָ֗ר
(adar)
Adar
בִּשְׁלוֹשָׁ֨ה
(bishlosha)
op drie
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
יוֹם֙
(yom)
dag
בּ֔וֹ
(bo)
daarvan
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarop
הִגִּ֧יעַ
(higia)
kwam
דְּבַר
(devar)
het woord van
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְדָת֖וֹ
(vedato)
en zijn besluit
לְהֵעָשׂ֑וֹת
(leheasot)
om uitgevoerd te worden
בַּיּ֗וֹם
(bayom)
op de dag
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarop
שִׂבְּר֜וּ
(siberu)
hoopten
אֹיְבֵ֤י
(oyevei)
de vijanden van
הַיְּהוּדִים֙
(hayehudim)
de Joden
לִשְׁל֣וֹט
(lishlot)
te heersen
בָּהֶ֔ם
(bahem)
over hen
וְנַהֲפ֣וֹךְ
(venahafokh)
en het werd omgekeerd
ה֔וּא
(hu)
dat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יִשְׁלְט֧וּ
(yishletu)
zouden heersen
הַיְּהוּדִ֛ים
(hayehudim)
de Joden
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
בְּשֹׂנְאֵיהֶֽם
(besoneeihem)
over hun haters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׂבְּרוּ (sibberu), ‘hoopten’: het werkwoord betekent ‘uitzien naar’, ‘verwachten’.
Zo ook in Ps. 119:166.
De dag is de dag uit het besluit van Haman (3:13) en uit het tweede besluit (8:12).
וְנַהֲפוֹךְ (venahafokh), ‘het werd omgekeerd’: de omkering is het kernthema van het hoofdstuk. Zie ook vers 22.
2De Joden verzamelden zich in hun steden, in alle provincies van koning Ahasveros, om de hand uit te steken tegen wie hun kwaad zochten. Niemand hield stand tegenover hen, want de schrik voor hen was gevallen over alle volken.
נִקְהֲל֨וּ
(niqhalu)
verzamelden zich
הַיְּהוּדִ֜ים
(hayehudim)
de Joden
בְּעָרֵיהֶ֗ם
(beareihem)
in hun steden
בְּכָל
(bekhal)
in alle
מְדִינוֹת֙
(medinot)
provincies van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֳחַשְׁוֵר֔וֹשׁ
(ochashverosh)
Ahasveros
לִשְׁלֹ֣חַ
(lishloach)
om uit te strekken
יָ֔ד
(yad)
de hand
בִּמְבַקְשֵׁ֖י
(bimvaqshei)
tegen hen die zochten
רָֽעָתָ֑ם
(raatam)
hun kwaad
וְאִישׁ֙
(veish)
en niemand
לֹא
(lo)
niet
עָמַ֣ד
(amad)
stond
לִפְנֵיהֶ֔ם
(lifneihem)
voor hen
כִּֽי
(ki)
want
נָפַ֥ל
(nafal)
was gevallen
פַּחְדָּ֖ם
(pachdam)
hun schrik
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
הָעַמִּֽים
(haamim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לִשְׁלֹחַ יָד (lishloach yad), ‘de hand uitsteken’: letterlijk ‘de hand uitzenden’, dat wil zeggen: de hand slaan aan, aanvallen.
Zo ook in vers 10, 15 en 16 (‘naar de buit staken zij hun hand niet uit’).
3Alle bestuurders van de provincies, de satrapen, de landvoogden en wie het werk van de koning deden, steunden de Joden. Want de schrik voor Mordechai was over hen gevallen.
וְכָל
(vekhal)
en alle
שָׂרֵ֨י
(sarei)
bestuurders van
הַמְּדִינ֜וֹת
(hamedinot)
de provincies
וְהָאֲחַשְׁדַּרְפְּנִ֣ים
(vehaachashdarpenim)
en de satrapen
וְהַפַּח֗וֹת
(vehapachot)
en de landvoogden
וְעֹשֵׂ֤י
(veosei)
en wie deden
הַמְּלָאכָה֙
(hamelakha)
het werk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לַמֶּ֔לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
מְנַשְּׂאִ֖ים
(menaseim)
steunden
אֶת
(et)
(obj.)
הַיְּהוּדִ֑ים
(hayehudim)
de Joden
כִּֽי
(ki)
want
נָפַ֥ל
(nafal)
was gevallen
פַּֽחַד
(pachad)
de schrik van
מָרְדֳּכַ֖י
(mardokhay)
Mordechai
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Op die dag werd het aantal van de gedoden in Sjoesjan, de burcht, voor het aangezicht van de koning gebracht.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
בָּ֣א
(ba)
kwam
מִסְפַּ֧ר
(mispar)
het aantal van
הַֽהֲרוּגִ֛ים
(haharugim)
de gedoden
בְּשׁוּשַׁ֥ן
(beshushan)
in Sjoesjan
הַבִּירָ֖ה
(habira)
de burcht
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.
12De koning zei tegen koningin Ester: „In Sjoesjan, de burcht, hebben de Joden 500 man gedood en laten omkomen, en de tien zonen van Haman. Wat hebben zij gedaan in de overige provincies van de koning? Wat is je vraag? Het zal je worden gegeven. En wat is nog je verzoek? Het zal worden gedaan.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְאֶסְתֵּ֣ר
(leester)
aan Ester
הַמַּלְכָּ֗ה
(hamalka)
de koningin
בְּשׁוּשַׁ֣ן
(beshushan)
in Sjoesjan
הַבִּירָ֡ה
(habira)
de burcht
הָרְגוּ֩
(haregu)
hebben gedood
הַיְּהוּדִ֨ים
(hayehudim)
de Joden
וְאַבֵּ֜ד
(veabed)
en laten omkomen
חֲמֵ֧שׁ
(chamesh)
vijf
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
אִ֗ישׁ
(ish)
man
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
עֲשֶׂ֣רֶת
(aseret)
tien van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
הָמָ֔ן
(haman)
Haman
בִּשְׁאָ֛ר
(bishar)
in de overige
מְדִינ֥וֹת
(medinot)
provincies van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מֶ֣ה
(me)
wat
עָשׂ֑וּ
(asu)
hebben zij gedaan
וּמַה
(uma)
en wat
שְּׁאֵֽלָתֵךְ֙
(sheelatekh)
is je verzoek
וְיִנָּ֣תֵֽן
(veyinaten)
en het zal worden gegeven
לָ֔ךְ
(lakh)
aan jou
וּמַה
(uma)
en wat
בַּקָּשָׁתֵ֥ךְ
(baqashatekh)
is je wens
ע֖וֹד
(od)
nog
וְתֵעָֽשׂ
(veteas)
en het zal worden gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Uitleg
שְּׁאֵלָתֵךְ (she'elatech), ‘je vraag’, en בַּקָּשָׁתֵךְ (baqqashatech), ‘je verzoek’: de twee woorden staan ook samen in 5:6 en 7:2.
13Ester zei: „Als het de koning goeddunkt, laat het dan morgen ook aan de Joden in Sjoesjan worden gegeven om te doen volgens het besluit van vandaag. En laat men de tien zonen van Haman aan de paal hangen.”
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en zei
אֶסְתֵּר֙
(ester)
Ester
אִם
(im)
als
עַל
(al)
op
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
ט֔וֹב
(tov)
goed
יִנָּתֵ֣ן
(yinaten)
laat worden gegeven
גַּם
(gam)
ook
מָחָ֗ר
(machar)
morgen
לַיְּהוּדִים֙
(layehudim)
aan de Joden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּשׁוּשָׁ֔ן
(beshushan)
in Sjoesjan
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te doen
כְּדָ֣ת
(kedat)
volgens het besluit van
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
עֲשֶׂ֥רֶת
(aseret)
tien van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
הָמָ֖ן
(haman)
Haman
יִתְל֥וּ
(yitlu)
laat hangen
עַל
(al)
aan
הָעֵֽץ
(haets)
de paal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Uitleg
הָעֵץ (ha'ets), ‘de paal’: zie ook 5:14, 7:9–10 en 8:7.
De zonen van Haman waren al gedood (vers 10).
Het gaat hier dus waarschijnlijk om het ophangen van hun lichamen.
14De koning zei dat het zo gedaan moest worden. In Sjoesjan werd een besluit gegeven, en zij hingen de tien zonen van Haman op.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
לְהֵֽעָשׂ֣וֹת
(leheasot)
dat het gedaan werd
כֵּ֔ן
(ken)
zo
וַתִּנָּתֵ֥ן
(vatinaten)
en werd gegeven
דָּ֖ת
(dat)
een besluit
בְּשׁוּשָׁ֑ן
(beshushan)
in Sjoesjan
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
עֲשֶׂ֥רֶת
(aseret)
tien van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
הָמָ֖ן
(haman)
Haman
תָּלֽוּ
(talu)
zij hingen op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.
15De Joden die in Sjoesjan waren, verzamelden zich ook op de veertiende van de maand Adar. Zij doodden in Sjoesjan 300 man, maar naar de buit staken zij hun hand niet uit.
וַיִּֽקָּהֲל֞וּ
(vayiqahalu)
en verzamelden zich
הַיְּהוּדִ֣ים
(hayehudim)
de Joden
אֲשֶׁר
(asher)
die
בְּשׁוּשָׁ֗ן
(beshushan)
in Sjoesjan
גַּ֠ם
(gam)
ook
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag
אַרְבָּעָ֤ה
(arbaa)
vier
עָשָׂר֙
(asar)
tien
לְחֹ֣דֶשׁ
(lechodesh)
van de maand
אֲדָ֔ר
(adar)
Adar
וַיַּֽהַרְג֣וּ
(vayahargu)
en doodden
בְשׁוּשָׁ֔ן
(beshushan)
in Sjoesjan
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
אִ֑ישׁ
(ish)
man
וּבַ֨בִּזָּ֔ה
(uvabiza)
en naar de buit
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁלְח֖וּ
(shalechu)
zij strekten uit
אֶת
(et)
(obj.)
יָדָֽם
(yadam)
hun hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.
16De overige Joden, die in de provincies van de koning waren, verzamelden zich en kwamen op voor hun leven. Zij kregen rust van hun vijanden en doodden 75.000 van hun haters. Maar naar de buit staken zij hun hand niet uit.
וּשְׁאָ֣ר
(ushear)
en de overige
הַיְּהוּדִ֡ים
(hayehudim)
de Joden
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
בִּמְדִינ֨וֹת
(bimdinot)
in de provincies van
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
נִקְהֲל֣וּ
(niqhalu)
verzamelden zich
וְעָמֹ֣ד
(veamod)
en kwamen op
עַל
(al)
voor
נַפְשָׁ֗ם
(nafsham)
hun leven
וְנ֨וֹחַ֙
(venoach)
en kregen rust
מֵאֹ֣יְבֵיהֶ֔ם
(meoyeveihem)
van hun vijanden
וְהָרֹג֙
(veharog)
en doodden
בְּשֹׂ֣נְאֵיהֶ֔ם
(besoneeihem)
van hun haters
חֲמִשָּׁ֥ה
(chamisha)
vijf
וְשִׁבְעִ֖ים
(veshivim)
en zeventig
אָ֑לֶף
(alef)
duizend
וּבַ֨בִּזָּ֔ה
(uvabiza)
en naar de buit
לֹ֥א
(lo)
niet
שָֽׁלְח֖וּ
(shalechu)
zij strekten uit
אֶת
(et)
(obj.)
יָדָֽם
(yadam)
hun hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נַפְשָׁם (nefesh), ‘ziel’: hier vertalen wij ‘leven’.
18De Joden die in Sjoesjan waren, hadden zich verzameld op de dertiende en de veertiende daarvan. Op de vijftiende daarvan rustten zij en maakten er een dag van feestmaal en vreugde van.
וְהַיְּהוּדִ֣ים
(vehayehudim)
en de Joden
אֲשֶׁר
(asher)
die
בְּשׁוּשָׁ֗ן
(beshushan)
in Sjoesjan
נִקְהֲלוּ֙
(niqhalu)
hadden zich verzameld
בִּשְׁלֹשָׁ֤ה
(bishlosha)
op drie
עָשָׂר֙
(asar)
tien
בּ֔וֹ
(bo)
daarvan
וּבְאַרְבָּעָ֥ה
(uvearbaa)
en op vier
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
בּ֑וֹ
(bo)
daarvan
וְנ֗וֹחַ
(venoach)
en rust
בַּחֲמִשָּׁ֤ה
(bachamisha)
op vijf
עָשָׂר֙
(asar)
tien
בּ֔וֹ
(bo)
daarvan
וְעָשֹׂ֣ה
(veaso)
en maakten
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
י֖וֹם
(yom)
een dag van
מִשְׁתֶּ֥ה
(mishte)
feestmaal
וְשִׂמְחָֽה
(vesimcha)
en vreugde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Uitleg
De Joden in Sjoesjan streden twee dagen (de dertiende en de veertiende, vers 15) en rustten daarom op de vijftiende.
De Joden in de provincies streden één dag en rustten op de veertiende (vers 16–17).
Zo verklaart de tekst het verschil in de feestdag.
19Daarom vieren de Joden van het platteland, die in de steden zonder muren wonen, de veertiende van de maand Adar. Het is een dag van vreugde en feestmaal, een feestdag en het sturen van porties, ieder aan zijn naaste.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֞ן
(ken)
(daarom)
הַיְּהוּדִ֣ים
(hayehudim)
de Joden
הַפְּרָזִ֗ים
(haperazim)
van het platteland
הַיֹּשְׁבִים֮
(hayoshevim)
die wonen
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
הַפְּרָזוֹת֒
(haperazot)
de dorpen zonder muren
עֹשִׂ֗ים
(osim)
vieren
אֵ֠ת
(et)
(obj.)
י֣וֹם
(yom)
de dag van
אַרְבָּעָ֤ה
(arbaa)
vier
עָשָׂר֙
(asar)
tien
לְחֹ֣דֶשׁ
(lechodesh)
van de maand
אֲדָ֔ר
(adar)
Adar
שִׂמְחָ֥ה
(simcha)
als vreugde
וּמִשְׁתֶּ֖ה
(umishte)
en feestmaal
וְי֣וֹם
(veyom)
en een dag
ט֑וֹב
(tov)
goed
וּמִשְׁל֥וֹחַ
(umishloach)
en het sturen van
מָנ֖וֹת
(manot)
porties
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְרֵעֵֽהוּ
(lereehu)
aan zijn naaste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַפְּרָזִים (happerazim), ‘van het platteland’: letterlijk ‘de bewoners van open dorpen’.
הַפְּרָזוֹת (perazot), ‘zonder muren’: open plaatsen zonder stadsmuur.
Het woord staat ook in Ezech. 38:11 en Zach. 2:8 (‘open dorpen’).
מָנוֹת (manot), ‘porties’: delen eten die men elkaar stuurt. Zie ook vers 22 en Neh. 8:10–12.
22Dat waren de dagen waarop de Joden rust kregen van hun vijanden. Het was de maand die voor hen was omgekeerd van verdriet in vreugde en van rouw in een feestdag. Zij moesten er dagen van feestmaal en vreugde van maken. Dat moest met het sturen van porties, ieder aan zijn naaste, en met geschenken aan de armen.
כַּיָּמִ֗ים
(kayamim)
als de dagen
אֲשֶׁר
(asher)
waarop
נָ֨חוּ
(nachu)
rust kregen
בָהֶ֤ם
(bahem)
daarin
הַיְּהוּדִים֙
(hayehudim)
de Joden
מֵא֣וֹיְבֵיהֶ֔ם
(meoyeveihem)
van hun vijanden
וְהַחֹ֗דֶשׁ
(vehachodesh)
en de maand
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
נֶהְפַּ֨ךְ
(nehpakh)
was omgekeerd
לָהֶ֤ם
(lahem)
voor hen
מִיָּגוֹן֙
(miyagon)
van verdriet
לְשִׂמְחָ֔ה
(lesimcha)
tot vreugde
וּמֵאֵ֖בֶל
(umeevel)
en van rouw
לְי֣וֹם
(leyom)
tot een dag
ט֑וֹב
(tov)
goed
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te maken
אוֹתָ֗ם
(otam)
hen
יְמֵי֙
(yemei)
dagen van
מִשְׁתֶּ֣ה
(mishte)
feestmaal
וְשִׂמְחָ֔ה
(vesimcha)
en vreugde
וּמִשְׁל֤וֹחַ
(umishloach)
en het sturen van
מָנוֹת֙
(manot)
porties
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
לְרֵעֵ֔הוּ
(lereehu)
aan zijn naaste
וּמַתָּנ֖וֹת
(umatanot)
en geschenken
לָֽאֶבְיוֹנִֽים
(laevyonim)
aan de armen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִיָּגוֹן (yagon), ‘verdriet’, en וּמֵאֵבֶל (evel), ‘rouw’: de maand heeft zich omgekeerd van verdriet in vreugde.
Dit is dezelfde omkering als in vers 1.
לָאֶבְיוֹנִים (evyonim), ‘armen’: mensen die gebrek hebben.
23De Joden namen aan wat zij waren begonnen te doen en wat Mordechai aan hen had geschreven.
וְקִבֵּל֙
(veqibel)
en nam aan
הַיְּהוּדִ֔ים
(hayehudim)
de Joden
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
הֵחֵ֖לּוּ
(hechelu)
zij waren begonnen
לַעֲשׂ֑וֹת
(laasot)
te doen
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
כָּתַ֥ב
(katav)
had geschreven
מָרְדֳּכַ֖י
(mardokhay)
Mordechai
אֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Waarom het Purim heet
24Want Haman, de zoon van Hammedata, de Agagiet, de vijand van alle Joden, had tegen de Joden een plan bedacht om hen te laten omkomen. Hij had de pur geworpen, dat is het lot, om hen in verwarring te brengen en te laten omkomen.
כִּי֩
(ki)
want
הָמָ֨ן
(haman)
Haman
בֶּֽן
(ben)
zoon van
הַמְּדָ֜תָא
(hamedata)
Hammedata
הָֽאֲגָגִ֗י
(haagagi)
de Agagiet
צֹרֵר֙
(tsorer)
vijand van
כָּל
(kal)
alle
הַיְּהוּדִ֔ים
(hayehudim)
de Joden
חָשַׁ֥ב
(chashav)
had bedacht
עַל
(al)
tegen
הַיְּהוּדִ֖ים
(hayehudim)
de Joden
לְאַבְּדָ֑ם
(leabedam)
om hen te laten omkomen
וְהִפִּ֥יל
(vehipil)
en hij wierp
פּוּר֙
(pur)
de pur
ה֣וּא
(hu)
dat is
הַגּוֹרָ֔ל
(hagoral)
het lot
לְהֻמָּ֖ם
(lehumam)
om hen in verwarring te brengen
וּֽלְאַבְּדָֽם
(uleabedam)
en hen te laten omkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פּוּר (pur), ‘lot’: een vreemd woord, dat de tekst zelf uitlegt.
Zie ook 3:7.
לְהֻמָּם (lehummam), ‘in verwarring brengen’: het werkwoord kan ook ‘verpletteren’ betekenen. In Deut. 2:15 vertalen wij hetzelfde woord als ‘verdelgen’.
25Toen zij voor het aangezicht van de koning kwam, zei hij met de brief dat zijn boze plan op zijn hoofd moest terugkeren. Dat plan had hij tegen de Joden bedacht. Zij hingen hem en zijn zonen aan de paal.
וּבְבֹאָהּ֮
(uvevoah)
en toen zij kwam
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַמֶּלֶךְ֒
(hamelekh)
de koning
אָמַ֣ר
(amar)
zei hij
עִם
(im)
met
הַסֵּ֔פֶר
(hasefer)
de brief
יָשׁ֞וּב
(yashuv)
zou terugkeren
מַחֲשַׁבְתּ֧וֹ
(machashavto)
zijn plan
הָרָעָ֛ה
(haraa)
het boze
אֲשֶׁר
(asher)
dat
חָשַׁ֥ב
(chashav)
hij had bedacht
עַל
(al)
tegen
הַיְּהוּדִ֖ים
(hayehudim)
de Joden
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וְתָל֥וּ
(vetalu)
en zij hingen
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
עַל
(al)
aan
הָעֵֽץ
(haets)
de paal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וּבְבֹאָהּ (uvevo'ah), ‘en toen zij kwam’: het werkwoord is vrouwelijk enkelvoud en een onderwerp ontbreekt.
Waarschijnlijk is Ester bedoeld (zie 7:1–6 en 8:3).
Het kan ook ‘de zaak’ zijn.
עִם הַסֵּפֶר (im hasefer), ‘met de brief’: onzeker. Het kan betekenen dat de koning zijn bevel schriftelijk gaf, zoals in 8:5–10.
26Daarom noemden zij deze dagen Purim, naar de naam van de pur. Dit was vanwege alle woorden van deze brief en vanwege wat zij hierover hadden gezien en wat hen was overkomen.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֡ן
(ken)
(daarom)
קָֽרְאוּ֩
(qareu)
noemden zij
לַיָּמִ֨ים
(layamim)
deze
הָאֵ֤לֶּה
(haele)
dagen
פוּרִים֙
(purim)
Purim
עַל
(al)
naar
שֵׁ֣ם
(shem)
de naam van
הַפּ֔וּר
(hapur)
de pur
עַל
(al)
daarom
כֵּ֕ן
(ken)
(daarom)
עַל
(al)
om
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
woorden van
הָאִגֶּ֣רֶת
(haigeret)
de brief
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
וּמָֽה
(uma)
en wat
רָא֣וּ
(rau)
zij hadden gezien
עַל
(al)
over
כָּ֔כָה
(kakha)
dit
וּמָ֥ה
(uma)
en wat
הִגִּ֖יעַ
(higia)
kwam
אֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
bij hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פוּרִים (Purim), ‘Purim’: het meervoud van pur, ‘lot’.
הָאִגֶּרֶת (ha'iggeret), ‘de brief’: de brief van Mordechai (vers 20).
27De Joden stelden vast en namen het op zich, voor zichzelf, voor hun nageslacht en voor allen die zich bij hen aansloten. Het zou niet voorbijgaan. Zij zouden deze twee dagen vieren, volgens wat daarover geschreven stond en op hun tijd, elk jaar.
קִיְּמ֣וּ
(qiyemu)
stelden vast
וְקִבְּל֣וּ
(veqibelu)
en namen op zich
הַיְּהוּדִים֩
(hayehudim)
de Joden
עֲלֵיהֶ֨ם
(aleihem)
voor zich
וְעַל
(veal)
en voor
זַרְעָ֜ם
(zaram)
hun nageslacht
וְעַ֨ל
(veal)
en voor
כָּל
(kal)
allen
הַנִּלְוִ֤ים
(hanilvim)
die zich aansloten
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
bij hen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יַעֲב֔וֹר
(yaavor)
zal voorbijgaan
לִהְי֣וֹת
(lihyot)
dat zij zouden
עֹשִׂ֗ים
(osim)
vieren
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֤י
(shenei)
twee
הַיָּמִים֙
(hayamim)
dagen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
כִּכְתָבָ֖ם
(kikhtavam)
volgens hun schrift
וְכִזְמַנָּ֑ם
(vekhizmanam)
en volgens hun tijd
בְּכָל
(bekhal)
in elk
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וְשָׁנָֽה
(veshana)
en jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַנִּלְוִים (hannilvim), ‘die zich aansloten’: mensen die zich bij de Joden voegden.
Vergelijk 8:17.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וְקִבְּלוּ (veqibbelu), ‘en zij namen op zich’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft het werkwoord in het enkelvoud (‘hij nam op zich’), met dezelfde betekenis: de Joden als één geheel.
28Deze dagen worden herdacht en gevierd, in elke generatie, in elke familie, in elke provincie en in elke stad. Deze dagen van Purim zullen niet voorbijgaan uit het midden van de Joden, en de herinnering eraan zal niet ophouden bij hun nageslacht.
וְהַיָּמִ֣ים
(vehayamim)
en de dagen
הָ֠אֵלֶּה
(haele)
deze
נִזְכָּרִ֨ים
(nizkarim)
worden herdacht
וְנַעֲשִׂ֜ים
(venaasim)
en gevierd
בְּכָל
(bekhal)
in elke
דּ֣וֹר
(dor)
generatie
וָד֗וֹר
(vador)
en generatie
מִשְׁפָּחָה֙
(mishpacha)
familie
וּמִשְׁפָּחָ֔ה
(umishpacha)
en familie
מְדִינָ֥ה
(medina)
provincie
וּמְדִינָ֖ה
(umedina)
en provincie
וְעִ֣יר
(veir)
en stad
וָעִ֑יר
(vair)
en stad
וִימֵ֞י
(vimei)
en de dagen van
הַפּוּרִ֣ים
(hapurim)
Purim
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
deze
לֹ֤א
(lo)
niet
יַֽעַבְרוּ֙
(yaavru)
zullen voorbijgaan
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
הַיְּהוּדִ֔ים
(hayehudim)
de Joden
וְזִכְרָ֖ם
(vezikhram)
en hun herinnering
לֹא
(lo)
niet
יָס֥וּף
(yasuf)
zal ophouden
מִזַּרְעָֽם
(mizaram)
bij hun nageslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Zo moesten deze dagen van Purim worden vastgesteld op hun tijden, zoals Mordechai de Jood en koningin Ester voor hen hadden vastgesteld. Ook hadden zij voor zichzelf en voor hun nageslacht vastgesteld: de woorden over de vastendagen en hun noodkreet.
לְקַיֵּ֡ם
(leqayem)
om vast te stellen
אֵת
(et)
(obj.)
יְמֵי֩
(yemei)
dagen van
הַפֻּרִ֨ים
(hapurim)
Purim
הָאֵ֜לֶּה
(haele)
deze
בִּזְמַנֵּיהֶ֗ם
(bizmaneihem)
op hun tijden
כַּאֲשֶׁר֩
(kaasher)
zoals
קִיַּ֨ם
(qiyam)
had vastgesteld
עֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
voor hen
מָרְדֳּכַ֤י
(mardokhay)
Mordechai
הַיְּהוּדִי֙
(hayehudi)
de Jood
וְאֶסְתֵּ֣ר
(veester)
en Ester
הַמַּלְכָּ֔ה
(hamalka)
de koningin
וְכַאֲשֶׁ֛ר
(vekhaasher)
en zoals
קִיְּמ֥וּ
(qiyemu)
zij hadden vastgesteld
עַל
(al)
voor
נַפְשָׁ֖ם
(nafsham)
zichzelf
וְעַל
(veal)
en voor
זַרְעָ֑ם
(zaram)
hun nageslacht
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
הַצֹּמ֖וֹת
(hatsomot)
de vastendagen
וְזַעֲקָתָֽם
(vezaaqatam)
en hun noodkreet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דִּבְרֵי הַצֹּמוֹת וְזַעֲקָתָם (divrei hatsomot vezaaqatam), ‘de woorden over de vastendagen en hun noodkreet’: de zin is kort en niet eenduidig.
Het kan betekenen dat ook het vasten en de noodkreet (4:3, 4:16) bij de gedenkdagen horen.
Wij vertalen letterlijk.
In vers 31 en 32 staat de naam ‘Purim’ in een kortere spelling (הַפֻּרִים). Het is dezelfde naam.