Elohim Bijbel

1 Samuël 28

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Saul en de vrouw van En-Dor

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De Filistijnen trekken op tegen Israël

1In die dagen verzamelden de Filistijnen hun legerkampen voor de veldtocht, om tegen Israël te strijden. Achis zei tegen David: „Weet goed dat je met mij zult uittrekken in het kamp, jij en je mannen.”
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֔ם
(hahem)
die
וַיִּקְבְּצ֨וּ
(vayiqbetsu)
en verzamelden
פְלִשְׁתִּ֤ים
(pelishtim)
de Filistijnen
אֶת
(et)
(obj.)
מַֽחֲנֵיהֶם֙
(machaneihem)
hun legerkampen
לַצָּבָ֔א
(latsava)
tot veldtocht
לְהִלָּחֵ֖ם
(lehilachem)
om te strijden
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אָכִישׁ֙
(akhish)
Achis
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֔ד
(david)
David
יָדֹ֣עַ
(yadoa)
weten
תֵּדַ֗ע
(teda)
je zult weten
כִּ֤י
(ki)
dat
אִתִּי֙
(iti)
met mij
תֵּצֵ֣א
(tetse)
je zult uittrekken
בַֽמַּחֲנֶ֔ה
(bamachane)
in het kamp
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
וַאֲנָשֶֽׁיךָ
(vaanasheikha)
en je mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

De verzameling van de Filistijnen in vers 1 is dezelfde als in 1 Sam. 29:1.

In hoofdstuk 29 vertelt de tekst verder wat er met David gebeurt.

2David zei tegen Achis: „Daarom zult u zelf weten wat uw dienaar zal doen.” Achis zei tegen David: „Daarom maak ik je tot mijn lijfwacht, voor altijd.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
אָכִ֔ישׁ
(akhish)
Achis
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
אַתָּ֣ה
(ata)
u
תֵדַ֔ע
(teda)
zult weten
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יַעֲשֶׂ֖ה
(yaase)
zal doen
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
uw dienaar
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אָכִישׁ֙
(akhish)
Achis
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֔ד
(david)
David
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
שֹׁמֵ֧ר
(shomer)
bewaker van
לְרֹאשִׁ֛י
(leroshi)
mijn hoofd
אֲשִֽׂימְךָ֖
(asimekha)
ik zal je maken
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁמֵר לְרֹאשִׁי (shomer lerosji), ‘bewaker van mijn hoofd’: een lijfwacht, iemand die het leven van de koning beschermt.

Lezing

Davids antwoord ‘dan zult u zelf weten wat uw dienaar zal doen’ laat open of hij met Achis zal meetrekken.

Achis hoort er een toezegging in.

Saul zoekt een vrouw met een dodengeest

3Samuël was gestorven. Heel Israël had om hem gerouwd en hem begraven in Rama, in zijn eigen stad. Saul had de dodengeesten en de waarzeggers uit het land verwijderd.
וּשְׁמוּאֵ֣ל
(ushemuel)
en Samuël
מֵ֔ת
(met)
was gestorven
וַיִּסְפְּדוּ
(vayispedu)
en zij rouwden
לוֹ֙
(lo)
om hem
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיִּקְבְּרֻ֥הוּ
(vayiqberuhu)
en zij begroeven hem
בָרָמָ֖ה
(barama)
in Rama
וּבְעִיר֑וֹ
(uveiro)
en in zijn stad
וְשָׁא֗וּל
(veshaul)
en Saul
הֵסִ֛יר
(hesir)
had verwijderd
הָאֹב֥וֹת
(haovot)
de dodengeesten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיִּדְּעֹנִ֖ים
(hayideonim)
de waarzeggers
מֵהָאָֽרֶץ
(mehaarets)
uit het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Rama is waarschijnlijk Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël; de ligging is onzeker (zie 1 Sam. 25:1).

Uitleg

אֹבוֹת (ovot), ‘dodengeesten’, en יִדְּעֹנִים (yidde'onim), ‘waarzeggers’: wij vertalen zoals in Lev. 19:31, Lev. 20:27 en Deut. 18:11.

Saul had dus gedaan wat de wet gebiedt.

De dood van Samuël is al verteld in 1 Sam. 25:1.

4De Filistijnen verzamelden zich, kwamen en legerden zich bij Sunem. Saul verzamelde heel Israël en zij legerden zich op de Gilboa.
וַיִּקָּבְצ֣וּ
(vayiqavetsu)
en zij verzamelden zich
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
וַיַּחֲנ֣וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְשׁוּנֵ֑ם
(beshunem)
in Sunem
וַיִּקְבֹּ֤ץ
(vayiqbots)
en verzamelde
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בַּגִּלְבֹּֽעַ
(bagilboa)
op de Gilboa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sunem ligt in de vallei van Jizreël, aan de zuidkant van de heuvel More, bij het huidige Solem (Israël).

De Gilboa is het bergland aan de zuidkant van de vallei, ten zuidoosten van Sunem.

Zie ook Joz. 19:18.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

5Saul zag het kamp van de Filistijnen. Hij werd bang en zijn hart beefde zeer.
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en zag
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
kamp van
פְלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיִּרָ֕א
(vayira)
en hij vreesde
וַיֶּחֱרַ֥ד
(vayecherad)
en beefde
לִבּ֖וֹ
(libo)
zijn hart
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

6Saul vroeg raad aan Yahweh, maar Yahweh antwoordde hem niet: niet door dromen, niet door de Urim, niet door de profeten.
וַיִּשְׁאַ֤ל
(vayishal)
en vroeg
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
aan Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עָנָ֖הוּ
(anahu)
antwoordde hem
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
גַּ֧ם
(gam)
zowel
בַּחֲלֹמ֛וֹת
(bachalomot)
door dromen
גַּ֥ם
(gam)
zowel
בָּאוּרִ֖ים
(baurim)
door de Urim
גַּ֥ם
(gam)
zowel
בַּנְּבִיאִֽם
(baneviim)
door de profeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוּרִים (urim), ‘de Urim’: de Urim en Tummim waren het middel van de hogepriester om Yahweh iets te vragen.

Zie Exod. 28:30 en Num. 27:21.

De tekst noemt drie wegen waarlangs Yahweh kon antwoorden: dromen, de Urim en de profeten.

7Saul zei tegen zijn dienaren: „Zoek voor mij een vrouw die een dodengeest bezit. Dan ga ik naar haar toe en raadpleeg haar.” Zijn dienaren zeiden tegen hem: „Zie, in En-Dor is een vrouw die een dodengeest bezit.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
לַעֲבָדָ֗יו
(laavadav)
tot zijn dienaren
בַּקְּשׁוּ
(baqeshu)
zoek
לִי֙
(li)
voor mij
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
een vrouw
בַּעֲלַת
(baalat)
bezitster van
א֔וֹב
(ov)
dodengeest
וְאֵלְכָ֥ה
(veelekha)
en ik zal gaan
אֵלֶ֖יהָ
(eleiha)
naar haar
וְאֶדְרְשָׁה
(veedresha)
en ik zal raadplegen
בָּ֑הּ
(bah)
door haar
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
een vrouw
בַּֽעֲלַת
(baalat)
bezitster van
א֖וֹב
(ov)
dodengeest
בְּעֵ֥ין
(beein)
in En
דּֽוֹר
(dor)
Dor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

En-Dor ligt in het noorden van de vallei van Jizreël, aan de voet van de heuvel More, bij het huidige dorp Endor (Israël).

Zie ook Joz. 17:11.

Uitleg

בַּעֲלַת־אוֹב (ba'alat ov), ‘bezitster van een dodengeest’: een vrouw die contact met de doden kan leggen.

Zie Lev. 20:27 en Deut. 18:11.

Saul gaat 's nachts naar En-Dor

8Saul vermomde zich en trok andere kleren aan. Hij ging, hij en twee mannen met hem, en zij kwamen 's nachts bij de vrouw. Hij zei: „Voorspel mij toch door de dodengeest en laat voor mij opkomen wie ik je noem.”
וַיִּתְחַפֵּ֣שׂ
(vayitchapes)
en vermomde zich
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
וַיִּלְבַּשׁ֙
(vayilbash)
en trok aan
בְּגָדִ֣ים
(begadim)
kleren
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
ה֗וּא
(hu)
hij
וּשְׁנֵ֤י
(ushenei)
en twee
אֲנָשִׁים֙
(anashim)
mannen
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
לָ֑יְלָה
(layela)
's nachts
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
קָֽסֳמִי
(qasomi)
voorspel
נָ֥א
(na)
toch
לִי֙
(li)
voor mij
בָּא֔וֹב
(baov)
door de dodengeest
וְהַ֣עֲלִי
(vehaali)
en laat opkomen
לִ֔י
(li)
voor mij
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wie
אֹמַ֖ר
(omar)
ik zal zeggen
אֵלָֽיִךְ
(elayikh)
tot jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָסַם (qasam), ‘voorspellen’: zie Deut. 18:10, waar de ‘voorspeller van voorspellingen’ wordt verboden.

Saul vraagt dus wat hij zelf uit het land had verwijderd (vers 3 en 9).

9De vrouw zei tegen hem: „Zie, u weet toch wat Saul heeft gedaan. Hij heeft de dodengeesten en de waarzegger uit het land uitgeroeid. Waarom zet u dan een strik voor mijn leven, om mij te doden?”
וַתֹּ֨אמֶר
(vatomer)
en zei
הָֽאִשָּׁ֜ה
(haisha)
de vrouw
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אַתָּ֤ה
(ata)
u
יָדַ֨עְתָּ֙
(yadata)
u weet
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֣ה
(asa)
deed
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הִכְרִ֛ית
(hikhrit)
hij heeft uitgeroeid
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֹב֥וֹת
(haovot)
de dodengeesten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיִּדְּעֹנִ֖י
(hayideoni)
de waarzegger
מִן
(min)
uit
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְלָמָ֥ה
(velama)
en waarom
אַתָּ֛ה
(ata)
u
מִתְנַקֵּ֥שׁ
(mitnaqesh)
zet een strik
בְּנַפְשִׁ֖י
(benafshi)
voor mijn ziel
לַהֲמִיתֵֽנִי
(lahamiteni)
om mij te doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Saul zwoer haar bij Yahweh: „Zo waar Yahweh leeft, geen schuld zal je hierom treffen.”
וַיִּשָּׁ֤בַֽע
(vayishava)
en zwoer
לָהּ֙
(lah)
haar
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
בַּֽיהוָ֖ה
(baYahweh)
bij Yahweh
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
חַי
(chay)
leeft
יְהוָ֕ה
(Yahweh)
Yahweh
אִֽם
(im)
als
יִקְּרֵ֥ךְ
(yiqerekh)
zal treffen jou
עָוֺ֖ן
(avon)
schuld
בַּדָּבָ֥ר
(badavar)
in de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eed.

Saul zweert bij Yahweh, terwijl hij een dodengeest wil raadplegen.

11De vrouw zei: „Wie moet ik voor u laten opkomen?” Hij zei: „Laat Samuël voor mij opkomen.”
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zei
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
אֶת
(et)
(obj.)
מִ֖י
(mi)
wie
אַֽעֲלֶה
(aale)
ik zal laten opkomen
לָּ֑ךְ
(lakh)
voor jou
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
הַֽעֲלִי
(haali)
laat opkomen
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De vrouw ziet Samuël

12De vrouw zag Samuël en schreeuwde luid. De vrouw zei tegen Saul: „Waarom hebt u mij bedrogen? U bent Saul!”
וַתֵּ֤רֶא
(vatere)
en zag
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
וַתִּזְעַ֖ק
(vatizaq)
en schreeuwde
בְּק֣וֹל
(beqol)
met stem
גָּד֑וֹל
(gadol)
luid
וַתֹּאמֶר֩
(vatomer)
en zei
הָאִשָּׁ֨ה
(haisha)
de vrouw
אֶל
(el)
tot
שָׁא֧וּל
(shaul)
Saul
לֵאמֹ֛ר
(lemor)
zeggende
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
רִמִּיתָ֖נִי
(rimitani)
hebt u mij bedrogen
וְאַתָּ֥ה
(veata)
en u
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst zegt niet hoe de vrouw Saul herkent.

Zij roept het uit nadat zij Samuël heeft gezien.

13De koning zei tegen haar: „Wees niet bang. Wat heb je gezien?” De vrouw zei tegen Saul: „Ik zie een elohim uit de aarde opkomen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
לָ֥הּ
(lah)
haar
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אַל
(al)
niet
תִּֽירְאִ֖י
(tirei)
wees bang
כִּ֣י
(ki)
want
מָ֣ה
(ma)
wat
רָאִ֑ית
(rait)
heb je gezien
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en zei
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
אֶל
(el)
tot
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
elohim
רָאִ֖יתִי
(raiti)
ik heb gezien
עֹלִ֥ים
(olim)
opkomend
מִן
(min)
uit
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלֹהִים (elohim), ‘een elohim’: dit is niet de Naam Elohim, maar een woord voor een wezen uit de onzichtbare wereld.

Het bijbehorende werkwoord עֹלִים (olim) staat in het meervoud, ‘opkomend’.

In vers 14 beschrijft de vrouw één gedaante.

14Hij zei tegen haar: „Hoe ziet hij eruit?” Zij zei: „Een oude man komt op. Hij is gehuld in een mantel.” Saul begreep dat het Samuël was. Hij boog met zijn gezicht naar de grond en wierp zich neer.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהּ֙
(lah)
haar
מַֽה
(ma)
wat
תָּאֳר֔וֹ
(taoro)
zijn gestalte
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en zei
אִ֤ישׁ
(ish)
man
זָקֵן֙
(zaqen)
oud
עֹלֶ֔ה
(ole)
komt op
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
עֹטֶ֖ה
(ote)
gehuld
מְעִ֑יל
(meil)
mantel
וַיֵּ֤דַע
(vayeda)
en wist
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
כִּֽי
(ki)
dat
שְׁמוּאֵ֣ל
(shemuel)
Samuël
ה֔וּא
(hu)
hij
וַיִּקֹּ֥ד
(vayiqod)
en boog zich
אַפַּ֛יִם
(apayim)
gezicht
אַ֖רְצָה
(artsa)
naar de grond
וַיִּשְׁתָּֽחוּ
(vayishtachu)
en wierp zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְעִיל (me'il), ‘mantel’: Samuël droeg zo’n mantel al als jongen (1 Sam. 2:19) en Saul greep hem vast in 1 Sam. 15:27.

Samuël spreekt tot Saul

15Samuël zei tegen Saul: „Waarom heb je mij onrustig gemaakt door mij te laten opkomen?” Saul zei: „Ik ben in grote nood. De Filistijnen strijden tegen mij en Elohim is van mij weggegaan. Hij antwoordt mij niet meer, niet door de profeten en niet door dromen. Daarom heb ik jou geroepen, zodat jij mij bekend maakt wat ik moet doen.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tot
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
הִרְגַּזְתַּ֖נִי
(hirgaztani)
heb je mij onrustig gemaakt
לְהַעֲל֣וֹת
(lehaalot)
om te laten opkomen
אֹתִ֑י
(oti)
mij
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁ֠אוּל
(shaul)
Saul
צַר
(tsar)
benauwd
לִ֨י
(li)
voor mij
מְאֹ֜ד
(meod)
zeer
וּפְלִשְׁתִּ֣ים
(ufelishtim)
en de Filistijnen
נִלְחָמִ֣ים
(nilchamim)
strijden
בִּ֗י
(bi)
tegen mij
וֵֽאלֹהִ֞ים
(vElohim)
en Elohim
סָ֤ר
(sar)
is geweken
מֵֽעָלַי֙
(mealay)
van mij
וְלֹֽא
(velo)
en niet
עָנָ֣נִי
(anani)
antwoordt mij
ע֗וֹד
(od)
meer
גַּ֤ם
(gam)
zowel
בְּיַֽד
(beyad)
door de hand van
הַנְּבִיאִם֙
(haneviim)
de profeten
גַּם
(gam)
zowel
בַּ֣חֲלֹמ֔וֹת
(bachalomot)
door dromen
וָאֶקְרָאֶ֣ה
(vaeqrae)
en ik riep
לְךָ֔
(lekha)
jou
לְהוֹדִיעֵ֖נִי
(lehodieni)
om mij bekend te maken
מָ֥ה
(ma)
wat
אֶעֱשֶֽׂה
(eese)
ik moet doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

Vanaf hier tot en met vers 19 spreekt de verschijning die de tekst ‘Samuël’ noemt (vers 14 en 15).

Deze woorden zijn niet van Yahweh zelf en staan daarom niet in rood.

Wat Saul en de vrouw precies zagen, zegt de tekst niet.

רָגַז (ragaz), ‘onrustig maken’: iemand uit zijn rust halen, zodat hij beeft of zich opwindt.

Saul noemt hier dromen en profeten, de Urim noemt hij niet. Zie vers 6.

16Samuël zei: „Waarom vraag je het mij dan? Yahweh is van je weggegaan en is je tegenstander geworden.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
וְלָ֖מָּה
(velama)
en waarom
תִּשְׁאָלֵ֑נִי
(tishaleni)
vraag je mij
וַיהוָ֛ה
(vaYahweh)
en Yahweh
סָ֥ר
(sar)
is geweken
מֵעָלֶ֖יךָ
(mealeikha)
van je
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en is geworden
עָרֶֽךָ
(arekha)
je tegenstander
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

עָרֶךָ (arecha), ‘je tegenstander’: dit woord komt alleen hier voor.

De betekenis is niet zeker.

Wij vertalen ‘je tegenstander’, zoals de zin het vraagt.

17Yahweh heeft voor Zich gedaan wat Hij door mij heeft gesproken. Yahweh heeft het koningschap uit jouw hand gescheurd en het gegeven aan je naaste, aan David.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en deed
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
ל֔וֹ
(lo)
voor Zich
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֣ר
(diber)
Hij heeft gesproken
בְּיָדִ֑י
(beyadi)
door mijn hand
וַיִּקְרַ֨ע
(vayiqra)
en scheurde
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּמְלָכָה֙
(hamamlakha)
het koningschap
מִיָּדֶ֔ךָ
(miyadekha)
uit je hand
וַֽיִּתְּנָ֖הּ
(vayitenah)
en gaf het
לְרֵעֲךָ֥
(lereakha)
aan je naaste
לְדָוִֽד
(ledavid)
aan David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dat Yahweh het koningschap ‘scheurt’ en aan Sauls ‘naaste’ geeft, staat ook in 1 Sam. 15:28.

18Je hebt niet geluisterd naar de stem van Yahweh. Je hebt de gloed van Zijn toorn tegen Amalek niet uitgevoerd. Daarom heeft Yahweh je dit vandaag aangedaan.
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
omdat
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁמַ֨עְתָּ֙
(shamata)
je hebt geluisterd
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹֽא
(velo)
en niet
עָשִׂ֥יתָ
(asita)
je hebt uitgevoerd
חֲרוֹן
(charon)
gloed van
אַפּ֖וֹ
(apo)
Zijn toorn
בַּעֲמָלֵ֑ק
(baamaleq)
tegen Amalek
עַל
(al)
daarom
כֵּן֙
(ken)
zo
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
עָשָֽׂה
(asa)
heeft gedaan
לְךָ֥
(lekha)
aan je
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het gaat om het bevel over Amalek in 1 Sam. 15:1–3 en 15:18–19.

Zie ook Exod. 17:14 en Deut. 25:17–19.

חֲרוֹן אַפּוֹ (charon apo), ‘de gloed van Zijn toorn’: de brandende toorn van Yahweh.

19Yahweh zal ook Israël, samen met jou, in de hand van de Filistijnen geven. Morgen zullen jij en je zonen bij mij zijn. Ook het kamp van Israël zal Yahweh in de hand van de Filistijnen geven.”
וְיִתֵּ֣ן
(veyiten)
en zal geven
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
גַּ֣ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
עִמְּךָ֙
(imekha)
met jou
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וּמָחָ֕ר
(umachar)
en morgen
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
וּבָנֶ֖יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
עִמִּ֑י
(imi)
met mij
גַּ֚ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(obj.)
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
kamp van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
יִתֵּ֥ן
(yiten)
zal geven
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

‘Morgen zullen jij en je zonen bij mij zijn’ betekent dat zij dood zullen zijn.

Zie 1 Sam. 31:2–6.

Saul valt neer en eet

20Saul haastte zich en viel languit op de grond. Hij was zeer bang door de woorden van Samuël. Ook was er geen kracht meer in hem, want hij had de hele dag en de hele nacht geen brood gegeten.
וַיְמַהֵ֣ר
(vaymaher)
en haastte zich
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
וַיִּפֹּ֤ל
(vayipol)
en viel
מְלֹא
(melo)
vol
קֽוֹמָתוֹ֙
(qomato)
zijn gestalte
אַ֔רְצָה
(artsa)
naar de grond
וַיִּרָ֥א
(vayira)
en vreesde
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
מִדִּבְרֵ֣י
(midivrei)
om de woorden van
שְׁמוּאֵ֑ל
(shemuel)
Samuël
גַּם
(gam)
ook
כֹּ֨חַ֙
(koach)
kracht
לֹא
(lo)
niet
הָ֣יָה
(haya)
was
ב֔וֹ
(bo)
in hem
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
אָכַל֙
(akhal)
had gegeten
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
כָּל
(kal)
heel
הַיּ֖וֹם
(hayom)
de dag
וְכָל
(vekhal)
en heel
הַלָּֽיְלָה
(halayela)
de nacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21De vrouw kwam bij Saul. Zij zag dat hij zeer ontsteld was. Zij zei tegen hem: „Zie, uw dienares heeft naar uw stem geluisterd. Ik heb mijn leven in mijn hand gelegd en ik heb geluisterd naar de woorden die u tot mij hebt gesproken.
וַתָּב֤וֹא
(vatavo)
en kwam
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
אֶל
(el)
naar
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַתֵּ֖רֶא
(vatere)
en zag
כִּי
(ki)
dat
נִבְהַ֣ל
(nivhal)
verschrikt was
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
שָׁמְעָ֤ה
(shamea)
heeft geluisterd
שִׁפְחָֽתְךָ֙
(shifchatekha)
uw dienares
בְּקוֹלֶ֔ךָ
(beqolekha)
naar uw stem
וָאָשִׂ֤ים
(vaasim)
en ik legde
נַפְשִׁי֙
(nafshi)
mijn ziel
בְּכַפִּ֔י
(bekhapi)
in mijn hand
וָֽאֶשְׁמַע֙
(vaeshma)
en ik luisterde
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרֶ֔יךָ
(devareikha)
uw woorden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
דִּבַּ֖רְתָּ
(dibarta)
u hebt gesproken
אֵלָֽי
(elay)
tot mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Ik heb mijn leven in mijn hand gelegd’: wij hebben mijn leven gewaagd.

Zie ook Richt. 12:3.

22Luister nu ook zelf naar de stem van uw dienares. Laat mij u een stuk brood voorzetten. Eet, dan hebt u kracht wanneer u de weg gaat.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
שְׁמַֽע
(shema)
luister
נָ֤א
(na)
toch
גַם
(gam)
ook
אַתָּה֙
(ata)
u
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
שִׁפְחָתֶ֔ךָ
(shifchatekha)
uw dienares
וְאָשִׂ֧מָה
(veasima)
en laat mij voorzetten
לְפָנֶ֛יךָ
(lefaneikha)
voor u
פַּת
(pat)
stuk
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
וֶאֱכ֑וֹל
(veekhol)
en eet
וִיהִ֤י
(vihi)
en er zal zijn
בְךָ֙
(bekha)
in u
כֹּ֔חַ
(koach)
kracht
כִּ֥י
(ki)
wanneer
תֵלֵ֖ךְ
(telekh)
u gaat
בַּדָּֽרֶךְ
(badarekh)
op de weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Hij weigerde en zei: „Ik eet niet.” Maar zijn dienaren en ook de vrouw drongen bij hem aan en hij luisterde naar hen. Hij stond op van de grond en ging op het bed zitten.
וַיְמָאֵ֗ן
(vaymaen)
en weigerde
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אֹכַ֔ל
(okhal)
ik zal eten
וַיִּפְרְצוּ
(vayifretsu)
en zij drongen aan
ב֤וֹ
(bo)
bij hem
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
וְגַם
(vegam)
en ook
הָ֣אִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
וַיִּשְׁמַ֖ע
(vayishma)
en hij luisterde
לְקֹלָ֑ם
(leqolam)
naar hun stem
וַיָּ֨קָם֙
(vayaqam)
en stond op
מֵֽהָאָ֔רֶץ
(mehaarets)
van de grond
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en ging zitten
אֶל
(el)
op
הַמִּטָּֽה
(hamita)
het bed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De vrouw had in huis een gemest kalf. Zij haastte zich en slachtte het. Zij nam meel, kneedde het en bakte er ongezuurde broden van.
וְלָאִשָּׁ֤ה
(velaisha)
en voor de vrouw
עֵֽגֶל
(egel)
kalf van
מַרְבֵּק֙
(marbeq)
mesting
בַּבַּ֔יִת
(babayit)
in huis
וַתְּמַהֵ֖ר
(vatemaher)
en zij haastte zich
וַתִּזְבָּחֵ֑הוּ
(vatizbachehu)
en zij slachtte het
וַתִּקַּח
(vatiqach)
en zij nam
קֶ֣מַח
(qemach)
meel
וַתָּ֔לָשׁ
(vatalash)
en zij kneedde
וַתֹּפֵ֖הוּ
(vatofehu)
en zij bakte het
מַצּֽוֹת
(matsot)
ongezuurde broden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַצּוֹת (matsot), ‘ongezuurde broden’: broden zonder zuurdeeg, snel klaar te maken.

Zie ook Gen. 19:3.

25Zij zette het voor Saul en voor zijn dienaren neer, en zij aten. Daarna stonden zij op en gingen diezelfde nacht weg.
וַתַּגֵּ֧שׁ
(vatagesh)
en zij bracht
לִפְנֵֽי
(lifnei)
voor
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
וְלִפְנֵ֥י
(velifnei)
en voor
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
zijn dienaren
וַיֹּאכֵ֑לוּ
(vayokhelu)
en zij aten
וַיָּקֻ֥מוּ
(vayaqumu)
en zij stonden op
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
בַּלַּ֥יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)