Elohim Bijbel

Spreuken 11

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Spreuken van Salomo: eerlijkheid, gerechtigheid en zegen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Een weegschaal van bedrog is een gruwel voor Yahweh, maar een volle steen is Zijn welbehagen.
מֹאזְנֵ֣י
(moznei)
weegschalen van
מִ֭רְמָה
(mirma)
bedrog
תּוֹעֲבַ֣ת
(toavat)
gruwel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶ֖בֶן
(veeven)
en steen
שְׁלֵמָ֣ה
(shelema)
volle
רְצוֹנֽוֹ
(retsono)
Zijn welbehagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹעֲבַת (to’avat), ‘gruwel’: wat Yahweh afkeurt en verafschuwt.

אֶבֶן שְׁלֵמָה (even shelemah), ‘volle steen’: een gewichtssteen die precies het goede gewicht heeft. Zie ook Spr. 20:23; Lev. 19:35–36 en Deut. 25:13–16.

2Komt overmoed, dan komt schande, maar bij de bescheidenen is wijsheid.
בָּֽא
(ba)
komt
זָ֭דוֹן
(zadon)
overmoed
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
dan komt
קָל֑וֹן
(qalon)
schande
וְֽאֶת
(veet)
en bij
צְנוּעִ֥ים
(tsenuim)
bescheidenen
חָכְמָֽה
(chakhema)
wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְנוּעִים (tsenu’im), ‘bescheidenen’: een zeldzaam woord voor wie zich niet op de voorgrond zet.

3De onberispelijkheid van de oprechten leidt hen, maar de verdraaidheid van de trouwelozen verwoest hen.
תֻּמַּ֣ת
(tumat)
onberispelijkheid van
יְשָׁרִ֣ים
(yesharim)
oprechten
תַּנְחֵ֑ם
(tanchem)
leidt hen
וְסֶ֖לֶף
(veselef)
en verdraaidheid van
בּוֹגְדִ֣ים
(bogedim)
trouwelozen
יְשָׁדֵּֽם
(yeshadem)
verwoest hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Ketiv (wat er geschreven staat) is וְשָׁדָּם (veshaddam), ‘en hun verwoesting’.

Qere (wat men leest) is יְשָׁדֵּם (yeshaddem), ‘Hij verwoest hen’.

Wij volgen de qere.

4Vermogen baat niet op de dag van de toorn, maar gerechtigheid bevrijdt van de dood.
לֹא
(lo)
niet
יוֹעִ֣יל
(yoil)
baat
ה֭וֹן
(hon)
vermogen
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
עֶבְרָ֑ה
(evra)
toorn
וּ֝צְדָקָ֗ה
(utsedaqa)
maar gerechtigheid
תַּצִּ֥יל
(tatsil)
bevrijdt
מִמָּֽוֶת
(mimavet)
van de dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹן (hon), ‘vermogen’.

De tweede helft is gelijk aan Spr. 10:2b.

5De gerechtigheid van de onberispelijke maakt zijn weg recht, maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
צִדְקַ֣ת
(tsidqat)
gerechtigheid van
תָּ֭מִים
(tamim)
onberispelijke
תְּיַשֵּׁ֣ר
(teyasher)
maakt recht
דַּרְכּ֑וֹ
(darko)
zijn weg
וּ֝בְרִשְׁעָת֗וֹ
(uverishato)
en door zijn goddeloosheid
יִפֹּ֥ל
(yipol)
valt
רָשָֽׁע
(rasha)
goddeloze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6De gerechtigheid van de oprechten bevrijdt hen, maar de trouwelozen worden gevangen in hun begeerte.
צִדְקַ֣ת
(tsidqat)
gerechtigheid van
יְ֭שָׁרִים
(yesharim)
oprechten
תַּצִּילֵ֑ם
(tatsilem)
bevrijdt hen
וּ֝בְהַוַּ֗ת
(uvehavat)
en in begeerte
בֹּגְדִ֥ים
(bogedim)
trouwelozen
יִלָּכֵֽדוּ
(yilakhedu)
worden gevangen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַוַּת (havvat), ‘begeerte’: zie bij Spr. 10:3.

7Wanneer een goddeloos mens sterft, gaat de hoop verloren, en de verwachting van de krachtigen is verloren.
בְּמ֤וֹת
(bemot)
bij het sterven van
אָדָ֣ם
(adam)
mens
רָ֭שָׁע
(rasha)
goddeloze
תֹּאבַ֣ד
(tovad)
gaat verloren
תִּקְוָ֑ה
(tiqva)
hoop
וְתוֹחֶ֖לֶת
(vetochelet)
en verwachting van
אוֹנִ֣ים
(onim)
krachtigen
אָבָֽדָה
(avada)
is verloren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוֹנִים (onim), ‘krachtigen’: het woord betekent ‘kracht’ of ‘rijkdom’.

Sommige lezers verstaan ‘onrecht’ (aven).

Wij volgen het Hebreeuws zoals het er staat.

8De rechtvaardige wordt uit de nood gehaald, en de goddeloze komt in zijn plaats.
צַ֭דִּיק
(tsadiq)
rechtvaardige
מִצָּרָ֣ה
(mitsara)
uit nood
נֶחֱלָ֑ץ
(nechelats)
wordt gehaald
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en komt
רָשָׁ֣ע
(rasha)
goddeloze
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Met zijn mond verderft de huichelaar zijn naaste, maar door kennis worden de rechtvaardigen gered.
בְּפֶ֗ה
(befe)
met de mond
חָ֭נֵף
(chanef)
huichelaar
יַשְׁחִ֣ת
(yashchit)
verderft
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
zijn naaste
וּ֝בְדַ֗עַת
(uvedaat)
en door kennis
צַדִּיקִ֥ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
יֵחָלֵֽצוּ
(yechaletsu)
worden gered
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָנֵף (chanef), ‘huichelaar’: iemand zonder eerbied voor Elohim, die vroom lijkt maar het niet is.

10Als het de rechtvaardigen goed gaat, juicht de stad. Als de goddelozen omkomen, is er gejubel.
בְּט֣וּב
(betuv)
bij het goede van
צַ֭דִּיקִים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
תַּעֲלֹ֣ץ
(taalots)
juicht
קִרְיָ֑ה
(qirya)
stad
וּבַאֲבֹ֖ד
(uvaavod)
en bij het omkomen van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
רִנָּֽה
(rina)
gejubel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Door de zegen van de oprechten komt een stad omhoog, maar door de mond van de goddelozen wordt zij afgebroken.
בְּבִרְכַּ֣ת
(bevirkat)
door zegen van
יְ֭שָׁרִים
(yesharim)
oprechten
תָּר֣וּם
(tarum)
komt omhoog
קָ֑רֶת
(qaret)
stad
וּבְפִ֥י
(uvefi)
en door de mond van
רְ֝שָׁעִ֗ים
(reshaim)
goddelozen
תֵּהָרֵֽס
(tehares)
wordt afgebroken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Wie zijn naaste verachtelijk behandelt, is zonder hart, maar een man van verstand zwijgt.
בָּז
(baz)
verachter
לְרֵעֵ֥הוּ
(lereehu)
van zijn naaste
חֲסַר
(chasar)
is zonder
לֵ֑ב
(lev)
hart
וְאִ֖ישׁ
(veish)
maar man van
תְּבוּנ֣וֹת
(tevunot)
verstand
יַחֲרִֽישׁ
(yacharish)
zwijgt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Wie rondgaat als lasteraar, onthult het geheim, maar wie betrouwbaar is van geest, bedekt een zaak.
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
wie gaat
רָ֭כִיל
(rakhil)
lasteraar
מְגַלֶּה
(megale)
onthult
סּ֑וֹד
(sod)
geheim
וְנֶאֱמַן
(veneeman)
en betrouwbare van
ר֝֗וּחַ
(ruach)
geest
מְכַסֶּ֥ה
(mekhase)
bedekt
דָבָֽר
(davar)
zaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָכִיל (rakhil), ‘lasteraar’: wie rondgaat met praatjes over anderen.

Zie ook Spr. 20:19.

14Waar leiding ontbreekt, valt een volk, maar redding is er bij veel raadgevers.
בְּאֵ֣ין
(beein)
bij het ontbreken van
תַּ֭חְבֻּלוֹת
(tachbulot)
leiding
יִפָּל
(yipal)
valt
עָ֑ם
(am)
volk
וּ֝תְשׁוּעָ֗ה
(uteshua)
en redding
בְּרֹ֣ב
(berov)
bij vele
יוֹעֵֽץ
(yoets)
raadgever
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּחְבֻּלוֹת (tachbulot), ‘leiding’: het stuurwerk van een schip, dus verstandig bestuur.

Zie ook Spr. 24:6.

Het woord komt ook voor in Spr. 12:5.

15Kwaad zal hij zeker ondervinden als hij borg staat voor een vreemde, maar wie handslagen haat, is veilig.
רַע
(ra)
kwaad
יֵ֭רוֹעַ
(yeroa)
zal hij ondervinden
כִּי
(ki)
want
עָ֣רַב
(arav)
borg staat
זָ֑ר
(zar)
voor een vreemde
וְשֹׂנֵ֖א
(vesone)
en wie haat
תֹקְעִ֣ים
(toqeim)
handslagen
בּוֹטֵֽחַ
(boteach)
is veilig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרַב (arav), ‘borg staan’: voor de schuld van een ander instaan.

תֹּקְעִים (toq’im), ‘handslagen’: het gebaar waarmee men die belofte bevestigde.

Zie ook Spr. 20:16 en 27:13.

16Een vrouw van gunst verwerft eer, en geweldenaars verwerven rijkdom.
אֵֽשֶׁת
(eshet)
vrouw van
חֵ֭ן
(chen)
gunst
תִּתְמֹ֣ךְ
(titmokh)
verwerft
כָּב֑וֹד
(kavod)
eer
וְ֝עָרִיצִ֗ים
(vearitsim)
en geweldenaars
יִתְמְכוּ
(yitmekhu)
verwerven
עֹֽשֶׁר
(osher)
rijkdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵן (chen), ‘gunst’: ook ‘bevalligheid’.

De tweede helft is kort: ‘geweldenaars verwerven rijkdom’.

17De man van trouw doet zijn eigen ziel goed, maar de wrede brengt zijn eigen vlees in ellende.
גֹּמֵ֣ל
(gomel)
doet goed
נַ֭פְשׁוֹ
(nafsho)
zijn ziel
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
חָ֑סֶד
(chased)
trouw
וְעֹכֵ֥ר
(veokher)
maar brengt in ellende
שְׁ֝אֵר֗וֹ
(sheero)
zijn vlees
אַכְזָרִֽי
(akhzari)
wrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: in Spreuken ook ‘goedheid’ of ‘liefde’.

שְׁאֵר (she’er), ‘vlees’: het eigen lichaam, ook de naaste familie.

18De goddeloze maakt een loon van bedrog, maar wie gerechtigheid zaait, heeft een loon van waarheid.
רָשָׁ֗ע
(rasha)
goddeloze
עֹשֶׂ֥ה
(ose)
maakt
פְעֻלַּת
(peulat)
loon van
שָׁ֑קֶר
(shaqer)
bedrog
וְזֹרֵ֥עַ
(vezorea)
en wie zaait
צְ֝דָקָ֗ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
שֶׂ֣כֶר
(sekher)
loon van
אֱמֶֽת
(emet)
waarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׂכֶר אֱמֶת (sekher emet), ‘loon van waarheid’: een loon dat zeker en betrouwbaar is, tegenover het loon van bedrog.

19Zo is gerechtigheid tot leven, maar wie het kwaad najaagt, gaat naar zijn dood.
כֵּן
(ken)
zo
צְדָקָ֥ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
לְחַיִּ֑ים
(lechayim)
tot leven
וּמְרַדֵּ֖ף
(umeradef)
en wie najaagt
רָעָ֣ה
(raa)
kwaad
לְמוֹתֽוֹ
(lemoto)
tot zijn dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֵּן (ken), ‘zo’: het woord kan ook van een ander werkwoord komen en ‘standvastig’ betekenen (‘wie standvastig is in gerechtigheid, gaat naar leven’).

Wij volgen de eerste lezing.

20Een gruwel voor Yahweh zijn zij die krom zijn van hart, maar zij die onberispelijk zijn op hun weg, zijn Zijn welbehagen.
תּוֹעֲבַ֣ת
(toavat)
gruwel van
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
עִקְּשֵׁי
(iqeshei)
kromme van
לֵ֑ב
(lev)
hart
וּ֝רְצוֹנ֗וֹ
(uretsono)
en Zijn welbehagen
תְּמִ֣ימֵי
(temimei)
onberispelijken van
דָֽרֶךְ
(darekh)
weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Hand in hand: de kwade blijft niet ongestraft, maar het nageslacht van de rechtvaardigen ontkomt.
יָ֣ד
(yad)
hand
לְ֭יָד
(leyad)
in hand
לֹא
(lo)
niet
יִנָּ֣קֶה
(yinaqe)
blijft ongestraft
רָּ֑ע
(ra)
kwade
וְזֶ֖רַע
(vezera)
en nageslacht van
צַדִּיקִ֣ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
נִמְלָֽט
(nimlat)
ontkomt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָד לְיָד (yad leyad), ‘hand in hand’: een uitdrukking waarvan de betekenis onzeker is, waarschijnlijk ‘zeker’ of ‘hand erop’.

Zie ook Spr. 16:5.

22Een gouden ring in de neus van een zwijn: een mooie vrouw zonder oordeelsvermogen.
נֶ֣זֶם
(nezem)
ring van
זָ֭הָב
(zahav)
goud
בְּאַ֣ף
(beaf)
in de neus van
חֲזִ֑יר
(chazir)
een zwijn
אִשָּׁ֥ה
(isha)
een vrouw
יָ֝פָ֗ה
(yafa)
mooie
וְסָ֣רַת
(vesarat)
en afgekeerd van
טָֽעַם
(taam)
oordeelsvermogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טַעַם (ta’am), ‘oordeelsvermogen’: letterlijk ‘smaak’, dus gevoel voor wat past.

23Het verlangen van de rechtvaardigen is louter goed. De hoop van de goddelozen is toorn.
תַּאֲוַ֣ת
(taavat)
verlangen van
צַדִּיקִ֣ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
אַךְ
(akh)
louter
ט֑וֹב
(tov)
goed
תִּקְוַ֖ת
(tiqvat)
hoop van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
עֶבְרָֽה
(evra)
toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Er is er die uitstrooit en toch meer krijgt, en er is er die terughoudt, meer dan recht is, maar het eindigt in gebrek.
יֵ֣שׁ
(yesh)
er is
מְ֭פַזֵּר
(mefazer)
die uitstrooit
וְנוֹסָ֥ף
(venosaf)
en erbij gevoegd wordt
ע֑וֹד
(od)
meer
וְחוֹשֵׂ֥ךְ
(vechosekh)
en die terughoudt
מִ֝יֹּ֗שֶׁר
(miyosher)
meer dan recht is
אַךְ
(akh)
slechts
לְמַחְסֽוֹר
(lemachsor)
tot gebrek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִיֹּשֶׁר (miyyosher), ‘meer dan recht is’: letterlijk ‘van recht’.

Het kan ook betekenen ‘wat recht is’, dus wat hem toekomt te geven.

25Een ziel van zegen wordt vet gemaakt, en wie laaft, wordt zelf ook gelaafd.
נֶֽפֶשׁ
(nefesh)
ziel van
בְּרָכָ֥ה
(berakha)
zegen
תְדֻשָּׁ֑ן
(tedushan)
wordt vet gemaakt
וּ֝מַרְוֶ֗ה
(umarve)
en wie laaft
גַּם
(gam)
ook
ה֥וּא
(hu)
hij
יוֹרֶֽא
(yore)
wordt gelaafd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ־בְּרָכָה (nefesh berakhah), ‘ziel van zegen’: een gul mens.

יוֹרָא (yora), ‘gelaafd’: letterlijk ‘van water voorzien’.

26Wie graan terughoudt, wordt door het volk vervloekt, maar zegen komt op het hoofd van wie het verkoopt.
מֹ֣נֵֽעַ
(monea)
wie terughoudt
בָּ֭ר
(bar)
graan
יִקְּבֻ֣הוּ
(yiqevuhu)
vervloeken hem
לְא֑וֹם
(leom)
volk
וּ֝בְרָכָ֗ה
(uverakha)
en zegen
לְרֹ֣אשׁ
(lerosh)
op het hoofd van
מַשְׁבִּֽיר
(mashbir)
wie verkoopt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Wie het goede ijverig zoekt, zoekt welbehagen, maar wie het kwaad najaagt, over hem komt het.
שֹׁ֣חֵֽר
(shocher)
wie ijverig zoekt
ט֭וֹב
(tov)
goed
יְבַקֵּ֣שׁ
(yevaqesh)
zoekt
רָצ֑וֹן
(ratson)
welbehagen
וְדֹרֵ֖שׁ
(vedoresh)
en wie najaagt
רָעָ֣ה
(raa)
kwaad
תְבוֹאֶֽנּוּ
(tevoenu)
komt over hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die valt, maar de rechtvaardigen bloeien als een blad.
בּוֹטֵ֣חַ
(boteach)
wie vertrouwt
בְּ֭עָשְׁרוֹ
(beashero)
op zijn rijkdom
ה֣וּא
(hu)
hij
יִפֹּ֑ל
(yipol)
valt
וְ֝כֶעָלֶ֗ה
(vekheale)
en als blad
צַדִּיקִ֥ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
יִפְרָֽחוּ
(yifrachu)
bloeien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Wie zijn huis in ellende brengt, erft wind, en de zot wordt dienaar van wie wijs is van hart.
עוֹכֵ֣ר
(okher)
wie in ellende brengt
בֵּ֭יתוֹ
(beito)
zijn huis
יִנְחַל
(yinchal)
erft
ר֑וּחַ
(ruach)
wind
וְעֶ֥בֶד
(veeved)
en dienaar
אֱ֝וִ֗יל
(evil)
zot
לַחֲכַם
(lachakham)
van wie wijs is
לֵֽב
(lev)
van hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30De vrucht van de rechtvaardige is een boom van leven, en wie zielen wint, is wijs.
פְּֽרִי
(peri)
vrucht van
צַ֭דִּיק
(tsadiq)
rechtvaardige
עֵ֣ץ
(ets)
boom van
חַיִּ֑ים
(chayim)
leven
וְלֹקֵ֖חַ
(veloqeach)
en wie wint
נְפָשׂ֣וֹת
(nefasot)
zielen
חָכָֽם
(chakham)
wijze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹקֵחַ נְפָשׁוֹת (loqeach nefashot), ‘wie zielen wint’: wie mensen voor zich wint.

Het werkwoord laqach, ‘nemen’, kan ook ‘wegnemen’ betekenen; dan zou het gaan om ‘wie levens neemt’.

Wij volgen de eerste lezing.

31Zie, de rechtvaardige krijgt zijn vergelding op de aarde. Hoeveel te meer de goddeloze en de zondaar.
הֵ֣ן
(hen)
zie
צַ֭דִּיק
(tsadiq)
rechtvaardige
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
op de aarde
יְשֻׁלָּ֑ם
(yeshulam)
wordt vergolden
אַ֝֗ף
(af)
hoeveel
כִּֽי
(ki)
te meer
רָשָׁ֥ע
(rasha)
goddeloze
וְחוֹטֵֽא
(vechote)
en zondaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zin vraagt: als de rechtvaardige al zijn vergelding krijgt, hoeveel te meer de goddeloze.

Zie ook 1 Petr. 4:18.