Elohim Bijbel

Micha 4

1234567

De berg van Yahweh, de kreupele en de barende Dochter Sion

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De berg van het huis van Yahweh

1Het zal gebeuren in de laatste dagen. De berg van het huis van Yahweh zal vaststaan op de top van de bergen en zelf verheven zijn boven de heuvels. Volken zullen naar hem toe stromen.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְּאַחֲרִ֣ית
(beacharit)
in het laatste van
הַיָּמִ֗ים
(hayamim)
de dagen
יִ֠הְיֶה
(yihye)
zal zijn
הַ֣ר
(har)
de berg van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
נָכוֹן֙
(nakhon)
vaststaand
בְּרֹ֣אשׁ
(berosh)
op de top van
הֶהָרִ֔ים
(heharim)
de bergen
וְנִשָּׂ֥א
(venisa)
en verheven
ה֖וּא
(hu)
hij
מִגְּבָע֑וֹת
(migevaot)
boven heuvels
וְנָהֲר֥וּ
(venaharu)
en zullen stromen
עָלָ֖יו
(alav)
naar hem toe
עַמִּֽים
(amim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de toekomst waarin Yahweh Zijn plan voltooit.

Zie ook Gen. 49:1 en Hos. 3:5.

נָכוֹן (nachon), ‘vaststaan’: de berg van Yahweh staat vast en is de belangrijkste van alle bergen.

Deze drie verzen lijken sterk op Jes. 2:2–4. Waar het Hebreeuws gelijk is, is de Nederlandse tekst gelijk. Verschillen in vers 1: Micha heeft het extra woord הוּא (hu), ‘hij’ (de berg), daarom ‘en zelf verheven zijn’; Jesaja heeft ‘alle volken’ (כָּל הַגּוֹיִם), Micha alleen ‘volken’ (עַמִּים); Jesaja heeft אֵלָיו (elav), Micha עָלָיו (alav), beide ‘naar hem toe’. Vers 4 en 5 staan niet in Jesaja.

2Vele volken zullen gaan en zeggen: „Kom, laten wij opgaan naar de berg van Yahweh en naar het huis van de Elohim van Jakob. Hij zal ons onderwijzen over Zijn wegen, en wij zullen op Zijn paden gaan. Want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van Yahweh uit Jeruzalem.”
וְֽהָלְכ֞וּ
(vehalekhu)
en zullen gaan
גּוֹיִ֣ם
(goyim)
volken
רַבִּ֗ים
(rabim)
vele
וְאָֽמְרוּ֙
(veameru)
en zullen zeggen
לְכ֣וּ
(lekhu)
komt
וְנַעֲלֶ֣ה
(venaale)
en laten wij opgaan
אֶל
(el)
naar
הַר
(har)
de berg van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶל
(veel)
en naar
בֵּית֙
(beit)
het huis van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְיוֹרֵ֨נוּ֙
(veyorenu)
en Hij zal ons onderwijzen
מִדְּרָכָ֔יו
(miderakhav)
over Zijn wegen
וְנֵלְכָ֖ה
(venelekha)
en laten wij gaan
בְּאֹֽרְחֹתָ֑יו
(beorechotav)
op Zijn paden
כִּ֤י
(ki)
want
מִצִּיּוֹן֙
(mitsiyon)
uit Sion
תֵּצֵ֣א
(tetse)
zal uitgaan
תוֹרָ֔ה
(tora)
wet
וּדְבַר
(udevar)
en het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִירוּשָׁלִָֽם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’.

Uit Sion komt het onderwijs van Yahweh voor de volken.

נַעֲלֶה (na’aleh), ‘laten wij opgaan’: Jeruzalem ligt hoog; men gaat altijd ‘omhoog’ naar de berg van Yahweh.

De volken spreken hier zelf; hun woorden staan tussen aanhalingstekens, tot en met ‘Jeruzalem’.

Verschillen met Jes. 2:3: Micha heeft גּוֹיִם רַבִּים (goyim rabbim) waar Jesaja עַמִּים רַבִּים (ammim rabbim) heeft, beide ‘vele volken’; en Micha heeft ‘en naar het huis’ (וְאֶל, ve’el) waar Jesaja alleen ‘naar het huis’ heeft.

3Hij zal rechtspreken tussen vele volken en machtige volken terechtwijzen, tot ver weg. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Volk zal tegen volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.
וְשָׁפַ֗ט
(veshafat)
en Hij zal rechtspreken
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
עַמִּ֣ים
(amim)
volken
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
וְהוֹכִ֛יחַ
(vehokhiach)
en zal terechtwijzen
לְגוֹיִ֥ם
(legoyim)
volken
עֲצֻמִ֖ים
(atsumim)
machtige
עַד
(ad)
tot
רָח֑וֹק
(rachoq)
ver weg
וְכִתְּת֨וּ
(vekhitetu)
en zij zullen omsmeden
חַרְבֹתֵיהֶ֜ם
(charvoteihem)
hun zwaarden
לְאִתִּ֗ים
(leitim)
tot ploegscharen
וַחֲנִיתֹֽתֵיהֶם֙
(vachanitoteihem)
en hun speren
לְמַזְמֵר֔וֹת
(lemazmerot)
tot snoeimessen
לֹֽא
(lo)
niet
יִשְׂא֞וּ
(yisu)
zal opheffen
גּ֤וֹי
(goy)
volk
אֶל
(el)
tegen
גּוֹי֙
(goy)
volk
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
וְלֹא
(velo)
en niet
יִלְמְד֥וּן
(yilmedun)
zullen leren
ע֖וֹד
(od)
meer
מִלְחָמָֽה
(milchama)
oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִתִּים (ittim), ‘ploegscharen’, en מַזְמֵרוֹת (mazmerot), ‘snoeimessen’: werktuigen voor de landbouw.

Joël 4:10 zegt het omgekeerde.

עֲצֻמִּים (atsumim), ‘machtige’: volken die sterk zijn. Het Hebreeuws van dit vers verschilt in enkele woorden van Jes. 2:4: daar staat ‘tussen de volken’ en ‘vele volken’, hier ‘tussen vele volken’ en ‘machtige volken tot ver weg’. Wij houden de Nederlandse woorden gelijk waar het Hebreeuws gelijk is.

4Ieder zal wonen onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, en niemand jaagt hen schrik aan. Want de mond van Yahweh van de legermachten heeft het gesproken.
וְיָשְׁב֗וּ
(veyashevu)
en zij zullen wonen
אִ֣ישׁ
(ish)
man
תַּ֧חַת
(tachat)
onder
גַּפְנ֛וֹ
(gafno)
zijn wijnstok
וְתַ֥חַת
(vetachat)
en onder
תְּאֵנָת֖וֹ
(teenato)
zijn vijgenboom
וְאֵ֣ין
(veein)
en niemand
מַחֲרִ֑יד
(macharid)
die schrik aanjaagt
כִּי
(ki)
want
פִ֛י
(pi)
de mond van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
דִּבֵּֽר
(diber)
heeft gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom wonen is een beeld van vrede en veiligheid.

Zie ook 1 Kon. 5:5.

צְבָאוֹת (tsevaot), ‘legers’: Yahweh is de Aanvoerder van de hemelse legers. Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’.

5Want alle volken gaan, ieder in de naam van zijn god. Maar wij zullen gaan in de naam van Yahweh, onze Elohim, voor eeuwig en altijd.
כִּ֚י
(ki)
want
כָּל
(kal)
alle
הָ֣עַמִּ֔ים
(haamim)
volken
יֵלְכ֕וּ
(yelekhu)
gaan
אִ֖ישׁ
(ish)
man
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
in de naam van
אֱלֹהָ֑יו
(elohav)
zijn god
וַאֲנַ֗חְנוּ
(vaanachnu)
maar wij
נֵלֵ֛ךְ
(nelekh)
zullen gaan
בְּשֵׁם
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לְעוֹלָ֥ם
(leolam)
voor eeuwig
וָעֶֽד
(vaed)
en altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יֵלְכוּ (yelekhu), ‘zullen gaan’, en נֵלֵךְ (nelekh), ‘wij zullen gaan’: het Hebreeuws heeft bij beide dezelfde werkwoordsvorm, die ook de toekomst kan aanduiden.

Wij vertalen de volken in de tegenwoordige tijd en ‘wij’ in de toekomende tijd, omdat de volken hun eigen weg nu al gaan.

לְעוֹלָם וָעֶד (le’olam va’ed), ‘voor eeuwig en altijd’.

Yahweh verzamelt de kreupele

6„Op die dag, godsspraak van Yahweh, zal Ik de kreupele verzamelen. Wie verdreven is, breng Ik bijeen, en ook wie Ik kwaad heb gedaan.
בַּיּ֨וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֜וּא
(hahu)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹֽסְפָה֙
(osefa)
Ik zal verzamelen
הַצֹּ֣לֵעָ֔ה
(hatsolea)
de kreupele
וְהַנִּדָּחָ֖ה
(vehanidacha)
en de verdrevene
אֲקַבֵּ֑צָה
(aqabetsa)
Ik zal bijeenbrengen
וַאֲשֶׁ֖ר
(vaasher)
en wie
הֲרֵעֹֽתִי
(hareoti)
Ik kwaad heb gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profeten.

Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt.

Wij zetten de formule in rood als ze midden in Zijn woorden staat.

הַצֹּלֵעָה (hatsol’ah), ‘de kreupele’: de vrouw die hinkt. Zo hinkte Jakob na zijn worsteling (Gen. 32:32).

7Ik maak van de kreupele de overgeblevenen, en van wie ver weggedreven was een machtig volk.” En Yahweh zal koning over hen zijn op de berg Sion, van nu af en voor eeuwig.
וְשַׂמְתִּ֤י
(vesamti)
en Ik zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
הַצֹּֽלֵעָה֙
(hatsolea)
de kreupele
לִשְׁאֵרִ֔ית
(lisherit)
tot de overgeblevenen
וְהַנַּהֲלָאָ֖ה
(vehanahalaa)
en wie ver weggedreven was
לְג֣וֹי
(legoy)
tot een volk
עָצ֑וּם
(atsum)
machtig
וּמָלַ֨ךְ
(umalakh)
en zal koning zijn
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
over hen
בְּהַ֣ר
(behar)
op de berg
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
מֵעַתָּ֖ה
(meata)
van nu af
וְעַד
(vead)
en tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De godsspraak loopt tot ‘een machtig volk’.

Vanaf ‘En Yahweh zal koning over hen zijn’ spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon; die woorden staan zwart.

Dat is onzeker.

שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: wie na het oordeel overblijft. Zie ook 5:6.

8En jij, toren van de kudde, Ofel van Dochter Sion: tot jou zal het komen. De vroegere heerschappij komt, het koningschap voor Dochter Jeruzalem.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
מִגְדַּל
(migdal)
toren van
עֵ֗דֶר
(eder)
de kudde
עֹ֛פֶל
(ofel)
Ofel
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֖וֹן
(tsiyon)
Sion
עָדֶ֣יךָ
(adeikha)
tot jou
תֵּאתֶ֑ה
(tete)
zal het komen
וּבָאָ֗ה
(uvaa)
en zal komen
הַמֶּמְשָׁלָה֙
(hamemshala)
de heerschappij
הָרִ֣אשֹׁנָ֔ה
(harishona)
de vroegere
מַמְלֶ֖כֶת
(mamlekhet)
het koningschap
לְבַ֥ת
(levat)
voor dochter van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ofel (Jeruzalem): De Ofel is de zuidelijke uitloper van de tempelberg in Jeruzalem.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מִגְדַּל־עֵדֶר (migdal-eder), ‘toren van de kudde’: zie ook Gen. 35:21.

עֹפֶל (Ofel) is de heuvel van Jeruzalem ten zuiden van de tempelberg.

Beide namen noemen de verheven plaats van Sion.

בַּת־צִיּוֹן (bat Tsiyon), ‘Dochter Sion’: Jeruzalem als vrouw. Het woord ‘Dochter’ keert terug in vers 10 en 13.

Barensweeën en bevrijding

9Nu, waarom schreeuw je zo luid? Is er geen koning in jou? Of is je raadsman verloren gegaan, dat weeën je grijpen als een barende?
עַתָּ֕ה
(ata)
nu
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
תָרִ֖יעִי
(tarii)
schreeuw je
רֵ֑עַ
(rea)
luid
הֲמֶ֣לֶךְ
(hamelekh)
is de koning
אֵֽין
(ein)
er niet
בָּ֗ךְ
(bakh)
in jou
אִֽם
(im)
of
יוֹעֲצֵךְ֙
(yoatsekh)
je raadsman
אָבָ֔ד
(avad)
is verloren gegaan
כִּֽי
(ki)
dat
הֶחֱזִיקֵ֥ךְ
(hecheziqekh)
zij grijpen je
חִ֖יל
(chil)
weeën
כַּיּוֹלֵדָֽה
(kayoleda)
als een barende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst zegt niet wie de koning en de raadsman zijn.

Het kan wijzen op de val van het koningshuis.

Jeruzalem schreeuwt als een vrouw in barensnood.

אָבַד (avad), ‘verloren gaan’: zo ook in 7:2.

10Kronkel je en baar, Dochter Sion, als een barende. Want nu moet je de stad uit en in het open veld wonen. Je komt tot in Babel. Daar word je bevrijd, daar verlost Yahweh je uit de hand van je vijanden.
ח֧וּלִי
(chuli)
kronkel je
וָגֹ֛חִי
(vagochi)
en baar
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֖וֹן
(tsiyon)
Sion
כַּיּֽוֹלֵדָ֑ה
(kayoleda)
als een barende
כִּֽי
(ki)
want
עַתָּה֩
(ata)
nu
תֵצְאִ֨י
(tetsei)
zul je uittrekken
מִקִּרְיָ֜ה
(miqirya)
uit de stad
וְשָׁכַ֣נְתְּ
(veshakhant)
en zul je wonen
בַּשָּׂדֶ֗ה
(basade)
in het veld
וּבָ֤את
(uvat)
en zul je komen
עַד
(ad)
tot
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
שָׁ֣ם
(sham)
daar
תִּנָּצֵ֔לִי
(tinatseli)
word je bevrijd
שָׁ֚ם
(sham)
daar
יִגְאָלֵ֣ךְ
(yigalekh)
zal Hij je verlossen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִכַּ֖ף
(mikaf)
uit de hand van
אֹיְבָֽיִךְ
(oyevayikh)
je vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

בָּבֶל (Bavel), ‘Babel’: Babel is hier de plaats van de ballingschap, waar de bevrijding begint.

Wanneer dit zou gebeuren, noemt de tekst niet.

גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’: de verlosser (go’el) koopt een familielid terug. Zie ook Lev. 25:25. נָצַל (natsal), ‘bevrijden’, staat eerder in dit vers.

Volken tegen Sion

11Nu zijn vele volken tegen je verzameld. Zij zeggen: „Laat haar bezoedeld worden, en laat onze ogen zich aan Sion vergapen.”
וְעַתָּ֛ה
(veata)
en nu
נֶאֶסְפ֥וּ
(neesfu)
zijn verzameld
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
tegen jou
גּוֹיִ֣ם
(goyim)
volken
רַבִּ֑ים
(rabim)
vele
הָאֹמְרִ֣ים
(haomerim)
die zeggen
תֶּחֱנָ֔ף
(techenaf)
laat haar bezoedeld worden
וְתַ֥חַז
(vetachaz)
en laat zien
בְּצִיּ֖וֹן
(betsiyon)
op Sion
עֵינֵֽינוּ
(eineinu)
onze ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

תֶּחֱנַף (techenaf), ‘bezoedeld worden’: ontwijd of verontreinigd.

וְתֶחֱזֶה (vetechezeh), ‘laat kijken’: dit werkwoord betekent vaak kijken met leedvermaak; daarom ‘zich vergapen’.

12Maar zij kennen de gedachten van Yahweh niet en begrijpen Zijn besluit niet. Want Hij heeft hen verzameld als schoven naar de dorsvloer.
וְהֵ֗מָּה
(vehema)
maar zij
לֹ֤א
(lo)
niet
יָֽדְעוּ֙
(yadeu)
kennen
מַחְשְׁב֣וֹת
(machshevot)
de gedachten van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הֵבִ֖ינוּ
(hevinu)
begrijpen
עֲצָת֑וֹ
(atsato)
Zijn besluit
כִּ֥י
(ki)
want
קִבְּצָ֖ם
(qibetsam)
Hij heeft hen verzameld
כֶּעָמִ֥יר
(keamir)
als schoven
גֹּֽרְנָה
(gorena)
naar de dorsvloer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָמִיר (amir), ‘schoof’: gemaaid koren.

De volken denken te plunderen, maar Yahweh heeft hen verzameld als koren om te dorsen (vers 13).

13„Sta op en dors, Dochter Sion. Want Ik maak je hoorn van ijzer en je hoeven van brons. Je zult vele volken vermorzelen.” Hun roof zal ik voor Yahweh aan de ban wijden, en hun bezit voor de Heer van heel de aarde.
ק֧וּמִי
(qumi)
sta op
וָד֣וֹשִׁי
(vadoshi)
en dors
בַת
(bat)
dochter van
צִיּ֗וֹן
(tsiyon)
Sion
כִּֽי
(ki)
want
קַרְנֵ֞ךְ
(qarnekh)
je hoorn
אָשִׂ֤ים
(asim)
Ik zal maken
בַּרְזֶל֙
(barzel)
ijzer
וּפַרְסֹתַ֨יִךְ֙
(ufarsotayikh)
en je hoeven
אָשִׂ֣ים
(asim)
Ik zal maken
נְחוּשָׁ֔ה
(nechusha)
brons
וַהֲדִקּ֖וֹת
(vahadiqot)
en je zult vermorzelen
עַמִּ֣ים
(amim)
volken
רַבִּ֑ים
(rabim)
vele
וְהַחֲרַמְתִּ֤י
(vehacharamti)
en ik zal aan de ban wijden
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
בִּצְעָ֔ם
(bitsam)
hun roof
וְחֵילָ֖ם
(vecheilam)
en hun bezit
לַאֲד֥וֹן
(laadon)
voor de Heer van
כָּל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: beeld van kracht, zoals bij een stier.

פַּרְסָה (parsah), ‘hoef’: de hoeven van de dorsende os (Deut. 25:4).

וְהַחֲרַמְתִּי (vehacharamti), ‘en Ik zal aan de ban wijden’: de roof wordt volledig aan Yahweh gewijd. Zie Joz. 6:17.

Wij lezen ‘Sta op en dors’ tot ‘vermorzelen’ als woorden van Yahweh. De laatste zin spreekt over Yahweh in de derde persoon; daarom staat die zwart, als woorden van de profeet. Dat is onzeker.

14Verzamel je nu in benden, dochter van de benden. Men heeft een beleg tegen ons gelegd. Met de stok slaan zij de rechter van Israël op de wang.
עַתָּה֙
(ata)
nu
תִּתְגֹּדְדִ֣י
(titgodedi)
verzamel je in benden
בַת
(bat)
dochter van
גְּד֔וּד
(gedud)
de benden
מָצ֖וֹר
(matsor)
een beleg
שָׂ֣ם
(sam)
heeft men gelegd
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
tegen ons
בַּשֵּׁ֨בֶט֙
(bashevet)
met de stok
יַכּ֣וּ
(yaku)
zij slaan
עַֽל
(al)
op
הַלְּחִ֔י
(halechi)
de wang
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
שֹׁפֵ֥ט
(shofet)
de rechter van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Nederlandse telling is dit vers 5:1.

Hebr. 5:1–14 is NL 5:2–15.

תִּתְגֹּדְדִי (titgodedi), ‘verzamel je in benden’: het werkwoord kan ook ‘jezelf insnijden’ betekenen, een rouwgebruik (Deut. 14:1). Wij kiezen ‘benden’ omdat er in dit vers ook een beleg is.

שֹׁפֵט יִשְׂרָאֵל (shofet Yisrael), ‘de rechter van Israël’: de heerser van het volk, hier waarschijnlijk de koning.