Elohim Bijbel

2 Samuël 16

123456789101112131415161718192021222324

Ziba, Simeï en Husai bij Absalom

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Ziba brengt voedsel

1David was een eindje voorbij de top. Zie, Ziba, de jongen van Mefiboset, kwam hem tegemoet. Hij had een span gezadelde ezels bij zich. Daarop lagen 200 broden, 100 rozijnenkoeken, 100 zomervruchten en een wijnzak.
וְדָוִ֗ד
(vedavid)
en David
עָבַ֤ר
(avar)
was voorbijgegaan
מְעַט֙
(meat)
een weinig
מֵֽהָרֹ֔אשׁ
(meharosh)
voorbij de top
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
צִיבָ֛א
(tsiva)
Ziba
נַ֥עַר
(naar)
de jongen van
מְפִי
(mefi)
Mefi
בֹ֖שֶׁת
(boshet)
boset
לִקְרָאת֑וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וְצֶ֨מֶד
(vetsemed)
en een span
חֲמֹרִ֜ים
(chamorim)
ezels
חֲבֻשִׁ֗ים
(chavushim)
gezadeld
וַעֲלֵיהֶם֩
(vaaleihem)
en op hen
מָאתַ֨יִם
(matayim)
tweehonderd
לֶ֜חֶם
(lechem)
broden
וּמֵאָ֧ה
(umea)
en honderd
צִמּוּקִ֛ים
(tsimuqim)
rozijnenkoeken
וּמֵ֥אָה
(umea)
en honderd
קַ֖יִץ
(qayits)
zomervruchten
וְנֵ֥בֶל
(venevel)
en een zak van
יָֽיִן
(yayin)
wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het Hebreeuws zegt ‘een eindje voorbij de top’ (הָרֹאשׁ, harosh): de top van de Olijfberg (2 Sam. 15:32).

Uitleg

צִיבָא (Tsiva), Ziba, was de dienaar van de familie van Saul.

Hij en zijn zonen werken het land van Mefiboset (2 Sam. 9:9–12).

מְפִי־בֹשֶׁת (Mefibosjet) noemen wij ‘Mefiboset’.

צִמֻּקִים (tsimmuqim), ‘rozijnenkoeken’: gedroogde druiven die samengeperst zijn (vergelijk 1 Sam. 25:18). קַיִץ (qayits), ‘zomervruchten’: fruit dat in de zomer rijpt.

נֵבֶל (nevel), ‘wijnzak’: een leren zak of kruik voor wijn.

2De koning zei tegen Ziba: „Wat betekent dit voor jou?” Ziba zei: „De ezels zijn voor het huis van de koning, om op te rijden. Het brood en de zomervruchten zijn voor de jongens om te eten. De wijn is om te drinken voor wie in de woestijn uitgeput is.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
צִיבָ֖א
(tsiva)
Ziba
מָה
(ma)
wat
אֵ֣לֶּה
(ele)
deze
לָּ֑ךְ
(lakh)
voor jou
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
צִ֠יבָא
(tsiva)
Ziba
הַחֲמוֹרִ֨ים
(hachamorim)
de ezels
לְבֵית
(leveit)
voor het huis van
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לִרְכֹּ֗ב
(lirkov)
om te rijden
וְהַלֶּ֤חֶם
(vehalechem)
en het brood
וְהַקַּ֨יִץ֙
(vehaqayits)
en de zomervruchten
לֶאֱכ֣וֹל
(leekhol)
om te eten
הַנְּעָרִ֔ים
(hanearim)
de jongens
וְהַיַּ֕יִן
(vehayayin)
en de wijn
לִשְׁתּ֥וֹת
(lishtot)
om te drinken
הַיָּעֵ֖ף
(hayaef)
de uitgeputte
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3De koning zei: „En waar is de zoon van je heer?” Ziba zei tegen de koning: „Zie, hij blijft in Jeruzalem. Want hij zei: ‘Vandaag geeft het huis van Israël mij het koningschap van mijn vader terug.’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאַיֵּ֖ה
(veaye)
en waar
בֶּן
(ben)
de zoon van
אֲדֹנֶ֑יךָ
(adoneikha)
je heer
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
צִיבָ֜א
(tsiva)
Ziba
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הִנֵּה֙
(hine)
zie
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
blijft
בִּירוּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
כִּ֣י
(ki)
want
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
יָשִׁ֤יבוּ
(yashivu)
zullen teruggeven
לִי֙
(li)
aan mij
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מַמְלְכ֥וּת
(mamlekhut)
het koningschap van
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Met ‘de zoon van je heer’ bedoelt Ziba Mefiboset, de zoon van Jonatan en kleinzoon van Saul.

‘Mijn vader’ is dan Saul, Mefibosets grootvader.

Het Hebreeuws gebruikt ‘vader’ ook voor een voorvader.

4De koning zei tegen Ziba: „Zie, alles wat van Mefiboset was, is nu van jou.” Ziba zei: „Ik buig mij neer. Moge ik gunst vinden in uw ogen, mijn heer de koning.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
לְצִבָ֔א
(letsiva)
tot Ziba
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
לְךָ֔
(lekha)
voor jou
כֹּ֖ל
(kol)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
לִמְפִי
(limfi)
van Mefi
בֹ֑שֶׁת
(boshet)
boset
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
צִיבָא֙
(tsiva)
Ziba
הִֽשְׁתַּחֲוֵ֔יתִי
(hishtachaveiti)
ik buig mij neer
אֶמְצָא
(emtsa)
moge ik vinden
חֵ֥ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֖יךָ
(beeineikha)
in uw ogen
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David geeft Ziba nu alles wat van Mefiboset was, zonder hem te horen.

In 2 Sam. 19:25–31 vertelt Mefiboset zijn kant van het verhaal.

Simeï vervloekt David

5Toen koning David bij Bachurim kwam, zie, daar kwam een man uit de familie van het huis van Saul naar buiten. Hij heette Simeï, de zoon van Gera. Hij kwam voortdurend naar buiten en vervloekte hen.
וּבָ֛א
(uva)
en kwam
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֖ד
(david)
David
עַד
(ad)
tot
בַּֽחוּרִ֑ים
(bachurim)
Bachurim
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
מִשָּׁם֩
(misham)
vandaar
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
יוֹצֵ֜א
(yotse)
naar buiten komend
מִמִּשְׁפַּ֣חַת
(mimishpachat)
uit de familie van
בֵּית
(beit)
het huis van
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
וּשְׁמוֹ֙
(ushemo)
en zijn naam
שִׁמְעִ֣י
(shimi)
Simeï
בֶן
(ben)
zoon van
גֵּרָ֔א
(gera)
Gera
יֹצֵ֥א
(yotse)
naar buiten komend
יָצ֖וֹא
(yatso)
voortdurend
וּמְקַלֵּֽל
(umeqalel)
en vervloekend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bachurim lag ten oosten van de Olijfberg, bij de weg naar Jericho (Westelijke Jordaanoever).

De ligging is onzeker; men denkt aan Ras et-Tmim.

Zie ook 2 Sam. 3:16.

Uitleg

Simeï is een Benjaminiet uit de familie van Saul (1 Kon. 2:8).

6Hij gooide stenen naar David en naar alle dienaren van koning David. Al het volk en alle krijgers liepen aan zijn rechter- en linkerzijde.
וַיְסַקֵּ֤ל
(vaysaqel)
en hij wierp
בָּֽאֲבָנִים֙
(baavanim)
met stenen
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֔ד
(david)
David
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
עַבְדֵ֖י
(avdei)
dienaren van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֑ד
(david)
David
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַגִּבֹּרִ֔ים
(hagiborim)
de krijgers
מִימִינ֖וֹ
(mimino)
aan zijn rechterhand
וּמִשְּׂמֹאלֽוֹ
(umisemolo)
en aan zijn linkerhand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Zo zei Simeï terwijl hij vervloekte: „Ga weg, ga weg, man van bloed, man van Belial!
וְכֹֽה
(vekho)
en zo
אָמַ֥ר
(amar)
zei
שִׁמְעִ֖י
(shimi)
Simeï
בְּקַֽלְל֑וֹ
(beqallo)
bij zijn vervloeken
צֵ֥א
(tse)
ga weg
צֵ֛א
(tse)
ga weg
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
הַדָּמִ֖ים
(hadamim)
het bloed
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en man van
הַבְּלִיָּֽעַל
(habeliyaal)
Belial
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִישׁ הַדָּמִים (ish haddamim), ‘man van bloed’: iemand die bloedschuld heeft.

אִישׁ הַבְּלִיָּעַל (ish habeliyya’al), ‘man van Belial’: een nietswaardige man.

Wij laten ‘Belial’ onvertaald.

8Yahweh heeft over jou al het bloed van het huis van Saul teruggebracht, in wiens plaats jij koning bent geworden. Yahweh heeft het koningschap in de hand van je zoon Absalom gegeven. Zie, je zit in je ongeluk, want je bent een man van bloed.”
הֵשִׁיב֩
(heshiv)
heeft teruggebracht
עָלֶ֨יךָ
(aleikha)
over jou
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
כֹּ֣ל
(kol)
al
דְּמֵ֣י
(demei)
bloed van
בֵית
(beit)
het huis van
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
מָלַ֨כְתָּ֙
(malakhta)
je regeerde
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en gaf
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּלוּכָ֔ה
(hamelukha)
het koningschap
בְּיַ֖ד
(beyad)
in de hand van
אַבְשָׁל֣וֹם
(avshalom)
Absalom
בְּנֶ֑ךָ
(benekha)
je zoon
וְהִנְּךָ֙
(vehinekha)
en zie je
בְּרָ֣עָתֶ֔ךָ
(beraatekha)
in je kwaad
כִּ֛י
(ki)
want
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
דָּמִ֖ים
(damim)
bloed
אָֽתָּה
(ata)
jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit zijn de woorden van Simeï, niet van Yahweh.

Hij bedoelt het bloed van het huis van Saul en noemt Davids vlucht een straf van Yahweh.

דָּמִים (damim), ‘bloed’: bloedschuld, vergelijk 2 Sam. 21:1.

9Abisai, de zoon van Zeruja, zei tegen de koning: „Waarom vervloekt deze dode hond mijn heer de koning? Laat mij toch oversteken en zijn hoofd wegnemen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲבִישַׁ֤י
(avishay)
Abisai
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָה֙
(tseruya)
Zeruja
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
יְקַלֵּ֞ל
(yeqalel)
vervloekt
הַכֶּ֤לֶב
(hakelev)
de hond
הַמֵּת֙
(hamet)
de dode
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶעְבְּרָה
(ebera)
laat mij oversteken
נָּ֖א
(na)
toch
וְאָסִ֥ירָה
(veasira)
en wegnemen
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשֽׁוֹ
(rosho)
zijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De koning zei: „Wat hebben jullie met mij te maken, zonen van Zeruja? Laat hem zo vervloeken, want Yahweh heeft tegen hem gezegd: ‘Vervloek David.’ Wie mag dan zeggen: ‘Waarom doe je dit?’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מַה
(ma)
wat
לִּ֥י
(li)
voor mij
וְלָכֶ֖ם
(velakhem)
en voor jullie
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
צְרֻיָ֑ה
(tseruya)
Zeruja
כֹּ֣ה
(ko)
zo
יְקַלֵּ֗ל
(yeqalel)
laat hem vervloeken
כִּ֤י
(ki)
want
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אָ֤מַר
(amar)
heeft gezegd
לוֹ֙
(lo)
tegen hem
קַלֵּ֣ל
(qalel)
vervloek
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֔ד
(david)
David
וּמִ֣י
(umi)
en wie
יֹאמַ֔ר
(yomar)
zal zeggen
מַדּ֖וּעַ
(madua)
waarom
עָשִׂ֥יתָה
(asita)
heb je gedaan
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David citeert Yahweh: ‘Vervloek David’.

Het zijn Davids woorden over wat Yahweh gezegd zou hebben, daarom staan ze niet rood en tussen enkele aanhalingstekens.

בְּנֵי צְרוּיָה (benei Tseruyah), ‘zonen van Zeruja’: Abisai en Joab (2 Sam. 2:18).

Lezing

Ketiv: ‘want hij vervloekt, en want Yahweh …’ (כִּי … וְכִי); qere: ‘zo vervloekt hij, want Yahweh …’ (כֹּה … כִּי).

Wij volgen het qere.

11David zei tegen Abisai en tegen al zijn dienaren: „Zie, mijn zoon, die uit mijn lichaam is voortgekomen, zoekt mijn leven. Hoeveel te meer nu deze Benjaminiet. Laat hem begaan en laat hem vervloeken, want Yahweh heeft het hem gezegd.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֤ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
אֲבִישַׁי֙
(avishay)
Abisai
וְאֶל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
al
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
בְנִ֛י
(beni)
mijn zoon
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָצָ֥א
(yatsa)
is voortgekomen
מִמֵּעַ֖י
(mimeay)
uit mijn lichaam
מְבַקֵּ֣שׁ
(mevaqesh)
zoekend
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn leven
וְאַ֨ף
(veaf)
en ook
כִּֽי
(ki)
des te meer
עַתָּ֜ה
(ata)
nu
בֶּן
(ben)
zoon van
הַיְמִינִ֗י
(haymini)
de Benjaminiet
הַנִּ֤חוּ
(hanichu)
laat hem
לוֹ֙
(lo)
hem
וִֽיקַלֵּ֔ל
(viqalel)
en laat hem vervloeken
כִּ֥י
(ki)
want
אָֽמַר
(amar)
heeft gezegd
ל֖וֹ
(lo)
hem
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּן־הַיְמִינִי (ben haYemini), ‘zoon van de Benjaminiet’: een Benjaminiet.

Dit is Simeï.

12Misschien ziet Yahweh naar mijn ogen. Dan geeft Yahweh mij het goede terug in plaats van zijn vervloeking van vandaag.”
אוּלַ֛י
(ulay)
misschien
יִרְאֶ֥ה
(yire)
ziet
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּעֵינִ֑י
(beeini)
naar mijn ogen
וְהֵשִׁ֨יב
(veheshiv)
en geeft terug
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
לִי֙
(li)
aan mij
טוֹבָ֔ה
(tova)
goed
תַּ֥חַת
(tachat)
in plaats van
קִלְלָת֖וֹ
(qillato)
zijn vervloeking
הַיּ֥וֹם
(hayom)
vandaag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Ketiv: בְּעֲוֹנִי (be’avoni), ‘in/op mijn ongerechtigheid’; qere: בְּעֵינִי (be’eini), ‘in mijn oog’.

Wij volgen het qere.

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘Yahweh ziet in mijn oog’: Hij ziet mijn ellende.

13David en zijn mannen liepen over de weg. Simeï liep langs de helling van de berg, tegenover hem, en vervloekte hem al lopend. Hij gooide stenen naar hem en strooide stof.
וַיֵּ֧לֶךְ
(vayelekh)
en ging
דָּוִ֛ד
(david)
David
וַאֲנָשָׁ֖יו
(vaanashav)
en zijn mannen
בַּדָּ֑רֶךְ
(badarekh)
over de weg
וְשִׁמְעִ֡י
(veshimi)
en Simeï
הֹלֵךְ֩
(holekh)
ging
בְּצֵ֨לַע
(betsela)
langs de zijde van
הָהָ֜ר
(hahar)
de berg
לְעֻמָּת֗וֹ
(leumato)
tegenover hem
הָלוֹךְ֙
(halokh)
al gaande
וַיְקַלֵּ֔ל
(vayqalel)
en vervloekte
וַיְסַקֵּ֤ל
(vaysaqel)
en wierp
בָּֽאֲבָנִים֙
(baavanim)
met stenen
לְעֻמָּת֔וֹ
(leumato)
tegenover hem
וְעִפַּ֖ר
(veipar)
en stof
בֶּעָפָֽר
(beafar)
strooide
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְעַפַּר בֶּעָפָר (ve’ippar be’afar), ‘en hij strooide stof met stof’: hij gooide stof naar hem toe.

14De koning en heel het volk dat bij hem was, kwamen uitgeput aan. Daar rustte hij uit.
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
עֲיֵפִ֑ים
(ayefim)
uitgeput
וַיִּנָּפֵ֖שׁ
(vayinafesh)
en rustte uit
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt ‘daar’ (שָׁם, sham), maar noemt geen plaats waar zij uitrustten.

Wij laten dit zo staan.

Husai bij Absalom

15Absalom en heel het volk, de mannen van Israël, kwamen in Jeruzalem aan. Ahitofel was bij hem.
וְאַבְשָׁל֗וֹם
(veavshalom)
en Absalom
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
אִ֣ישׁ
(ish)
de mannen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בָּ֖אוּ
(bau)
kwamen
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַאֲחִיתֹ֖פֶל
(vaachitofel)
en Ahitofel
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

16Toen Husai de Arkiet, de vriend van David, bij Absalom kwam, zei Husai tegen Absalom: „Leve de koning! Leve de koning!”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כַּֽאֲשֶׁר
(kaasher)
toen
בָּ֞א
(ba)
kwam
חוּשַׁ֧י
(chushay)
Husai
הָאַרְכִּ֛י
(haarki)
de Arkiet
רֵעֶ֥ה
(ree)
vriend van
דָוִ֖ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
אַבְשָׁל֑וֹם
(avshalom)
Absalom
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
חוּשַׁי֙
(chushay)
Husai
אֶל
(el)
tot
אַבְשָׁלֹ֔ם
(avshalom)
Absalom
יְחִ֥י
(yechi)
leve
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יְחִ֥י
(yechi)
leve
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְחִי הַמֶּלֶךְ (yechi hammelekh), ‘leve de koning’: de groet bij de kroning.

Husai zegt niet welke koning hij bedoelt.

17Absalom zei tegen Husai: „Is dit je trouw aan je vriend? Waarom ben je niet met je vriend meegegaan?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אַבְשָׁלוֹם֙
(avshalom)
Absalom
אֶל
(el)
tot
חוּשַׁ֔י
(chushay)
Husai
זֶ֥ה
(ze)
dit
חַסְדְּךָ֖
(chasdekha)
je trouw
אֶת
(et)
aan
רֵעֶ֑ךָ
(reekha)
je vriend
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
לֹֽא
(lo)
niet
הָלַ֖כְתָּ
(halakhta)
ben je gegaan
אֶת
(et)
met
רֵעֶֽךָ
(reekha)
je vriend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: Absalom vraagt waarom Husai zijn trouw aan David niet houdt.

18Husai zei tegen Absalom: „Nee. Maar wie Yahweh, dit volk en alle mannen van Israël hebben gekozen, bij hem zal ik horen. Bij hem zal ik blijven.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
חוּשַׁי֮
(chushay)
Husai
אֶל
(el)
tot
אַבְשָׁלֹם֒
(avshalom)
Absalom
לֹ֕א
(lo)
nee
כִּי֩
(ki)
maar
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wie
בָּחַ֧ר
(bachar)
koos
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהָעָ֥ם
(vehaam)
en dit
הַזֶּ֖ה
(haze)
volk
וְכָל
(vekhal)
en heel
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
ל֥וֹ
(lo)
van hem
אֶהְיֶ֖ה
(ehye)
zal ik zijn
וְאִתּ֥וֹ
(veito)
en met hem
אֵשֵֽׁב
(eshev)
zal ik blijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Ketiv: לֹא (lo), ‘niet’; qere: לוֹ (lo), ‘van hem’.

Wij volgen het qere: ‘bij hem zal ik horen’.

19En ten tweede: wie zal ik dienen? Is het niet zijn zoon? Zoals ik uw vader heb gediend, zo zal ik u dienen.”
וְהַשֵּׁנִ֗ית
(vehashenit)
en ten tweede
לְמִי֙
(lemi)
wie
אֲנִ֣י
(ani)
ik
אֶֽעֱבֹ֔ד
(eevod)
zal dienen
הֲל֖וֹא
(halo)
is het niet
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het gezicht van
בְנ֑וֹ
(beno)
zijn zoon
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
עָבַ֨דְתִּי֙
(avadti)
ik diende
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het gezicht van
אָבִ֔יךָ
(avikha)
uw vader
כֵּ֖ן
(ken)
zo
אֶהְיֶ֥ה
(ehye)
zal ik zijn
לְפָנֶֽיךָ
(lefaneikha)
voor uw gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het advies van Ahitofel

20Absalom zei tegen Ahitofel: „Geef jullie raad. Wat moeten wij doen?”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
אַבְשָׁל֖וֹם
(avshalom)
Absalom
אֶל
(el)
tot
אֲחִיתֹ֑פֶל
(achitofel)
Ahitofel
הָב֥וּ
(havu)
geef
לָכֶ֛ם
(lakhem)
jullie
עֵצָ֖ה
(etsa)
raad
מַֽה
(ma)
wat
נַּעֲשֶֽׂה
(naase)
zullen wij doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Ahitofel zei tegen Absalom: „Ga naar de bijvrouwen van je vader die hij heeft achtergelaten om het huis te bewaken. Dan hoort heel Israël dat je voor je vader een stank bent geworden. Dan worden de handen van allen die bij je zijn, sterk.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲחִיתֹ֨פֶל֙
(achitofel)
Ahitofel
אֶל
(el)
tot
אַבְשָׁלֹ֔ם
(avshalom)
Absalom
בּ֚וֹא
(bo)
kom
אֶל
(el)
naar
פִּלַגְשֵׁ֣י
(pilagshei)
de bijvrouwen van
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הִנִּ֖יחַ
(hiniach)
hij heeft achtergelaten
לִשְׁמ֣וֹר
(lishmor)
om te bewaken
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וְשָׁמַ֤ע
(veshama)
en zal horen
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
dat
נִבְאַ֣שְׁתָּ
(nivashta)
je bent een stank geworden
אֶת
(et)
bij
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
וְחָ֣זְק֔וּ
(vechazequ)
en zullen sterk worden
יְדֵ֖י
(yedei)
de handen van
כָּל
(kal)
allen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אִתָּֽךְ
(itakh)
met jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִבְאַשְׁתָּ (nivashta), ‘je bent een stank geworden’: je hebt een onherstelbare breuk met je vader veroorzaakt.

Wie de vrouw van zijn vader neemt, overtreedt Lev. 18:8; 20:11. Zie ook 2 Sam. 12:11–12.

22Zij spanden voor Absalom een tent op het dak. Absalom ging naar de bijvrouwen van zijn vader, voor de ogen van heel Israël.
וַיַּטּ֧וּ
(vayatu)
en zij spanden uit
לְאַבְשָׁל֛וֹם
(leavshalom)
voor Absalom
הָאֹ֖הֶל
(haohel)
de tent
עַל
(al)
op
הַגָּ֑ג
(hagag)
het dak
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en ging
אַבְשָׁלוֹם֙
(avshalom)
Absalom
אֶל
(el)
naar
פִּֽלַגְשֵׁ֣י
(pilagshei)
de bijvrouwen van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘op het dak’, het dak van de koninklijke woning.

Dit vervult wat Natan zei in 2 Sam. 12:11–12.

23De raad die Ahitofel in die dagen gaf, was zoals wanneer iemand Elohim om een woord vraagt. Zo was heel de raad van Ahitofel, voor David en ook voor Absalom.
וַעֲצַ֣ת
(vaatsat)
en de raad van
אֲחִיתֹ֗פֶל
(achitofel)
Ahitofel
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יָעַץ֙
(yaats)
hij gaf
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in dagen
הָהֵ֔ם
(hahem)
die
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals wanneer
יִשְׁאַל
(yishal)
iemand vraagt
בִּדְבַ֣ר
(bidvar)
naar het woord van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
כֵּ֚ן
(ken)
zo
כָּל
(kal)
heel
עֲצַ֣ת
(atsat)
de raad van
אֲחִיתֹ֔פֶל
(achitofel)
Ahitofel
גַּם
(gam)
zowel
לְדָוִ֖ד
(ledavid)
voor David
גַּ֥ם
(gam)
als ook
לְאַבְשָׁלֹֽם
(leavshalom)
voor Absalom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּדְבַר הָאֱלֹהִים (kidvar ha’Elohim), ‘zoals het woord van Elohim’: zoals wanneer iemand Elohim raadpleegt.

Dat laat zien hoe betrouwbaar zijn raad werd gevonden.