De intocht in Jeruzalem, de tempel en de gelijkenissen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De intocht in Jeruzalem
1Toen zij Jeruzalem naderden en bij Betfage kwamen, aan de Olijfberg, zond Yeshua twee leerlingen.
Καὶ
(Kai)
en
ὅτε
(hote)
toen
ἤγγισαν
(engisan)
naderden
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
ἦλθον
(elthon)
kwamen
εἰς
(eis)
naar
Βηθφαγὴ
(Bethphage)
Betfage
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
Ὄρος
(Oros)
Berg
τῶν
(ton)
van de
Ἐλαιῶν
(Elaion)
Olijven
τότε
(tote)
toen
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
δύο
(dyo)
twee
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Betfage (ligging onzeker): Betfage lag op of aan de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem.
De precieze plaats is niet zeker; van oudsher wordt het gezocht bij et-Tur.
Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal.
Uitleg
Ὄρος τῶν Ἐλαιῶν (Oros ton Elaion), letterlijk ‘Berg van de Olijven’: wij schrijven ‘Olijfberg’.
Zie ook Mark. 11:1–11; Luc. 19:28–40; Joh. 12:12–19.
2Hij zei tegen hen: „Ga naar het dorp tegenover jullie. Meteen zullen jullie een vastgebonden ezelin vinden en een veulen bij haar. Maak ze los en breng ze naar Mij toe.
λέγων
(legon)
zeggend
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Πορεύεσθε
(Poreuesthe)
ga
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
κώμην
(komen)
dorp
τὴν
(ten)
het
κατέναντι
(katenanti)
tegenover
ὑμῶν
(hymon)
jullie
καὶ
(kai)
en
εὐθέως
(eutheos)
meteen
εὑρήσετε
(heuresete)
zullen vinden
ὄνον
(onon)
ezelin
δεδεμένην
(dedemenen)
vastgebonden
καὶ
(kai)
en
πῶλον
(polon)
veulen
μετ’
(met’)
met
αὐτῆς
(autes)
haar
λύσαντες
(lysantes)
losmakend
ἀγάγετέ
(agagete)
breng
μοι
(moi)
naar Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὄνος (onos) kan ‘ezel’ of ‘ezelin’ zijn; ‘vastgebonden’ (δεδεμένην, dedemenen) is vrouwelijk, dus hier gaat het om een ezelin. πῶλος (polos), ‘veulen’: een jong dier.
3Als iemand iets tegen jullie zegt, zeg dan: ‘Hun Heer heeft ze nodig.’ Meteen zal hij ze zenden.”
καὶ
(kai)
en
ἐάν
(ean)
als
τις
(tis)
iemand
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
εἴπῃ
(eipe)
zegt
τι
(ti)
iets
ἐρεῖτε
(ereite)
zullen jullie zeggen
ὅτι
(hoti)
dat
Ὁ
(Ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
αὐτῶν
(auton)
hun
χρείαν
(chreian)
behoefte
ἔχει
(echei)
heeft
εὐθὺς
(euthys)
meteen
δὲ
(de)
maar
ἀποστελεῖ
(apostelei)
zal zenden
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg
κύριος (kyrios), ‘Heer’: het kan Yeshua zelf zijn, maar ook ‘hun heer’, de eigenaar van de dieren.
Wij lezen Yeshua; ‘hun’ slaat op de dieren.
4Dit is gebeurd, opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet:
Τοῦτο
(Touto)
dit
δὲ
(de)
maar
γέγονεν
(gegonen)
is gebeurd
ἵνα
(hina)
opdat
πληρωθῇ
(plerothe)
vervuld wordt
τὸ
(to)
het
ῥηθὲν
(rhethen)
gezegde
διὰ
(dia)
door
τοῦ
(tou)
de
προφήτου
(prophetou)
profeet
λέγοντος
(legontos)
zeggend
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het citaat in vers 5 voegt twee profetische woorden samen: Jes. 62:11 en Zach. 9:9.
5„Zeg tegen Dochter Sion: ‘Zie, je koning komt naar je toe, zachtmoedig en gezeten op een ezel en op een veulen, het jong van een lastdier.’”
Εἴπατε
(Eipate)
zeg
τῇ
(te)
aan de
θυγατρὶ
(thygatri)
dochter
Σιών
(Sion)
Sion
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ὁ
(ho)
de
βασιλεύς
(basileus)
koning
σου
(sou)
je
ἔρχεταί
(erchetai)
komt
σοι
(soi)
naar je toe
πραῢς
(praus)
zachtmoedig
καὶ
(kai)
en
ἐπιβεβηκὼς
(epibebekos)
gezeten
ἐπὶ
(epi)
op
ὄνον
(onon)
ezel
καὶ
(kai)
en
ἐπὶ
(epi)
op
πῶλον
(polon)
veulen
υἱὸν
(huion)
jong
ὑποζυγίου
(hypozygiou)
van een lastdier
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Het Hebreeuws van Zach. 9:9 heeft ‘rechtvaardig en gered, arm’; de Griekse tekst heeft πραΰς (praus), ‘zachtmoedig’.
Het Hebreeuws zegt ‘op een ezel, op een jonge ezel, een jong van ezelinnen’; de Griekse tekst zegt ‘op een ezel en op een veulen, het jong van een lastdier’.
Het begin, ‘Zeg tegen Dochter Sion’, staat in Jes. 62:11.
9De menigten die voor Hem uit gingen en die Hem volgden, riepen: „Hosanna aan de Zoon van David! Gezegend is Hij die komt in de naam van Yahweh! Hosanna in de hoogste hoogten!”
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
οἱ
(hoi)
de
προάγοντες
(proagontes)
voorgaande
αὐτὸν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀκολουθοῦντες
(akolouthountes)
volgende
ἔκραζον
(ekrazon)
riepen
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ὡσαννὰ
(Hosanna)
Hosanna
τῷ
(to)
aan de
υἱῷ
(huio)
Zoon
Δαυίδ
(Dauid)
van David
Εὐλογημένος
(Eulogemenos)
gezegend
ὁ
(ho)
Hij die
ἐρχόμενος
(erchomenos)
komt
ἐν
(en)
in
ὀνόματι
(onomati)
naam
κυρίου
(kyriou)
van Yahweh
Ὡσαννὰ
(Hosanna)
Hosanna
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
ὑψίστοις
(hypsistois)
hoogste hoogten
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὡσαννά (hosanna) komt van het Hebreeuwse הוֹשִׁיעָה נָּא (hoshia na), ‘red toch’ (Ps. 118:25).
Het werd een jubelroep.
Het citaat is Ps. 118:25–26; daar staat ‘hij die komt’, wij schrijven ‘Hij’, omdat de menigte over Yeshua spreekt.
ὑψίστοις (hypsistois), ‘in de hoogste’: het Grieks heeft geen zelfstandig naamwoord; wij schrijven ‘hoogten’, zoals in Mark. 11:10.
12Yeshua ging de tempel binnen en joeg allen naar buiten die in de tempel verkochten en kochten. Hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de zetels van de duivenverkopers om.
Καὶ
(Kai)
en
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
ging binnen
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
ἱερόν
(hieron)
tempel
καὶ
(kai)
en
ἐξέβαλεν
(exebalen)
joeg naar buiten
πάντας
(pantas)
alle
τοὺς
(tous)
de
πωλοῦντας
(polountas)
verkopers
καὶ
(kai)
en
ἀγοράζοντας
(agorazontas)
kopers
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
καὶ
(kai)
en
τὰς
(tas)
de
τραπέζας
(trapezas)
tafels
τῶν
(ton)
van de
κολλυβιστῶν
(kollybiston)
geldwisselaars
κατέστρεψεν
(katestrepsen)
gooide om
καὶ
(kai)
en
τὰς
(tas)
de
καθέδρας
(kathedras)
zetels
τῶν
(ton)
van degenen
πωλούντων
(polounton)
die verkochten
τὰς
(tas)
de
περιστεράς
(peristeras)
duiven
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἱερόν (hieron), ‘tempel’: het hele tempelterrein. κολλυβιστής (kollybistes), ‘geldwisselaar’: iemand die geld wisselde voor wie in de tempel iets moest betalen.
Zie ook Mark. 11:15–17; Luc. 19:45–46; Joh. 2:13–17.
14In de tempel kwamen blinden en kreupelen naar Hem toe, en Hij genas hen.
Καὶ
(Kai)
en
προσῆλθον
(proselthon)
kwamen naar
αὐτῷ
(auto)
Hem
τυφλοὶ
(typhloi)
blinden
καὶ
(kai)
en
χωλοὶ
(choloi)
kreupelen
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
καὶ
(kai)
en
ἐθεράπευσεν
(etherapeusen)
genas
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
15De hogepriesters en de schriftgeleerden zagen de tekenen die Hij deed. Zij zagen ook de kinderen die in de tempel riepen: „Hosanna aan de Zoon van David!” Zij werden verontwaardigd.
ἰδόντες
(idontes)
gezien hebbend
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
τὰ
(ta)
de
θαυμάσια
(thaumasia)
tekenen
ἃ
(ha)
die
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
παῖδας
(paidas)
kinderen
τοὺς
(tous)
die
κράζοντας
(krazontas)
roepende
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
καὶ
(kai)
en
λέγοντας
(legontas)
zeggende
Ὡσαννὰ
(Hosanna)
Hosanna
τῷ
(to)
aan de
υἱῷ
(huio)
Zoon
Δαυίδ
(Dauid)
van David
ἠγανάκτησαν
(eganaktesan)
werden verontwaardigd
Bron: SBLGNT
Uitleg
θαυμάσια (thaumasia), ‘tekenen’: letterlijk ‘wonderlijke dingen’; wij vertalen het zoals σημεῖον (semeion), ‘teken’. παῖδες (paides), ‘kinderen’: het woord kan ook ‘knechten’ betekenen. ἠγανάκτησαν (eganaktesan), ‘werden verontwaardigd’: hetzelfde woord als in Matt. 20:24.
16Zij zeiden tegen Hem: „Hoort U wat dezen zeggen?” Yeshua zei tegen hen: „Ja. Hebben jullie nooit gelezen: ‘Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U lof bereid’?”
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Ἀκούεις
(Akoueis)
hoort U
τί
(ti)
wat
οὗτοι
(houtoi)
dezen
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Ναί
(Nai)
ja
οὐδέποτε
(oudepote)
nooit
ἀνέγνωτε
(anegnote)
hebben jullie gelezen
ὅτι
(hoti)
dat
Ἐκ
(Ek)
uit
στόματος
(stomatos)
mond
νηπίων
(nepion)
van kleine kinderen
καὶ
(kai)
en
θηλαζόντων
(thelazonton)
van zuigelingen
κατηρτίσω
(katertiso)
hebt U bereid
αἶνον
(ainon)
lof
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het citaat is Ps. 8:3; in de Nederlandse telling is dit 8:2.
Het Hebreeuws heeft ‘kracht’ (עֹז, oz); de Griekse tekst heeft αἶνος (ainos), ‘lof’.
17Hij liet hen achter, ging de stad uit naar Betanië en overnachtte daar.
καὶ
(kai)
en
καταλιπὼν
(katalipon)
achterlatend
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
ἔξω
(exo)
buiten
τῆς
(tes)
de
πόλεως
(poleos)
stad
εἰς
(eis)
naar
Βηθανίαν
(Bethanian)
Betanië
καὶ
(kai)
en
ηὐλίσθη
(eylisthe)
overnachtte
ἐκεῖ
(ekei)
daar
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem.
De vijgenboom verdort
18Toen Hij vroeg in de morgen naar de stad terugging, kreeg Hij honger.
Πρωῒ
(Proi)
vroeg in de morgen
δὲ
(de)
maar
ἐπανάγων
(epanagon)
teruggaand
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
ἐπείνασεν
(epeinasen)
kreeg honger
Bron: SBLGNT
19Hij zag langs de weg een vijgenboom, ging ernaartoe en vond er niets dan alleen bladeren. Hij zei ertegen: „Laat er van jou nooit meer vrucht komen, voor eeuwig.” En meteen verdorde de vijgenboom.
20Toen de leerlingen dat zagen, verbaasden zij zich en zeiden: „Hoe is de vijgenboom meteen verdord?”
καὶ
(kai)
en
ἰδόντες
(idontes)
gezien hebbend
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
ἐθαύμασαν
(ethaumasan)
verwonderden zich
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Πῶς
(Pos)
hoe
παραχρῆμα
(parachrema)
meteen
ἐξηράνθη
(exeranthe)
verdorde
ἡ
(he)
de
συκῆ
(syke)
vijgenboom
Bron: SBLGNT
21Yeshua antwoordde en zei tegen hen: „Voorwaar, Ik zeg jullie: als jullie geloof hebben en niet twijfelen, zullen jullie niet alleen doen wat met de vijgenboom is gebeurd. Zelfs als jullie tegen deze berg zeggen: ‘Word opgeheven en word in de zee geworpen’, zal het gebeuren.
22En alles wat jullie in het gebed vragen, zullen jullie ontvangen als jullie geloven.”
καὶ
(kai)
en
πάντα
(panta)
alles
ὅσα
(hosa)
wat
ἂν
(an)
ook
αἰτήσητε
(aitesete)
vragen jullie
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
προσευχῇ
(proseuche)
gebed
πιστεύοντες
(pisteuontes)
gelovend
λήμψεσθε
(lempsesthe)
zullen ontvangen
Bron: SBLGNT
De vraag naar Zijn gezag
23Toen Hij de tempel was binnengegaan, kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk naar Hem toe terwijl Hij onderwees. Zij zeiden: „Met welk gezag doet U dit? En wie heeft U dit gezag gegeven?”
Καὶ
(Kai)
en
ἐλθόντος
(elthontos)
gekomen zijnde
αὐτοῦ
(autou)
Hij
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
ἱερὸν
(hieron)
tempel
προσῆλθον
(proselthon)
kwamen naar
αὐτῷ
(auto)
Hem
διδάσκοντι
(didaskonti)
onderwijzend
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
πρεσβύτεροι
(presbyteroi)
oudsten
τοῦ
(tou)
van het
λαοῦ
(laou)
volk
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ἐν
(En)
in
ποίᾳ
(poia)
welk
ἐξουσίᾳ
(exousia)
gezag
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
ποιεῖς
(poieis)
doet U
καὶ
(kai)
en
τίς
(tis)
wie
σοι
(soi)
U
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
τὴν
(ten)
het
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
ταύτην
(tauten)
dit
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om te handelen. πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘oudsten’: de leiders van het volk.
24Yeshua antwoordde en zei tegen hen: „Ook Ik zal jullie één vraag stellen. Als jullie Mij die beantwoorden, zal Ik jullie ook zeggen met welk gezag Ik dit doe.
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Ἐρωτήσω
(Eroteso)
zal vragen
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
κἀγὼ
(kago)
ook Ik
λόγον
(logon)
woord
ἕνα
(hena)
één
ὃν
(hon)
dat
ἐὰν
(ean)
als
εἴπητέ
(eipete)
zeggen jullie
μοι
(moi)
Mij
κἀγὼ
(kago)
ook Ik
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἐρῶ
(ero)
zal zeggen
ἐν
(en)
in
ποίᾳ
(poia)
welk
ἐξουσίᾳ
(exousia)
gezag
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
ποιῶ
(poio)
doe
Bron: SBLGNT
Uitleg
λόγον (logon), letterlijk ‘woord’: hier een vraag.
25De doop van Johannes: waar kwam die vandaan? Uit de hemel of van mensen?” Zij overlegden onder elkaar en zeiden: „Als wij zeggen: ‘Uit de hemel’, zal Hij tegen ons zeggen: ‘Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd?’
τὸ
(to)
de
βάπτισμα
(baptisma)
doop
τὸ
(to)
die
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
πόθεν
(pothen)
waar vandaan
ἦν
(en)
was
ἐξ
(ex)
uit
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
ἢ
(e)
of
ἐξ
(ex)
uit
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
διελογίζοντο
(dielogizonto)
overlegden
ἐν
(en)
onder
ἑαυτοῖς
(heautois)
elkaar
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ἐὰν
(Ean)
als
εἴπωμεν
(eipomen)
zeggen wij
Ἐξ
(Ex)
uit
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
ἐρεῖ
(erei)
zal zeggen
ἡμῖν
(hemin)
tot ons
Διὰ
(Dia)
om
τί
(ti)
wat
οὖν
(oun)
dan
οὐκ
(ouk)
niet
ἐπιστεύσατε
(episteusate)
geloofden jullie
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
‘Uit de hemel’: ‘de hemel’ is een omschrijving voor Elohim, zoals in ‘het koninkrijk van de hemelen’ (Matt. 3:2).
30Maar hij ging naar de tweede en zei hetzelfde. Die antwoordde: ‘Ik ga, heer.’ Maar hij ging niet.
προσελθὼν
(proselthon)
gegaan naar
δὲ
(de)
maar
τῷ
(to)
de
δευτέρῳ
(deutero)
tweede
εἶπεν
(eipen)
zei
ὡσαύτως
(hosautos)
evenzo
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἐγώ
(Ego)
ik
κύριε
(kyrie)
heer
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft Ἐγώ, κύριε (ego, kyrie), letterlijk ‘Ik, heer’.
Wij vullen ‘ga’ aan.
‘Heer’ staat met kleine letter, want het kind spreekt zijn vader aan.
31Wie van de twee heeft de wil van de vader gedaan?” Zij zeiden: „De eerste.” Yeshua zei tegen hen: „Voorwaar, Ik zeg jullie: de tollenaars en de prostituees gaan jullie voor, het koninkrijk van Elohim binnen.
τίς
(tis)
wie
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
δύο
(dyo)
twee
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
τὸ
(to)
de
θέλημα
(thelema)
wil
τοῦ
(tou)
van de
πατρός
(patros)
vader
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
Ὁ
(Ho)
de
πρῶτος
(protos)
eerste
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἀμὴν
(Amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
zeg Ik
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
οἱ
(hoi)
de
τελῶναι
(telonai)
tollenaars
καὶ
(kai)
en
αἱ
(hai)
de
πόρναι
(pornai)
prostituees
προάγουσιν
(proagousin)
gaan voor
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg
τελῶναι (telonai), ‘tollenaars’: mannen die belasting inden voor de Romeinen. πόρναι (pornai), ‘prostituees’. προάγουσιν (proagousin), ‘gaan voor’: zij gaan het koninkrijk eerder binnen dan de leiders; het woord kan ook ‘gaan voorbij’ betekenen.
Lezing
In sommige oude handschriften staan de twee kinderen in omgekeerde volgorde, en dan is ook het antwoord anders.
Wij volgen de SBLGNT.
32Want Johannes kwam naar jullie op de weg van gerechtigheid, en jullie geloofden hem niet. De tollenaars en de prostituees geloofden hem. Maar jullie hebben het gezien en toch geen spijt gekregen, om hem daarna te geloven.”
ἦλθεν
(elthen)
kwam
γὰρ
(gar)
want
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
πρὸς
(pros)
naar
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐν
(en)
op
ὁδῷ
(hodo)
weg
δικαιοσύνης
(dikaiosynes)
van gerechtigheid
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἐπιστεύσατε
(episteusate)
geloofden jullie
αὐτῷ
(auto)
hem
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
τελῶναι
(telonai)
tollenaars
καὶ
(kai)
en
αἱ
(hai)
de
πόρναι
(pornai)
prostituees
ἐπίστευσαν
(episteusan)
geloofden
αὐτῷ
(auto)
hem
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
δὲ
(de)
maar
ἰδόντες
(idontes)
gezien hebbend
οὐδὲ
(oude)
zelfs niet
μετεμελήθητε
(metemelethete)
kregen spijt
ὕστερον
(hysteron)
later
τοῦ
(tou)
van het
πιστεῦσαι
(pisteusai)
geloven
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὁδὸς δικαιοσύνης (hodos dikaiosynes), ‘weg van gerechtigheid’: een leven zoals Elohim het goed en recht vindt (Matt. 3:15).
33„Luister naar een andere gelijkenis. Er was een man die landeigenaar was. Hij plantte een wijngaard, zette er een omheining omheen, groef er een wijnpers in en bouwde een toren. Hij verpachtte hem aan pachters en reisde naar het buitenland.
Ἄλλην
(Allen)
andere
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
ἀκούσατε
(akousate)
luister
Ἄνθρωπος
(Anthropos)
man
ἦν
(en)
was
οἰκοδεσπότης
(oikodespotes)
landeigenaar
ὅστις
(hostis)
die
ἐφύτευσεν
(ephyteusen)
plantte
ἀμπελῶνα
(ampelona)
wijngaard
καὶ
(kai)
en
φραγμὸν
(phragmon)
omheining
αὐτῷ
(auto)
hem
περιέθηκεν
(perietheken)
zette omheen
καὶ
(kai)
en
ὤρυξεν
(oryxen)
groef
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
hem
ληνὸν
(lenon)
wijnpers
καὶ
(kai)
en
ᾠκοδόμησεν
(okodomesen)
bouwde
πύργον
(pyrgon)
toren
καὶ
(kai)
en
ἐξέδετο
(exedeto)
verpachtte
αὐτὸν
(auton)
hem
γεωργοῖς
(georgois)
aan pachters
καὶ
(kai)
en
ἀπεδήμησεν
(apedemesen)
reisde naar het buitenland
Bron: SBLGNT
Uitleg
γεωργός (georgos), ‘pachter’: iemand die het land bewerkt. ἐκδίδωμι (ekdidomi), ‘verpachten’: in pacht geven. ληνός (lenos), ‘wijnpers’: een uitgehouwen kuil of trog om druiven te persen.
Het beeld komt uit Jes. 5:1–7: daar zijn de wijngaard, de toren en de wijnpers beelden voor Israël.
οἰκοδεσπότης (oikodespotes), ‘heer van het huis’: zie Matt. 20:1, waar wij ‘landeigenaar’ schrijven.
34Toen de tijd van de vruchten naderde, zond hij zijn knechten naar de pachters om zijn vruchten te ontvangen.
ὅτε
(hote)
toen
δὲ
(de)
maar
ἤγγισεν
(engisen)
naderde
ὁ
(ho)
de
καιρὸς
(kairos)
tijd
τῶν
(ton)
van de
καρπῶν
(karpon)
vruchten
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
τοὺς
(tous)
de
δούλους
(doulous)
knechten
αὐτοῦ
(autou)
zijn
πρὸς
(pros)
naar
τοὺς
(tous)
de
γεωργοὺς
(georgous)
pachters
λαβεῖν
(labein)
te ontvangen
τοὺς
(tous)
de
καρποὺς
(karpous)
vruchten
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
35De pachters pakten zijn knechten. De een sloegen zij, de ander doodden zij, en nog een stenigden zij.
καὶ
(kai)
en
λαβόντες
(labontes)
pakkend
οἱ
(hoi)
de
γεωργοὶ
(georgoi)
pachters
τοὺς
(tous)
de
δούλους
(doulous)
knechten
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ὃν
(hon)
wie
μὲν
(men)
wel
ἔδειραν
(edeiran)
sloegen
ὃν
(hon)
wie
δὲ
(de)
maar
ἀπέκτειναν
(apekteinan)
doodden
ὃν
(hon)
wie
δὲ
(de)
maar
ἐλιθοβόλησαν
(elithobolesan)
stenigden
Bron: SBLGNT
36Opnieuw zond hij andere knechten, meer dan de eersten, en zij deden met hen hetzelfde.
πάλιν
(palin)
opnieuw
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
ἄλλους
(allous)
andere
δούλους
(doulous)
knechten
πλείονας
(pleionas)
meer
τῶν
(ton)
dan de
πρώτων
(proton)
eersten
καὶ
(kai)
en
ἐποίησαν
(epoiesan)
deden
αὐτοῖς
(autois)
met hen
ὡσαύτως
(hosautos)
evenzo
Bron: SBLGNT
37Daarna zond hij zijn zoon naar hen toe en zei: ‘Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.’
ὕστερον
(hysteron)
later
δὲ
(de)
maar
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
πρὸς
(pros)
naar
αὐτοὺς
(autous)
hen
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
zoon
αὐτοῦ
(autou)
zijn
λέγων
(legon)
zeggend
Ἐντραπήσονται
(Entrapesontai)
zullen ontzag hebben voor
τὸν
(ton)
de
υἱόν
(huion)
zoon
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐντρέπομαι (entrepomai), ‘ontzag hebben voor’: iemand eerbied tonen.
38Toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: ‘Dit is de erfgenaam. Kom, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen.’
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
γεωργοὶ
(georgoi)
pachters
ἰδόντες
(idontes)
ziende
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
zoon
εἶπον
(eipon)
zeiden
ἐν
(en)
onder
ἑαυτοῖς
(heautois)
elkaar
Οὗτός
(Houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
κληρονόμος
(kleronomos)
erfgenaam
δεῦτε
(deute)
kom
ἀποκτείνωμεν
(apokteinomen)
laten wij doden
αὐτὸν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
σχῶμεν
(schomen)
laten wij hebben
τὴν
(ten)
de
κληρονομίαν
(kleronomian)
erfenis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
39Zij pakten hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.
καὶ
(kai)
en
λαβόντες
(labontes)
pakkend
αὐτὸν
(auton)
hem
ἐξέβαλον
(exebalon)
wierpen uit
ἔξω
(exo)
buiten
τοῦ
(tou)
van de
ἀμπελῶνος
(ampelonos)
wijngaard
καὶ
(kai)
en
ἀπέκτειναν
(apekteinan)
doodden
Bron: SBLGNT
40Wanneer nu de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen?”
ὅταν
(hotan)
wanneer
οὖν
(oun)
dus
ἔλθῃ
(elthe)
komt
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
heer
τοῦ
(tou)
van de
ἀμπελῶνος
(ampelonos)
wijngaard
τί
(ti)
wat
ποιήσει
(poiesei)
zal doen
τοῖς
(tois)
aan de
γεωργοῖς
(georgois)
pachters
ἐκείνοις
(ekeinois)
die
Bron: SBLGNT
41Zij zeiden tegen Hem: „Die slechte mensen zal hij op slechte wijze ombrengen. De wijngaard zal hij verpachten aan andere pachters, die hem de vruchten op hun tijd zullen geven.”
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Κακοὺς
(Kakous)
slechte
κακῶς
(kakos)
slecht
ἀπολέσει
(apolesei)
zal vernietigen
αὐτούς
(autous)
hen
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
ἀμπελῶνα
(ampelona)
wijngaard
ἐκδώσεται
(ekdosetai)
zal verpachten
ἄλλοις
(allois)
aan andere
γεωργοῖς
(georgois)
pachters
οἵτινες
(hoitines)
die
ἀποδώσουσιν
(apodosousin)
zullen geven
αὐτῷ
(auto)
hem
τοὺς
(tous)
de
καρποὺς
(karpous)
vruchten
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
καιροῖς
(kairois)
tijden
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg
Κακοὺς κακῶς (kakous kakos) is een woordspeling: ‘slechte mensen, op slechte wijze’.
42Yeshua zei tegen hen: „Hebben jullie nooit gelezen in de Schriften: ‘De steen die de bouwers verwierpen, die is tot hoeksteen geworden. Dit is van Yahweh gekomen, en het is wonderbaar in onze ogen’?
Λέγει
(Legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Οὐδέποτε
(Oudepote)
nooit
ἀνέγνωτε
(anegnote)
hebben jullie gelezen
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
γραφαῖς
(graphais)
Schriften
Λίθον
(Lithon)
steen
ὃν
(hon)
die
ἀπεδοκίμασαν
(apedokimasan)
verwierpen
οἱ
(hoi)
de
οἰκοδομοῦντες
(oikodomountes)
bouwers
οὗτος
(houtos)
deze
ἐγενήθη
(egenethe)
is geworden
εἰς
(eis)
tot
κεφαλὴν
(kephalen)
hoofd
γωνίας
(gonias)
van hoek
παρὰ
(para)
van
κυρίου
(kyriou)
Yahweh
ἐγένετο
(egeneto)
is gekomen
αὕτη
(haute)
dit
καὶ
(kai)
en
ἔστιν
(estin)
is
θαυμαστὴ
(thaumaste)
wonderbaar
ἐν
(en)
in
ὀφθαλμοῖς
(ophthalmois)
ogen
ἡμῶν
(hemon)
onze
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het citaat is Ps. 118:22–23. κεφαλὴν γωνίας (kephalen gonias), letterlijk ‘hoofd van de hoek’: de hoeksteen, zoals het Hebreeuwse רֹאשׁ פִּנָּה (rosh pinnah). αὕτη (haute), ‘dit’, is vrouwelijk in het Grieks; wij lezen het als ‘dit gebeuren’.
43Daarom zeg Ik jullie: het koninkrijk van Elohim zal van jullie worden weggenomen en gegeven worden aan een volk dat de vruchten ervan voortbrengt.
διὰ
(dia)
om
τοῦτο
(touto)
dit
λέγω
(lego)
zeg Ik
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
ἀρθήσεται
(arthesetai)
zal worden weggenomen
ἀφ’
(aph’)
van
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
δοθήσεται
(dothesetai)
zal worden gegeven
ἔθνει
(ethnei)
aan een volk
ποιοῦντι
(poiounti)
voortbrengend
τοὺς
(tous)
de
καρποὺς
(karpous)
vruchten
αὐτῆς
(autes)
ervan
Bron: SBLGNT
44Wie op deze steen valt, zal verbrijzeld worden. Op wie hij valt, die zal hij vermalen.”
Καὶ
(Kai)
en
ὁ
(ho)
die
πεσὼν
(peson)
gevallen
ἐπὶ
(epi)
op
τὸν
(ton)
de
λίθον
(lithon)
steen
τοῦτον
(touton)
deze
συνθλασθήσεται
(synthlasthesetai)
zal worden verbrijzeld
ἐφ’
(eph’)
op
ὃν
(hon)
wie
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
ook
πέσῃ
(pese)
valt
λικμήσει
(likmesei)
zal vermalen
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
Zie Jes. 8:14–15 (een steen om aan te stoten; ‘zij vallen, worden verbrijzeld’) en Dan. 2:34–35 (de steen die het beeld vermaalt). λικμάω (likmao), ‘vermalen’: letterlijk ‘wannen’, graan in de wind gooien zodat het kaf wegwaait (vergelijk Matt. 3:12).