Yahweh heeft Israël liefgehad, maar priesters en volk minachten Zijn naam
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een last voor Israël
1Een last: het woord van Yahweh aan Israël door Maleachi.
מַשָּׂ֥א
(masa)
een last
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
aan
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
מַלְאָכִֽי
(malakhi)
Maleachi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַשָּׂא (massa), ‘last’: een woord dat de profeet moet ‘dragen’ en uitspreken, meestal een oordeelswoord.
Het komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ of ‘opheffen’.
Zie ook Jes. 13:1 en Zach. 9:1; 12:1.
מַלְאָכִי (Mal’akhi), ‘Maleachi’: het woord betekent ‘mijn bode’ (zie ook 3:1). Het is onzeker of dit een eigennaam is of een titel van de profeet. Wij schrijven ‘Maleachi’, zoals de overlevering de naam geeft.
בְּיַד (beyad), ‘door de hand van’: de profeet is het werktuig, Yahweh is de spreker.
2„Ik heb jullie liefgehad, zegt Yahweh. En jullie zeggen: ‘Waarin hebt U ons liefgehad?’ Is Ezau niet een broer van Jakob, godsspraak van Yahweh? Maar Ik heb Jakob liefgehad,
אָהַ֤בְתִּי
(ahavti)
Ik heb liefgehad
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַאֲמַרְתֶּ֖ם
(vaamartem)
en jullie zeggen
בַּמָּ֣ה
(bama)
waarin
אֲהַבְתָּ֑נוּ
(ahavtanu)
hebt U ons liefgehad
הֲלוֹא
(halo)
is niet
אָ֨ח
(ach)
een broer
עֵשָׂ֤ו
(esav)
Ezau
לְיַֽעֲקֹב֙
(leyaaqov)
van Jakob
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וָאֹהַ֖ב
(vaohav)
maar Ik heb liefgehad
אֶֽת
(et)
(obj.)
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: een vaste formule in de profeten (ne’um Yahweh, ‘godsspraak van Yahweh’).
Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt.
Wij zetten de formule in rood wanneer ze midden in Zijn woorden staat.
Voor de volgende vermeldingen verwijzen wij naar dit vers.
בַּמָּה (bammah), ‘waarin?’: de vraag van het volk keert terug als refrein (1:2, 6, 7; 2:17; 3:7, 8; vergelijk 3:13). Yahweh spreekt, het volk werpt tegen. De woorden van het volk staan zwart, de woorden van Yahweh rood. Zo is het hele boek gebouwd.
אֲהַבְתִּי (ahavti), ‘Ik heb liefgehad’: de eerste woorden van Yahweh in dit boek gaan over liefde.
עֵשָׂו (Esav), ‘Ezau’, en יַעֲקֹב (Ya’aqov), ‘Jakob’: de twee zonen van Isaak (Gen. 25:19–26). Ezau is de stamvader van Edom (Gen. 36:1). Hier staan zij voor de twee volken.
3en Ezau heb Ik gehaat. Ik heb zijn bergen tot een woestenij gemaakt en zijn erfdeel gegeven aan de jakhalzen van de woestijn.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֵשָׂ֖ו
(esav)
Ezau
שָׂנֵ֑אתִי
(saneti)
heb Ik gehaat
וָאָשִׂ֤ים
(vaasim)
en Ik maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הָרָיו֙
(harav)
zijn bergen
שְׁמָמָ֔ה
(shemama)
tot een woestenij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נַחֲלָת֖וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
לְתַנּ֥וֹת
(letanot)
voor de jakhalzen van
מִדְבָּֽר
(midbar)
de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׂנֵאתִי (sane’ti), ‘Ik heb gehaat’: in het Hebreeuws kan ‘haten’ ook ‘achterstellen’ of ‘niet kiezen’ zijn, tegenover ‘liefhebben’ als ‘kiezen’.
Vergelijk Gen. 29:31, waar dezelfde stam voor Lea staat (‘niet bemind’), en Deut. 21:15.
Het gaat hier om de keuze van Yahweh voor Jakob.
Wij laten het woord staan.
Zie ook Rom. 9:13.
תַּנּוֹת מִדְבָּר (tannot midbar), ‘jakhalzen van de woestijn’: het woord is een vrouwelijke meervoudsvorm van תַּן (tan), ‘jakhals’, en komt verder alleen hier voor. Zie ook Jes. 34:13, over Edom.
4Als Edom zegt: ‘Wij zijn verbrijzeld, maar wij zullen terugkeren en de ruïnes herbouwen’, zo zegt Yahweh van de legermachten: ‘Zij zullen bouwen, maar Ik zal afbreken. Men zal hen noemen: gebied van goddeloosheid, het volk op wie Yahweh voor eeuwig toornt.’
כִּֽי
(ki)
als
תֹאמַ֨ר
(tomar)
zegt
אֱד֜וֹם
(edom)
Edom
רֻשַּׁ֗שְׁנוּ
(rushashnu)
wij zijn verbrijzeld
וְנָשׁוּב֙
(venashuv)
maar wij zullen terugkeren
וְנִבְנֶ֣ה
(venivne)
en wij zullen herbouwen
חֳרָב֔וֹת
(choravot)
ruïnes
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
יִבְנ֖וּ
(yivnu)
zullen bouwen
וַאֲנִ֣י
(vaani)
maar Ik
אֶהֱר֑וֹס
(eheros)
zal afbreken
וְקָרְא֤וּ
(veqareu)
en men zal noemen
לָהֶם֙
(lahem)
hen
גְּב֣וּל
(gevul)
gebied van
רִשְׁעָ֔ה
(risha)
goddeloosheid
וְהָעָ֛ם
(vehaam)
en het volk
אֲשֶׁר
(asher)
op wie
זָעַ֥ם
(zaam)
toornt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Uitleg
יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’.
Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’.
Zie ook Jes. 1:9.
אֱדוֹם (Edom): de nakomelingen van Ezau; het gebied ten zuiden van de Dode Zee.
רֻשַּׁשְׁנוּ (rushashnu), ‘wij zijn verbrijzeld’: een zeldzame vorm van het werkwoord רָשַׁשׁ (rashash), ‘verbrijzelen’. De betekenis is niet helemaal zeker.
זָעַם (za’am), ‘toornen’: het werkwoord zegt dat Yahweh toornt op het volk van Edom. ‘Voor eeuwig’ is עַד עוֹלָם (ad olam).
‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staat hier midden in een rode rede en is daarom rood. De woorden van Edom en van Yahweh staan tussen enkele aanhalingstekens in die rede.
5Jullie ogen zullen het zien, en jullie zullen zeggen: ‘Yahweh is groot, ver voorbij het gebied van Israël.’”
וְעֵינֵיכֶ֖ם
(veeineikhem)
en jullie ogen
תִּרְאֶ֑ינָה
(tireina)
zullen zien
וְאַתֶּ֤ם
(veatem)
en jullie
תֹּֽאמְרוּ֙
(tomru)
zullen zeggen
יִגְדַּ֣ל
(yigdal)
is groot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵעַ֖ל
(meal)
voorbij
לִגְב֥וּל
(ligvul)
de grens van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִגְדַּל יְהוָה מֵעַל לִגְבוּל יִשְׂרָאֵל (yigdal Yahweh me’al ligvul Yisra’el), ‘Yahweh is groot, ver voorbij het gebied van Israël’: het werkwoord kan ook een wens zijn (‘moge Yahweh groot zijn’).
Het gaat om de grootheid van Yahweh buiten de grenzen van Israël, ook over Edom.
6„Een zoon eert zijn vader en een knecht zijn heer. En als Ik een vader ben, waar is Mijn eer? En als Ik een heer ben, waar is het ontzag voor Mij? zegt Yahweh van de legermachten tegen jullie, priesters, die Mijn naam minachten. En jullie zeggen: ‘Waarin hebben wij Uw naam geminacht?’
בֵּ֛ן
(ben)
een zoon
יְכַבֵּ֥ד
(yekhabed)
eert
אָ֖ב
(av)
zijn vader
וְעֶ֣בֶד
(veeved)
en een knecht
אֲדֹנָ֑יו
(adonav)
zijn heer
וְאִם
(veim)
en als
אָ֣ב
(av)
een vader
אָ֣נִי
(ani)
Ik ben
אַיֵּ֣ה
(aye)
waar is
כְבוֹדִ֡י
(kevodi)
Mijn eer
וְאִם
(veim)
en als
אֲדוֹנִ֣ים
(adonim)
heren
אָנִי֩
(ani)
Ik ben
אַיֵּ֨ה
(aye)
waar is
מוֹרָאִ֜י
(morai)
ontzag voor Mij
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
לָכֶם֙
(lakhem)
tegen jullie
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
בּוֹזֵ֣י
(bozei)
die minachten
שְׁמִ֔י
(shemi)
Mijn naam
וַאֲמַרְתֶּ֕ם
(vaamartem)
en jullie zeggen
בַּמֶּ֥ה
(bame)
waarin
בָזִ֖ינוּ
(bazinu)
hebben wij geminacht
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמֶֽךָ
(shemekha)
Uw naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָדוֹן (adon), ‘heer’, en אֲדוֹנִים (adonim), ‘heren’: het meervoud wijst hier op de waardigheid van de heer.
Wij schrijven ‘heer’ met een kleine letter, omdat Yahweh een beeld uit het gewone leven gebruikt.
כָּבוֹד (kavod), ‘eer’, en מוֹרָא (mora), ‘ontzag’: een zoon en een knecht tonen eer en ontzag. Yahweh vraagt waar dat voor Hem blijft.
בּוֹזֵי שְׁמִי (bozei shemi), ‘die Mijn naam minachten’: de priesters worden beschuldigd. Het werkwoord בָּזָה (bazah), ‘minachten’, keert terug in 1:7 en 1:12 (‘verachtelijk’).
Vanaf hier tot en met 2:9 spreekt Yahweh tot de priesters.
7Jullie bieden bezoedeld voedsel aan op Mijn altaar. En jullie zeggen: ‘Waarin hebben wij U bezoedeld?’ Doordat jullie zeggen: ‘De tafel van Yahweh is verachtelijk.’
מַגִּישִׁ֤ים
(magishim)
die aanbieden
עַֽל
(al)
op
מִזְבְּחִי֙
(mizbechi)
Mijn altaar
לֶ֣חֶם
(lechem)
voedsel
מְגֹאָ֔ל
(megoal)
bezoedeld
וַאֲמַרְתֶּ֖ם
(vaamartem)
en jullie zeggen
בַּמֶּ֣ה
(bame)
waarin
גֵֽאַלְנ֑וּךָ
(gealnukha)
hebben wij U bezoedeld
בֶּאֱמָרְכֶ֕ם
(beemarekhem)
doordat jullie zeggen
שֻׁלְחַ֥ן
(shulchan)
de tafel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
נִבְזֶ֥ה
(nivze)
verachtelijk
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְגֹאָל (mego’al), ‘bezoedeld’: van גָּאַל (ga’al II), ‘bezoedelen’, een ander werkwoord dan גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’.
Het komt ook voor in 1:12, Zef. 3:1 en Neh. 13:29.
De Hebreeuwse klank is gelijk, de betekenis niet.
לֶחֶם (lechem), ‘voedsel’: letterlijk ‘brood’, hier de offergaven die op het altaar komen. Zie Lev. 21:6, ‘het voedsel van hun Elohim’.
שֻׁלְחַן יְהוָה (shulchan Yahweh), ‘de tafel van Yahweh’: het altaar. Zie ook Ezech. 41:22.
8Als jullie een blind dier aanbieden om te offeren: is dat geen kwaad? En als jullie een kreupel of ziek dier aanbieden: is dat geen kwaad? Breng het toch aan je landvoogd. Zal hij het van jou aannemen? Of zal hij jou gunstig ontvangen? zegt Yahweh van de legermachten.
וְכִֽי
(vekhi)
en als
תַגִּשׁ֨וּן
(tagishun)
jullie aanbieden
עִוֵּ֤ר
(iver)
een blind dier
לִזְבֹּ֨חַ֙
(lizboach)
om te offeren
אֵ֣ין
(ein)
niet is
רָ֔ע
(ra)
kwaad
וְכִ֥י
(vekhi)
en als
תַגִּ֛ישׁוּ
(tagishu)
jullie aanbieden
פִּסֵּ֥חַ
(piseach)
een kreupel dier
וְחֹלֶ֖ה
(vechole)
en een ziek dier
אֵ֣ין
(ein)
niet is
רָ֑ע
(ra)
kwaad
הַקְרִיבֵ֨הוּ
(haqrivehu)
breng het
נָ֜א
(na)
toch
לְפֶחָתֶ֗ךָ
(lefechatekha)
aan je landvoogd
הֲיִּרְצְךָ֙
(hayirtsekha)
zal hij het aannemen van jou
א֚וֹ
(o)
of
הֲיִשָּׂ֣א
(hayisa)
zal hij opheffen
פָנֶ֔יךָ
(paneikha)
jouw gezicht
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֵין רָע (en ra), ‘is dat geen kwaad?’: het Hebreeuws heeft geen vraagwoord.
Het kan een vraag zijn (‘is dat niet kwaad?’) of de mening van de priesters (‘dat is niet erg’).
Wij kiezen de vraag.
Vergelijk de regels in Lev. 22:20–22 en Deut. 15:21 over dieren met gebreken.
פֶּחָה (pechah), ‘landvoogd’: de Perzische ambtenaar, zoals in Hag. 1:1. De priesters zouden zo’n gebrekkig dier niet aan hun landvoogd durven geven.
הֲיִשָּׂא פָנֶיךָ (hayissa fanekha), ‘zal hij jou gunstig ontvangen?’: letterlijk ‘zal hij jouw gezicht opheffen?’. Het is een uitdrukking voor welwillend ontvangen. Dezelfde uitdrukking staat in vers 9.
9En nu, smeek toch om de gunst van El, zodat Hij ons genadig is. Dit is uit jullie hand gekomen: zal Hij dan iemand van jullie gunstig ontvangen? zegt Yahweh van de legermachten.
וְעַתָּ֛ה
(veata)
en nu
חַלּוּ
(chalu)
smeek
נָ֥א
(na)
toch
פְנֵי
(penei)
om het gezicht van
אֵ֖ל
(el)
El
וִֽיחָנֵ֑נוּ
(vichanenu)
dat Hij ons genadig is
מִיֶּדְכֶם֙
(miyedkhem)
uit jullie hand
הָ֣יְתָה
(hayeta)
is gekomen
זֹּ֔את
(zot)
dit
הֲיִשָּׂ֤א
(hayisa)
zal Hij opheffen
מִכֶּם֙
(mikem)
van jullie
פָּנִ֔ים
(panim)
een gezicht
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַלּוּ נָא פְנֵי אֵל (challu na fenei El), ‘smeek toch om de gunst van El’: letterlijk ‘maak het gezicht van El vriendelijk’.
De naam אֵל (El) laten wij onvertaald, zoals in Gen. 14:18.
וִיחָנֵנוּ (viychanenu), ‘zodat Hij ons genadig is’: het woord ‘ons’ laat open wie spreekt. Het is bijtend: Yahweh wijst de priesters erop dat hun smeekbede zinloos is zolang zij zulke gaven brengen.
10Wie van jullie sluit toch de deuren, zodat jullie Mijn altaar niet voor niets aansteken? Ik heb geen behagen in jullie, zegt Yahweh van de legermachten, en uit jullie hand neem Ik geen graanoffer aan.
מִ֤י
(mi)
wie
גַם
(gam)
zelfs
בָּכֶם֙
(bakhem)
onder jullie
וְיִסְגֹּ֣ר
(veyisgor)
dat hij sluit
דְּלָתַ֔יִם
(delatayim)
de deuren
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תָאִ֥ירוּ
(tairu)
zullen jullie aansteken
מִזְבְּחִ֖י
(mizbechi)
Mijn altaar
חִנָּ֑ם
(chinam)
voor niets
אֵֽין
(ein)
niet is
לִ֨י
(li)
bij Mij
חֵ֜פֶץ
(chefets)
behagen
בָּכֶ֗ם
(bakhem)
in jullie
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וּמִנְחָ֖ה
(umincha)
en een graanoffer
לֹֽא
(lo)
niet
אֶרְצֶ֥ה
(ertse)
zal Ik aannemen
מִיֶּדְכֶֽם
(miyedkhem)
uit jullie hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִי גַם בָּכֶם וְיִסְגֹּר דְּלָתַיִם (mi gam bakhem veyisgor delatayim), ‘wie van jullie sluit toch de deuren?’: de deuren van het heiligdom.
Yahweh zegt dat het beter zou zijn als er niemand binnenkwam om het vuur op het altaar aan te steken, dan dat zij het voor niets doen.
תָאִירוּ (ta’iru), ‘aansteken’: letterlijk ‘laten schijnen’, van אוֹר (or), ‘licht’.
חִנָּם (chinnam), ‘voor niets’: zonder dat het iets oplevert.
11Want van de opgang van de zon tot haar ondergang is Mijn naam groot onder de volken. Op elke plaats wordt voor Mijn naam wierook aangeboden, en een rein graanoffer. Want Mijn naam is groot onder de volken, zegt Yahweh van de legermachten.
כִּ֣י
(ki)
want
מִמִּזְרַח
(mimizrach)
van het opgaan van
שֶׁ֜מֶשׁ
(shemesh)
de zon
וְעַד
(vead)
en tot
מְבוֹא֗וֹ
(mevoo)
haar ondergang
גָּד֤וֹל
(gadol)
groot
שְׁמִי֙
(shemi)
Mijn naam
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
וּבְכָל
(uvekhal)
en op elke
מָק֗וֹם
(maqom)
plaats
מֻקְטָ֥ר
(muqtar)
wierook
מֻגָּ֛שׁ
(mugash)
wordt aangeboden
לִשְׁמִ֖י
(lishmi)
voor Mijn naam
וּמִנְחָ֣ה
(umincha)
en een graanoffer
טְהוֹרָ֑ה
(tehora)
rein
כִּֽי
(ki)
want
גָד֤וֹל
(gadol)
groot
שְׁמִי֙
(shemi)
Mijn naam
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk: de zin heeft geen werkwoord (‘is groot’, ‘wierook aangeboden’).
Wij lezen de tegenwoordige tijd: Yahweh’s naam is nu al groot onder de volken, en daar wordt reine gave aan Hem gebracht.
Een andere lezing is de toekomende tijd.
Wij laten dat open.
Zie ook Ps. 113:3.
מֻקְטָר מֻגָּשׁ (muqtar muggash), ‘wierook, aangeboden’: twee lijdende deelwoorden. Het eerste is verwant met קְטֹרֶת (qetoret), ‘wierook’; zie Exod. 30:1.
מִנְחָה טְהוֹרָה (minchah tehorah), ‘rein graanoffer’: tegenover het bezoedelde voedsel van 1:7.
13En jullie zeggen: ‘Zie, wat een moeite!’ en jullie snuiven er minachtend op, zegt Yahweh van de legermachten. Jullie brengen wat geroofd is, wat kreupel is en wat ziek is. Jullie brengen het graanoffer. Moet Ik dat aannemen uit jullie hand? zegt Yahweh.
וַאֲמַרְתֶּם֩
(vaamartem)
en jullie zeggen
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
מַתְּלָאָ֜ה
(matelaa)
wat een moeite
וְהִפַּחְתֶּ֣ם
(vehipachtem)
en jullie snuiven
אוֹת֗וֹ
(oto)
erop
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וַהֲבֵאתֶ֣ם
(vahavetem)
en jullie brengen
גָּז֗וּל
(gazul)
wat geroofd is
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַפִּסֵּ֨חַ֙
(hapiseach)
wat kreupel is
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַ֣חוֹלֶ֔ה
(hachole)
wat ziek is
וַהֲבֵאתֶ֖ם
(vahavetem)
en jullie brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּנְחָ֑ה
(hamincha)
het graanoffer
הַאֶרְצֶ֥ה
(haertse)
moet Ik aannemen
אוֹתָ֛הּ
(otah)
het
מִיֶּדְכֶ֖ם
(miyedkhem)
uit jullie hand
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַתְּלָאָה (mattela’ah), ‘wat een moeite’: letterlijk ‘wat een vermoeidheid’.
Het woord komt verder alleen hier voor.
וְהִפַּחְתֶּם (vehippachtem), ‘en jullie snuiven’: van נָפַח (nafach), ‘blazen’; hier een minachtend blazen. Het Hebreeuws laat open waarop zij snuiven: waarschijnlijk op de tafel of op het offer.
גָּזוּל (gazul), ‘wat geroofd is’: een dier dat door een roofdier is weggerukt of dat gestolen is.
14Vervloekt is de bedrieger die een mannelijk dier in zijn kudde heeft, een gelofte doet en een gebrekkig dier aan de Heer offert. Want Ik ben een grote Koning, zegt Yahweh van de legermachten, en Mijn naam is ontzagwekkend onder de volken.
וְאָר֣וּר
(vearur)
en vervloekt
נוֹכֵ֗ל
(nokhel)
de bedrieger
וְיֵ֤שׁ
(veyesh)
terwijl er is
בְּעֶדְרוֹ֙
(beedro)
in zijn kudde
זָכָ֔ר
(zakhar)
een mannetje
וְנֹדֵ֛ר
(venoder)
en hij doet een gelofte
וְזֹבֵ֥חַ
(vezoveach)
en offert
מָשְׁחָ֖ת
(mashechat)
iets gebrekkigs
לַֽאדֹנָ֑י
(ladonay)
aan de Heer
כִּי֩
(ki)
want
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
een koning
גָּד֜וֹל
(gadol)
groot
אָ֗נִי
(ani)
Ik ben
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וּשְׁמִ֖י
(ushemi)
en Mijn naam
נוֹרָ֥א
(nora)
ontzagwekkend
בַגּוֹיִֽם
(bagoyim)
onder de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נוֹכֵל (nokhel), ‘bedrieger’: iemand die bedrog pleegt, hier door een gelofte te doen met een goed dier en dan een slecht dier te brengen.