Elohim Bijbel

Markus 16

12345678910111213141516

Het lege graf, de verschijningen en de zendingsopdracht

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het lege graf

1Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus, en Salomé welriekende specerijen om Hem te gaan zalven.
Καὶ
(Kai)
en
διαγενομένου
(diagenomenou)
voorbij zijnde
τοῦ
(tou)
de
σαββάτου
(sabbatou)
sabbat
Μαρία
(Maria)
Maria
ἡ
(he)
de
Μαγδαληνὴ
(Magdalene)
Magdalena
καὶ
(kai)
en
Μαρία
(Maria)
Maria
ἡ
(he)
de
τοῦ
(tou)
van de
Ἰακώβου
(Iakobou)
Jakobus
καὶ
(kai)
en
Σαλώμη
(Salome)
Salomé
ἠγόρασαν
(egorasan)
kochten
ἀρώματα
(aromata)
specerijen
ἵνα
(hina)
opdat
ἐλθοῦσαι
(elthousai)
gekomen
ἀλείψωσιν
(aleipsosin)
zij zouden zalven
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

σάββατον (sabbaton), ‘sabbat’. ἄρωμα (aroma), ‘specerij’: welriekende kruiden en oliën.

Het Grieks heeft ‘Maria van Jakobus’; wij vullen ‘de moeder’ aan, zoals in 15:40.

Zie ook Matt. 28:1; Luc. 23:56–24:1; Joh. 20:1.

2Heel vroeg op de eerste dag van de week kwamen zij bij het graf, toen de zon opgekomen was.
καὶ
(kai)
en
λίαν
(lian)
zeer
πρωῒ
(proi)
vroeg
τῇ
(te)
op de
μιᾷ
(mia)
eerste
τῶν
(ton)
van de
σαββάτων
(sabbaton)
sabbatten
ἔρχονται
(erchontai)
komen
ἐπὶ
(epi)
naar
τὸ
(to)
het
μνημεῖον
(mnemeion)
graf
ἀνατείλαντος
(anateilantos)
opgekomen zijnde
τοῦ
(tou)
de
ἡλίου
(heliou)
zon
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Graf van Jozef van Arimatea (ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging.

De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk.

Dit is niet zeker.

Uitleg

τῇ μιᾷ τῶν σαββάτων (te mia ton sabbaton), ‘de eerste dag van de week’: letterlijk ‘op de ene van de sabbatten’, de dag na de sabbat.

3Zij zeiden tegen elkaar: „Wie rolt voor ons de steen weg van de ingang van het graf?”
καὶ
(kai)
en
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
πρὸς
(pros)
tot
ἑαυτάς
(heautas)
zichzelf
Τίς
(Tis)
wie
ἀποκυλίσει
(apokylisei)
zal wegrollen
ἡμῖν
(hemin)
voor ons
τὸν
(ton)
de
λίθον
(lithon)
steen
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
θύρας
(thyras)
deur
τοῦ
(tou)
van het
μνημείου
(mnemeiou)
graf
Bron: SBLGNT
4Toen zij opkeken, zagen zij dat de steen weggerold was. Hij was namelijk zeer groot.
καὶ
(kai)
en
ἀναβλέψασαι
(anablepsasai)
opkijkend
θεωροῦσιν
(theorousin)
zien
ὅτι
(hoti)
dat
ἀποκεκύλισται
(apokekylistai)
is weggerold
ὁ
(ho)
de
λίθος
(lithos)
steen
ἦν
(en)
was
γὰρ
(gar)
want
μέγας
(megas)
groot
σφόδρα
(sphodra)
zeer
Bron: SBLGNT
5Zij gingen het graf in en zagen aan de rechterkant een jongeman zitten, gekleed in een wit gewaad, en zij werden ontzet.
καὶ
(kai)
en
εἰσελθοῦσαι
(eiselthousai)
binnengaand
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
het
μνημεῖον
(mnemeion)
graf
εἶδον
(eidon)
zagen
νεανίσκον
(neaniskon)
jongeman
καθήμενον
(kathemenon)
zittend
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
δεξιοῖς
(dexiois)
rechterkant
περιβεβλημένον
(peribeblemenon)
gekleed
στολὴν
(stolen)
gewaad
λευκήν
(leuken)
wit
καὶ
(kai)
en
ἐξεθαμβήθησαν
(exethambethesan)
werden ontzet
Bron: SBLGNT
Uitleg

νεανίσκος (neaniskos), ‘jongeman’: Markus noemt hem geen engel en zegt niet wie hij is.

Zijn woorden staan daarom niet rood.

6Maar hij zei tegen hen: „Wees niet ontzet. Jullie zoeken Yeshua de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgewekt. Hij is hier niet. Zie, de plaats waar zij Hem hebben neergelegd.
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
maar
λέγει
(legei)
zegt
αὐταῖς
(autais)
tot hen
Μὴ
(Me)
niet
ἐκθαμβεῖσθε
(ekthambeisthe)
wees ontzet
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ζητεῖτε
(zeteite)
zoeken jullie
τὸν
(ton)
de
Ναζαρηνὸν
(Nazarenon)
Nazarener
τὸν
(ton)
de
ἐσταυρωμένον
(estauromenon)
gekruisigde
ἠγέρθη
(egerthe)
is opgewekt
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ὧδε
(hode)
hier
ἴδε
(ide)
zie
ὁ
(ho)
de
τόπος
(topos)
plaats
ὅπου
(hopou)
waar
ἔθηκαν
(ethekan)
legden
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ναζαρηνός (Nazarenos), ‘Nazarener’: uit Nazaret. ἠγέρθη (egerthe), ‘is opgewekt’: letterlijk ‘werd opgewekt’.

Zie ook Matt. 28:5–7; Luc. 24:4–8.

7Maar ga en zeg tegen Zijn leerlingen en tegen Petrus: ‘Hij gaat jullie voor naar Galilea. Daar zullen jullie Hem zien, zoals Hij jullie gezegd heeft.’”
ἀλλὰ
(alla)
maar
ὑπάγετε
(hypagete)
ga
εἴπατε
(eipate)
zeg
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
aan de
Πέτρῳ
(Petro)
Petrus
ὅτι
(hoti)
dat
Προάγει
(Proagei)
gaat voor
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
Γαλιλαίαν
(Galilaian)
Galilea
ἐκεῖ
(ekei)
daar
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὄψεσθε
(opsesthe)
zullen zien
καθὼς
(kathos)
zoals
εἶπεν
(eipen)
zei
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

Zie ook Mark. 14:28.

Zie ookMar 14:28
8Zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want beving en ontzetting hadden hen overmand. Zij zeiden tegen niemand iets, want zij waren bang. Maar alles wat hun was opgedragen, meldden zij in het kort aan hen die bij Petrus waren. Daarna zond Yeshua zelf, van het oosten tot het westen, door hen de heilige en onvergankelijke verkondiging van de eeuwige redding uit. Amen.
καὶ
(kai)
en
ἐξελθοῦσαι
(exelthousai)
naar buiten gegaan
ἔφυγον
(ephygon)
vluchtten
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
het
μνημείου
(mnemeiou)
graf
εἶχεν
(eichen)
had
γὰρ
(gar)
want
αὐτὰς
(autas)
hen
τρόμος
(tromos)
beving
καὶ
(kai)
en
ἔκστασις
(ekstasis)
ontzetting
καὶ
(kai)
en
οὐδενὶ
(oudeni)
tegen niemand
οὐδὲν
(ouden)
niets
εἶπαν
(eipan)
zeiden
ἐφοβοῦντο
(ephobounto)
waren bang
γάρ
(gar)
want
Πάντα
(Panta)
alles
δὲ
(de)
maar
τὰ
(ta)
de
παρηγγελμένα
(parengelmena)
opgedragen dingen
τοῖς
(tois)
aan de
περὶ
(peri)
rond
τὸν
(ton)
de
Πέτρον
(Petron)
Petrus
συντόμως
(syntomos)
in het kort
ἐξήγγειλαν
(exengeilan)
meldden
μετὰ
(meta)
na
δὲ
(de)
maar
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
zelf
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἀπὸ
(apo)
van
ἀνατολῆς
(anatoles)
oosten
καὶ
(kai)
en
ἄχρι
(achri)
tot
δύσεως
(dyseos)
westen
ἐξαπέστειλεν
(exapesteilen)
zond uit
δι’
(di’)
door
αὐτῶν
(auton)
hen
τὸ
(to)
de
ἱερὸν
(hieron)
heilige
καὶ
(kai)
en
ἄφθαρτον
(aphtharton)
onvergankelijke
κήρυγμα
(kerygma)
verkondiging
τῆς
(tes)
van de
αἰωνίου
(aioniou)
eeuwige
σωτηρίας
(soterias)
redding
ἀμήν
(amen)
amen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vanaf ‘Maar alles wat hun was opgedragen’ staat een slot dat in de oudste handschriften ontbreekt; de SBLGNT neemt het tussen dubbele haken op.

Dit korte slot staat in de SBLGNT binnen vers 8.

Daarna volgt een tweede, langer slot in 16:9–20.

σωτηρία (soteria), ‘redding’; κήρυγμα (kerygma), ‘verkondiging’.

De verschijningen van de opgestane Yeshua

9Nadat Hij vroeg op de eerste dag van de week was opgestaan, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit wie Hij 7 demonen had uitgedreven.
Ἀναστὰς
(Anastas)
opgestaan zijnde
δὲ
(de)
maar
πρωῒ
(proi)
vroeg
πρώτῃ
(prote)
eerste
σαββάτου
(sabbatou)
van de sabbat
ἐφάνη
(ephane)
verscheen
πρῶτον
(proton)
eerst
Μαρίᾳ
(Maria)
aan Maria
τῇ
(te)
de
Μαγδαληνῇ
(Magdalene)
Magdalena
παρ’
(par’)
uit
ἧς
(hes)
wie
ἐκβεβλήκει
(ekbeblekei)
had uitgedreven
ἑπτὰ
(hepta)
7
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vanaf hier staat een slot dat in de oudste handschriften ontbreekt; de SBLGNT neemt het tussen dubbele haken op.

Het Grieks heeft ἐφάνη (ephane), ‘verscheen’; in 16:12 en 16:14 staat ἐφανερώθη (ephanerothe), ‘liet Zich zien’.

Zie ook Joh. 20:11–18.

10Zij ging en vertelde het aan hen die bij Hem geweest waren, terwijl zij treurden en huilden.
ἐκείνη
(ekeine)
zij
πορευθεῖσα
(poreutheisa)
gegaan
ἀπήγγειλεν
(apengeilen)
meldde
τοῖς
(tois)
aan de
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
Hem
γενομένοις
(genomenois)
geweest zijnden
πενθοῦσι
(penthousi)
treurend
καὶ
(kai)
en
κλαίουσιν
(klaiousin)
huilend
Bron: SBLGNT
11Toen zij hoorden dat Hij leeft en door haar gezien was, geloofden zij het niet.
κἀκεῖνοι
(kakeinoi)
en zij
ἀκούσαντες
(akousantes)
horend
ὅτι
(hoti)
dat
ζῇ
(ze)
leeft
καὶ
(kai)
en
ἐθεάθη
(etheathe)
werd gezien
ὑπ’
(hyp’)
door
αὐτῆς
(autes)
haar
ἠπίστησαν
(epistesan)
geloofden niet
Bron: SBLGNT
12Daarna liet Hij Zich in een andere gedaante zien aan twee van hen, terwijl zij wandelden op weg naar het veld.
Μετὰ
(Meta)
na
δὲ
(de)
maar
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
δυσὶν
(dysin)
aan twee
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
περιπατοῦσιν
(peripatousin)
wandelend
ἐφανερώθη
(ephanerothe)
liet zich zien
ἐν
(en)
in
ἑτέρᾳ
(hetera)
andere
μορφῇ
(morphe)
gedaante
πορευομένοις
(poreuomenois)
gaande
εἰς
(eis)
naar
ἀγρόν
(agron)
veld
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀγρός (agros), ‘veld’: het open land buiten de stad.

Zie ook Luc. 24:13–35.

13Zij gingen terug en vertelden het aan de anderen, maar ook hen geloofden zij niet.
κἀκεῖνοι
(kakeinoi)
en zij
ἀπελθόντες
(apelthontes)
weggegaan
ἀπήγγειλαν
(apengeilan)
meldden
τοῖς
(tois)
aan de
λοιποῖς
(loipois)
overigen
οὐδὲ
(oude)
ook niet
ἐκείνοις
(ekeinois)
aan hen
ἐπίστευσαν
(episteusan)
geloofden
Bron: SBLGNT
14Later liet Hij Zich zien aan de elf, terwijl zij aan tafel zaten. Hij verweet hen hun ongeloof en hardheid van hart, omdat zij hen die Hem als opgewekte hadden gezien niet geloofd hadden.
Ὕστερον
(Hysteron)
later
δὲ
(de)
maar
ἀνακειμένοις
(anakeimenois)
aan tafel liggend
αὐτοῖς
(autois)
zij
τοῖς
(tois)
de
ἕνδεκα
(hendeka)
elf
ἐφανερώθη
(ephanerothe)
liet zich zien
καὶ
(kai)
en
ὠνείδισεν
(oneidisen)
verweet
τὴν
(ten)
het
ἀπιστίαν
(apistian)
ongeloof
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
σκληροκαρδίαν
(sklerokardian)
hardheid van hart
ὅτι
(hoti)
omdat
τοῖς
(tois)
aan de
θεασαμένοις
(theasamenois)
gezien hebbenden
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐγηγερμένον
(egegermenon)
opgewekt
οὐκ
(ouk)
niet
ἐπίστευσαν
(episteusan)
geloofden
Bron: SBLGNT
Uitleg

οἱ ἕνδεκα (hoi hendeka), ‘de elf’: de twaalf (14:10) zonder Judas.

Zie ook Luc. 24:36–43; Joh. 20:19–23.

De zendingsopdracht

15Hij zei tegen hen: „Ga de hele wereld in en verkondig de goede boodschap aan heel de schepping.
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Πορευθέντες
(Poreuthentes)
gegaan zijnde
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
ἅπαντα
(hapanta)
hele
κηρύξατε
(keryxate)
verkondig
τὸ
(to)
de
εὐαγγέλιον
(euangelion)
goede boodschap
πάσῃ
(pase)
aan hele
τῇ
(te)
de
κτίσει
(ktisei)
schepping
Bron: SBLGNT
Uitleg

κτίσις (ktisis), ‘schepping’: alles wat geschapen is.

Zie ook Matt. 28:18–20.

16Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden. Wie niet gelooft, zal veroordeeld worden.
ὁ
(ho)
die
πιστεύσας
(pisteusas)
gelovend
καὶ
(kai)
en
βαπτισθεὶς
(baptistheis)
gedoopt
σωθήσεται
(sothesetai)
zal gered worden
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
ἀπιστήσας
(apistesas)
ongelovig zijnde
κατακριθήσεται
(katakrithesetai)
zal veroordeeld worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’: onderdompelen met water.

17Deze tekenen zullen volgen op hen die geloven: in Mijn naam zullen zij demonen uitdrijven en in nieuwe talen spreken.
σημεῖα
(semeia)
tekenen
δὲ
(de)
maar
τοῖς
(tois)
aan de
πιστεύσασιν
(pisteusasin)
gelovenden
ταῦτα
(tauta)
deze
παρακολουθήσει
(parakolouthesei)
zullen volgen
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ὀνόματί
(onomati)
naam
μου
(mou)
Mijn
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
ἐκβαλοῦσιν
(ekbalousin)
zullen uitdrijven
γλώσσαις
(glossais)
met talen
λαλήσουσιν
(lalesousin)
zullen spreken
καιναῖς
(kainais)
nieuwe
Bron: SBLGNT
Uitleg

γλῶσσα (glossa), ‘tong’: ook ‘taal’. καινός (kainos), ‘nieuw’.

Zie ook Hand. 2:4.

Zie ookHand 2:4
18Zij zullen slangen oppakken, en als zij iets dodelijks drinken, zal dat hen beslist niet schaden. Zij zullen de handen op zieken leggen, en die zullen beter worden.”
ὄφεις
(opheis)
slangen
ἀροῦσιν
(arousin)
zullen oppakken
κἂν
(kan)
en als
θανάσιμόν
(thanasimon)
dodelijks
τι
(ti)
iets
πίωσιν
(piosin)
zij drinken
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
zeker
αὐτοὺς
(autous)
hen
βλάψῃ
(blapse)
zal schaden
ἐπὶ
(epi)
op
ἀρρώστους
(arrostous)
zieken
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἐπιθήσουσιν
(epithesousin)
zullen leggen
καὶ
(kai)
en
καλῶς
(kalos)
goed
ἕξουσιν
(hexousin)
zullen hebben
Bron: SBLGNT
Uitleg

καλῶς ἕξουσιν (kalos hexousin), ‘zullen beter worden’: letterlijk ‘zullen het goed hebben’.

De hemelvaart

19De Heer Yeshua dan werd, nadat Hij met hen gesproken had, opgenomen in de hemel. Hij ging zitten aan de rechterhand van Elohim.
Ὁ
(Ho)
de
μὲν
(men)
enerzijds
οὖν
(oun)
dus
κύριος
(kyrios)
Heer
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
μετὰ
(meta)
na
τὸ
(to)
het
λαλῆσαι
(lalesai)
spreken
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ἀνελήμφθη
(anelemphthe)
werd opgenomen
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
οὐρανὸν
(ouranon)
hemel
καὶ
(kai)
en
ἐκάθισεν
(ekathisen)
ging zitten
ἐκ
(ek)
aan
δεξιῶν
(dexion)
rechterhand
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριος (kyrios), ‘Heer’: hier de verteltitel voor de opgestane Yeshua. ἀναλαμβάνω (analambano), ‘opnemen’.

‘Zitten aan de rechterhand’ komt uit Ps. 110:1.

Zie ook Luc. 24:50–53; Hand. 1:9–11.

20Zij gingen uit en verkondigden overal, terwijl de Heer met hen meewerkte en het woord bevestigde door de tekenen die erop volgden.
ἐκεῖνοι
(ekeinoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἐξελθόντες
(exelthontes)
uitgegaan
ἐκήρυξαν
(ekeryxan)
verkondigden
πανταχοῦ
(pantachou)
overal
τοῦ
(tou)
de
κυρίου
(kyriou)
Heer
συνεργοῦντος
(synergountos)
meewerkend
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
βεβαιοῦντος
(bebaiountos)
bevestigend
διὰ
(dia)
door
τῶν
(ton)
de
ἐπακολουθούντων
(epakolouthounton)
volgende
σημείων
(semeion)
tekenen
Bron: SBLGNT