Elohim Bijbel

2 Kronieken 14

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Asa en de overwinning op Zerach

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Asa zuivert het land

1Asa deed wat goed en juist was in de ogen van Yahweh, zijn Elohim.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
אָסָא֙
(asa)
Asa
הַטּ֣וֹב
(hatov)
het goede
וְהַיָּשָׁ֔ר
(vehayashar)
en het juiste
בְּעֵינֵ֖י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָֽיו
(elohav)
zijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is Hebr. 14:1.

In de Nederlandse telling is dit 14:2: het laatste vers van Hebr. hoofdstuk 13 is NL 14:1, en Hebr. 14:1–14 is NL 14:2–15.

Dit vers komt overeen met 1 Kon. 15:11. In Koningen staat alleen ‘wat juist was’; hier staat ‘wat goed en juist was’.

2Hij verwijderde de vreemde altaren en de hoogten. Hij brak de gewijde stenen stuk en hieuw de heilige palen om.
וַיָּ֛סַר
(vayasar)
en hij verwijderde
אֶת
(et)
(obj.)
מִזְבְּח֥וֹת
(mizbechot)
altaren van
הַנֵּכָ֖ר
(hanekhar)
de vreemde
וְהַבָּמ֑וֹת
(vehabamot)
en de hoogten
וַיְשַׁבֵּר֙
(vayshaber)
en hij brak stuk
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּצֵּב֔וֹת
(hamatsevot)
de gewijde stenen
וַיְגַדַּ֖ע
(vaygada)
en hij hieuw om
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲשֵׁרִֽים
(haasherim)
de heilige palen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels.

מַצֵּבוֹת (matstsevot), ‘gewijde stenen’: rechtopstaande stenen bij heiligdommen, zie Deut. 7:5 en 12:3.

אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: houten palen bij de hoogten, zie Richt. 6:25.

מִזְבְּחוֹת הַנֵּכָר (mizbechot hannekhar), ‘de vreemde altaren’: letterlijk ‘de altaren van het vreemde’, dat wil zeggen van vreemde goden.

Dit vers staat niet in Koningen; 1 Kon. 15:12–13 noemt andere hervormingen van Asa.

3Hij zei tegen Juda dat zij Yahweh, de Elohim van hun vaderen, moesten zoeken en de wet en het gebod moesten uitvoeren.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
לִֽיהוּדָ֔ה
(lihuda)
tot Juda
לִדְר֕וֹשׁ
(lidrosh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶ֑ם
(avoteihem)
hun vaderen
וְלַעֲשׂ֖וֹת
(velaasot)
en om uit te voeren
הַתּוֹרָ֥ה
(hatora)
de wet
וְהַמִּצְוָֽה
(vehamitsva)
en het gebod
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: ook ‘onderricht’.

הַמִּצְוָה (hammitswah), ‘het gebod’: het Hebreeuws heeft hier een enkelvoud.

לַעֲשׂוֹת (la’asot), ‘uitvoeren’: letterlijk ‘doen’.

4Hij verwijderde uit alle steden van Juda de hoogten en de wierookaltaren. Het koninkrijk had rust onder hem.
וַיָּ֨סַר֙
(vayasar)
en hij verwijderde
מִכָּל
(mikal)
uit alle
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּמ֖וֹת
(habamot)
de hoogten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַֽחַמָּנִ֑ים
(hachamanim)
de wierookaltaren
וַתִּשְׁקֹ֥ט
(vatishqot)
en had rust
הַמַּמְלָכָ֖ה
(hamamlakha)
het koninkrijk
לְפָנָֽיו
(lefanav)
onder hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַמָּנִים (chammanim), ‘wierookaltaren’: de betekenis van het woord is niet helemaal zeker.

Zie ook Lev. 26:30.

In 1 Kon. 15:14 staat dat de hoogten niet verdwenen. Hier verwijdert Asa ze uit de steden van Juda (vers 2 en 4). Wij laten beide zoals ze staan.

Asa bouwt vestingsteden

5Hij bouwde vestingsteden in Juda, want het land had rust. In die jaren was er geen oorlog tegen hem, want Yahweh had hem rust gegeven.
וַיִּ֛בֶן
(vayiven)
en hij bouwde
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
מְצוּרָ֖ה
(metsura)
vesting
בִּיהוּדָ֑ה
(bihuda)
in Juda
כִּֽי
(ki)
want
שָׁקְטָ֣ה
(shaqeta)
had rust
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
וְאֵין
(veein)
en niet was er
עִמּ֤וֹ
(imo)
bij hem
מִלְחָמָה֙
(milchama)
oorlog
בַּשָּׁנִ֣ים
(bashanim)
in jaren
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
כִּֽי
(ki)
want
הֵנִ֥יחַ
(heniach)
gaf rust
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֽוֹ
(lo)
aan hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרֵי מְצוּרָה (arei metsurah), ‘vestingsteden’: zie 11:5.

הֵנִיחַ (heni’ach), ‘rust geven’: Yahweh zelf geeft rust. Vergelijk 13:23: ‘het land had rust’.

6Hij zei tegen Juda: „Laten wij deze steden bouwen. Laten wij er muren omheen zetten, met torens, deuren en grendels, zolang het land nog voor ons ligt. Want wij hebben Yahweh, onze Elohim, gezocht. Wij hebben Hem gezocht, en Hij heeft ons rondom rust gegeven.” Zo bouwden zij, en het lukte hun.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לִֽיהוּדָ֜ה
(lihuda)
tot Juda
נִבְנֶ֣ה
(nivne)
laten wij bouwen
אֶת
(et)
(obj.)
הֶעָרִ֣ים
(hearim)
de steden
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
deze
וְנָסֵ֨ב
(venasev)
en laten wij omringen
חוֹמָ֣ה
(choma)
muur
וּמִגְדָּלִים֮
(umigdalim)
en torens
דְּלָתַ֣יִם
(delatayim)
deuren
וּבְרִיחִים֒
(uverichim)
en grendels
עוֹדֶ֨נּוּ
(odenu)
nog
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
לְפָנֵ֗ינוּ
(lefaneinu)
voor ons
כִּ֤י
(ki)
want
דָרַ֨שְׁנוּ֙
(darashnu)
wij hebben gezocht
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
דָּרַ֕שְׁנוּ
(darashnu)
wij hebben gezocht
וַיָּ֥נַֽח
(vayanach)
en Hij gaf rust
לָ֖נוּ
(lanu)
aan ons
מִסָּבִ֑יב
(misaviv)
rondom
וַיִּבְנ֖וּ
(vayivnu)
en zij bouwden
וַיַּצְלִֽיחוּ
(vayatslichu)
en het lukte hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּלָתַיִם (delatayim), ‘deuren’: de dubbele deuren of poorten.

בְּרִיחִים (berichim), ‘grendels’: balken om de poort te sluiten.

עוֹדֶנּוּ הָאָרֶץ לְפָנֵינוּ (odennu ha’arets lefaneinu), ‘het land is nog voor ons’: het land is nog open voor ons; er is nog geen vijand. Dit is de tijd om te bouwen.

Het leger van Asa

7Asa had een leger dat een groot schild en een speer droeg: 300.000 man uit Juda. Uit Benjamin had hij 280.000 man die een klein schild droegen en de boog spanden. Zij allen waren dappere krijgers.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
לְאָסָ֗א
(leasa)
aan Asa
חַיִל֮
(chayil)
leger
נֹשֵׂ֣א
(nose)
dragend
צִנָּ֣ה
(tsina)
groot schild
וָרֹמַח֒
(varomach)
en speer
מִֽיהוּדָה֙
(mihuda)
uit Juda
שְׁלֹ֣שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
וּמִבִּנְיָמִ֗ן
(umibinyamin)
en uit Benjamin
נֹשְׂאֵ֤י
(noseei)
dragers van
מָגֵן֙
(magen)
klein schild
וְדֹ֣רְכֵי
(vedorekhei)
en spanners van
קֶ֔שֶׁת
(qeshet)
boog
מָאתַ֥יִם
(matayim)
tweehonderd
וּשְׁמוֹנִ֖ים
(ushemonim)
en tachtig
אָ֑לֶף
(alef)
duizend
כָּל
(kal)
al
אֵ֖לֶּה
(ele)
dezen
גִּבּ֥וֹרֵי
(giborei)
helden van
חָֽיִל
(chayil)
kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.

Uitleg

צִנָּה (tsinnah), ‘groot schild’, en מָגֵן (magen), ‘klein schild’: zie 1 Kon. 10:16–17 en 2 Kron. 11:12.

De mannen van Juda dragen het grote schild en een speer, die van Benjamin het kleine schild en de boog.

דֹּרְכֵי קֶשֶׁת (dorekhei qeshet), ‘boogspanners’: boogschutters.

גִּבּוֹרֵי חַיִל (gibborei chayil), ‘dappere krijgers’.

Zerach, de Kushiet, trekt op

8Zerach, de Kushiet, trok tegen hen op met een leger van 1.000.000 man en 300 strijdwagens. Hij kwam tot Maresa.
וַיֵּצֵ֨א
(vayetse)
en hij trok uit
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tegen hen
זֶ֣רַח
(zerach)
Zerach
הַכּוּשִׁ֗י
(hakushi)
de Kushiet
בְּחַ֨יִל֙
(bechayil)
met een leger van
אֶ֣לֶף
(elef)
duizend
אֲלָפִ֔ים
(alafim)
duizenden
וּמַרְכָּב֖וֹת
(umarkavot)
en strijdwagens
שְׁלֹ֣שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֑וֹת
(meot)
honderd
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij kwam
עַד
(ad)
tot
מָרֵשָֽׁה
(maresha)
Maresa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Maresa ligt bij Tel Maresja, naast Bet-Gubrin, ongeveer 40 km ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël).

Dat is waarschijnlijk.

Zie ook 11:8.

Uitleg

אֶלֶף אֲלָפִים (elef alafim), ‘duizend duizenden’: dat is 1.000.000.

Het Hebreeuws noemt geen eenheid; ‘man’ vullen wij aan.

Wij vertalen het getal letterlijk.

זֶרַח הַכּוּשִׁי (Zerach hakkushi), ‘Zerach, de Kushiet’: Kush ligt ten zuiden van Egypte. Wie Zerach was, is onzeker. Het Hebreeuws noemt hem geen koning.

9Asa trok hem tegemoet. Zij stelden zich in slagorde op in het dal Zefata, bij Maresa.
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en hij trok uit
אָסָ֖א
(asa)
Asa
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
tegemoet hem
וַיַּֽעַרְכוּ֙
(vayaarkhu)
en zij stelden op
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
slagorde
בְּגֵ֥יא
(begei)
in het dal van
צְפַ֖תָה
(tsefata)
Zefata
לְמָרֵשָֽׁה
(lemaresha)
bij Maresa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het dal Zefata (צְפָתָה, Tsefatah) bij Maresa: de ligging is onzeker.

Het ligt waarschijnlijk in de vlakte ten zuiden of ten westen van Tel Maresja (Israël).

Zie Dal Zefata (ligging onzeker): Het dal Zefata lag bij Maresa, waarschijnlijk in de vlakte ten zuiden of ten westen van Tel Maresja.

De precieze plaats is niet bekend.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen deze plaatsaanduiding anders.

Wij volgen de Masoretische tekst en schrijven de naam van het dal als ‘Zefata’.

Het gebed van Asa

10Asa riep tot Yahweh, zijn Elohim. Hij zei: „Yahweh, voor U maakt het geen verschil om te helpen, tussen wie machtig is en wie geen kracht heeft. Help ons, Yahweh, onze Elohim. Want wij steunen op U, en in Uw naam zijn wij gekomen tegen deze menigte. Yahweh, onze Elohim, U bent het: laat geen sterfelijk mens tegen U standhouden.”
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij riep
אָסָ֜א
(asa)
Asa
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָיו֮
(elohav)
zijn Elohim
וַיֹּאמַר֒
(vayomar)
en hij zei
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵֽין
(ein)
niet is
עִמְּךָ֤
(imekha)
bij U
לַעְזוֹר֙
(lazor)
om te helpen
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
רַב֙
(rav)
machtig
לְאֵ֣ין
(leein)
en wie geen
כֹּ֔חַ
(koach)
kracht
עָזְרֵ֜נוּ
(azerenu)
help ons
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
כִּֽי
(ki)
want
עָלֶ֣יךָ
(aleikha)
op U
נִשְׁעַ֔נּוּ
(nishanu)
wij steunen
וּבְשִׁמְךָ֣
(uveshimkha)
en in Uw naam
בָ֔אנוּ
(banu)
wij zijn gekomen
עַל
(al)
tegen
הֶהָמ֖וֹן
(hehamon)
de menigte
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
אַ֔תָּה
(ata)
U
אַל
(al)
laat niet
יַעְצֹ֥ר
(yatsor)
standhouden
עִמְּךָ֖
(imekha)
tegen U
אֱנֽוֹשׁ
(enosh)
sterfelijk mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit gebed is proza met een gebedsformule.

Wij verdelen het niet in regels.

אַתָּה (attah), ‘U’: het voornaamwoord staat apart en nadrukkelijk. אֱנוֹשׁ (enosh), ‘sterfelijk mens’: de mens in zijn zwakheid.

נִשְׁעַנּוּ (nish’anu), ‘wij steunen’: letterlijk ‘wij leunen’. Zie ook 13:18.

Lezing

Het Hebreeuws is kort en moeilijk: ‘niet is bij U om te helpen tussen veel en zonder kracht’.

Wij lezen: voor Yahweh maakt het geen verschil of Hij een machtige of een krachteloze helpt.

Een andere lezing is: ‘niemand dan U kan helpen, tussen de machtige en de krachteloze’.

Yahweh slaat de Kushieten

11Yahweh sloeg de Kushieten voor Asa en voor Juda. De Kushieten vluchtten.
וַיִּגֹּ֤ף
(vayigof)
en Hij sloeg
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַכּוּשִׁ֔ים
(hakushim)
de Kushieten
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
אָסָ֖א
(asa)
Asa
וְלִפְנֵ֣י
(velifnei)
en voor
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיָּנֻ֖סוּ
(vayanusu)
en zij vluchtten
הַכּוּשִֽׁים
(hakushim)
de Kushieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָגַף (nagaf), ‘slaan’: Yahweh zelf slaat de vijand; zie ook 13:15.

12Asa en het volk dat met hem was, achtervolgden hen tot Gerar. De Kushieten vielen, zodat er voor hen geen herstel meer was. Want zij werden verpletterd voor het aangezicht van Yahweh en voor Zijn leger. Zij droegen zeer veel buit weg.
וַיִּרְדְּפֵ֨ם
(vayirdefem)
en hij achtervolgde hen
אָסָ֜א
(asa)
Asa
וְהָעָ֣ם
(vehaam)
en het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עִמּוֹ֮
(imo)
met hem
עַד
(ad)
tot
לִגְרָר֒
(ligrar)
Gerar
וַיִּפֹּ֤ל
(vayipol)
en er viel
מִכּוּשִׁים֙
(mikushim)
van de Kushieten
לְאֵ֣ין
(leein)
zodat niet is
לָהֶ֣ם
(lahem)
voor hen
מִֽחְיָ֔ה
(michya)
herstel
כִּֽי
(ki)
want
נִשְׁבְּר֥וּ
(nishberu)
zij werden verpletterd
לִפְנֵֽי
(lifnei)
voor
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלִפְנֵ֣י
(velifnei)
en voor
מַחֲנֵ֑הוּ
(machanehu)
Zijn leger
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en zij droegen weg
שָׁלָ֖ל
(shalal)
buit
הַרְבֵּ֥ה
(harbe)
veel
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gerar ligt in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza.

Dat is waarschijnlijk.

Uitleg

מִחְיָה (michyah), ‘herstel’: letterlijk ‘levensonderhoud’ of ‘het in leven blijven’.

Er bleef niemand over die de strijd kon voortzetten.

מַחֲנֵהוּ (machanehu), ‘Zijn leger’: letterlijk ‘zijn kamp’. Het kan Yahweh zijn, of Asa. Wij lezen: het leger van Yahweh, omdat Yahweh de vijand slaat (vers 11).

13Zij sloegen alle steden rondom Gerar, want de schrik van Yahweh was over hen gekomen. Zij plunderden al die steden, want er was veel buit in.
וַיַּכּ֗וּ
(vayaku)
en zij sloegen
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הֶֽעָרִים֙
(hearim)
de steden
סְבִיב֣וֹת
(sevivot)
rondom
גְּרָ֔ר
(gerar)
Gerar
כִּי
(ki)
want
הָיָ֥ה
(haya)
was
פַֽחַד
(pachad)
schrik van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
over hen
וַיָּבֹ֨זּוּ֙
(vayavozu)
en zij plunderden
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הֶ֣עָרִ֔ים
(hearim)
de steden
כִּֽי
(ki)
want
בִזָּ֥ה
(biza)
plundering
רַבָּ֖ה
(raba)
groot
הָיְתָ֥ה
(hayeta)
was
בָהֶֽם
(bahem)
in hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza.

Uitleg

פַּחַד יְהוָה (pachad Yahweh), ‘de schrik van Yahweh’: een schrik die Yahweh zelf over mensen brengt.

Zie ook Gen. 35:5.

14Ook de tenten van het vee sloegen zij neer. Zij voerden kleinvee weg in grote aantallen, en kamelen. Daarna keerden zij terug naar Jeruzalem.
וְגַם
(vegam)
en ook
אָהֳלֵ֥י
(aholei)
tenten van
מִקְנֶ֖ה
(miqne)
vee
הִכּ֑וּ
(hiku)
zij sloegen
וַיִּשְׁבּ֨וּ
(vayishbu)
en zij voerden weg
צֹ֤אן
(tson)
kleinvee
לָרֹב֙
(larov)
in menigte
וּגְמַלִּ֔ים
(ugemalim)
en kamelen
וַיָּשֻׁ֖בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אָהֳלֵי מִקְנֶה (aholei miqneh), ‘tenten van het vee’: de tenten van de veehouders.

Het Hebreeuws heeft hier ‘vee’.

וַיִּשְׁבּוּ (wayyishbu), ‘zij voerden weg’: het werkwoord שָׁבָה (shavah) betekent ‘gevangen nemen’ of ‘wegvoeren’. In het laatste woord van dit vers staat וַיָּשֻׁבוּ (wayyashuvu), ‘zij keerden terug’ van שׁוּב (shuv).

Het hoofdstuk eindigt hier met Hebr. 14:14, in de Nederlandse telling 14:15.