Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Samuël zalft Saul
1Samuël nam de oliekruik en goot die over zijn hoofd. Hij kuste hem en zei: „Heeft Yahweh je niet gezalfd tot leider over Zijn erfdeel?
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
שְׁמוּאֵ֜ל
(shemuel)
Samuël
אֶת
(et)
(obj.)
פַּ֥ךְ
(pakh)
de kruik van
הַשֶּׁ֛מֶן
(hashemen)
de olie
וַיִּצֹ֥ק
(vayitsoq)
en hij goot
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֖וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיִּשָּׁקֵ֑הוּ
(vayishaqehu)
en hij kuste hem
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הֲל֗וֹא
(halo)
is het niet
כִּֽי
(ki)
dat
מְשָׁחֲךָ֧
(meshachakha)
heeft je gezalfd
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
נַחֲלָת֖וֹ
(nachalato)
Zijn erfdeel
לְנָגִֽיד
(lenagid)
tot leider
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פַּךְ (pach), ‘kruik’: een klein vat voor olie.
מָשַׁח (mashach), ‘zalven’.
נָגִיד (nagid), ‘leider’, zoals in 1 Sam. 9:16.
Lezing
De Masoretische tekst is hier kort.
Sommige oude vertalingen hebben hier een langere tekst.
2Wanneer je vandaag van mij weggaat, vind je twee mannen bij het graf van Rachel, in het gebied van Benjamin, bij Zelzach. Zij zeggen tegen je: ‘De ezelinnen die je zocht, zijn gevonden. Zie, je vader laat de zaak van de ezelinnen rusten. Hij maakt zich zorgen om jullie en zegt: „Wat moet ik voor mijn zoon doen?”’
בְּלֶכְתְּךָ֤
(belekhtekha)
bij je gaan
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
מֵעִמָּדִ֔י
(meimadi)
van mij
וּמָצָאתָ֩
(umatsata)
en je zult vinden
שְׁנֵ֨י
(shenei)
twee
אֲנָשִׁ֜ים
(anashim)
mannen
עִם
(im)
bij
קְבֻרַ֥ת
(qevurat)
het graf van
רָחֵ֛ל
(rachel)
Rachel
בִּגְב֥וּל
(bigvul)
in het gebied van
בִּנְיָמִ֖ן
(binyamin)
Benjamin
בְּצֶלְצַ֑ח
(betseltsach)
bij Zelzach
וְאָמְר֣וּ
(veameru)
en zij zullen zeggen
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tot je
נִמְצְא֤וּ
(nimtseu)
zijn gevonden
הָאֲתֹנוֹת֙
(haatonot)
de ezelinnen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָלַ֣כְתָּ
(halakhta)
je bent gegaan
לְבַקֵּ֔שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
נָטַ֤שׁ
(natash)
heeft laten rusten
אָבִ֨יךָ֙
(avikha)
je vader
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de zaak van
הָאֲתֹנ֔וֹת
(haatonot)
de ezelinnen
וְדָאַ֤ג
(vedaag)
en hij maakt zich zorgen
לָכֶם֙
(lakhem)
om jullie
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
מָ֥ה
(ma)
wat
אֶעֱשֶׂ֖ה
(eese)
zal ik doen
לִבְנִֽי
(livni)
voor mijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het graf van Rachel lag volgens Gen. 35:19–20 langs de weg naar Efrata, dat is Betlehem.
Hier wordt het in het gebied van Benjamin geplaatst.
De ligging is onzeker.
De plaats Zelzach is onbekend.
Zie Graf van Rachel (ligging onzeker): Volgens 1 Samuël 10:2 lag het graf van Rachel in het gebied van Benjamin.
De overlevering plaatst het bij Betlehem.
De precieze plaats is niet zeker.
Uitleg
Het citaat van de vader staat binnen het citaat van de twee mannen, dat weer binnen Samuëls woorden staat.
3Ga vandaar verder, tot je bij de eik van Tabor komt. Daar ontmoeten drie mannen je die naar Elohim opgaan in Betel. De ene draagt drie bokjes, de tweede draagt drie broden en de derde draagt een zak wijn.
וְחָלַפְתָּ֨
(vechalafta)
en je zult doorgaan
מִשָּׁ֜ם
(misham)
vandaar
וָהָ֗לְאָה
(vahalea)
en verder
וּבָ֨אתָ֙
(uvata)
en je zult komen
עַד
(ad)
tot
אֵל֣וֹן
(elon)
de eik van
תָּב֔וֹר
(tavor)
Tabor
וּמְצָא֤וּךָ
(umetsaukha)
en zij zullen je vinden
שָּׁם֙
(sham)
daar
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
עֹלִ֥ים
(olim)
opgaande
אֶל
(el)
naar
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵ֑ל
(el)
El
אֶחָ֞ד
(echad)
de één
נֹשֵׂ֣א
(nose)
draagt
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
גְדָיִ֗ים
(gedayim)
bokjes
וְאֶחָד֙
(veechad)
en de één
נֹשֵׂ֗א
(nose)
draagt
שְׁלֹ֨שֶׁת֙
(sheloshet)
drie
כִּכְּר֣וֹת
(kikerot)
broden van
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
וְאֶחָ֥ד
(veechad)
en de één
נֹשֵׂ֖א
(nose)
draagt
נֵֽבֶל
(nevel)
een zak van
יָֽיִן
(yayin)
wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De eik van Tabor is onbekend.
Het is niet de berg Tabor.
Betel is Beitin, ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).
Zie Eik van Tabor (ligging onzeker): De eik van Tabor stond tussen het graf van Rachel en Betel.
Dit is niet de berg Tabor in Galilea.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
נֵבֶל יַיִן (nevel jayin), ‘zak wijn’: een huid of kruik voor wijn.
5Daarna kom je bij Gibea van Elohim, waar een bezetting van de Filistijnen is. Wanneer je daar de stad binnenkomt, ontmoet je een groep profeten die van de offerhoogte afdaalt. Voor hen uit spelen harp, tamboerijn, fluit en lier. Zij profeteren.
אַ֣חַר
(achar)
daarna
כֵּ֗ן
(ken)
zo
תָּבוֹא֙
(tavo)
je zult komen
גִּבְעַ֣ת
(givat)
de heuvel van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
waar
שָׁ֖ם
(sham)
daar
נְצִבֵ֣י
(netsivei)
de bezettingen van
פְלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וִיהִי֩
(vihi)
en het zal zijn
כְבֹאֲךָ֨
(kevoakha)
als je komt
שָׁ֜ם
(sham)
daar
הָעִ֗יר
(hair)
de stad
וּפָגַעְתָּ֞
(ufagata)
en je zult ontmoeten
חֶ֤בֶל
(chevel)
een groep van
נְבִיאִים֙
(neviim)
profeten
יֹרְדִ֣ים
(yoredim)
afdalende
מֵֽהַבָּמָ֔ה
(mehabama)
van de offerhoogte
וְלִפְנֵיהֶ֞ם
(velifneihem)
en vóór hen
נֵ֤בֶל
(nevel)
een harp
וְתֹף֙
(vetof)
en een tamboerijn
וְחָלִ֣יל
(vechalil)
en een fluit
וְכִנּ֔וֹר
(vekhinor)
en een lier
וְהֵ֖מָּה
(vehema)
en zij
מִֽתְנַבְּאִֽים
(mitnabeim)
profeterende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
גִּבְעַת הָאֱלֹהִים (Gibeat ha-Elohim), ‘Gibea van Elohim’ of ‘de heuvel van Elohim’: de ligging is onzeker.
Het ligt dicht bij Gibea van Saul.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
נְצִיב (netsiv), ‘bezetting’: een Filistijnse wacht of bestuurder.
Vergelijk 1 Sam. 13:3.
De vier instrumenten zijn נֵבֶל (nevel), ‘harp’, תֹּף (tof), ‘tamboerijn’, חָלִיל (chalil), ‘fluit’, en כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’. Wat precies bedoeld wordt, is niet zeker.
הִתְנַבֵּא (hitnabbe), ‘profeteren’: hier in vervoering spreken, bij muziek.
8Ga vóór mij uit naar Gilgal. Zie, ik kom bij je af om brandoffers en vredeoffers te brengen. Zeven dagen moet je wachten, totdat ik bij je kom. Dan laat ik je weten wat je moet doen.”
וְיָרַדְתָּ֣
(veyaradta)
en je zult afdalen
לְפָנַי֮
(lefanay)
vóór mij
הַגִּלְגָּל֒
(hagilgal)
naar Gilgal
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
ik
יֹרֵ֣ד
(yored)
afdalend
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
naar je
לְהַעֲל֣וֹת
(lehaalot)
om op te laten gaan
עֹל֔וֹת
(olot)
brandoffers
לִזְבֹּ֖חַ
(lizboach)
om te slachten
זִבְחֵ֣י
(zivchei)
slachtoffers van
שְׁלָמִ֑ים
(shelamim)
vredeoffers
שִׁבְעַ֨ת
(shivat)
zeven
יָמִ֤ים
(yamim)
dagen
תּוֹחֵל֙
(tochel)
zul je wachten
עַד
(ad)
totdat
בּוֹאִ֣י
(boi)
mijn komen
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
naar je
וְהוֹדַעְתִּ֣י
(vehodati)
en ik zal bekendmaken
לְךָ֔
(lekha)
aan je
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
תַּעֲשֶֽׂה
(taase)
je moet doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gilgal ligt bij Jericho (Westelijke Jordaanoever).
Uitleg
De zeven dagen wachten komen terug in 1 Sam. 13:8.
10Toen zij daar bij de heuvel kwamen, zie, een groep profeten kwam hem tegemoet. De Geest van Elohim kwam met kracht over hem en hij profeteerde in hun midden.
וַיָּבֹ֤אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
שָׁם֙
(sham)
daar
הַגִּבְעָ֔תָה
(hagivata)
naar de heuvel
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
חֶֽבֶל
(chevel)
een groep van
נְבִאִ֖ים
(neviim)
profeten
לִקְרָאת֑וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וַתִּצְלַ֤ח
(vatitslach)
en kwam met kracht
עָלָיו֙
(alav)
over hem
ר֣וּחַ
(ruach)
de Geest van
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
וַיִּתְנַבֵּ֖א
(vayitnabe)
en hij profeteerde
בְּתוֹכָֽם
(betokham)
in hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַגִּבְעָה (haGiv’ah), ‘de heuvel’: mogelijk dezelfde plaats als Gibea van Elohim in vers 5.
11Iedereen die hem van vroeger kende, zag dat hij met de profeten profeteerde. De mensen zeiden tegen elkaar: „Wat is er met de zoon van Kis gebeurd? Is ook Saul onder de profeten?”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כָּל
(kal)
alle
יֽוֹדְעוֹ֙
(yodeo)
die hem kenden
מֵאִתְּמ֣וֹל
(meitemol)
van gisteren
שִׁלְשׁ֔וֹם
(shilshom)
eergisteren
וַיִּרְא֕וּ
(vayiru)
en zij zagen
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
עִם
(im)
met
נְבִאִ֖ים
(neviim)
profeten
נִבָּ֑א
(niba)
hij profeteerde
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zeiden
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
אֶל
(el)
tot
רֵעֵ֗הוּ
(reehu)
zijn naaste
מַה
(ma)
wat
זֶּה֙
(ze)
is dit
הָיָ֣ה
(haya)
geschied
לְבֶן
(leven)
met de zoon van
קִ֔ישׁ
(qish)
Kis
הֲגַ֥ם
(hagam)
ook
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
בַּנְּבִיאִֽים
(baneviim)
onder de profeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Toen hij ophield met profeteren, ging hij naar de offerhoogte.
וַיְכַל֙
(vaykhal)
en hij hield op
מֵֽהִתְנַבּ֔וֹת
(mehitnabot)
met profeteren
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij kwam
הַבָּמָֽה
(habama)
naar de offerhoogte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Saul en zijn oom
14De oom van Saul zei tegen hem en tegen zijn jongen: „Waar zijn jullie heen gegaan?” Saul zei: „De ezelinnen zoeken. Toen wij zagen dat ze er niet waren, zijn wij naar Samuël gegaan.”
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en hij zei
דּ֨וֹד
(dod)
oom van
שָׁא֥וּל
(shaul)
Saul
אֵלָ֛יו
(elav)
tegen hem
וְאֶֽל
(veel)
en tegen
נַעֲר֖וֹ
(naaro)
zijn jongen
אָ֣ן
(an)
waarheen
הֲלַכְתֶּ֑ם
(halakhtem)
zijn jullie gegaan
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְבַקֵּשׁ֙
(levaqesh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אֲתֹנ֔וֹת
(haatonot)
de ezelinnen
וַנִּרְאֶ֣ה
(vanire)
en wij zagen
כִי
(ki)
dat
אַ֔יִן
(ayin)
niet
וַנָּב֖וֹא
(vanavo)
en wij kwamen
אֶל
(el)
tot
שְׁמוּאֵֽל
(shemuel)
Samuël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דּוֹד (dod), ‘oom’: een broer van de vader.
Lezing
‘Saul zei’ in vers 14b is in het Hebreeuws alleen ‘hij zei’.
15De oom van Saul zei: „Vertel mij toch wat Samuël tegen jullie heeft gezegd.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דּ֣וֹד
(dod)
oom van
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
הַגִּֽידָה
(hagida)
vertel
נָּ֣א
(na)
toch
לִ֔י
(li)
mij
מָֽה
(ma)
wat
אָמַ֥ר
(amar)
hij zei
לָכֶ֖ם
(lakhem)
tegen jullie
שְׁמוּאֵֽל
(shemuel)
Samuël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Saul zei tegen zijn oom: „Hij heeft ons duidelijk verteld dat de ezelinnen gevonden waren.” Maar wat Samuël over het koningschap had gezegd, vertelde hij hem niet.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tegen
דּוֹד֔וֹ
(dodo)
zijn oom
הַגֵּ֤ד
(haged)
vertellen
הִגִּיד֙
(higid)
hij heeft verteld
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
כִּ֥י
(ki)
dat
נִמְצְא֖וּ
(nimtseu)
zijn gevonden
הָאֲתֹנ֑וֹת
(haatonot)
de ezelinnen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דְּבַ֤ר
(devar)
de zaak van
הַמְּלוּכָה֙
(hamelukha)
het koningschap
לֹֽא
(lo)
niet
הִגִּ֣יד
(higid)
hij vertelde
ל֔וֹ
(lo)
hem
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
wat
אָמַ֥ר
(amar)
hij had gezegd
שְׁמוּאֵֽל
(shemuel)
Samuël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Hij zei tegen de zonen van Israël: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Ik heb Israël uit Egypte laten optrekken. Ik heb jullie gered uit de hand van Egypte en uit de hand van alle koninkrijken die jullie onderdrukten.’
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tegen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אָנֹכִ֛י
(anokhi)
ik
הֶעֱלֵ֥יתִי
(heeleiti)
heb laten optrekken
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מִמִּצְרָ֑יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וָאַצִּ֤יל
(vaatsil)
en ik heb gered
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וּמִיַּד֙
(umiyad)
en uit de hand van
כָּל
(kal)
alle
הַמַּמְלָכ֔וֹת
(hamamlakhot)
de koninkrijken
הַלֹּחֲצִ֖ים
(halochatsim)
die onderdrukten
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Samuël citeert hier Yahweh.
Omdat een profeet Yahweh aanhaalt, blijven deze woorden zwart en staan ze tussen enkele aanhalingstekens, zoals in Lev. 10:3.
19Maar vandaag hebben jullie jullie Elohim verworpen, Hij die jullie redt uit al jullie rampen en benauwdheden. Jullie zeiden tegen Hem: ‘Nee, stel een koning over ons aan.’ Ga nu voor het aangezicht van Yahweh staan, per stam en per duizendtal.”
וְאַתֶּ֨ם
(veatem)
en jullie
הַיּ֜וֹם
(hayom)
vandaag
מְאַסְתֶּ֣ם
(meastem)
hebben verworpen
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵיכֶ֗ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
ה֣וּא
(hu)
Hij
מוֹשִׁ֣יעַ
(moshia)
redder
לָכֶם֮
(lakhem)
voor jullie
מִכָּל
(mikal)
uit al
רָעוֹתֵיכֶ֣ם
(raoteikhem)
jullie rampen
וְצָרֹֽתֵיכֶם֒
(vetsaroteikhem)
en jullie benauwdheden
וַתֹּ֣אמְרוּ
(vatomru)
en jullie hebben gezegd
ל֔וֹ
(lo)
tegen Hem
כִּי
(ki)
nee
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
een koning
תָּשִׂ֣ים
(tasim)
stel aan
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
over ons
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הִֽתְיַצְּבוּ֙
(hityatsevu)
stel jullie op
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְשִׁבְטֵיכֶ֖ם
(leshivteikhem)
per jullie stammen
וּלְאַלְפֵיכֶֽם
(ulealfeikhem)
en per jullie duizendtallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּי (ki), hier ‘nee, maar’: het volk wees het aanbod van Yahweh af en eiste een koning, zoals in 1 Sam. 8:19.
21Hij liet de stam Benjamin naderen, per familie. De familie Matri werd gegrepen. Daarna werd Saul, de zoon van Kis, gegrepen. Zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden.
וַיַּקְרֵ֞ב
(vayaqrev)
en hij liet naderen
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֤בֶט
(shevet)
de stam
בִּנְיָמִן֙
(binyamin)
Benjamin
לְמִשְׁפְּחֹתָ֔יו
(lemishpechotav)
per zijn families
וַתִּלָּכֵ֖ד
(vatilakhed)
en werd gegrepen
מִשְׁפַּ֣חַת
(mishpachat)
de familie van
הַמַּטְרִ֑י
(hamatri)
de Matri
וַיִּלָּכֵד֙
(vayilakhed)
en werd gegrepen
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
בֶּן
(ben)
zoon van
קִ֔ישׁ
(qish)
Kis
וַיְבַקְשֻׁ֖הוּ
(vayvaqshuhu)
en zij zochten hem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נִמְצָֽא
(nimtsa)
hij werd gevonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘per zijn familie’, enkelvoud.
De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘per zijn families’.
Wij volgen de qere.
22Zij vroegen Yahweh nog eens: „Komt er nog iemand hierheen?” Yahweh zei: „Zie, hij heeft zich verborgen bij de bagage.”
וַיִּשְׁאֲלוּ
(vayishalu)
en zij vroegen
עוֹד֙
(od)
nog
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
aan Yahweh
הֲבָ֥א
(hava)
komt er
ע֖וֹד
(od)
nog
הֲלֹ֣ם
(halom)
hierheen
אִ֑ישׁ
(ish)
een man
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּה
(hine)
zie
ה֥וּא
(hu)
hij
נֶחְבָּ֖א
(nechba)
heeft zich verborgen
אֶל
(el)
bij
הַכֵּלִֽים
(hakelim)
de bagage
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֲבָא עוֹד הֲלֹם אִישׁ (haba od halom ish), ‘komt er nog een man hierheen?’: het kan ook betekenen ‘is hij al hierheen gekomen?’.
24Samuël zei tegen heel het volk: „Zien jullie wie Yahweh heeft gekozen? Want niemand in heel het volk is zoals hij.” Heel het volk juichte en riep: „Leve de koning!”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שְׁמוּאֵ֜ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tegen
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
הַרְּאִיתֶם֙
(hareitem)
hebben jullie gezien
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּֽחַר
(bachar)
heeft gekozen
בּ֣וֹ
(bo)
in hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֛י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niemand
כָּמֹ֖הוּ
(kamohu)
zoals hij
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיָּרִ֧עוּ
(vayariu)
en zij juichten
כָל
(kal)
heel
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zij zeiden
יְחִ֥י
(yechi)
leve
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְחִי הַמֶּלֶךְ (yechi hamelech), ‘leve de koning’: een groet bij het uitroepen van een koning.
25Samuël vertelde het volk het recht van het koningschap. Hij schreef het in een boek en legde het neer voor het aangezicht van Yahweh. Daarna stuurde Samuël heel het volk weg, ieder naar zijn huis.
וַיְדַבֵּ֨ר
(vaydaber)
en hij sprak
שְׁמוּאֵ֜ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tot
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
מִשְׁפַּ֣ט
(mishpat)
het recht van
הַמְּלֻכָ֔ה
(hamelukha)
het koningschap
וַיִּכְתֹּ֣ב
(vayikhtov)
en hij schreef
בַּסֵּ֔פֶר
(basefer)
in het boek
וַיַּנַּ֖ח
(vayanach)
en hij legde neer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיְשַׁלַּ֧ח
(vayshalach)
en hij stuurde weg
שְׁמוּאֵ֛ל
(shemuel)
Samuël
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְבֵיתֽוֹ
(leveito)
naar zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁפַּט הַמְּלֻכָה (mishpat hamelukhah), ‘het recht van het koningschap’.
Vergelijk ‘het recht van de koning’ in 1 Sam. 8:9 en de koningswet in Deut. 17:14–20.