Elohim Bijbel

Lucas 20

123456789101112131415161718192021222324

De vraag naar Zijn gezag, de wijngaard, de vragen van de leiders en de Messias als Heer van David

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De vraag naar Zijn gezag

1Op een van de dagen onderwees Hij het volk in de tempel en bracht Hij de goede boodschap. De hogepriesters en de schriftgeleerden kwamen met de oudsten op Hem af.
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ἐν
(en)
op
μιᾷ
(mia)
een
τῶν
(ton)
van de
ἡμερῶν
(hemeron)
dagen
διδάσκοντος
(didaskontos)
terwijl onderwijzend
αὐτοῦ
(autou)
Hij
τὸν
(ton)
het
λαὸν
(laon)
volk
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
καὶ
(kai)
en
εὐαγγελιζομένου
(euangelizomenou)
de goede boodschap brengend
ἐπέστησαν
(epestesan)
stonden voor
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
σὺν
(syn)
met
τοῖς
(tois)
de
πρεσβυτέροις
(presbyterois)
oudsten
Bron: SBLGNT
Uitleg

εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’. πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘oudsten’: leiders van het volk.

Zie ook Matt. 21:23–27; Mark. 11:27–33.

2Zij zeiden tegen Hem: „Zeg ons: met welk gezag doet U dit, of wie is het die U dit gezag gegeven heeft?”
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
λέγοντες
(legontes)
zeggend
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτόν
(auton)
Hem
Εἰπὸν
(Eipon)
zeg
ἡμῖν
(hemin)
ons
ἐν
(en)
met
ποίᾳ
(poia)
welk
ἐξουσίᾳ
(exousia)
gezag
ταῦτα
(tauta)
dit
ποιεῖς
(poieis)
doet U
ἢ
(e)
of
τίς
(tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
δούς
(dous)
gevende
σοι
(soi)
U
τὴν
(ten)
het
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
ταύτην
(tauten)
dit
Bron: SBLGNT
3Hij antwoordde en zei tegen hen: „Ook Ik zal jullie een vraag stellen. Zeg Mij:
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Ἐρωτήσω
(Eroteso)
Ik zal vragen
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
κἀγὼ
(kago)
ook Ik
λόγον
(logon)
vraag
καὶ
(kai)
en
εἴπατέ
(eipate)
zeg
μοι
(moi)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

λόγον (logon), letterlijk ‘woord’: hier een vraag, zoals in Matt. 21:24.

Zie ookMat 21:24
4De doop van Johannes, was die uit de hemel of van mensen?”
Τὸ
(To)
de
βάπτισμα
(baptisma)
doop
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
ἐξ
(ex)
uit
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
ἦν
(en)
was
ἢ
(e)
of
ἐξ
(ex)
uit
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξ οὐρανοῦ (ex ouranou), ‘uit de hemel’: een omschrijving voor ‘van Elohim’, zoals in Mark. 11:30.

Zie ookMar 11:30
5Zij overlegden onder elkaar en zeiden: „Als wij zeggen: ‘Uit de hemel’, zal Hij zeggen: ‘Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd?’
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
συνελογίσαντο
(synelogisanto)
overlegden
πρὸς
(pros)
onder
ἑαυτοὺς
(heautous)
zich
λέγοντες
(legontes)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Ἐὰν
(Ean)
als
εἴπωμεν
(eipomen)
wij zeggen
Ἐξ
(Ex)
uit
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
ἐρεῖ
(erei)
zal zeggen
Διὰ
(Dia)
om
τί
(ti)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἐπιστεύσατε
(episteusate)
geloofden jullie
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
6Maar als wij zeggen: ‘Van mensen’, dan zal heel het volk ons stenigen, want het is ervan overtuigd dat Johannes een profeet is.”
ἐὰν
(ean)
als
δὲ
(de)
maar
εἴπωμεν
(eipomen)
wij zeggen
Ἐξ
(Ex)
uit
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
ὁ
(ho)
het
λαὸς
(laos)
volk
ἅπας
(hapas)
geheel
καταλιθάσει
(katalithasei)
zal stenigen
ἡμᾶς
(hemas)
ons
πεπεισμένος
(pepeismenos)
overtuigd
γάρ
(gar)
want
ἐστιν
(estin)
is
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
προφήτην
(propheten)
profeet
εἶναι
(einai)
te zijn
Bron: SBLGNT
7Zij antwoordden dat zij niet wisten waar het vandaan kwam.
καὶ
(kai)
en
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
μὴ
(me)
niet
εἰδέναι
(eidenai)
te weten
πόθεν
(pothen)
waarvandaan
Bron: SBLGNT
8Yeshua zei tegen hen: „Ook Ik zeg jullie niet met welk gezag Ik dit doe.”
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Οὐδὲ
(Oude)
ook niet
ἐγὼ
(ego)
Ik
λέγω
(lego)
zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἐν
(en)
met
ποίᾳ
(poia)
welk
ἐξουσίᾳ
(exousia)
gezag
ταῦτα
(tauta)
dit
ποιῶ
(poio)
doe
Bron: SBLGNT

Gelijkenis van de wijngaard en de pachters

9Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: „Een man plantte een wijngaard en verpachtte hem aan pachters. Hij reisde voor geruime tijd naar het buitenland.
Ἤρξατο
(Erxato)
Hij begon
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tot
τὸν
(ton)
het
λαὸν
(laon)
volk
λέγειν
(legein)
te zeggen
τὴν
(ten)
de
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
ταύτην
(tauten)
deze
Ἄνθρωπος
(Anthropos)
man
ἐφύτευσεν
(ephyteusen)
plantte
ἀμπελῶνα
(ampelona)
wijngaard
καὶ
(kai)
en
ἐξέδετο
(exedeto)
verpachtte
αὐτὸν
(auton)
hem
γεωργοῖς
(georgois)
aan pachters
καὶ
(kai)
en
ἀπεδήμησεν
(apedemesen)
reisde naar het buitenland
χρόνους
(chronous)
tijden
ἱκανούς
(hikanous)
geruime
Bron: SBLGNT
Uitleg

De gelijkenis begint zoals het lied over de wijngaard in Jes. 5:1–2. γεωργός (georgos), ‘pachter’: iemand die land van een ander bewerkt en daarvoor een deel van de opbrengst betaalt; ἐκδίδωμι (ekdidomi), ‘verpachten’.

Lucas noemt geen omheining, wijnpers of toren, anders dan Mark. 12:1 en Matt. 21:33.

Zie ook Matt. 21:33–46; Mark. 12:1–12.

10Op de juiste tijd zond hij een knecht naar de pachters, zodat zij hem een deel van de vrucht van de wijngaard zouden geven. Maar de pachters sloegen hem en zonden hem met lege handen weg.
καὶ
(kai)
en
καιρῷ
(kairo)
op tijd
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
πρὸς
(pros)
naar
τοὺς
(tous)
de
γεωργοὺς
(georgous)
pachters
δοῦλον
(doulon)
knecht
ἵνα
(hina)
opdat
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
καρποῦ
(karpou)
vrucht
τοῦ
(tou)
van de
ἀμπελῶνος
(ampelonos)
wijngaard
δώσουσιν
(dosousin)
zullen geven
αὐτῷ
(auto)
hem
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
γεωργοὶ
(georgoi)
pachters
ἐξαπέστειλαν
(exapesteilan)
zonden weg
αὐτὸν
(auton)
hem
δείραντες
(deirantes)
geslagen hebbend
κενόν
(kenon)
leeg
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft twee werkwoorden voor ‘sturen’: ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’ (hier ‘zond’, ‘zonden’), en πέμπω (pempo), ‘sturen’ (vers 11, 12 en 13). ἐξαποστέλλω (exapostello), ‘wegzenden’, staat in vers 10 en 11 (‘zonden hem … weg’).

11Hij stuurde nog een andere knecht. Ook die sloegen zij en onteerden zij, en zij zonden hem met lege handen weg.
καὶ
(kai)
en
προσέθετο
(prosetheto)
voegde toe
ἕτερον
(heteron)
andere
πέμψαι
(pempsai)
te sturen
δοῦλον
(doulon)
knecht
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
κἀκεῖνον
(kakeinon)
ook die
δείραντες
(deirantes)
geslagen hebbend
καὶ
(kai)
en
ἀτιμάσαντες
(atimasantes)
onteerd hebbend
ἐξαπέστειλαν
(exapesteilan)
zonden weg
κενόν
(kenon)
leeg
Bron: SBLGNT
12Hij stuurde nog een derde. Ook die verwondden zij en wierpen zij naar buiten.
καὶ
(kai)
en
προσέθετο
(prosetheto)
voegde toe
τρίτον
(triton)
derde
πέμψαι
(pempsai)
te sturen
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
τοῦτον
(touton)
deze
τραυματίσαντες
(traumatisantes)
verwond hebbend
ἐξέβαλον
(exebalon)
wierpen naar buiten
Bron: SBLGNT
13De heer van de wijngaard zei: ‘Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon sturen. Misschien zullen zij voor hem ontzag hebben.’
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
heer
τοῦ
(tou)
van de
ἀμπελῶνος
(ampelonos)
wijngaard
Τί
(Ti)
wat
ποιήσω
(poieso)
zal ik doen
πέμψω
(pempso)
zal ik sturen
τὸν
(ton)
de
υἱόν
(huion)
zoon
μου
(mou)
mijn
τὸν
(ton)
de
ἀγαπητόν
(agapeton)
geliefde
ἴσως
(isos)
misschien
τοῦτον
(touton)
deze
ἐντραπήσονται
(entrapesontai)
zullen ontzag hebben
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀγαπητός (agapetos), ‘geliefd’: vergelijk Mark. 12:6. ἴσως (isos), ‘misschien’: de heer hoopt het, maar weet het niet.

Zie ookMar 12:6
14Toen de pachters hem zagen, overlegden zij met elkaar en zeiden: ‘Dit is de erfgenaam. Laten wij hem doden, zodat de erfenis van ons wordt.’
ἰδόντες
(idontes)
gezien hebbend
δὲ
(de)
maar
αὐτὸν
(auton)
hem
οἱ
(hoi)
de
γεωργοὶ
(georgoi)
pachters
διελογίζοντο
(dielogizonto)
overlegden
πρὸς
(pros)
met
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Οὗτός
(Houtos)
dit
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
κληρονόμος
(kleronomos)
erfgenaam
ἀποκτείνωμεν
(apokteinomen)
laten wij doden
αὐτόν
(auton)
hem
ἵνα
(hina)
opdat
ἡμῶν
(hemon)
van ons
γένηται
(genetai)
wordt
ἡ
(he)
de
κληρονομία
(kleronomia)
erfenis
Bron: SBLGNT
15Zij wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. Wat zal de heer van de wijngaard dan met hen doen?
καὶ
(kai)
en
ἐκβαλόντες
(ekbalontes)
geworpen hebbend
αὐτὸν
(auton)
hem
ἔξω
(exo)
buiten
τοῦ
(tou)
de
ἀμπελῶνος
(ampelonos)
wijngaard
ἀπέκτειναν
(apekteinan)
doodden
τί
(ti)
wat
οὖν
(oun)
dan
ποιήσει
(poiesei)
zal doen
αὐτοῖς
(autois)
met hen
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
heer
τοῦ
(tou)
van de
ἀμπελῶνος
(ampelonos)
wijngaard
Bron: SBLGNT
16Hij zal komen, deze pachters ombrengen en de wijngaard aan anderen geven.” Toen zij dit hoorden, zeiden zij: „Dat nooit!”
ἐλεύσεται
(eleusetai)
zal komen
καὶ
(kai)
en
ἀπολέσει
(apolesei)
zal ombrengen
τοὺς
(tous)
de
γεωργοὺς
(georgous)
pachters
τούτους
(toutous)
deze
καὶ
(kai)
en
δώσει
(dosei)
zal geven
τὸν
(ton)
de
ἀμπελῶνα
(ampelona)
wijngaard
ἄλλοις
(allois)
aan anderen
ἀκούσαντες
(akousantes)
gehoord hebbend
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Μὴ
(Me)
niet
γένοιτο
(genoito)
moge gebeuren
Bron: SBLGNT
Uitleg

μὴ γένοιτο (me genoito), letterlijk ‘moge het niet gebeuren’: een felle afwijzing.

17Hij keek hen aan en zei: „Wat betekent dan dit wat geschreven staat: ‘De steen die de bouwers verwierpen, die is tot hoeksteen geworden’?
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
ἐμβλέψας
(emblepsas)
aankijkend
αὐτοῖς
(autois)
hen
εἶπεν
(eipen)
zei
Τί
(Ti)
wat
οὖν
(oun)
dan
ἐστιν
(estin)
is
τὸ
(to)
het
γεγραμμένον
(gegrammenon)
geschrevene
τοῦτο
(touto)
dit
Λίθον
(Lithon)
steen
ὃν
(hon)
die
ἀπεδοκίμασαν
(apedokimasan)
verwierpen
οἱ
(hoi)
de
οἰκοδομοῦντες
(oikodomountes)
bouwers
οὗτος
(houtos)
deze
ἐγενήθη
(egenethe)
is geworden
εἰς
(eis)
tot
κεφαλὴν
(kephalen)
hoofd
γωνίας
(gonias)
van hoek
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Ps. 118:22. κεφαλὴ γωνίας (kephale gonias) is letterlijk ‘hoofd van de hoek’; wij vertalen ‘hoeksteen’, zoals in Mark. 12:10.

Lucas laat het vervolg (Ps. 118:23, ‘Dit is van Yahweh gekomen’) weg.

18Ieder die op die steen valt, zal verbrijzeld worden. Op wie hij valt, die zal hij vermalen.”
πᾶς
(pas)
ieder
ὁ
(ho)
de
πεσὼν
(peson)
gevallene
ἐπ’
(ep’)
op
ἐκεῖνον
(ekeinon)
die
τὸν
(ton)
de
λίθον
(lithon)
steen
συνθλασθήσεται
(synthlasthesetai)
zal verbrijzeld worden
ἐφ’
(eph’)
op
ὃν
(hon)
wie
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
ooit
πέσῃ
(pese)
hij valt
λικμήσει
(likmesei)
zal vermalen
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Jes. 8:14–15 (een steen om over te struikelen; ‘zij vallen, worden verbrijzeld’) en Dan. 2:34–35 (een steen die het beeld vermaalt).

Vergelijk Matt. 21:44.

19De schriftgeleerden en de hogepriesters probeerden op datzelfde uur de handen aan Hem te slaan, maar zij werden bang voor het volk. Zij begrepen namelijk dat Hij deze gelijkenis tegen hen had gesproken.
καὶ
(kai)
en
ἐζήτησαν
(ezetesan)
probeerden
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
ἐπιβαλεῖν
(epibalein)
te slaan
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτὸν
(auton)
Hem
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἐν
(en)
op
αὐτῇ
(aute)
zelfde
τῇ
(te)
het
ὥρᾳ
(hora)
uur
καὶ
(kai)
en
ἐφοβήθησαν
(ephobethesan)
werden bang
τὸν
(ton)
het
λαόν
(laon)
volk
ἔγνωσαν
(egnosan)
ze begrepen
γὰρ
(gar)
want
ὅτι
(hoti)
dat
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτοὺς
(autous)
hen
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
τὴν
(ten)
de
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
ταύτην
(tauten)
deze
Bron: SBLGNT

De belasting voor de keizer

20Zij letten goed op Hem. Zij zonden spionnen die zich als rechtvaardigen voordeden, om Hem op een woord te betrappen. Zo konden zij Hem overleveren aan het bestuur en het gezag van de stadhouder.
Καὶ
(Kai)
en
παρατηρήσαντες
(parateresantes)
goed opgelet hebbend
ἀπέστειλαν
(apesteilan)
zonden
ἐγκαθέτους
(enkathetous)
spionnen
ὑποκρινομένους
(hypokrinomenous)
zich voordoend
ἑαυτοὺς
(heautous)
zichzelf
δικαίους
(dikaious)
rechtvaardigen
εἶναι
(einai)
te zijn
ἵνα
(hina)
opdat
ἐπιλάβωνται
(epilabontai)
zij zouden betrappen
αὐτοῦ
(autou)
Hem
λόγου
(logou)
op een woord
ὥστε
(hoste)
zodat
παραδοῦναι
(paradounai)
over te leveren
αὐτὸν
(auton)
Hem
τῇ
(te)
aan het
ἀρχῇ
(arche)
bestuur
καὶ
(kai)
en
τῇ
(te)
aan het
ἐξουσίᾳ
(exousia)
gezag
τοῦ
(tou)
van de
ἡγεμόνος
(hegemonos)
stadhouder
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐγκάθετος (enkathetos), ‘spion’: iemand die in het geheim is aangesteld om anderen te bespieden. ἡγεμών (hegemon), ‘stadhouder’: de Romeinse bestuurder van het gebied.

Zie ook Matt. 22:15–22; Mark. 12:13–17.

21Zij vroegen Hem: „Leraar, wij weten dat U juist spreekt en onderwijst. U kijkt niet naar iemands gezicht, maar U onderwijst in waarheid de weg van Elohim.
καὶ
(kai)
en
ἐπηρώτησαν
(eperotesan)
vroegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
οἴδαμεν
(oidamen)
wij weten
ὅτι
(hoti)
dat
ὀρθῶς
(orthos)
juist
λέγεις
(legeis)
U spreekt
καὶ
(kai)
en
διδάσκεις
(didaskeis)
U onderwijst
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
λαμβάνεις
(lambaneis)
U neemt aan
πρόσωπον
(prosopon)
gezicht
ἀλλ’
(all’)
maar
ἐπ’
(ep’)
in
ἀληθείας
(aletheias)
waarheid
τὴν
(ten)
de
ὁδὸν
(hodon)
weg
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
διδάσκεις
(didaskeis)
U onderwijst
Bron: SBLGNT
Uitleg

οὐ λαμβάνεις πρόσωπον (ou lambaneis prosopon) is letterlijk ‘U neemt geen gezicht aan’: U bent niet partijdig.

Mark. 12:14 en Matt. 22:16 gebruiken een ander werkwoord met dezelfde betekenis; wij vertalen ze alle drie met ‘kijken naar het gezicht’.

22Is het ons geoorloofd belasting aan de keizer te geven, of niet?”
ἔξεστιν
(exestin)
is geoorloofd
ἡμᾶς
(hemas)
ons
Καίσαρι
(Kaisari)
aan de keizer
φόρον
(phoron)
belasting
δοῦναι
(dounai)
te geven
ἢ
(e)
of
οὔ
(ou)
niet
Bron: SBLGNT
Uitleg

φόρος (foros), ‘belasting’: wat aan de Romeinse keizer betaald moest worden. Καῖσαρ (Kaisar), ‘keizer’: de titel van de Romeinse keizer.

23Hij doorzag hun sluwheid en zei tegen hen:
κατανοήσας
(katanoesas)
doorzien hebbend
δὲ
(de)
maar
αὐτῶν
(auton)
hun
τὴν
(ten)
de
πανουργίαν
(panourgian)
sluwheid
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
24„Laat Mij een denarie zien. Wiens beeld en opschrift heeft die?” Zij antwoordden: „Van de keizer.”
Δείξατέ
(Deixate)
toon
μοι
(moi)
Mij
δηνάριον
(denarion)
denarie
τίνος
(tinos)
wiens
ἔχει
(echei)
heeft hij
εἰκόνα
(eikona)
beeld
καὶ
(kai)
en
ἐπιγραφήν
(epigraphen)
opschrift
ἀποκριθέντες
(apokrithentes)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Καίσαρος
(Kaisaros)
van de keizer
Bron: SBLGNT
Uitleg

δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werken (zie ook Matt. 20:2).

Zie ookMat 20:2
25Hij zei tegen hen: „Geef dan aan de keizer terug wat van de keizer is, en aan Elohim wat van Elohim is.”
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Τοίνυν
(Toinyn)
dan
ἀπόδοτε
(apodote)
geef terug
τὰ
(ta)
het
Καίσαρος
(Kaisaros)
van de keizer
Καίσαρι
(Kaisari)
aan de keizer
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
het
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
τῷ
(to)
aan de
θεῷ
(theo)
Elohim
Bron: SBLGNT
26Zij konden Hem niet op een woord betrappen voor het volk. Verbaasd over Zijn antwoord zwegen zij.
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἴσχυσαν
(ischysan)
konden
ἐπιλαβέσθαι
(epilabesthai)
te betrappen
τοῦ
(tou)
het
ῥήματος
(rhematos)
woord
ἐναντίον
(enantion)
voor
τοῦ
(tou)
het
λαοῦ
(laou)
volk
καὶ
(kai)
en
θαυμάσαντες
(thaumasantes)
verbaasd
ἐπὶ
(epi)
over
τῇ
(te)
het
ἀποκρίσει
(apokrisei)
antwoord
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐσίγησαν
(esigesan)
zwegen
Bron: SBLGNT

De vraag over de opstanding

27Enkele Sadduceeën kwamen naar Hem toe, die ontkennen dat er een opstanding is. Zij vroegen Hem:
Προσελθόντες
(Proselthontes)
gekomen
δέ
(de)
maar
τινες
(tines)
enkele
τῶν
(ton)
van de
Σαδδουκαίων
(Saddoukaion)
Sadduceeën
οἱ
(hoi)
zij die
ἀντιλέγοντες
(antilegontes)
ontkennen
ἀνάστασιν
(anastasin)
opstanding
μὴ
(me)
niet
εἶναι
(einai)
te zijn
ἐπηρώτησαν
(eperotesan)
vroegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks zegt van de Sadduceeën dat zij de opstanding ontkennen (ἀντιλέγοντες, antilegontes, ‘tegensprekend’).

Zie ook Matt. 22:23–33; Mark. 12:18–27.

28„Leraar, Mozes heeft ons geschreven: als iemands broer sterft, terwijl hij een vrouw heeft en kinderloos is, moet zijn broer de vrouw nemen. Hij moet nageslacht opwekken voor zijn broer.
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
ἔγραψεν
(egrapsen)
schreef
ἡμῖν
(hemin)
ons
ἐάν
(ean)
als
τινος
(tinos)
van iemand
ἀδελφὸς
(adelphos)
broer
ἀποθάνῃ
(apothane)
sterft
ἔχων
(echon)
hebbend
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
καὶ
(kai)
en
οὗτος
(houtos)
deze
ἄτεκνος
(ateknos)
kinderloos
ᾖ
(e)
is
ἵνα
(hina)
opdat
λάβῃ
(labe)
neemt
ὁ
(ho)
de
ἀδελφὸς
(adelphos)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
καὶ
(kai)
en
ἐξαναστήσῃ
(exanastese)
opwekt
σπέρμα
(sperma)
nageslacht
τῷ
(to)
aan de
ἀδελφῷ
(adelpho)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie Deut. 25:5–6: wanneer een man kinderloos sterft, moet zijn broer de weduwe nemen.

Vergelijk Gen. 38:8 (‘wek nageslacht op voor je broer’).

29Er waren dus 7 broers. De eerste nam een vrouw en stierf kinderloos.
ἑπτὰ
(hepta)
7
οὖν
(oun)
dus
ἀδελφοὶ
(adelphoi)
broers
ἦσαν
(esan)
waren
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
πρῶτος
(protos)
eerste
λαβὼν
(labon)
genomen hebbend
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
ἀπέθανεν
(apethanen)
stierf
ἄτεκνος
(ateknos)
kinderloos
Bron: SBLGNT
30En de tweede,
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
δεύτερος
(deuteros)
tweede
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks laat het werkwoord weg (‘en de tweede’); uit vers 31 volgt ‘nam haar’.

Zie ookLuc 20:31
31en de derde nam haar. Evenzo lieten ook de 7 geen kinderen na, en zij stierven.
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
τρίτος
(tritos)
derde
ἔλαβεν
(elaben)
nam
αὐτήν
(auten)
haar
ὡσαύτως
(hosautos)
evenzo
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
οἱ
(hoi)
de
ἑπτὰ
(hepta)
7
οὐ
(ou)
niet
κατέλιπον
(katelipon)
lieten achter
τέκνα
(tekna)
kinderen
καὶ
(kai)
en
ἀπέθανον
(apethanon)
stierven
Bron: SBLGNT
32Ten slotte stierf ook de vrouw.
ὕστερον
(hysteron)
ten slotte
καὶ
(kai)
ook
ἡ
(he)
de
γυνὴ
(gyne)
vrouw
ἀπέθανεν
(apethanen)
stierf
Bron: SBLGNT
33Bij de opstanding dan: van wie van hen wordt zij de vrouw? Want de 7 hebben haar tot vrouw gehad.”
ἡ
(he)
de
γυνὴ
(gyne)
vrouw
οὖν
(oun)
dus
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
ἀναστάσει
(anastasei)
opstanding
τίνος
(tinos)
van wie
αὐτῶν
(auton)
van hen
γίνεται
(ginetai)
wordt zij
γυνή
(gyne)
vrouw
οἱ
(hoi)
de
γὰρ
(gar)
want
ἑπτὰ
(hepta)
7
ἔσχον
(eschon)
hadden
αὐτὴν
(auten)
haar
γυναῖκα
(gynaika)
tot vrouw
Bron: SBLGNT
34Yeshua zei tegen hen: „De zonen van deze eeuw trouwen en worden ten huwelijk gegeven.
Καὶ
(Kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Οἱ
(Hoi)
de
υἱοὶ
(huioi)
zonen
τοῦ
(tou)
van de
αἰῶνος
(aionos)
eeuw
τούτου
(toutou)
deze
γαμοῦσιν
(gamousin)
trouwen
καὶ
(kai)
en
γαμίσκονται
(gamiskontai)
worden ten huwelijk gegeven
Bron: SBLGNT
Uitleg

αἰών (aion), ‘eeuw’: een tijdperk.

‘Deze eeuw’ is de tegenwoordige tijd; ‘die eeuw’ in vers 35 is de komende tijd.

Zie ookLuc 20:35
35Maar zij die waardig geacht worden die eeuw te verkrijgen en de opstanding uit de doden, trouwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
καταξιωθέντες
(kataxiothentes)
waardig geacht
τοῦ
(tou)
van de
αἰῶνος
(aionos)
eeuw
ἐκείνου
(ekeinou)
die
τυχεῖν
(tychein)
te verkrijgen
καὶ
(kai)
en
τῆς
(tes)
van de
ἀναστάσεως
(anastaseos)
opstanding
τῆς
(tes)
de
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
οὔτε
(oute)
noch
γαμοῦσιν
(gamousin)
trouwen
οὔτε
(oute)
noch
γαμίζονται
(gamizontai)
worden ten huwelijk gegeven
Bron: SBLGNT
36Want zij kunnen ook niet meer sterven. Zij zijn namelijk gelijk aan engelen en zij zijn zonen van Elohim, omdat zij zonen van de opstanding zijn.
οὐδὲ
(oude)
ook niet
γὰρ
(gar)
want
ἀποθανεῖν
(apothanein)
te sterven
ἔτι
(eti)
nog
δύνανται
(dynantai)
kunnen zij
ἰσάγγελοι
(isangeloi)
gelijk aan engelen
γάρ
(gar)
want
εἰσιν
(eisin)
zijn zij
καὶ
(kai)
en
υἱοί
(huioi)
zonen
εἰσιν
(eisin)
zijn zij
θεοῦ
(theou)
van Elohim
τῆς
(tes)
van de
ἀναστάσεως
(anastaseos)
opstanding
υἱοὶ
(huioi)
zonen
ὄντες
(ontes)
zijnde
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἰσάγγελοι (isangeloi), ‘gelijk aan engelen’: dit woord komt alleen hier voor.

‘Zonen van de opstanding’: mensen die tot de opstanding behoren.

37Dat de doden worden opgewekt, heeft ook Mozes laten blijken bij de braamstruik. Hij noemde Yahweh: ‘de Elohim van Abraham, de Elohim van Isaak en de Elohim van Jakob’.
ὅτι
(hoti)
dat
δὲ
(de)
maar
ἐγείρονται
(egeirontai)
worden opgewekt
οἱ
(hoi)
de
νεκροὶ
(nekroi)
doden
καὶ
(kai)
ook
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
ἐμήνυσεν
(emenysen)
liet blijken
ἐπὶ
(epi)
bij
τῆς
(tes)
de
βάτου
(batou)
braamstruik
ὡς
(hos)
toen
λέγει
(legei)
hij noemt
κύριον
(kyrion)
Yahweh
τὸν
(ton)
de
θεὸν
(theon)
Elohim
Ἀβραὰμ
(Abraam)
van Abraham
καὶ
(kai)
en
θεὸν
(theon)
Elohim
Ἰσαὰκ
(Isaak)
van Isaak
καὶ
(kai)
en
θεὸν
(theon)
Elohim
Ἰακώβ
(Iakob)
van Jakob
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Exod. 3:6 en 3:15. κύριος (kyrios) vertalen wij hier als ‘Yahweh’, omdat in Exod. 3:15 ‘Yahweh, Elohim van jullie vaderen, Elohim van Abraham, Elohim van Isaak en Elohim van Jakob’ staat. βάτος (batos), ‘braamstruik’: zoals in Mark. 12:26.

38Hij is geen Elohim van doden, maar van levenden, want voor Hem leven allen.”
θεὸς
(theos)
Elohim
δὲ
(de)
maar
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
νεκρῶν
(nekron)
van doden
ἀλλὰ
(alla)
maar
ζώντων
(zonton)
van levenden
πάντες
(pantes)
allen
γὰρ
(gar)
want
αὐτῷ
(auto)
voor Hem
ζῶσιν
(zosin)
leven
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft hier geen lidwoord bij θεός (theos): ‘Hij is geen Elohim van doden’.

Vergelijk Mark. 12:27.

Zie ookMar 12:27
39Enkele van de schriftgeleerden antwoordden: „Leraar, U hebt goed gesproken.”
ἀποκριθέντες
(apokrithentes)
antwoordend
δέ
(de)
maar
τινες
(tines)
enkele
τῶν
(ton)
van de
γραμματέων
(grammateon)
schriftgeleerden
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
καλῶς
(kalos)
goed
εἶπας
(eipas)
zei U
Bron: SBLGNT
40Want zij durfden Hem niets meer te vragen.
οὐκέτι
(ouketi)
niet meer
γὰρ
(gar)
want
ἐτόλμων
(etolmon)
durfden zij
ἐπερωτᾶν
(eperotan)
te vragen
αὐτὸν
(auton)
Hem
οὐδέν
(ouden)
niets
Bron: SBLGNT

Wiens zoon is de Messias?

41Hij zei tegen hen: „Hoe zeggen zij dat de Messias zoon van David is?
Εἶπεν
(Eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Πῶς
(Pos)
hoe
λέγουσιν
(legousin)
zeggen zij
τὸν
(ton)
de
χριστὸν
(christon)
Messias
εἶναι
(einai)
te zijn
Δαυὶδ
(Dauid)
van David
υἱόν
(huion)
zoon
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 22:41–46; Mark. 12:35–37.

42David zelf zegt immers in het boek van de Psalmen: ‘Yahweh zei tegen mijn Heer: „Zit aan Mijn rechterhand,
αὐτὸς
(autos)
zelf
γὰρ
(gar)
want
Δαυὶδ
(Dauid)
David
λέγει
(legei)
zegt
ἐν
(en)
in
βίβλῳ
(biblo)
boek
ψαλμῶν
(psalmon)
van psalmen
Εἶπεν
(Eipen)
zei
κύριος
(kyrios)
Yahweh
τῷ
(to)
aan de
κυρίῳ
(kyrio)
Heer
μου
(mou)
mijn
Κάθου
(Kathou)
zit
ἐκ
(ek)
aan
δεξιῶν
(dexion)
rechterhand
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Ps. 110:1.

Daar staat in het Hebreeuws ‘Uitspraak van Yahweh tot mijn Heer’; het Grieks heeft twee keer κύριος (kyrios).

Wij schrijven het eerste als ‘Yahweh’ en het tweede als ‘Heer’.

Zie ookPs 110:1
43totdat Ik je vijanden leg als voetbank voor je voeten.”’
ἕως
(heos)
totdat
ἂν
(an)
ooit
θῶ
(tho)
Ik leg
τοὺς
(tous)
de
ἐχθρούς
(echthrous)
vijanden
σου
(sou)
je
ὑποπόδιον
(hypopodion)
voetbank
τῶν
(ton)
van de
ποδῶν
(podon)
voeten
σου
(sou)
je
Bron: SBLGNT
Uitleg

De Griekse tekst heeft ὑποπόδιον (hypopodion), ‘voetbank’, zoals ons Hebreeuws (‘als voetbank voor je voeten’).

Mark. 12:36 en Matt. 22:44 hebben ὑποκάτω (hypokato), ‘onder’; daar schrijven wij ‘onder je voeten’.

44David noemt Hem dus Heer. Hoe is Hij dan zijn zoon?”
Δαυὶδ
(Dauid)
David
οὖν
(oun)
dus
αὐτὸν
(auton)
Hem
κύριον
(kyrion)
Heer
καλεῖ
(kalei)
noemt
καὶ
(kai)
en
πῶς
(pos)
hoe
αὐτοῦ
(autou)
zijn
υἱός
(huios)
zoon
ἐστιν
(estin)
is Hij
Bron: SBLGNT

Pas op voor de schriftgeleerden

45Terwijl heel het volk luisterde, zei Hij tegen de leerlingen:
Ἀκούοντος
(Akouontos)
terwijl luisterend
δὲ
(de)
maar
παντὸς
(pantos)
heel
τοῦ
(tou)
het
λαοῦ
(laou)
volk
εἶπεν
(eipen)
zei Hij
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
Bron: SBLGNT
46„Pas op voor de schriftgeleerden die in lange gewaden willen rondlopen. Zij houden van begroetingen op de markten, van de voorste zetels in de synagogen en van de ereplaatsen bij de maaltijden.
Προσέχετε
(Prosechete)
pas op
ἀπὸ
(apo)
voor
τῶν
(ton)
de
γραμματέων
(grammateon)
schriftgeleerden
τῶν
(ton)
die
θελόντων
(thelonton)
willende
περιπατεῖν
(peripatein)
rondlopen
ἐν
(en)
in
στολαῖς
(stolais)
lange gewaden
καὶ
(kai)
en
φιλούντων
(philounton)
houdend van
ἀσπασμοὺς
(aspasmous)
begroetingen
ἐν
(en)
op
ταῖς
(tais)
de
ἀγοραῖς
(agorais)
markten
καὶ
(kai)
en
πρωτοκαθεδρίας
(protokathedrias)
voorste zetels
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
συναγωγαῖς
(synagogais)
synagogen
καὶ
(kai)
en
πρωτοκλισίας
(protoklisias)
ereplaatsen
ἐν
(en)
bij
τοῖς
(tois)
de
δείπνοις
(deipnois)
maaltijden
Bron: SBLGNT
Uitleg

στολή (stole), ‘lang gewaad’: een lang, statig kleed. πρωτοκλισία (protoklisia), ‘ereplaats bij een maaltijd’.

Zie ook Matt. 23:5–7; Mark. 12:38–40.

47Zij die de huizen van de weduwen opeten en voor de schijn lang bidden, die zullen een zwaarder oordeel ontvangen.”
οἳ
(hoi)
die
κατεσθίουσιν
(katesthiousin)
opeten
τὰς
(tas)
de
οἰκίας
(oikias)
huizen
τῶν
(ton)
van de
χηρῶν
(cheron)
weduwen
καὶ
(kai)
en
προφάσει
(prophasei)
voor de schijn
μακρὰ
(makra)
lang
προσεύχονται
(proseuchontai)
bidden
οὗτοι
(houtoi)
die
λήμψονται
(lempsontai)
zullen ontvangen
περισσότερον
(perissoteron)
zwaarder
κρίμα
(krima)
oordeel
Bron: SBLGNT
Uitleg

κρίμα (krima), ‘oordeel’; περισσότερον (perissoteron), letterlijk ‘overvloediger’: een zwaarder oordeel, zoals in Mark. 12:40.

Zie ookMar 12:40