Het bruiloftsmaal, de vragen van de tegenstanders en de Zoon van David
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Gelijkenis van het bruiloftsmaal
1Yeshua antwoordde en sprak opnieuw tot hen in gelijkenissen:
Καὶ
(Kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
πάλιν
(palin)
opnieuw
εἶπεν
(eipen)
zei
ἐν
(en)
in
παραβολαῖς
(parabolais)
gelijkenissen
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
λέγων
(legon)
zeggend
Bron: SBLGNT
Uitleg
Zie ook Luc. 14:15–24; die gelijkenis over een groot maal lijkt hierop, maar verschilt sterk.
4Opnieuw zond hij andere knechten en zei: ‘Zeg tegen de genodigden: „Zie, mijn maaltijd heb ik klaargemaakt. Mijn stieren en mijn gemeste dieren zijn geslacht, en alles is klaar. Kom naar de bruiloft.”’
πάλιν
(palin)
opnieuw
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
ἄλλους
(allous)
andere
δούλους
(doulous)
knechten
λέγων
(legon)
zeggend
Εἴπατε
(Eipate)
zeg
τοῖς
(tois)
aan de
κεκλημένοις
(keklemenois)
genodigden
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
τὸ
(to)
het
ἄριστόν
(ariston)
maaltijd
μου
(mou)
mijn
ἡτοίμακα
(hetoimaka)
heb klaargemaakt
οἱ
(hoi)
de
ταῦροί
(tauroi)
stieren
μου
(mou)
mijn
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
σιτιστὰ
(sitista)
gemeste dieren
τεθυμένα
(tethymena)
geslacht
καὶ
(kai)
en
πάντα
(panta)
alles
ἕτοιμα
(hetoima)
klaar
δεῦτε
(deute)
kom
εἰς
(eis)
naar
τοὺς
(tous)
de
γάμους
(gamous)
bruiloft
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἄριστον (ariston), ‘maaltijd’: het hoofdmaal van de dag. σιτιστά (sitista), ‘gemeste dieren’: vee dat voor een feest vetgemest is.
5Zij trokken zich er niets van aan en gingen weg, de een naar zijn eigen akker en de ander naar zijn handel.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἀμελήσαντες
(amelesantes)
zich niets aantrekkend
ἀπῆλθον
(apelthon)
gingen weg
ὃς
(hos)
de een
μὲν
(men)
wel
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
ἴδιον
(idion)
eigen
ἀγρόν
(agron)
akker
ὃς
(hos)
de ander
δὲ
(de)
maar
ἐπὶ
(epi)
naar
τὴν
(ten)
de
ἐμπορίαν
(emporian)
handel
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
6De anderen grepen zijn knechten, mishandelden hen en doodden hen.
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
λοιποὶ
(loipoi)
overigen
κρατήσαντες
(kratesantes)
grijpend
τοὺς
(tous)
de
δούλους
(doulous)
knechten
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ὕβρισαν
(hybrisan)
mishandelden
καὶ
(kai)
en
ἀπέκτειναν
(apekteinan)
doodden
Bron: SBLGNT
7De koning werd woedend. Hij stuurde zijn troepen, bracht die moordenaars om en stak hun stad in brand.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
βασιλεὺς
(basileus)
koning
ὠργίσθη
(orgisthe)
werd woedend
καὶ
(kai)
en
πέμψας
(pempsas)
sturend
τὰ
(ta)
de
στρατεύματα
(strateumata)
troepen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἀπώλεσεν
(apolesen)
bracht om
τοὺς
(tous)
de
φονεῖς
(phoneis)
moordenaars
ἐκείνους
(ekeinous)
die
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐνέπρησεν
(enepresen)
stak in brand
Bron: SBLGNT
8Toen zei hij tegen zijn knechten: ‘De bruiloft is klaar, maar de genodigden waren het niet waard.
τότε
(tote)
toen
λέγει
(legei)
zegt
τοῖς
(tois)
aan de
δούλοις
(doulois)
knechten
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Ὁ
(Ho)
de
μὲν
(men)
wel
γάμος
(gamos)
bruiloft
ἕτοιμός
(hetoimos)
klaar
ἐστιν
(estin)
is
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
κεκλημένοι
(keklemenoi)
genodigden
οὐκ
(ouk)
niet
ἦσαν
(esan)
waren
ἄξιοι
(axioi)
waardig
Bron: SBLGNT
9Ga dus naar de kruispunten van de wegen en nodig voor de bruiloft uit wie jullie ook vinden.’
πορεύεσθε
(poreuesthe)
ga
οὖν
(oun)
dus
ἐπὶ
(epi)
naar
τὰς
(tas)
de
διεξόδους
(diexodous)
uitgangen
τῶν
(ton)
van de
ὁδῶν
(hodon)
wegen
καὶ
(kai)
en
ὅσους
(hosous)
zovelen
ἐὰν
(ean)
als
εὕρητε
(heurete)
vinden jullie
καλέσατε
(kalesate)
nodig uit
εἰς
(eis)
naar
τοὺς
(tous)
de
γάμους
(gamous)
bruiloft
Bron: SBLGNT
Uitleg
διέξοδοι (diexodoi), ‘uitgangen’: plaatsen waar wegen de stad uitlopen of elkaar kruisen.
Wij vertalen ‘kruispunten’.
10Die knechten gingen de wegen op en brachten allen bijeen die zij vonden, zowel boze als goede mensen. De bruiloft werd vol met gasten.
καὶ
(kai)
en
ἐξελθόντες
(exelthontes)
uitgegaan
οἱ
(hoi)
de
δοῦλοι
(douloi)
knechten
ἐκεῖνοι
(ekeinoi)
die
εἰς
(eis)
naar
τὰς
(tas)
de
ὁδοὺς
(hodous)
wegen
συνήγαγον
(synegagon)
brachten bijeen
πάντας
(pantas)
allen
οὓς
(hous)
die
εὗρον
(heuron)
vonden
πονηρούς
(ponerous)
boze
τε
(te)
zowel
καὶ
(kai)
als
ἀγαθούς
(agathous)
goede
καὶ
(kai)
en
ἐπλήσθη
(eplesthe)
werd vol
ὁ
(ho)
de
γάμος
(gamos)
bruiloft
ἀνακειμένων
(anakeimenon)
van aanliggenden
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀνακείμενοι (anakeimenoi), ‘aanliggenden’: gasten die aan tafel lagen.
Wij schrijven ‘gasten’. πονηρός (poneros), ‘boos’, en ἀγαθός (agathos), ‘goed’.
11Toen de koning binnenkwam om de gasten te bekijken, zag hij daar een man die geen bruiloftskleed aanhad.
De gelijkenis zegt niet waar het kleed vandaan kwam.
12En hij zei tegen hem: ‘Vriend, hoe ben je hier binnengekomen zonder bruiloftskleed?’ Maar hij zweeg.
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Ἑταῖρε
(Hetaire)
vriend
πῶς
(pos)
hoe
εἰσῆλθες
(eiselthes)
kwam je binnen
ὧδε
(hode)
hier
μὴ
(me)
niet
ἔχων
(echon)
hebbend
ἔνδυμα
(endyma)
kleed
γάμου
(gamou)
van bruiloft
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἐφιμώθη
(ephimothe)
werd het zwijgen opgelegd
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἑταῖρος (hetairos), ‘vriend’: een vriendelijke of afstandelijke aanspreking, zoals in Matt. 20:13. ἐφιμώθη (ephimothe), ‘zweeg’: letterlijk ‘kreeg een muilband om’; hij werd het zwijgen opgelegd.
13Toen zei de koning tegen de dienaren: ‘Bind zijn voeten en handen vast en werp hem in de buitenste duisternis. Daar zal het geween zijn en het knarsen van de tanden.’
16Zij zonden hun leerlingen naar Hem toe, samen met de Herodianen. Zij zeiden: „Leraar, wij weten dat U waarachtig bent en de weg van Elohim in waarheid onderwijst. U trekt zich van niemand iets aan, want U kijkt niet naar het gezicht van mensen.
καὶ
(kai)
en
ἀποστέλλουσιν
(apostellousin)
zenden
αὐτῷ
(auto)
naar Hem
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτῶν
(auton)
hun
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
Ἡρῳδιανῶν
(Herodianon)
Herodianen
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Διδάσκαλε
(Didaskale)
leraar
οἴδαμεν
(oidamen)
weten wij
ὅτι
(hoti)
dat
ἀληθὴς
(alethes)
waarachtig
εἶ
(ei)
bent U
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
ὁδὸν
(hodon)
weg
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐν
(en)
in
ἀληθείᾳ
(aletheia)
waarheid
διδάσκεις
(didaskeis)
onderwijst U
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
μέλει
(melei)
is het een zorg
σοι
(soi)
voor U
περὶ
(peri)
over
οὐδενός
(oudenos)
niemand
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
βλέπεις
(blepeis)
kijkt U
εἰς
(eis)
naar
πρόσωπον
(prosopon)
gezicht
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
Bron: SBLGNT
Uitleg
Ἡρῳδιανοί (Herodianoi), ‘Herodianen’: aanhangers van het huis van Herodes. οὐ βλέπεις εἰς πρόσωπον ἀνθρώπων (ou blepeis eis prosopon anthropon), letterlijk ‘U kijkt niet naar het gezicht van mensen’: U kiest niemands kant op grond van zijn aanzien.
17Zeg ons dus wat U denkt: is het geoorloofd belasting aan de keizer te geven, of niet?”
εἰπὸν
(eipon)
zeg
οὖν
(oun)
dus
ἡμῖν
(hemin)
ons
τί
(ti)
wat
σοι
(soi)
aan U
δοκεῖ
(dokei)
lijkt
ἔξεστιν
(exestin)
is geoorloofd
δοῦναι
(dounai)
te geven
κῆνσον
(kenson)
belasting
Καίσαρι
(Kaisari)
aan de keizer
ἢ
(e)
of
οὔ
(ou)
niet
Bron: SBLGNT
Uitleg
κῆνσος (kensos), ‘belasting’: van het Latijnse census, de hoofdelijke belasting die aan Rome werd betaald. Καῖσαρ (Kaisar), ‘keizer’: de titel van de Romeinse heerser.
18Yeshua doorzag hun boosheid en zei: „Waarom stellen jullie Mij op de proef, huichelaars?
γνοὺς
(gnous)
wetend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τὴν
(ten)
de
πονηρίαν
(ponerian)
boosheid
αὐτῶν
(auton)
hun
εἶπεν
(eipen)
zei
Τί
(Ti)
waarom
με
(me)
Mij
πειράζετε
(peirazete)
stellen jullie op de proef
ὑποκριταί
(hypokritai)
huichelaars
Bron: SBLGNT
19Laat Mij de munt voor de belasting zien.” Zij brachten Hem een denarie.
ἐπιδείξατέ
(epideixate)
toon
μοι
(moi)
aan Mij
τὸ
(to)
de
νόμισμα
(nomisma)
munt
τοῦ
(tou)
van de
κήνσου
(kensou)
belasting
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
προσήνεγκαν
(prosenenkan)
brachten
αὐτῷ
(auto)
Hem
δηνάριον
(denarion)
denarie
Bron: SBLGNT
Uitleg
δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt van ongeveer 3,9 gram, met het beeld en de naam van de keizer.
20Hij zei tegen hen: „Van wie zijn dit beeld en dit opschrift?”
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Τίνος
(Tinos)
van wie
ἡ
(he)
het
εἰκὼν
(eikon)
beeld
αὕτη
(haute)
dit
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
het
ἐπιγραφή
(epigraphe)
opschrift
Bron: SBLGNT
21Zij zeiden tegen Hem: „Van de keizer.” Toen zei Hij tegen hen: „Geef dan aan de keizer terug wat van de keizer is, en aan Elohim wat van Elohim is.”
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Καίσαρος
(Kaisaros)
van de keizer
τότε
(tote)
toen
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Ἀπόδοτε
(Apodote)
geef terug
οὖν
(oun)
dus
τὰ
(ta)
wat
Καίσαρος
(Kaisaros)
van de keizer
Καίσαρι
(Kaisari)
aan de keizer
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
wat
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
τῷ
(to)
aan de
θεῷ
(theo)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀπόδοτε (apodote), ‘geef terug’: wat men schuldig is, geeft men terug.
22Toen zij dat hoorden, waren zij verbaasd. Zij lieten Hem achter en gingen weg.
καὶ
(kai)
en
ἀκούσαντες
(akousantes)
gehoord hebbend
ἐθαύμασαν
(ethaumasan)
verwonderden zich
καὶ
(kai)
en
ἀφέντες
(aphentes)
achtergelaten hebbend
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἀπῆλθαν
(apelthan)
gingen weg
Bron: SBLGNT
De vraag over de opstanding
23Op die dag kwamen Sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is. Zij vroegen Hem:
Ἐν
(En)
op
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
τῇ
(te)
de
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
προσῆλθον
(proselthon)
kwamen naar
αὐτῷ
(auto)
Hem
Σαδδουκαῖοι
(Saddoukaioi)
Sadduceeën
λέγοντες
(legontes)
zeggend
μὴ
(me)
niet
εἶναι
(einai)
te zijn
ἀνάστασιν
(anastasin)
opstanding
καὶ
(kai)
en
ἐπηρώτησαν
(eperotesan)
vroegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
Σαδδουκαῖοι (Saddoukaioi), ‘Sadduceeën’, ontkenden de opstanding van de doden.
24„Leraar, Mozes heeft gezegd: ‘Als iemand sterft zonder kinderen te hebben, zal zijn broer met zijn vrouw trouwen en nageslacht opwekken voor zijn broer.’
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Διδάσκαλε
(Didaskale)
leraar
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἐάν
(Ean)
als
τις
(tis)
iemand
ἀποθάνῃ
(apothane)
sterft
μὴ
(me)
niet
ἔχων
(echon)
hebbend
τέκνα
(tekna)
kinderen
ἐπιγαμβρεύσει
(epigambreusei)
zal als zwager trouwen
ὁ
(ho)
de
ἀδελφὸς
(adelphos)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἀναστήσει
(anastesei)
zal opwekken
σπέρμα
(sperma)
nageslacht
τῷ
(to)
aan de
ἀδελφῷ
(adelpho)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
Zie Deut. 25:5–6 en vergelijk Gen. 38:8.
Het Hebreeuws van Deut. 25:5 heeft ‘zoon’ (בֵּן, ben); de Griekse tekst heeft τέκνα (tekna), ‘kinderen’. ἐπιγαμβρεύω (epigambreuo), ‘als zwager trouwen’: de plicht van de broer van een overledene.
25Nu waren er bij ons 7 broers. De eerste trouwde en stierf, en omdat hij geen nageslacht had, liet hij zijn vrouw achter voor zijn broer.
ἦσαν
(esan)
waren
δὲ
(de)
maar
παρ’
(par’)
bij
ἡμῖν
(hemin)
ons
ἑπτὰ
(hepta)
7
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
πρῶτος
(protos)
eerste
γήμας
(gemas)
getrouwd hebbend
ἐτελεύτησεν
(eteleutesen)
stierf
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
ἔχων
(echon)
hebbend
σπέρμα
(sperma)
nageslacht
ἀφῆκεν
(apheken)
liet achter
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τῷ
(to)
aan de
ἀδελφῷ
(adelpho)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
26Hetzelfde gebeurde met de tweede en de derde, tot en met de zevende.
ὁμοίως
(homoios)
evenzo
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
δεύτερος
(deuteros)
tweede
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
τρίτος
(tritos)
derde
ἕως
(heos)
tot
τῶν
(ton)
de
ἑπτά
(hepta)
zeven
Bron: SBLGNT
27Als laatste van allen stierf de vrouw.
ὕστερον
(hysteron)
later
δὲ
(de)
maar
πάντων
(panton)
van allen
ἀπέθανεν
(apethanen)
stierf
ἡ
(he)
de
γυνή
(gyne)
vrouw
Bron: SBLGNT
28Van wie van de 7 zal zij dan bij de opstanding de vrouw zijn? Want allen hebben haar als vrouw gehad.”
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
ἀναστάσει
(anastasei)
opstanding
οὖν
(oun)
dus
τίνος
(tinos)
van wie
τῶν
(ton)
van de
ἑπτὰ
(hepta)
7
ἔσται
(estai)
zal zijn
γυνή
(gyne)
vrouw
πάντες
(pantes)
allen
γὰρ
(gar)
want
ἔσχον
(eschon)
hadden
αὐτήν
(auten)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft ἔσχον αὐτήν (eschon auten), ‘zij hadden haar’.
Wij vullen ‘als vrouw’ aan.
29Yeshua antwoordde en zei tegen hen: „Jullie dwalen, omdat jullie de Schriften niet kennen en ook de kracht van Elohim niet.
Ἀποκριθεὶς
(Apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Πλανᾶσθε
(Planasthe)
dwalen jullie
μὴ
(me)
niet
εἰδότες
(eidotes)
wetend
τὰς
(tas)
de
γραφὰς
(graphas)
Schriften
μηδὲ
(mede)
noch
τὴν
(ten)
de
δύναμιν
(dynamin)
kracht
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg
πλανάομαι (planaomai), ‘dwalen’: de verkeerde weg gaan. δύναμις (dynamis), ‘kracht’.
30Want bij de opstanding trouwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk gegeven, maar zij zijn als engelen van Elohim in de hemel.
ἐν
(en)
in
γὰρ
(gar)
want
τῇ
(te)
de
ἀναστάσει
(anastasei)
opstanding
οὔτε
(oute)
noch
γαμοῦσιν
(gamousin)
trouwen zij
οὔτε
(oute)
noch
γαμίζονται
(gamizontai)
worden uitgehuwelijkt
ἀλλ’
(all’)
maar
ὡς
(hos)
als
ἄγγελοι
(angeloi)
engelen
θεοῦ
(theou)
van Elohim
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
οὐρανῷ
(ourano)
hemel
εἰσιν
(eisin)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
γαμίζονται (gamizontai), ‘worden ten huwelijk gegeven’: dit zegt men van vrouwen, die door hun familie worden uitgehuwelijkt.
31Hebben jullie over de opstanding van de doden niet gelezen wat door Elohim tot jullie is gezegd? Hij zei:
περὶ
(peri)
over
δὲ
(de)
maar
τῆς
(tes)
de
ἀναστάσεως
(anastaseos)
opstanding
τῶν
(ton)
van de
νεκρῶν
(nekron)
doden
οὐκ
(ouk)
niet
ἀνέγνωτε
(anegnote)
hebben jullie gelezen
τὸ
(to)
het
ῥηθὲν
(rhethen)
gezegde
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ὑπὸ
(hypo)
door
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
λέγοντος
(legontos)
zeggend
Bron: SBLGNT
32‘Ik ben de Elohim van Abraham, de Elohim van Isaak en de Elohim van Jakob.’ Hij is niet de Elohim van doden, maar van levenden.”
Ἐγώ
(Ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
Ἀβραὰμ
(Abraam)
van Abraham
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
Ἰσαὰκ
(Isaak)
van Isaak
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
Ἰακώβ
(Iakob)
van Jakob
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
νεκρῶν
(nekron)
van doden
ἀλλὰ
(alla)
maar
ζώντων
(zonton)
van levenden
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het citaat is Exod. 3:6.
Het Hebreeuws heeft ‘Ik ben Elohim van je vader, Elohim van Abraham, Elohim van Isaak en Elohim van Jakob’; de Griekse tekst heeft geen ‘van je vader’ en zet bij elke naam een lidwoord.
νόμος (nomos), ‘wet’: de Torah, de eerste vijf boeken van de Schrift. μεγάλη (megale), ‘groot’: het kan ook ‘grootste’ betekenen; in vers 38 staat ‘het grote’.
44‘Yahweh zei tegen mijn Heer: „Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik je vijanden onder je voeten leg.”’
Εἶπεν
(Eipen)
zei
κύριος
(kyrios)
Yahweh
τῷ
(to)
aan de
κυρίῳ
(kyrio)
Heer
μου
(mou)
mijn
Κάθου
(Kathou)
zit
ἐκ
(ek)
uit
δεξιῶν
(dexion)
rechterhand
μου
(mou)
Mijn
ἕως
(heos)
totdat
ἂν
(an)
ooit
θῶ
(tho)
leg Ik
τοὺς
(tous)
de
ἐχθρούς
(echthrous)
vijanden
σου
(sou)
je
ὑποκάτω
(hypokato)
onder
τῶν
(ton)
van de
ποδῶν
(podon)
voeten
σου
(sou)
je
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het citaat is Ps. 110:1.
Het Hebreeuws heeft ‘Uitspraak van Yahweh tot mijn Heer’ en ‘totdat Ik je vijanden zet als voetbank voor je voeten’; de Griekse tekst heeft ‘Yahweh zei’ en ‘onder je voeten’.