Elohim Bijbel

1 Kronieken 20

1234567891011121314151617181920212223242526272829

De val van Rabba en de strijd tegen de nakomelingen van Rafa

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Joab neemt Rabba in

1Bij de jaarwisseling, in de tijd dat koningen ten strijde trekken, voerde Joab het leger aan. Hij richtte het land van de zonen van Ammon te gronde. Hij kwam en belegerde Rabba. David bleef in Jeruzalem. Joab versloeg Rabba en verwoestte haar.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
לְעֵת֩
(leet)
in de tijd van
תְּשׁוּבַ֨ת
(teshuvat)
terugkeer van
הַשָּׁנָ֜ה
(hashana)
het jaar
לְעֵ֣ת
(leet)
in de tijd van
צֵ֣את
(tset)
uittrekken van
הַמְּלָכִ֗ים
(hamelakhim)
de koningen
וַיִּנְהַ֣ג
(vayinhag)
en voerde aan
יוֹאָב֩
(yoav)
Joab
אֶת
(et)
(obj.)
חֵ֨יל
(cheil)
de kracht van
הַצָּבָ֜א
(hatsava)
het leger
וַיַּשְׁחֵ֣ת
(vayashchet)
en richtte te gronde
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
עַמּ֗וֹן
(amon)
Ammon
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
וַיָּ֣צַר
(vayatsar)
en belegerde
אֶת
(et)
(obj.)
רַבָּ֔ה
(raba)
Rabba
וְדָוִ֖יד
(vedavid)
en David
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
bleef
בִּירֽוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en versloeg
יוֹאָ֛ב
(yoav)
Joab
אֶת
(et)
(obj.)
רַבָּ֖ה
(raba)
Rabba
וַיֶּֽהֶרְסֶֽהָ
(vayeherseha)
en verwoestte haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Rabba is het huidige Amman (Jordanië).

Dat is zeker.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Sam. 11:1; 12:26–31.

Het verhaal van David en Bat-Sjeba (2 Sam. 11:2–12:25) staat hier niet.

Hier volgt direct de inname van Rabba.

In 2 Sam. 11:1 stuurt David Joab en heel Israël eropuit. Hier voert Joab het leger zelf aan.

2David nam de kroon van hun koning van zijn hoofd. Hij vond dat haar gewicht een talent goud was. Er zat een kostbare steen in. Zij kwam op het hoofd van David. Ook bracht hij heel veel buit uit de stad.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
דָּוִ֣יד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
עֲטֶֽרֶת
(ateret)
kroon van
מַלְכָּם֩
(malkam)
hun koning
מֵעַ֨ל
(meal)
van op
רֹאשׁ֜וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַֽיִּמְצָאָ֣הּ
(vayimtsaah)
en vond haar
מִשְׁקַ֣ל
(mishqal)
gewicht van
כִּכַּר
(kikar)
talent
זָהָ֗ב
(zahav)
goud
וּבָהּ֙
(uvah)
en in haar
אֶ֣בֶן
(even)
steen
יְקָרָ֔ה
(yeqara)
kostbare
וַתְּהִ֖י
(vatehi)
en zij kwam
עַל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
דָּוִ֑יד
(david)
David
וּשְׁלַ֥ל
(ushelal)
en buit van
הָעִ֛יר
(hair)
de stad
הוֹצִ֖יא
(hotsi)
bracht hij uit
הַרְבֵּ֥ה
(harbe)
veel
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een talent (כִּכָּר, kikkar) is ongeveer 34 kilogram.

מַלְכָּם (malkam), ‘hun koning’: de medeklinkers kunnen ook gelezen worden als Milkom, de god van de zonen van Ammon (1 Kon. 11:5). Wij vertalen ‘hun koning’, zoals in 2 Sam. 12:30.

In 2 Sam. 12:26–29 neemt Joab eerst de waterstad in en roept hij David erbij. Dat staat hier niet.

3De mensen die erin waren, bracht hij naar buiten. Hij zaagde hen met een zaag, met ijzeren dorsleden en met bijlen. Zo deed David met alle steden van de zonen van Ammon. Daarna keerde David met heel het volk terug naar Jeruzalem.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּ֜הּ
(bah)
in haar
הוֹצִ֗יא
(hotsi)
bracht hij uit
וַיָּ֨שַׂר
(vayasar)
en zaagde
בַּמְּגֵרָ֜ה
(bamegera)
met de zaag
וּבַחֲרִיצֵ֤י
(uvacharitsei)
en met de dorsleden van
הַבַּרְזֶל֙
(habarzel)
het ijzer
וּבַמְּגֵר֔וֹת
(uvamegerot)
en met bijlen
וְכֵן֙
(vekhen)
en zo
יַעֲשֶׂ֣ה
(yaase)
deed
דָוִ֔יד
(david)
David
לְכֹ֖ל
(lekhol)
aan alle
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
בְנֵי
(benei)
zonen van
עַמּ֑וֹן
(amon)
Ammon
וַיָּ֧שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
דָּוִ֛יד
(david)
David
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חֲרִיצֵי הַבַּרְזֶל (charitsei habarzel), ‘ijzeren dorsleden’: zware sleden met ijzeren tanden waarmee graan werd gedorst.

In 2 Sam. 12:31 staat het woord in een iets andere spelling.

מְגֵרוֹת (megerot), ‘bijlen’: waarschijnlijk hetzelfde zeldzame woord als מַגְזְרוֹת (magzerot) in 2 Sam. 12:31. Dat is onzeker; het kan ook ‘zagen’ betekenen.

Lezing

וַיָּשַׂר (wayyasar), ‘hij zaagde’: dit werkwoord komt zelden voor.

Wij leiden het af van het woord voor ‘zaag’.

In 2 Sam. 12:31 staat een ander werkwoord (וַיָּשֶׂם, wayyasem), ‘hij zette’.

Daar staat ook de steenoven.

Daar kan het gaan om dwangarbeid.

Hier houden wij de Masoretische tekst letterlijk aan.

Oorlog met de Filistijnen

4Daarna brak er oorlog uit met de Filistijnen bij Gezer. Toen versloeg Sibbechai, de Chusatiet, Sippai, een van de afstammelingen van de Refaïeten. Zij werden onderworpen.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
אַחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֔ן
(ken)
zo
וַתַּעֲמֹ֧ד
(vataamod)
en stond op
מִלְחָמָ֛ה
(milchama)
oorlog
בְּגֶ֖זֶר
(begezer)
bij Gezer
עִם
(im)
met
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
אָ֣ז
(az)
toen
הִכָּ֞ה
(hika)
sloeg
סִבְּכַ֣י
(sibekhay)
Sibbechai
הַחֻֽשָׁתִ֗י
(hachushati)
de Chusatiet
אֶת
(et)
(obj.)
סִפַּ֛י
(sipay)
Sippai
מִילִדֵ֥י
(milidei)
van de afstammelingen van
הָרְפָאִ֖ים
(harefaim)
de Refaïeten
וַיִּכָּנֵֽעוּ
(vayikaneu)
en zij werden onderworpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gezer lag bij Tel Gezer, in het laagland ten westen van Jeruzalem (Israël).

Dat is zeker.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt niet wie ‘zij’ zijn die werden onderworpen.

Het zijn waarschijnlijk de Filistijnen.

הָרְפָאִים (harefa’im), ‘de Refaïeten’: een volk van grote mannen, zoals in Gen. 14:5 en Deut. 3:11. Vergelijk ‘Rafa’ in vers 6 en 8.

Lezing

In 2 Sam. 21:18 staat Gob in plaats van Gezer.

Daar heet de verslagene Saf, hier Sippai (סִפַּי).

Wij houden in elk boek de eigen vorm aan.

5Er was weer oorlog met de Filistijnen. Elchanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, de broer van Goliat, de Gattiet. De schacht van zijn speer was als een weversboom.
וַתְּהִי
(vatehi)
en was
ע֥וֹד
(od)
weer
מִלְחָמָ֖ה
(milchama)
oorlog
אֶת
(et)
met
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיַּ֞ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶלְחָנָ֣ן
(elchanan)
Elchanan
בֶּן
(ben)
zoon van
יָעִ֗יר
(yair)
Jaïr
אֶת
(et)
(obj.)
לַחְמִי֙
(lachmi)
Lachmi
אֲחִי֙
(achi)
broer van
גָּלְיָ֣ת
(galeyat)
Goliat
הַגִּתִּ֔י
(hagiti)
de Gattiet
וְעֵ֣ץ
(veets)
en de schacht van
חֲנִית֔וֹ
(chanito)
zijn speer
כִּמְנ֖וֹר
(kimnor)
als een balk van
אֹרְגִֽים
(oregim)
wevers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

מְנוֹר אֹרְגִים (menor orgim), ‘weversboom’: de balk van een weefgetouw.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) schrijft de naam van Elchanans vader als יָעוּר (Jaör).

Het qere heeft יָעִיר (Jaïr).

Wij volgen het qere.

In 2 Sam. 21:19 staat: ‘Elchanan, de zoon van Jaäre-Oregim, de Betlehemiet, sloeg Goliat, de Gattiet.’ Hier staat: ‘Elchanan, de zoon van Jaïr, sloeg Lachmi, de broer van Goliat, de Gattiet.’ Wij vertalen beide teksten zoals zij staan. Zie ook 1 Sam. 17:4, 49–51.

6Er was weer oorlog bij Gat. Daar was een man van grote lengte. Zijn vingers waren zes en zes, 24 in totaal. Ook hij was een afstammeling van Rafa.
וַתְּהִי
(vatehi)
en was
ע֥וֹד
(od)
weer
מִלְחָמָ֖ה
(milchama)
oorlog
בְּגַ֑ת
(begat)
bij Gat
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
אִ֣ישׁ
(ish)
een man van
מִדָּ֗ה
(mida)
grote lengte
וְאֶצְבְּעֹתָ֤יו
(veetsbeotav)
en zijn vingers
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
וָשֵׁשׁ֙
(vashesh)
en zes
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבַּ֔ע
(vearba)
en vier
וְגַם
(vegam)
en ook
ה֖וּא
(hu)
hij
נוֹלַ֥ד
(nolad)
was een afstammeling
לְהָרָפָֽא
(leharafa)
van Rafa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gat was een Filistijnse stad, waarschijnlijk Tell es-Safi (Israël).

Dat is waarschijnlijk.

Uitleg

אִישׁ מִדָּה (ish middah), ‘een man van grote lengte’: letterlijk ‘een man van maat’.

In 2 Sam. 21:20 staat מָדוֹן (madon), ‘lengte’ of ‘twist’, met het geschreven woord (ketiv) מדין.

Hier staat alleen ‘zijn vingers’: zes en zes, samen 24. In 2 Sam. 21:20 staan ‘de vingers van zijn handen en de tenen van zijn voeten’.

הָרָפָא (harafa), ‘Rafa’: een volk of een stamvader van grote mensen, verwant aan de Refaïeten. Zo ook in 2 Sam. 21:16.

7Hij hoonde Israël. Toen sloeg Jonatan, de zoon van Simea, de broer van David, hem neer.
וַיְחָרֵ֖ף
(vaycharef)
en hoonde
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיַּכֵּ֨הוּ֙
(vayakehu)
en sloeg hem neer
יְה֣וֹנָתָ֔ן
(yehonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
שִׁמְעָ֖א
(shima)
Simea
אֲחִ֥י
(achi)
broer van
דָוִֽיד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Simea is een broer van David (1 Kron. 2:13).

In 1 Sam. 16:9 heet hij Samma.

De zin kan ook betekenen dat Jonatan zelf ‘de broer van David’ is; het Hebreeuws laat dat open.

Wij houden dezelfde zinsbouw aan als in 2 Sam. 21:21.

8Dezen waren geboren aan Rafa in Gat. Zij vielen door de hand van David en door de hand van zijn dienaren.
אֵ֛ל
(el)
dezen
נוּלְּד֥וּ
(nuledu)
werden geboren
לְהָרָפָ֖א
(leharafa)
aan Rafa
בְּגַ֑ת
(begat)
in Gat
וַיִּפְּל֥וּ
(vayipelu)
en vielen
בְיַד
(beyad)
door de hand van
דָּוִ֖יד
(david)
David
וּבְיַד
(uveyad)
en door de hand van
עֲבָדָֽיו
(avadav)
zijn dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.

Dit is niet geheel zeker.

Lezing

Het Hebreeuws heeft hier אֵל (el), een korte vorm van אֵלֶּה (elleh), ‘dezen’.

Wij vertalen ‘dezen’.

In 2 Sam. 21:22 staat ‘deze vier’.