Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David zoekt iemand van het huis van Saul
1David zei: „Is er nog iemand over van het huis van Saul? Dan wil ik hem trouw bewijzen, omwille van Jonatan.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֔ד
(david)
David
הֲכִ֣י
(hakhi)
is er
יֶשׁ
(yesh)
nog
ע֔וֹד
(od)
iemand
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נוֹתַ֖ר
(notar)
is overgebleven
לְבֵ֣ית
(leveit)
van het huis van
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וְאֶעֱשֶׂ֤ה
(veeese)
dat ik doe
עִמּוֹ֙
(imo)
met hem
חֶ֔סֶד
(chesed)
trouw
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
omwille van
יְהוֹנָתָֽן
(yehonatan)
Jonatan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: trouw die uit verbondenheid voortkomt.
David had Jonatan trouw beloofd, ook voor zijn nageslacht (1 Sam. 20:14–17 en 1 Sam. 20:42).
2Er was een dienaar van het huis van Saul. Zijn naam was Ziba. Zij riepen hem bij David. De koning zei tegen hem: „Ben jij Ziba?” Hij zei: „Uw dienaar.”
וּלְבֵ֨ית
(uleveit)
en voor het huis van
שָׁא֥וּל
(shaul)
Saul
עֶ֨בֶד֙
(eved)
een dienaar
וּשְׁמ֣וֹ
(ushemo)
en zijn naam
צִיבָ֔א
(tsiva)
Ziba
וַיִּקְרְאוּ
(vayiqreu)
en zij riepen
ל֖וֹ
(lo)
hem
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֵלָ֛יו
(elav)
tot hem
הַאַתָּ֥ה
(haata)
ben jij
צִיבָ֖א
(tsiva)
Ziba
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3De koning zei: „Is er niemand meer van het huis van Saul? Dan wil ik hem de trouw van Elohim bewijzen.” Ziba zei tegen de koning: „Er is nog een zoon van Jonatan. Hij is kreupel aan zijn voeten.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַאֶ֨פֶס
(haefes)
is er niet
ע֥וֹד
(od)
nog
אִישׁ֙
(ish)
iemand
לְבֵ֣ית
(leveit)
van het huis van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וְאֶעֱשֶׂ֥ה
(veeese)
dat ik doe
עִמּ֖וֹ
(imo)
met hem
חֶ֣סֶד
(chesed)
trouw
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
van Elohim
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
צִיבָא֙
(tsiva)
Ziba
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
ע֛וֹד
(od)
nog
בֵּ֥ן
(ben)
een zoon
לִיהוֹנָתָ֖ן
(lihonatan)
van Jonatan
נְכֵ֥ה
(nekhe)
geslagen
רַגְלָֽיִם
(raglayim)
aan de voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶסֶד אֱלֹהִים (chesed Elohim), ‘de trouw van Elohim’: trouw die zich op Elohim beroept, een trouw onder ede (1 Sam. 20:14–17).
נְכֵה רַגְלַיִם (nekheh ragla’im), ‘kreupel aan zijn voeten’: letterlijk ‘geslagen aan de voeten’. Zie 2 Sam. 4:4, waar staat hoe dit gebeurde.
5Koning David liet hem halen uit het huis van Machir, de zoon van Ammiël, uit Lo-Debar.
וַיִּשְׁלַ֖ח
(vayishlach)
en stuurde
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיִּקָּחֵ֗הוּ
(vayiqachehu)
en nam hem
מִבֵּ֛ית
(mibeit)
uit het huis van
מָכִ֥יר
(makhir)
Machir
בֶּן
(ben)
zoon van
עַמִּיאֵ֖ל
(amiel)
Ammiël
מִלּ֥וֹ
(milo)
uit Lo
דְבָֽר
(devar)
Debar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Lo-Debar (ligging onzeker): Lo-Debar lag in Gilead, ten oosten van de Jordaan, niet ver van Mahanaïm.
De precieze plaats is niet bekend.
Mefiboset komt bij David
6Mefiboset, de zoon van Jonatan, de zoon van Saul, kwam bij David. Hij wierp zich op zijn gezicht neer en boog zich diep. David zei: „Mefiboset!” Hij zei: „Zie, uw dienaar.”
וַ֠יָּבֹא
(vayavo)
en kwam
מְפִיבֹ֨שֶׁת
(mefivoshet)
Mefiboset
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹנָתָ֤ן
(yehonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֔ד
(david)
David
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en hij viel
עַל
(al)
op
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
וַיִּשְׁתָּ֑חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִד֙
(david)
David
מְפִיבֹ֔שֶׁת
(mefivoshet)
Mefiboset
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Mefiboset heet in de Masoretische tekst מְפִיבֹשֶׁת (Mefivosjet).
7David zei tegen hem: „Wees niet bang. Want ik zal je zeker trouw bewijzen, omwille van Jonatan, je vader. Ik geef je al het akkerland van Saul, je vader, terug. En jij zult altijd brood eten aan mijn tafel.”
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
ל֨וֹ
(lo)
tot hem
דָוִ֜ד
(david)
David
אַל
(al)
niet
תִּירָ֗א
(tira)
wees bang
כִּ֣י
(ki)
want
עָשֹׂה֩
(aso)
doende
אֶעֱשֶׂ֨ה
(eese)
ik zal doen
עִמְּךָ֥
(imekha)
met jou
חֶ֨סֶד֙
(chesed)
trouw
בַּֽעֲבוּר֙
(baavur)
omwille van
יְהוֹנָתָ֣ן
(yehonatan)
Jonatan
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
וַהֲשִׁבֹתִ֣י
(vahashivoti)
en ik zal teruggeven
לְךָ֔
(lekha)
aan jou
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
שְׂדֵ֖ה
(sede)
het veld van
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
וְאַתָּ֗ה
(veata)
en jij
תֹּ֥אכַל
(tokhal)
zult eten
לֶ֛חֶם
(lechem)
brood
עַל
(al)
aan
שֻׁלְחָנִ֖י
(shulchani)
mijn tafel
תָּמִֽיד
(tamid)
altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׂדֵה (sedeh), ‘akkerland’: letterlijk ‘veld’.
Het gaat om het land dat bij het huis van Saul hoorde.
10Bewerk voor hem de grond, jij, je zonen en je dienaren. Breng de oogst binnen. Dan is er brood voor de zoon van je heer en zullen zij eten. Mefiboset, de zoon van je heer, zal altijd brood eten aan mijn tafel.” Ziba had vijftien zonen en twintig dienaren.
וְעָבַ֣דְתָּ
(veavadta)
en bewerk
לּ֣וֹ
(lo)
voor hem
אֶֽת
(et)
(obj.)
הָאֲדָמָ֡ה
(haadama)
de grond
אַתָּה֩
(ata)
jij
וּבָנֶ֨יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
וַעֲבָדֶ֜יךָ
(vaavadeikha)
en je dienaren
וְהֵבֵ֗אתָ
(veheveta)
en breng binnen
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en er zal zijn
לְבֶן
(leven)
voor de zoon van
אֲדֹנֶ֤יךָ
(adoneikha)
je heer
לֶּ֨חֶם֙
(lechem)
brood
וַאֲכָל֔וֹ
(vaakhalo)
en zij zullen eten
וּמְפִיבֹ֨שֶׁת֙
(umefivoshet)
en Mefiboset
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲדֹנֶ֔יךָ
(adoneikha)
je heer
יֹאכַ֥ל
(yokhal)
hij zal eten
תָּמִ֛יד
(tamid)
altijd
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
עַל
(al)
aan
שֻׁלְחָנִ֑י
(shulchani)
mijn tafel
וּלְצִיבָ֗א
(uletsiva)
en voor Ziba
חֲמִשָּׁ֥ה
(chamisha)
vijf
עָשָׂ֛ר
(asar)
tien
בָּנִ֖ים
(banim)
zonen
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
עֲבָדִֽים
(avadim)
dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws zegt alleen ‘en breng binnen’.
Wij vullen ‘de oogst’ aan, omdat het gaat om wat de grond opbrengt.
11Ziba zei tegen de koning: „Alles wat mijn heer de koning zijn dienaar beveelt, zo zal uw dienaar doen.” Mefiboset at aan mijn tafel als een van de zonen van de koning.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
צִיבָא֙
(tsiva)
Ziba
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כְּכֹל֩
(kekhol)
volgens alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
יְצַוֶּ֜ה
(yetsave)
zal bevelen
אֲדֹנִ֤י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
עַבְדּ֔וֹ
(avdo)
zijn dienaar
כֵּ֖ן
(ken)
zo
יַעֲשֶׂ֣ה
(yaase)
zal doen
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
uw dienaar
וּמְפִיבֹ֗שֶׁת
(umefivoshet)
en Mefiboset
אֹכֵל֙
(okhel)
eet
עַל
(al)
aan
שֻׁלְחָנִ֔י
(shulchani)
mijn tafel
כְּאַחַ֖ד
(keachad)
als een
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De Hebreeuwse tekst heeft hier ‘aan mijn tafel’, terwijl de verteller aan het woord is.
Dat zou beter passen bij een woord van David, of bij ‘aan zijn tafel’.