Elohim Bijbel

2 Samuël 14

123456789101112131415161718192021222324

De wijze vrouw uit Tekoa, Absalom komt terug

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Joab stuurt een wijze vrouw

1Joab, de zoon van Zeruja, merkte dat het hart van de koning naar Absalom uitging.
וַיֵּ֖דַע
(vayeda)
en wist
יוֹאָ֣ב
(yoav)
Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרֻיָ֑ה
(tseruya)
Zeruja
כִּֽי
(ki)
dat
לֵ֥ב
(lev)
het hart van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַל
(al)
naar
אַבְשָׁלֽוֹם
(avshalom)
Absalom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt dat het hart van de koning ‘op’ (עַל, al) Absalom was.

Het woord kan ‘naar … toe’ of ‘tegen’ betekenen.

Wij vertalen ‘naar Absalom uitging’, omdat Joab hem daarna terughaalt.

2Joab stuurde naar Tekoa en liet vandaar een wijze vrouw halen. Hij zei tegen haar: „Rouw toch. Trek toch rouwkleren aan en zalf je niet met olie. Wees als een vrouw die nu al vele dagen om een dode rouwt.
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en zond
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
תְּק֔וֹעָה
(teqoa)
naar Tekoa
וַיִּקַּ֥ח
(vayiqach)
en nam
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
אִשָּׁ֣ה
(isha)
vrouw
חֲכָמָ֑ה
(chakhama)
wijze
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵ֠לֶיהָ
(eleiha)
tot haar
הִֽתְאַבְּלִי
(hitabeli)
rouw
נָ֞א
(na)
toch
וְלִבְשִׁי
(velivshi)
en trek aan
נָ֣א
(na)
toch
בִגְדֵי
(bigdei)
kleren van
אֵ֗בֶל
(evel)
rouw
וְאַל
(veal)
en niet
תָּס֨וּכִי֙
(tasukhi)
zalf je
שֶׁ֔מֶן
(shemen)
olie
וְהָיִ֕ית
(vehayit)
en wees
כְּאִשָּׁ֗ה
(keisha)
als een vrouw
זֶ֚ה
(ze)
nu al
יָמִ֣ים
(yamim)
dagen
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
מִתְאַבֶּ֖לֶת
(mitabelet)
rouwend
עַל
(al)
om
מֵֽת
(met)
een dode
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tekoa ligt ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, bij Khirbet Tuqu’ in de Westelijke Jordaanoever.

De profeet Amos kwam uit Tekoa.

Uitleg

חֲכָמָה (chakhamah), ‘wijze’ vrouw: iemand die goed kan spreken en overtuigen.

Wij vertalen chakham overal als ‘wijs’ (zie ook 2 Sam. 13:3).

3Ga naar de koning en spreek tot hem met deze woorden.” Joab legde haar de woorden in de mond.
וּבָאת֙
(uvat)
en kom
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְדִבַּ֥רְתְּ
(vedibart)
en spreek
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
כַּדָּבָ֣ר
(kadavar)
volgens het woord
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וַיָּ֧שֶׂם
(vayasem)
en legde
יוֹאָ֛ב
(yoav)
Joab
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
בְּפִֽיהָ
(befiha)
in haar mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De vrouw spreekt tot de koning

4De vrouw uit Tekoa sprak met de koning. Zij viel op haar gezicht ter aarde, boog zich neer en zei: „Red, o koning.”
וַ֠תֹּאמֶר
(vatomer)
en zij zei
הָאִשָּׁ֤ה
(haisha)
de vrouw
הַתְּקֹעִית֙
(hateqoit)
de Tekoïtische
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַתִּפֹּ֧ל
(vatipol)
en viel
עַל
(al)
op
אַפֶּ֛יהָ
(apeiha)
haar gezicht
אַ֖רְצָה
(artsa)
ter aarde
וַתִּשְׁתָּ֑חוּ
(vatishtachu)
en boog zich neer
וַתֹּ֖אמֶר
(vatomer)
en zei
הוֹשִׁ֥עָה
(hoshia)
red
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
o koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda.

Uitleg

הוֹשִׁיעָה (hoshi’ah), ‘red’: de roep om hulp tot de koning als rechter.

5De koning zei tegen haar: „Wat is er met je?” Zij zei: „Ach, ik ben een weduwe. Mijn man is gestorven.
וַיֹּֽאמֶר
(vayomer)
en zei
לָ֥הּ
(lah)
tot haar
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מַה
(ma)
wat
לָּ֑ךְ
(lakh)
voor jou
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en zij zei
אֲבָ֛ל
(aval)
ach
אִשָּֽׁה
(isha)
vrouw
אַלְמָנָ֥ה
(almana)
weduwe
אָ֖נִי
(ani)
ik
וַיָּ֥מָת
(vayamat)
en stierf
אִישִֽׁי
(ishi)
mijn man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Uw dienares had twee zonen. Die twee kregen ruzie op het veld en er was niemand om hen te scheiden. De een sloeg de ander en doodde hem.
וּלְשִׁפְחָֽתְךָ֙
(uleshifchatekha)
en voor uw dienares
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
בָנִ֔ים
(banim)
zonen
וַיִּנָּצ֤וּ
(vayinatsu)
en zij twistten
שְׁנֵיהֶם֙
(sheneihem)
beiden
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
op het veld
וְאֵ֥ין
(veein)
en er was niet
מַצִּ֖יל
(matsil)
een redder
בֵּֽינֵיהֶ֑ם
(beineihem)
tussen hen
וַיַּכּ֧וֹ
(vayako)
en sloeg
הָאֶחָ֛ד
(haechad)
de een
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֶחָ֖ד
(haechad)
de ander
וַיָּ֥מֶת
(vayamet)
en doodde
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁפְחָה (shifchah), ‘dienares’: zo noemt de vrouw zichzelf.

In vers 15 en 16 gebruikt zij אָמָה (amah), ‘slavin’.

Wij houden dit verschil.

7Zie, de hele familie is tegen uw dienares opgestaan. Zij zeggen: ‘Geef ons degene die zijn broer heeft geslagen. Wij zullen hem doden voor het leven van zijn broer, die hij heeft gedood. Zo vernietigen wij ook de erfgenaam.’ Zo willen zij mijn laatste kool doven, die nog over is. Zij laten mijn man geen naam en geen overblijfsel na op het oppervlak van de grond.”
וְהִנֵּה֩
(vehine)
en zie
קָ֨מָה
(qama)
is opgestaan
כָֽל
(kal)
de hele
הַמִּשְׁפָּחָ֜ה
(hamishpacha)
familie
עַל
(al)
tegen
שִׁפְחָתֶ֗ךָ
(shifchatekha)
uw dienares
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zij zeiden
תְּנִ֣י
(teni)
geef
אֶת
(et)
(obj.)
מַכֵּ֣ה
(make)
de slager van
אָחִ֗יו
(achiv)
zijn broer
וּנְמִתֵ֨הוּ֙
(unemitehu)
en laten wij hem doden
בְּנֶ֤פֶשׁ
(benefesh)
voor het leven van
אָחִיו֙
(achiv)
zijn broer
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָרָ֔ג
(harag)
hij doodde
וְנַשְׁמִ֖ידָה
(venashmida)
en laten wij vernietigen
גַּ֣ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(obj.)
הַיּוֹרֵ֑שׁ
(hayoresh)
de erfgenaam
וְכִבּ֗וּ
(vekhibu)
en zij zullen doven
אֶת
(et)
(obj.)
גַּֽחַלְתִּי֙
(gachalti)
mijn kool
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נִשְׁאָ֔רָה
(nishara)
is overgebleven
לְבִלְתִּ֧י
(levilti)
om niet
שִׂים
(sim)
te leggen
לְאִישִׁ֛י
(leishi)
aan mijn man
שֵׁ֥ם
(shem)
naam
וּשְׁאֵרִ֖ית
(usheerit)
en overblijfsel
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֹּאֵל הַדָּם (go’el haddam), ‘losser van het bloed’ (zie vers 11 en Num. 35:19).

גַּחֶלֶת (gachelet), ‘kool’: het laatste vuur van het gezin.

אֲדָמָה (adamah), ‘grond’: de naam van haar man zou van de grond verdwijnen (vergelijk Deut. 25:6).

Lezing

Ketiv: שׁוֹם (shom); qere: שִׂים (sim), ‘leggen, achterlaten’.

Wij volgen het qere.

8De koning zei tegen de vrouw: „Ga naar huis. Ik zal opdracht geven in jouw zaak.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
לְכִ֣י
(lekhi)
ga
לְבֵיתֵ֑ךְ
(leveitekh)
naar je huis
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
אֲצַוֶּ֥ה
(atsave)
zal bevelen
עָלָֽיִךְ
(alayikh)
over jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9De vrouw uit Tekoa zei tegen de koning: „Mijn heer de koning, de schuld ligt op mij en op het huis van mijn vader. De koning en zijn troon zijn onschuldig.”
וַתֹּ֜אמֶר
(vatomer)
en zei
הָאִשָּׁ֤ה
(haisha)
de vrouw
הַתְּקוֹעִית֙
(hateqoit)
de Tekoïtische
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עָלַ֞י
(alay)
op mij
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הֶעָוֺ֖ן
(heavon)
de schuld
וְעַל
(veal)
en op
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
וְהַמֶּ֥לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
וְכִסְא֖וֹ
(vekhiso)
en zijn troon
נָקִֽי
(naqi)
onschuldig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda.

Uitleg

עָוֹן (avon), ‘schuld’: de vrouw biedt aan de schuld zelf te dragen.

10De koning zei: „Wie iets tegen je zegt, breng hem bij mij. Dan zal hij je niet meer aanraken.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַֽמְדַבֵּ֤ר
(hamdaber)
de sprekende
אֵלַ֨יִךְ֙
(elayikh)
tegen jou
וַֽהֲבֵאת֣וֹ
(vahaveto)
en breng hem
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יֹסִ֥יף
(yosif)
zal hij toevoegen
ע֖וֹד
(od)
nog
לָגַ֥עַת
(lagaat)
om aan te raken
בָּֽךְ
(bakh)
jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zij zei: „Laat de koning toch aan Yahweh, uw Elohim, denken. Dan zal de losser van het bloed niet nog meer verderf aanrichten en zullen zij mijn zoon niet uitroeien.” Hij zei: „Zo waar Yahweh leeft: geen haar van je zoon zal op de grond vallen.”
וַתֹּאמֶר֩
(vatomer)
en zij zei
יִזְכָּר
(yizkar)
laat denken
נָ֨א
(na)
toch
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֗יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
מֵהַרְבַּ֞ת
(meharbat)
van het toenemen van
גֹּאֵ֤ל
(goel)
de losser van
הַדָּם֙
(hadam)
het bloed
לְשַׁחֵ֔ת
(leshachet)
om te verderven
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יַשְׁמִ֖ידוּ
(yashmidu)
laten uitroeien
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
חַי
(chay)
leeft
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
indien
יִפֹּ֛ל
(yipol)
zal vallen
מִשַּׂעֲרַ֥ת
(misaarat)
van de haren van
בְּנֵ֖ךְ
(benekh)
je zoon
אָֽרְצָה
(aretsa)
ter aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eed.

De koning zweert dat de zoon niets zal overkomen.

Lezing

Ketiv: מהרבית (meharbit); qere: מֵהַרְבַּת (meharbat), ‘van het toenemen van’.

Wij volgen het qere.

12De vrouw zei: „Laat uw dienares toch een woord spreken tot mijn heer de koning.” Hij zei: „Spreek.”
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zei
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
תְּדַבֶּר
(tedaber)
laat spreken
נָ֧א
(na)
toch
שִׁפְחָתְךָ֛
(shifchatekha)
uw dienares
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּבָ֑ר
(davar)
een woord
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דַּבֵּֽרִי
(daberi)
spreek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13De vrouw zei: „Waarom hebt u zoiets bedacht tegen het volk van Elohim? Want als de koning dit woord spreekt, staat hij als schuldige, omdat de koning zijn verbannene niet terughaalt.
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zei
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
וְלָ֧מָּה
(velama)
en waarom
חָשַׁ֛בְתָּה
(chashavta)
heb je bedacht
כָּזֹ֖את
(kazot)
zoiets
עַל
(al)
tegen
עַ֣ם
(am)
het volk van
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וּמִדַּבֵּ֨ר
(umidaber)
en met spreken
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַדָּבָ֤ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּה֙
(haze)
dit
כְּאָשֵׁ֔ם
(keashem)
als een schuldige
לְבִלְתִּ֛י
(levilti)
om niet
הָשִׁ֥יב
(hashiv)
terug te brengen
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶֽת
(et)
(obj.)
נִדְּחֽוֹ
(nidecho)
zijn verbannene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִדָּח (niddach), ‘verbannene’: de vrouw bedoelt Absalom, die in ballingschap is.

Het woord komt ook in vers 14 voor.

Lezing

Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk.

Letterlijk staat er: ‘en in het spreken van de koning dit woord als een schuldige’.

Wij vertalen: de koning staat als schuldige, omdat hij zijn verbannene niet terughaalt.

14Want wij zullen zeker sterven. Wij zijn als water dat op de grond is uitgegoten en niet meer verzameld kan worden. Maar Elohim neemt geen leven weg. Hij bedenkt wegen, zodat de verbannene niet van Hem verbannen blijft.
כִּי
(ki)
want
מ֣וֹת
(mot)
dood
נָמ֔וּת
(namut)
wij zullen sterven
וְכַמַּ֨יִם֙
(vekhamayim)
en als water
הַנִּגָּרִ֣ים
(hanigarim)
dat wordt uitgegoten
אַ֔רְצָה
(artsa)
ter aarde
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
לֹ֣א
(lo)
niet
יֵאָסֵ֑פוּ
(yeasefu)
kan worden verzameld
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִשָּׂ֤א
(yisa)
neemt weg
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
נֶ֔פֶשׁ
(nefesh)
een leven
וְחָשַׁב֙
(vechashav)
en Hij bedenkt
מַֽחֲשָׁב֔וֹת
(machashavot)
plannen
לְבִלְתִּ֛י
(levilti)
om niet
יִדַּ֥ח
(yidach)
te verbannen
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
van Hem
נִדָּֽח
(nidach)
een verbannene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְלֹא־יִשָּׂא אֱלֹהִים נָפֶשׁ (velo yissa Elohim nafesh), letterlijk ‘en Elohim neemt/draagt geen leven’.

Dit kan ‘Elohim neemt geen leven weg’ betekenen, maar ook ‘Elohim ziet het leven niet aan’.

Wij vertalen ‘neemt geen leven weg’, omdat daarna een plan voor de verbannene volgt.

15Nu, dat ik dit woord tot mijn heer de koning ben komen zeggen, komt doordat het volk mij bang heeft gemaakt. Uw dienares dacht: ‘Laat ik toch tot de koning spreken. Misschien voert de koning het woord van zijn slavin uit.
וְ֠עַתָּה
(veata)
en nu
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּ֜אתִי
(bati)
ik ben gekomen
לְדַבֵּ֨ר
(ledaber)
om te spreken
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲדֹנִי֙
(adoni)
mijn heer
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
כִּ֥י
(ki)
want
יֵֽרְאֻ֖נִי
(yereuni)
hebben bang gemaakt mij
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en zei
שִׁפְחָֽתְךָ֙
(shifchatekha)
uw dienares
אֲדַבְּרָה
(adabera)
laat mij spreken
נָּ֣א
(na)
toch
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אוּלַ֛י
(ulay)
misschien
יַעֲשֶׂ֥ה
(yaase)
zal doen
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֥ר
(devar)
het woord van
אֲמָתֽוֹ
(amato)
zijn slavin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Want de koning zal luisteren om zijn slavin te redden uit de hand van de man. Hij wil mij en mijn zoon samen uitroeien uit het erfdeel van Elohim.’
כִּ֚י
(ki)
want
יִשְׁמַ֣ע
(yishma)
zal luisteren
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְהַצִּ֥יל
(lehatsil)
om te redden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲמָת֖וֹ
(amato)
zijn slavin
מִכַּ֣ף
(mikaf)
uit de hand van
הָאִ֑ישׁ
(haish)
de man
לְהַשְׁמִ֨יד
(lehashmid)
om uit te roeien
אֹתִ֤י
(oti)
mij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנִי֙
(beni)
mijn zoon
יַ֔חַד
(yachad)
samen
מִֽנַּחֲלַ֖ת
(minachalat)
uit het erfdeel van
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Uw dienares dacht: ‘Het woord van mijn heer de koning zal mij tot rust zijn.’ Want mijn heer de koning is als de engel van Elohim: hij hoort wat goed is en wat kwaad is. Moge Yahweh, uw Elohim, met u zijn.”
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zei
שִׁפְחָ֣תְךָ֔
(shifchatekha)
uw dienares
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
נָּ֛א
(na)
toch
דְּבַר
(devar)
het woord van
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לִמְנוּחָ֑ה
(limnucha)
tot rust
כִּ֣י
(ki)
want
כְּמַלְאַ֣ךְ
(kemalakh)
zoals de engel van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
כֵּ֣ן
(ken)
zo
אֲדֹנִ֤י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
לִשְׁמֹ֨עַ֙
(lishmoa)
om te horen
הַטּ֣וֹב
(hatov)
het goede
וְהָרָ֔ע
(vehara)
en het kwade
וַֽיהוָ֥ה
(vaYahweh)
en Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
יְהִ֥י
(yehi)
moge zijn
עִמָּֽךְ
(imakh)
met u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאַךְ הָאֱלֹהִים (mal’akh ha’Elohim), ‘engel van Elohim’: een beeld voor iemand die helder oordeelt en alles doorziet.

Het komt ook voor in vers 20.

De koning doorziet Joabs plan

18De koning antwoordde de vrouw: „Verberg toch niets voor mij van wat ik je ga vragen.” De vrouw zei: „Laat mijn heer de koning spreken.”
וַיַּ֣עַן
(vayaan)
en antwoordde
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
הָ֣אִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
אַל
(al)
niet
נָ֨א
(na)
toch
תְכַחֲדִ֤י
(tekhachadi)
verberg
מִמֶּ֨נִּי֙
(mimeni)
voor mij
דָּבָ֔ר
(davar)
een woord
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
שֹׁאֵ֣ל
(shoel)
vraag
אֹתָ֑ךְ
(otakh)
jou
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zei
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
יְדַבֶּר
(yedaber)
laat spreken
נָ֖א
(na)
toch
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De koning zei: „Is de hand van Joab met je in dit alles?” De vrouw antwoordde: „Zo waar u leeft, mijn heer de koning. Niemand kan naar rechts of naar links afwijken van alles wat mijn heer de koning zegt. Want uw dienaar Joab, hij heeft mij opdracht gegeven. Hij heeft al deze woorden in de mond van uw dienares gelegd.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הֲיַ֥ד
(hayad)
is de hand van
יוֹאָ֛ב
(yoav)
Joab
אִתָּ֖ךְ
(itakh)
met jou
בְּכָל
(bekhal)
in al
זֹ֑את
(zot)
dit
וַתַּ֣עַן
(vataan)
en antwoordde
הָאִשָּׁ֣ה
(haisha)
de vrouw
וַתֹּ֡אמֶר
(vatomer)
en zei
חֵֽי
(chei)
zo waar leeft
נַפְשְׁךָ֩
(nafshekha)
uw ziel
אֲדֹנִ֨י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אִם
(im)
indien
אִ֣שׁ
(ish)
iemand is
לְהֵמִ֣ין
(lehemin)
om naar rechts te gaan
וּלְהַשְׂמִ֗יל
(ulehasmil)
of naar links
מִכֹּ֤ל
(mikol)
van alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
דִּבֶּר֙
(diber)
heeft gesproken
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּֽי
(ki)
want
עַבְדְּךָ֤
(avdekha)
uw dienaar
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
ה֣וּא
(hu)
hij
צִוָּ֔נִי
(tsivani)
heeft bevolen mij
וְה֗וּא
(vehu)
en hij
שָׂ֚ם
(sam)
legde
בְּפִ֣י
(befi)
in de mond van
שִׁפְחָֽתְךָ֔
(shifchatekha)
uw dienares
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵי נַפְשְׁךָ (chei nafshekha), ‘zo waar uw ziel leeft’: een eed.

Wij vertalen ‘zo waar u leeft’.

20Om de zaak een andere gedaante te geven, heeft uw dienaar Joab dit gedaan. Maar mijn heer is wijs, met de wijsheid van de engel van Elohim, om alles te weten wat er op aarde is.”
לְבַעֲב֤וּר
(levaavur)
om
סַבֵּב֙
(sabev)
te draaien
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֣י
(penei)
het gelaat van
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
de zaak
עָשָׂ֛ה
(asa)
heeft gedaan
עַבְדְּךָ֥
(avdekha)
uw dienaar
יוֹאָ֖ב
(yoav)
Joab
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַאדֹנִ֣י
(vadoni)
en mijn heer
חָכָ֗ם
(chakham)
wijs
כְּחָכְמַת֙
(kechakhemat)
zoals de wijsheid van
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
de engel van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
לָדַ֖עַת
(ladaat)
om te weten
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
op aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְסַבֵּב אֶת־פְּנֵי הַדָּבָר (lesabbev et penei haddavar), letterlijk ‘het gelaat van de zaak omdraaien’.

Wij vertalen: ‘de zaak een andere gedaante geven’.

Absalom mag terugkomen

21De koning zei tegen Joab: „Zie, ik heb dit toch gedaan. Ga, breng de jongen Absalom terug.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֥א
(na)
toch
עָשִׂ֖יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְלֵ֛ךְ
(velekh)
en ga
הָשֵׁ֥ב
(hashev)
breng terug
אֶת
(et)
(obj.)
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְשָׁלֽוֹם
(avshalom)
Absalom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De koning zegt: ‘ik heb dit gedaan’.

Hij stemt in met wat de vrouw namens Joab heeft gevraagd.

22Joab viel met zijn gezicht ter aarde, boog zich neer en zegende de koning. Joab zei: „Vandaag weet uw dienaar dat ik gunst heb gevonden in uw ogen, mijn heer de koning. Want de koning heeft het woord van uw dienaar gedaan.”
וַיִּפֹּל֩
(vayipol)
en viel
יוֹאָ֨ב
(yoav)
Joab
אֶל
(el)
op
פָּנָ֥יו
(panav)
zijn gezicht
אַ֛רְצָה
(artsa)
ter aarde
וַיִּשְׁתַּ֖חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
וַיְבָ֣רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹאָ֡ב
(yoav)
Joab
הַיּוֹם֩
(hayom)
vandaag
יָדַ֨ע
(yada)
weet
עַבְדְּךָ֜
(avdekha)
uw dienaar
כִּי
(ki)
dat
מָצָ֨אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵ֤ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֨יךָ֙
(beeineikha)
in uw ogen
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁר
(asher)
omdat
עָשָׂ֥ה
(asa)
heeft gedaan
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֥ר
(devar)
het woord van
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Ketiv: עַבְדּוֹ (avdo), ‘zijn dienaar’; qere: עַבְדֶּךָ (avdekha), ‘uw dienaar’.

Wij volgen het qere.

23Joab stond op, ging naar Gesur en bracht Absalom naar Jeruzalem.
וַיָּ֥קָם
(vayaqam)
en stond op
יוֹאָ֖ב
(yoav)
Joab
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
גְּשׁ֑וּרָה
(geshura)
naar Gesur
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en bracht
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְשָׁל֖וֹם
(avshalom)
Absalom
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gesur (ligging onzeker): Gesur was een klein Aramees koninkrijk ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, in de Golan en het zuiden van Syrië.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

24De koning zei: „Hij moet naar zijn eigen huis gaan. Mijn gezicht mag hij niet zien.” Absalom ging naar zijn huis en zag het gezicht van de koning niet.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
יִסֹּ֣ב
(yisov)
laat hem zich keren
אֶל
(el)
naar
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וּפָנַ֖י
(ufanay)
en mijn gezicht
לֹ֣א
(lo)
niet
יִרְאֶ֑ה
(yire)
zal hij zien
וַיִּסֹּ֤ב
(vayisov)
en keerde zich
אַבְשָׁלוֹם֙
(avshalom)
Absalom
אֶל
(el)
naar
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וּפְנֵ֥י
(ufenei)
en het gezicht van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֹ֥א
(lo)
niet
רָאָֽה
(raa)
zag hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Absalom, mooi en rijk behaard

25In heel Israël was er geen man die zo mooi was als Absalom en zo zeer geprezen werd. Van zijn voetzool tot zijn kruin was er geen gebrek aan hem.
וּכְאַבְשָׁל֗וֹם
(ukheavshalom)
en zoals Absalom
לֹא
(lo)
niet
הָיָ֧ה
(haya)
was
אִישׁ
(ish)
man
יָפֶ֛ה
(yafe)
mooi
בְּכָל
(bekhal)
in heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְהַלֵּ֣ל
(lehalel)
om geprezen te worden
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
מִכַּ֤ף
(mikaf)
van de zool van
רַגְלוֹ֙
(raglo)
zijn voet
וְעַ֣ד
(vead)
en tot
קָדְקֳד֔וֹ
(qadeqodo)
zijn kruin
לֹא
(lo)
niet
הָ֥יָה
(haya)
was
ב֖וֹ
(bo)
aan hem
מֽוּם
(mum)
gebrek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Hij liet zijn hoofd scheren, telkens aan het einde van een bepaalde tijd. Want het haar werd hem te zwaar, daarom liet hij het scheren. Het haar van zijn hoofd woog 200 sikkel, volgens de gewichtssteen van de koning.
וּֽבְגַלְּחוֹ֮
(uvegalecho)
en bij het scheren van
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשׁוֹ֒
(rosho)
zijn hoofd
וְֽ֠הָיָה
(vehaya)
en het was
מִקֵּ֨ץ
(miqets)
aan het einde van
יָמִ֤ים
(yamim)
dagen
לַיָּמִים֙
(layamim)
tot dagen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יְגַלֵּ֔חַ
(yegaleach)
hij schoor
כִּֽי
(ki)
want
כָבֵ֥ד
(kaved)
zwaar
עָלָ֖יו
(alav)
op hem
וְגִלְּח֑וֹ
(vegilecho)
en zij schoren het
וְשָׁקַל֙
(veshaqal)
en woog
אֶת
(et)
(obj.)
שְׂעַ֣ר
(sear)
het haar van
רֹאשׁ֔וֹ
(rosho)
zijn hoofd
מָאתַ֥יִם
(matayim)
tweehonderd
שְׁקָלִ֖ים
(sheqalim)
sikkels
בְּאֶ֥בֶן
(beeven)
volgens de steen van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: ongeveer 11,4 gram. 200 sikkel is dus ongeveer 2,3 kilo.

אֶבֶן (even), ‘steen’: de gewichtssteen.

De ‘steen van de koning’ is een gewicht van het koninklijk hof.

Hoe zwaar die steen precies was, is onzeker.

27Aan Absalom werden drie zonen geboren en één dochter. Zij heette Tamar. Zij was een vrouw met een mooi uiterlijk.
וַיִּֽוָּלְד֤וּ
(vayivaledu)
en werden geboren
לְאַבְשָׁלוֹם֙
(leavshalom)
aan Absalom
שְׁלוֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
בָנִ֔ים
(banim)
zonen
וּבַ֥ת
(uvat)
en dochter
אַחַ֖ת
(achat)
één
וּשְׁמָ֣הּ
(ushemah)
en haar naam
תָּמָ֑ר
(tamar)
Tamar
הִ֣יא
(hi)
zij
הָיְתָ֔ה
(hayeta)
was
אִשָּׁ֖ה
(isha)
vrouw
יְפַ֥ת
(yefat)
mooi van
מַרְאֶֽה
(mare)
aanzien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Volgens 2 Sam. 18:18 had Absalom geen zoon om zijn naam levend te houden.

Het Hebreeuws zegt hier ‘drie zonen’.

Wij laten dit zo staan.

Twee jaar zonder het gezicht van de koning

28Absalom woonde twee volle jaren in Jeruzalem. Het gezicht van de koning zag hij niet.
וַיֵּ֧שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
אַבְשָׁל֛וֹם
(avshalom)
Absalom
בִּירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
שְׁנָתַ֣יִם
(shenatayim)
twee
יָמִ֑ים
(yamim)
volle jaren
וּפְנֵ֥י
(ufenei)
en het gezicht van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֹ֥א
(lo)
niet
רָאָֽה
(raa)
zag hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

29Absalom stuurde bericht naar Joab om hem naar de koning te sturen, maar Joab wilde niet naar hem toe komen. Hij stuurde nog een tweede keer, maar hij wilde niet komen.
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en zond
אַבְשָׁל֜וֹם
(avshalom)
Absalom
אֶל
(el)
naar
יוֹאָ֗ב
(yoav)
Joab
לִשְׁלֹ֤חַ
(lishloach)
om te zenden
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָבָ֖ה
(ava)
wilde
לָב֣וֹא
(lavo)
komen
אֵלָ֑יו
(elav)
naar hem
וַיִּשְׁלַ֥ח
(vayishlach)
en zond
עוֹד֙
(od)
nog
שֵׁנִ֔ית
(shenit)
een tweede maal
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָבָ֖ה
(ava)
wilde
לָבֽוֹא
(lavo)
komen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Toen zei hij tegen zijn dienaren: „Kijk, het stuk land van Joab ligt naast het mijne. Hij heeft daar gerst. Ga en steek het in brand.” De dienaren van Absalom staken het stuk land in brand.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
עֲבָדָ֜יו
(avadav)
zijn dienaren
רְאוּ֩
(reu)
ziet
חֶלְקַ֨ת
(chelqat)
het stuk land van
יוֹאָ֤ב
(yoav)
Joab
אֶל
(el)
naast
יָדִי֙
(yadi)
mijn hand
וְלוֹ
(velo)
en voor hem
שָׁ֣ם
(sham)
daar
שְׂעֹרִ֔ים
(seorim)
gerst
לְכ֖וּ
(lekhu)
gaat
וְהַצִּית֣וּהָ
(vehatsituha)
en steekt het in brand
בָאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
וַיַּצִּ֜תוּ
(vayatsitu)
en staken in brand
עַבְדֵ֧י
(avdei)
de dienaren van
אַבְשָׁל֛וֹם
(avshalom)
Absalom
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶלְקָ֖ה
(hachelqa)
het stuk land
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Ketiv: וְהוּצַתִּיהָ (vehutsattiha), ‘en ik zal het in brand steken’; qere: וְהַצִּיתוּהָ (vehatsituha), ‘en steek het in brand’.

Wij volgen het qere.

31Joab stond op en ging naar Absalom, naar zijn huis. Hij zei tegen hem: „Waarom hebben uw dienaren het stuk land dat van mij is, in brand gestoken?”
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
naar
אַבְשָׁל֖וֹם
(avshalom)
Absalom
הַבָּ֑יְתָה
(habayeta)
naar huis
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
הִצִּ֧יתוּ
(hitsitu)
staken in brand
עֲבָדֶ֛ךָ
(avadekha)
uw dienaren
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶלְקָ֥ה
(hachelqa)
het stuk land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
לִ֖י
(li)
van mij
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Absalom zei tegen Joab: „Zie, ik heb bericht naar je gestuurd. Ik zei: ‘Kom hierheen, dan stuur ik je naar de koning om te zeggen: Waarom ben ik uit Gesur gekomen? Het was beter voor mij geweest als ik daar nog was.’ Laat mij nu het gezicht van de koning zien. En als er schuld in mij is, laat hij mij dan doden.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אַבְשָׁל֣וֹם
(avshalom)
Absalom
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֡ב
(yoav)
Joab
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
שָׁלַ֣חְתִּי
(shalachti)
ik zond
אֵלֶ֣יךָ
(eleikha)
tot jou
לֵאמֹ֡ר
(lemor)
zeggende
בֹּ֣א
(bo)
kom
הֵ֠נָּה
(hena)
hierheen
וְאֶשְׁלְחָה֩
(veeshlecha)
en laat mij zenden
אֹתְךָ֨
(otekha)
jou
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
בָּ֨אתִי֙
(bati)
ben ik gekomen
מִגְּשׁ֔וּר
(migeshur)
uit Gesur
ט֥וֹב
(tov)
goed
לִ֖י
(li)
voor mij
עֹ֣ד
(od)
nog
אֲנִי
(ani)
ik
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
אֶרְאֶה֙
(ere)
laat mij zien
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאִם
(veim)
en als
יֶשׁ
(yesh)
is er
בִּ֥י
(bi)
in mij
עָוֺ֖ן
(avon)
schuld
וֶהֱמִתָֽנִי
(vehemitani)
en laat hem mij doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gesur (ligging onzeker): Gesur was een klein Aramees koninkrijk ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, in de Golan en het zuiden van Syrië.

De precieze plaats is niet bekend.

David kust Absalom

33Joab ging naar de koning en vertelde het hem. De koning riep Absalom. Absalom kwam bij de koning en boog zich voor hem neer, met zijn gezicht ter aarde, voor de koning. De koning kuste Absalom.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwam
יוֹאָ֣ב
(yoav)
Joab
אֶל
(el)
naar
הַמֶּלֶךְ֮
(hamelekh)
de koning
וַיַּגֶּד
(vayaged)
en vertelde
לוֹ֒
(lo)
hem
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
אֶל
(el)
naar
אַבְשָׁלוֹם֙
(avshalom)
Absalom
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en hij kwam
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיִּשְׁתַּ֨חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
ל֧וֹ
(lo)
voor hem
עַל
(al)
op
אַפָּ֛יו
(apav)
zijn gezicht
אַ֖רְצָה
(artsa)
ter aarde
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het gezicht van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיִּשַּׁ֥ק
(vayishaq)
en kuste
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְאַבְשָׁלֽוֹם
(leavshalom)
Absalom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De kus is het teken van verzoening.

Absalom had drie jaar in Gesur en twee jaar in Jeruzalem zonder zijn vader doorgebracht (13:38; 14:28).