Elohim Bijbel

Spreuken 13

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Spreuken over tucht, woorden, rijkdom en de weg van de wijze

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Een wijze zoon luistert naar de tucht van een vader, maar een spotter hoort geen bestraffing.
בֵּ֣ן
(ben)
een zoon
חָ֭כָם
(chakham)
wijze
מ֣וּסַר
(musar)
tucht van
אָ֑ב
(av)
een vader
וְ֝לֵ֗ץ
(velets)
maar een spotter
לֹא
(lo)
niet
שָׁמַ֥ע
(shama)
heeft gehoord
גְּעָרָֽה
(geara)
bestraffing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוּסָר (musar), ‘tucht’: het woord betekent ook ‘onderricht’ en ‘vermaning’.

גְּעָרָה (ge’arah), ‘bestraffing’. Wij gebruiken ‘terechtwijzing’ voor תּוֹכַחַת (tokhachat), zie vers 18.

לֵץ (letz), ‘spotter’: wie niets serieus neemt en wijsheid afwijst.

Lezing

De eerste helft heeft in het Hebreeuws geen werkwoord: ‘een wijze zoon – tucht van een vader’.

Wij vullen ‘luistert’ aan uit de tweede helft (שָׁמַע, shama).

Zie ook Spr. 10:1.

2Van de vrucht van zijn mond eet een man het goede, maar de begeerte van de trouwelozen is geweld.
מִפְּרִ֣י
(miperi)
van de vrucht van
פִי
(pi)
de mond van
אִ֭ישׁ
(ish)
een man
יֹ֣אכַל
(yokhal)
eet hij
ט֑וֹב
(tov)
het goede
וְנֶ֖פֶשׁ
(venefesh)
en de begeerte van
בֹּגְדִ֣ים
(bogedim)
trouwelozen
חָמָֽס
(chamas)
geweld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het woord betekent ook ‘leven’, ‘persoon’ en ‘begeerte’.

Wij vertalen steeds naar wat de zin vraagt: hier ‘begeerte’.

בֹּגְדִים (bogedim), ‘trouwelozen’: mensen die trouw breken en anderen bedriegen.

3Wie zijn mond bewaakt, behoedt zijn leven. Wie zijn lippen wijd opent, krijgt ondergang.
נֹצֵ֣ר
(notser)
wie bewaakt
פִּ֭יו
(piv)
zijn mond
שֹׁמֵ֣ר
(shomer)
behoedt
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zijn leven
פֹּשֵׂ֥ק
(poseq)
wie wijd opent
שְׂ֝פָתָ֗יו
(sefatav)
zijn lippen
מְחִתָּה
(mechita)
ondergang
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֹּשֵׂק (poseq), ‘wijd openen’: wie zijn lippen niet in bedwang houdt.

מְחִתָּה (mechittah), ‘ondergang’, ook ‘verschrikking’.

Hier betekent נֶפֶשׁ (nefesh) ‘leven’.

4De luiaard verlangt, maar zijn begeerte krijgt niets. De begeerte van de ijverigen wordt verzadigd.
מִתְאַוָּ֣ה
(mitava)
verlangt
וָ֭אַיִן
(vaayin)
en niets
נַפְשׁ֣וֹ
(nafsho)
zijn begeerte
עָצֵ֑ל
(atsel)
de luiaard
וְנֶ֖פֶשׁ
(venefesh)
en de begeerte van
חָרֻצִ֣ים
(charutsim)
ijverigen
תְּדֻשָּֽׁן
(tedushan)
wordt verzadigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּדֻשָּׁן (tedushan), letterlijk ‘wordt vet gemaakt’: wordt rijkelijk verzadigd.

חָרוּצִים (charutsim), ‘ijverigen’: wie hard werkt.

5Een rechtvaardige haat een woord van leugen, maar een goddeloze stinkt en komt in schande.
דְּבַר
(devar)
een woord van
שֶׁ֭קֶר
(sheqer)
leugen
יִשְׂנָ֣א
(yisna)
haat
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
een rechtvaardige
וְ֝רָשָׁ֗ע
(verasha)
en een goddeloze
יַבְאִ֥ישׁ
(yavish)
stinkt
וְיַחְפִּֽיר
(veyachpir)
en komt in schande
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יַבְאִישׁ (yav’ish), ‘stinkt’: hij wordt weerzinwekkend voor anderen.

יַחְפִּיר (yachpir), ‘komt in schande’: hij wordt beschaamd.

6Gerechtigheid behoedt wie onberispelijk is op zijn weg, maar goddeloosheid brengt de zondaar ten val.
צְ֭דָקָה
(tsedaqa)
gerechtigheid
תִּצֹּ֣ר
(titsor)
behoedt
תָּם
(tam)
de onberispelijke van
דָּ֑רֶךְ
(darekh)
weg
וְ֝רִשְׁעָ֗ה
(verisha)
en goddeloosheid
תְּסַלֵּ֥ף
(tesalef)
brengt ten val
חַטָּֽאת
(chatat)
de zondaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

חַטָּאת (chatta’t) is letterlijk ‘zonde’ (ook ‘zondoffer’).

Wij lezen het als wie zondigt: ‘de zondaar’.

Letterlijk: ‘goddeloosheid brengt zonde ten val’.

7Er is er een die zich rijk voordoet en niets heeft. Er is er een die zich arm voordoet en veel vermogen heeft.
יֵ֣שׁ
(yesh)
er is er een
מִ֭תְעַשֵּׁר
(mitasher)
die zich rijk voordoet
וְאֵ֣ין
(veein)
en niets
כֹּ֑ל
(kol)
alles
מִ֝תְרוֹשֵׁ֗שׁ
(mitroshesh)
die zich arm voordoet
וְה֣וֹן
(vehon)
en vermogen
רָֽב
(rav)
veel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִתְעַשֵּׁר (mit’asher) en מִתְרוֹשֵׁשׁ (mitroshesh): beide woorden kunnen ‘zich voordoen als’ en ‘zich maken’ betekenen.

De spreuk gaat over de schijn en de werkelijkheid van rijkdom.

הוֹן (hon), ‘vermogen’.

8De losprijs voor het leven van een man is zijn rijkdom, maar een berooide hoort geen bestraffing.
כֹּ֣פֶר
(kofer)
losprijs voor
נֶֽפֶשׁ
(nefesh)
het leven van
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
עָשְׁר֑וֹ
(ashero)
zijn rijkdom
וְ֝רָ֗שׁ
(verash)
maar een berooide
לֹא
(lo)
niet
שָׁמַ֥ע
(shama)
heeft gehoord
גְּעָרָֽה
(geara)
bestraffing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֹּפֶר (kofer), ‘losprijs’: wat iemand betaalt om vrij te komen.

רָשׁ (rash), ‘berooide’: iemand die niets bezit.

9Het licht van de rechtvaardigen verheugt zich, maar de lamp van de goddelozen dooft.
אוֹר
(or)
het licht van
צַדִּיקִ֥ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
יִשְׂמָ֑ח
(yismach)
verheugt zich
וְנֵ֖ר
(vener)
en de lamp van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
יִדְעָֽךְ
(yidakh)
dooft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִשְׂמָח (yismach), ‘verheugt zich’: het licht wordt als een levend wezen voorgesteld.

Vergelijk Spr. 24:20.

10Alleen door overmoed ontstaat strijd, maar bij wie zich laten raden is wijsheid.
רַק
(raq)
alleen
בְּ֭זָדוֹן
(bezadon)
door overmoed
יִתֵּ֣ן
(yiten)
ontstaat
מַצָּ֑ה
(matsa)
strijd
וְאֶת
(veet)
en bij
נ֖וֹעָצִ֣ים
(noatsim)
wie zich laten raden
חָכְמָֽה
(chakhema)
wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַצָּה (matsah), ‘strijd’.

נוֹעָצִים (no’atsim), ‘wie zich laten raden’: wie raad vraagt en aanneemt.

Lezing

Letterlijk: ‘alleen door overmoed geeft men strijd’.

Het onderwerp van ‘geeft’ staat niet in het Hebreeuws; wij schrijven ‘ontstaat’.

11Vermogen uit damp wordt minder, maar wie met de hand verzamelt, vermeerdert het.
ה֭וֹן
(hon)
vermogen
מֵהֶ֣בֶל
(mehevel)
uit damp
יִמְעָ֑ט
(yimat)
wordt minder
וְקֹבֵ֖ץ
(veqovets)
en wie verzamelt
עַל
(al)
met
יָ֣ד
(yad)
de hand
יַרְבֶּֽה
(yarbe)
vermeerdert het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵהֶבֶל (mehevel), letterlijk ‘uit damp’: vermogen dat snel of oneerlijk is verkregen en daarom verdwijnt als damp.

עַל יָד (al yad), letterlijk ‘op de hand’: met eigen hand, beetje bij beetje.

12Een verwachting die wordt uitgesteld, maakt het hart ziek, maar een wens die uitkomt is een boom van leven.
תּוֹחֶ֣לֶת
(tochelet)
verwachting
מְ֭מֻשָּׁכָה
(memushakha)
uitgesteld
מַחֲלָה
(machala)
maakt ziek
לֵ֑ב
(lev)
het hart
וְעֵ֥ץ
(veets)
en een boom van
חַ֝יִּ֗ים
(chayim)
leven
תַּאֲוָ֥ה
(taava)
een wens
בָאָֽה
(baa)
die uitkomt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵץ חַיִּים (ets chayim), ‘boom van leven’: zie Gen. 2:9 en Spr. 3:18; 11:30; 15:4.

מְמֻשָּׁכָה (memushakah), ‘uitgesteld’: letterlijk ‘lang uitgerekt’.

13Wie het woord veracht, richt zichzelf te gronde, maar wie het gebod vreest, wordt beloond.
בָּ֣ז
(baz)
wie veracht
לְ֭דָבָר
(ledavar)
het woord
יֵחָ֣בֶל
(yechavel)
richt te gronde
ל֑וֹ
(lo)
zichzelf
וִירֵ֥א
(vire)
en wie vreest
מִ֝צְוָ֗ה
(mitsva)
het gebod
ה֣וּא
(hu)
hij
יְשֻׁלָּֽם
(yeshulam)
wordt beloond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְשֻׁלָּם (yeshullam), ‘wordt vergolden’: wie het gebod vreest, krijgt daarvoor een goede beloning.

Lezing

יֵחָבֶל (yechavel) is moeilijk.

Het kan komen van חָבַל (chaval), ‘verderven’ of ‘in pand nemen’.

Wij lezen ‘wordt te gronde gericht’ en vertalen: ‘richt zichzelf te gronde’.

14Het onderwijs van een wijze is een bron van leven, om weg te wijken van de strikken van de dood.
תּוֹרַ֣ת
(torat)
het onderwijs van
חָ֭כָם
(chakham)
een wijze
מְק֣וֹר
(meqor)
een bron van
חַיִּ֑ים
(chayim)
leven
לָ֝ס֗וּר
(lasur)
om weg te wijken
מִמֹּ֥קְשֵׁי
(mimoqeshei)
van de strikken van
מָֽוֶת
(mavet)
de dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘onderwijs’: wat een wijze zijn leerling leert.

In Spr. 1:8 staat hetzelfde woord voor het onderwijs van de moeder.

מוֹקְשֵׁי (moqshe), ‘strikken’. De tweede helft staat bijna gelijk in Spr. 14:27.

15Goed doorzicht geeft gunst, maar de weg van de trouwelozen is hard.
שֵֽׂכֶל
(sekhel)
doorzicht
ט֭וֹב
(tov)
goed
יִתֶּן
(yiten)
geeft
חֵ֑ן
(chen)
gunst
וְדֶ֖רֶךְ
(vederekh)
en de weg van
בֹּגְדִ֣ים
(bogedim)
trouwelozen
אֵיתָֽן
(eitan)
hard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׂכֶל (sekhel), ‘doorzicht’: inzicht in hoe iets zit.

אֵיתָן (eitan), ‘hard’: ook ‘vast, blijvend’. De weg van de trouwelozen is moeilijk te gaan.

16Elke slimme handelt met kennis, maar een dwaas spreidt zotheid uit.
כָּל
(kal)
elke
עָ֭רוּם
(arum)
slimme
יַעֲשֶׂ֣ה
(yaase)
handelt
בְדָ֑עַת
(bedaat)
met kennis
וּ֝כְסִ֗יל
(ukhesil)
en een dwaas
יִפְרֹ֥שׂ
(yifros)
spreidt uit
אִוֶּֽלֶת
(ivelet)
zotheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרוּם (arum), ‘slimme’: hier in goede zin, wie vooruitdenkt.

Hetzelfde woord kan ook ‘sluw’ zijn (Gen. 3:1).

17Een goddeloze bode valt in het kwaad, maar een betrouwbare gezant is genezing.
מַלְאָ֣ךְ
(malakh)
een bode van
רָ֭שָׁע
(rasha)
goddeloosheid
יִפֹּ֣ל
(yipol)
valt
בְּרָ֑ע
(bera)
in het kwaad
וְצִ֖יר
(vetsir)
en een gezant van
אֱמוּנִ֣ים
(emunim)
betrouwbaarheid
מַרְפֵּֽא
(marpe)
genezing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאָךְ (mal’akh), ‘bode’: hetzelfde woord staat elders voor ‘engel’.

צִיר (tsir), ‘gezant’.

18Armoede en schande komen bij wie tucht afwijst, maar wie terechtwijzing in acht neemt, wordt geëerd.
רֵ֣ישׁ
(reish)
armoede
וְ֭קָלוֹן
(veqalon)
en schande
פּוֹרֵ֣עַ
(porea)
voor wie afwijst
מוּסָ֑ר
(musar)
tucht
וְשׁוֹמֵ֖ר
(veshomer)
en wie in acht neemt
תּוֹכַ֣חַת
(tokhachat)
terechtwijzing
יְכֻבָּֽד
(yekhubad)
wordt geëerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֵישׁ (resh), ‘armoede’.

פּוֹרֵעַ (pore’a), ‘afwijst’: letterlijk ‘laat los’, zoals iemand een teugel loslaat.

תּוֹכַחַת (tokhachat), ‘terechtwijzing’.

19Een wens die vervuld wordt, is zoet voor de ziel, maar afwijken van het kwaad is een gruwel voor dwazen.
תַּאֲוָ֣ה
(taava)
een wens
נִ֭הְיָה
(nihya)
vervuld
תֶּעֱרַ֣ב
(teerav)
is zoet
לְנָ֑פֶשׁ
(lenafesh)
voor de ziel
וְתוֹעֲבַ֥ת
(vetoavat)
en een gruwel voor
כְּ֝סִילִ֗ים
(kesilim)
dwazen
ס֣וּר
(sur)
afwijken
מֵרָֽע
(mera)
van het kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֶּעֱרַב (te’erav), ‘is zoet’: aangenaam.

De tweede helft is kort en heeft geen werkwoord: ‘een gruwel voor dwazen – afwijken van het kwaad’.

20Wie met wijzen meegaat, wordt wijs, maar wie omgaat met dwazen, lijdt schade.
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
wie gaat
אֶת
(et)
met
חֲכָמִ֣ים
(chakhamim)
wijzen
יֶחְכָּ֑ם
(yechkam)
wordt wijs
וְרֹעֶ֖ה
(veroe)
en wie omgaat met
כְסִילִ֣ים
(kesilim)
dwazen
יֵרֽוֹעַ
(yeroa)
lijdt schade
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹעֶה (ro’eh) komt van רָעָה (ra’ah), ‘omgaan met’.

יֵרוֹעַ (yero’a) komt van רָעַע (ra’a), ‘gebroken worden, schade lijden’.

Het is een woordspel.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is הלוך (haloekh), ‘ga’, en ויחכם (veyechkam), ‘en word wijs’: ‘ga met wijzen en word wijs’.

De te lezen vorm (qere) is הוֹלֵךְ (holekh), ‘wie gaat’, en יֶחְכָּם (yechkam), ‘wordt wijs’.

Wij volgen de qere.

21Zondaars achtervolgt het kwaad, maar rechtvaardigen vergeldt men met het goede.
חַ֭טָּאִים
(chataim)
zondaars
תְּרַדֵּ֣ף
(teradef)
achtervolgt
רָעָ֑ה
(raa)
het kwaad
וְאֶת
(veet)
en
צַ֝דִּיקִ֗ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
יְשַׁלֶּם
(yeshalem)
vergeldt men
טֽוֹב
(tov)
het goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְשַׁלֶּם (yeshallem), ‘vergeldt men’: het Hebreeuws geeft geen onderwerp.

Het goede komt de rechtvaardigen toe.

22Wie goed is, laat zijn kleinkinderen erven, maar het bezit van de zondaar ligt opgeslagen voor de rechtvaardige.
ט֗וֹב
(tov)
wie goed is
יַנְחִ֥יל
(yanchil)
laat erven
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
בָנִ֑ים
(banim)
zonen
וְצָפ֥וּן
(vetsafun)
en opgeslagen
לַ֝צַּדִּ֗יק
(latsadiq)
voor de rechtvaardige
חֵ֣יל
(cheil)
bezit van
חוֹטֵֽא
(chote)
de zondaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי בָנִים (bene vanim), letterlijk ‘zonen van zonen’: kleinkinderen en verdere nakomelingen.

חֵיל (chayil), ‘bezit’: ook ‘kracht’. Vergelijk Spr. 28:8.

23Het ontgonnen land van de berooiden geeft veel voedsel, maar er is er een die wordt weggevaagd door gebrek aan recht.
רָב
(rav)
veel
אֹ֭כֶל
(okhel)
voedsel
נִ֣יר
(nir)
ontgonnen land van
רָאשִׁ֑ים
(rashim)
berooiden
וְיֵ֥שׁ
(veyesh)
en er is er een
נִ֝סְפֶּ֗ה
(nispe)
die weggevaagd wordt
בְּלֹ֣א
(belo)
zonder
מִשְׁפָּֽט
(mishpat)
recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִיר (nir), ‘ontgonnen land’: vers geploegd, nog niet bewerkt of braakliggend land.

Ook kleine akkers van arme mensen geven veel.

נִסְפֶּה (nispeh), ‘wordt weggevaagd’.

24Wie zijn stok spaart, haat zijn zoon, maar wie hem liefheeft, is er vroeg bij met tucht.
חוֹשֵׂ֣ךְ
(chosekh)
wie spaart
שִׁ֭בְטוֹ
(shivto)
zijn stok
שׂוֹנֵ֣א
(sone)
haat
בְנ֑וֹ
(beno)
zijn zoon
וְ֝אֹהֲב֗וֹ
(veohavo)
en wie hem liefheeft
שִֽׁחֲר֥וֹ
(shicharo)
is er vroeg bij
מוּסָֽר
(musar)
met tucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁבֶט (shevet), ‘stok’: de roede van de opvoeder.

שִׁחֲרוֹ (shicharo), letterlijk ‘zoekt hem vroeg’: wie liefheeft, is er op tijd bij. Vergelijk Spr. 19:18; 22:15; 23:13–14; 29:15.

25De rechtvaardige eet om zijn begeerte te verzadigen, maar de buik van de goddelozen heeft gebrek.
צַדִּ֗יק
(tsadiq)
een rechtvaardige
אֹ֭כֵל
(okhel)
eet
לְשֹׂ֣בַע
(lesova)
om te verzadigen
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zijn begeerte
וּבֶ֖טֶן
(uveten)
en de buik van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
תֶּחְסָֽר
(techsar)
heeft gebrek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier betekent נֶפֶשׁ (nefesh) ‘begeerte’: letterlijk ‘tot verzadiging van zijn begeerte’.

Vergelijk Spr. 13:4.