Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Amnon krijgt Tamar lief
1Hierna gebeurde het volgende. Absalom, de zoon van David, had een mooie zus. Zij heette Tamar. Amnon, de zoon van David, kreeg haar lief.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
אַֽחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֗ן
(ken)
zo
וּלְאַבְשָׁל֧וֹם
(uleavshalom)
en voor Absalom
בֶּן
(ben)
zoon van
דָּוִ֛ד
(david)
David
אָח֥וֹת
(achot)
zus
יָפָ֖ה
(yafa)
mooie
וּשְׁמָ֣הּ
(ushemah)
en haar naam
תָּמָ֑ר
(tamar)
Tamar
וַיֶּאֱהָבֶ֖הָ
(vayeehaveha)
en hij had haar lief
אַמְנ֥וֹן
(amnon)
Amnon
בֶּן
(ben)
zoon van
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָהַב (ahav), ‘liefhebben’.
Wij vertalen dit woord overal zo (vers 1, 4 en 15).
Amnons ‘liefde’ blijkt in vers 15 geen echte liefde.
Tamar en Absalom hebben dezelfde moeder, Maächa (2 Sam. 3:3). Amnon is hun halfbroer: hij is een zoon van Achinoam (2 Sam. 3:2).
4Hij zei tegen hem: „Waarom ben je, zoon van de koning, elke morgen zo mager? Wil je het mij niet vertellen?” Amnon zei tegen hem: „Ik heb Tamar lief, de zus van mijn broer Absalom.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
מַדּ֣וּעַ
(madua)
waarom
אַ֠תָּה
(ata)
jij
כָּ֣כָה
(kakha)
zo
דַּ֤ל
(dal)
mager
בֶּן
(ben)
zoon van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
בַּבֹּ֣קֶר
(baboqer)
morgen
בַּבֹּ֔קֶר
(baboqer)
morgen
הֲל֖וֹא
(halo)
niet
תַּגִּ֣יד
(tagid)
wil je vertellen
לִ֑י
(li)
aan mij
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לוֹ֙
(lo)
tegen hem
אַמְנ֔וֹן
(amnon)
Amnon
אֶת
(et)
(obj.)
תָּמָ֗ר
(tamar)
Tamar
אֲח֛וֹת
(achot)
zus van
אַבְשָׁלֹ֥ם
(avshalom)
Absalom
אָחִ֖י
(achi)
mijn broer
אֲנִ֥י
(ani)
ik
אֹהֵֽב
(ohev)
heb lief
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Jonadab zei tegen hem: „Ga op je bed liggen en doe alsof je ziek bent. Wanneer je vader je komt bezoeken, zeg dan tegen hem: ‘Laat toch mijn zus Tamar komen. Laat haar mij brood te eten geven en voor mijn ogen het eten klaarmaken, zodat ik het zie en uit haar hand eet.’”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לוֹ֙
(lo)
tegen hem
יְה֣וֹנָדָ֔ב
(yehonadav)
Jonadab
שְׁכַ֥ב
(shekhav)
ga liggen
עַל
(al)
op
מִשְׁכָּבְךָ֖
(mishkavekha)
je bed
וְהִתְחָ֑ל
(vehitchal)
en doe alsof je ziek bent
וּבָ֧א
(uva)
en zal komen
אָבִ֣יךָ
(avikha)
je vader
לִרְאוֹתֶ֗ךָ
(lirotekha)
om je te zien
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֵלָ֡יו
(elav)
tegen hem
תָּ֣בֹא
(tavo)
laat komen
נָא֩
(na)
toch
תָמָ֨ר
(tamar)
Tamar
אֲחוֹתִ֜י
(achoti)
mijn zus
וְתַבְרֵ֣נִי
(vetavreni)
en laat haar mij te eten geven
לֶ֗חֶם
(lechem)
brood
וְעָשְׂתָ֤ה
(veaseta)
en laat haar maken
לְעֵינַי֙
(leeinay)
voor mijn ogen
אֶת
(et)
(obj.)
הַבִּרְיָ֔ה
(habirya)
het eten
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אֶרְאֶ֔ה
(ere)
ik zie
וְאָכַלְתִּ֖י
(veakhalti)
en ik eet
מִיָּדָֽהּ
(miyadah)
uit haar hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Amnon ging liggen en deed alsof hij ziek was. De koning kwam hem bezoeken. Amnon zei tegen de koning: „Laat toch mijn zus Tamar komen. Laat haar voor mijn ogen twee koeken maken, dan eet ik uit haar hand.”
וַיִּשְׁכַּ֥ב
(vayishkav)
en hij ging liggen
אַמְנ֖וֹן
(amnon)
Amnon
וַיִּתְחָ֑ל
(vayitchal)
en deed alsof hij ziek was
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwam
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לִרְאֹת֗וֹ
(liroto)
om hem te zien
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אַמְנ֤וֹן
(amnon)
Amnon
אֶל
(el)
tegen
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
תָּֽבוֹא
(tavo)
laat komen
נָ֞א
(na)
toch
תָּמָ֣ר
(tamar)
Tamar
אֲחֹתִ֗י
(achoti)
mijn zus
וּתְלַבֵּ֤ב
(utelabev)
en laat haar koeken maken
לְעֵינַי֙
(leeinay)
voor mijn ogen
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
לְבִב֔וֹת
(levivot)
koeken
וְאֶבְרֶ֖ה
(veevre)
en ik eet
מִיָּדָֽהּ
(miyadah)
uit haar hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְבִבוֹת (levivot), ‘koeken’: van לֵב (lev), ‘hart’.
Het zijn waarschijnlijk hartvormige koeken of koeken die ‘het hart’ goeddoen.
Dit woord komt alleen hier voor; de betekenis is niet zeker.
7David stuurde bericht naar Tamar, naar huis: „Ga toch naar het huis van je broer Amnon en maak het eten voor hem klaar.”
וַיִּשְׁלַ֥ח
(vayishlach)
en hij zond
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֶל
(el)
naar
תָּמָ֖ר
(tamar)
Tamar
הַבַּ֣יְתָה
(habayta)
naar huis
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לְכִ֣י
(lekhi)
ga
נָ֗א
(na)
toch
בֵּ֚ית
(beit)
huis van
אַמְנ֣וֹן
(amnon)
Amnon
אָחִ֔יךְ
(achikh)
je broer
וַעֲשִׂי
(vaasi)
en maak
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
הַבִּרְיָֽה
(habirya)
het eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Tamar ging naar het huis van haar broer Amnon. Hij lag in bed. Zij nam het deeg, kneedde het en maakte voor zijn ogen de koeken. Daarna kookte zij de koeken.
וַתֵּ֣לֶךְ
(vatelekh)
en zij ging
תָּמָ֗ר
(tamar)
Tamar
בֵּ֛ית
(beit)
naar het huis van
אַמְנ֥וֹן
(amnon)
Amnon
אָחִ֖יהָ
(achiha)
haar broer
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
שֹׁכֵ֑ב
(shokhev)
lag
וַתִּקַּ֨ח
(vatiqach)
en zij nam
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּצֵ֤ק
(habatseq)
het deeg
וַתָּ֨לָשׁ֙
(vatalash)
en kneedde
וַתְּלַבֵּ֣ב
(vatelabev)
en maakte koeken
לְעֵינָ֔יו
(leeinav)
voor zijn ogen
וַתְּבַשֵּׁ֖ל
(vatevashel)
en kookte
אֶת
(et)
(obj.)
הַלְּבִבֽוֹת
(halevivot)
de koeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zij nam de pan en schepte voor hem op. Maar hij weigerde te eten. Amnon zei: „Stuur iedereen bij mij weg.” Iedereen ging bij hem weg.
וַתִּקַּ֤ח
(vatiqach)
en zij nam
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּשְׂרֵת֙
(hamasret)
de pan
וַתִּצֹ֣ק
(vatitsoq)
en schepte uit
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor hem
וַיְמָאֵ֖ן
(vaymaen)
en hij weigerde
לֶאֱכ֑וֹל
(leekhol)
te eten
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַמְנ֗וֹן
(amnon)
Amnon
הוֹצִ֤יאוּ
(hotsiu)
stuur weg
כָל
(kal)
elke
אִישׁ֙
(ish)
man
מֵֽעָלַ֔י
(mealay)
van mij
וַיֵּצְא֥וּ
(vayetseu)
en zij gingen weg
כָל
(kal)
elke
אִ֖ישׁ
(ish)
man
מֵעָלָֽיו
(mealav)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמַּשְׂרֵת (hammasret), ‘de pan’: dit woord komt alleen hier voor.
De betekenis is niet helemaal zeker; het is een kookvat of schaal.
10Amnon zei tegen Tamar: „Breng het eten naar de binnenkamer, dan eet ik uit je hand.” Tamar nam de koeken die zij had gemaakt en bracht ze naar haar broer Amnon, in de binnenkamer.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַמְנ֜וֹן
(amnon)
Amnon
אֶל
(el)
tegen
תָּמָ֗ר
(tamar)
Tamar
הָבִ֤יאִי
(havii)
breng
הַבִּרְיָה֙
(habirya)
het eten
הַחֶ֔דֶר
(hacheder)
de binnenkamer
וְאֶבְרֶ֖ה
(veevre)
en ik eet
מִיָּדֵ֑ךְ
(miyadekh)
uit je hand
וַתִּקַּ֣ח
(vatiqach)
en zij nam
תָּמָ֗ר
(tamar)
Tamar
אֶת
(et)
(obj.)
הַלְּבִבוֹת֙
(halevivot)
de koeken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָׂ֔תָה
(asata)
zij had gemaakt
וַתָּבֵ֛א
(vatave)
en zij bracht
לְאַמְנ֥וֹן
(leamnon)
naar Amnon
אָחִ֖יהָ
(achiha)
haar broer
הֶחָֽדְרָה
(hechadera)
naar de binnenkamer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zij kwam dicht bij hem, zodat hij kon eten. Toen greep hij haar vast. Hij zei tegen haar: „Kom, lig bij mij, mijn zus.”
וַתַּגֵּ֥שׁ
(vatagesh)
en zij kwam dichterbij
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem
לֶֽאֱכֹ֑ל
(leekhol)
om te eten
וַיַּֽחֲזֶק
(vayachazeq)
en hij greep vast
בָּהּ֙
(bah)
haar
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָ֔הּ
(lah)
tegen haar
בּ֛וֹאִי
(boi)
kom
שִׁכְבִ֥י
(shikhvi)
lig
עִמִּ֖י
(imi)
met mij
אֲחוֹתִֽי
(achoti)
mijn zus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׁכְבִי עִמִּי (shikhvi immi), ‘lig bij mij’: een vraag om geslachtsgemeenschap.
Dit is verboden voor een halfbroer en halfzus (Lev. 18:9; 20:17).
12Zij zei tegen hem: „Nee, mijn broer, verneder mij niet. Want zo doet men niet in Israël. Doe deze schanddaad niet.
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zij zei
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
אַל
(al)
nee
אָחִי֙
(achi)
mijn broer
אַל
(al)
niet
תְּעַנֵּ֔נִי
(teaneni)
verneder mij
כִּ֛י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
יֵֽעָשֶׂ֥ה
(yease)
wordt gedaan
כֵ֖ן
(ken)
zo
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
אַֽל
(al)
niet
תַּעֲשֵׂ֖ה
(taase)
doe
אֶת
(et)
(obj.)
הַנְּבָלָ֥ה
(hanevala)
de schanddaad
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָנָה (anah), ‘vernederen’: ook gebruikt in Gen. 34:2 voor de vernedering van Dina.
נְבָלָה (nevalah), ‘schanddaad’, zoals in Gen. 34:7 en Richt. 19:23.
In vers 13 noemt Tamar de ‘dwazen’ (נְבָלִים, nevalim). Tamar zegt ook dat de koning haar misschien aan Amnon zal geven. Lev. 18:9 verbiedt zo’n huwelijk. Wij vertalen letterlijk wat Tamar in haar nood zegt.
13En ik, waarheen moet ik met mijn schande? En jij, je zou zijn als een van de dwazen in Israël. Praat nu toch met de koning, want hij zal mij niet aan jou onthouden.”
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en ik
אָ֤נָה
(ana)
waarheen
אוֹלִיךְ֙
(olikh)
zal ik dragen
אֶת
(et)
(obj.)
חֶרְפָּתִ֔י
(cherpati)
mijn schande
וְאַתָּ֗ה
(veata)
en jij
תִּהְיֶ֛ה
(tihye)
zou worden
כְּאַחַ֥ד
(keachad)
als één van
הַנְּבָלִ֖ים
(hanevalim)
de dwazen
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
דַּבֶּר
(daber)
spreek
נָ֣א
(na)
toch
אֶל
(el)
tegen
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּ֛י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמְנָעֵ֖נִי
(yimnaeni)
zal hij weigeren mij
מִמֶּֽךָּ
(mimeka)
van jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Daarna haatte Amnon haar met een zeer grote haat. De haat waarmee hij haar haatte, was groter dan de liefde waarmee hij haar had liefgehad. Amnon zei tegen haar: „Sta op, ga weg.”
וַיִּשְׂנָאֶ֣הָ
(vayisnaeha)
en haatte haar
אַמְנ֗וֹן
(amnon)
Amnon
שִׂנְאָה֙
(sina)
haat
גְּדוֹלָ֣ה
(gedola)
grote
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
כִּ֣י
(ki)
want
גְדוֹלָ֗ה
(gedola)
groter
הַשִּׂנְאָה֙
(hasina)
de haat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שְׂנֵאָ֔הּ
(seneah)
hij haatte haar
מֵאַהֲבָ֖ה
(meahava)
dan de liefde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אֲהֵבָ֑הּ
(ahevah)
hij had liefgehad haar
וַֽיֹּאמֶר
(vayomer)
en zei
לָ֥הּ
(lah)
tegen haar
אַמְנ֖וֹן
(amnon)
Amnon
ק֥וּמִי
(qumi)
sta op
לֵֽכִי
(lekhi)
ga weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers laat zien dat de liefde van Amnon niet echt was.
16Zij zei tegen hem: „Nee, want dit grote kwaad, dat je mij wegstuurt, is erger dan het andere dat je mij hebt aangedaan.” Maar hij wilde niet naar haar luisteren.
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zij zei
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
אַל
(al)
nee
אוֹדֹ֞ת
(odot)
vanwege
הָרָעָ֤ה
(haraa)
het kwaad
הַגְּדוֹלָה֙
(hagedola)
grote
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
מֵאַחֶ֛רֶת
(meacheret)
dan de andere
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשִׂ֥יתָ
(asita)
je deed
עִמִּ֖י
(imi)
met mij
לְשַׁלְּחֵ֑נִי
(leshalecheni)
mij weg te sturen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָבָ֖ה
(ava)
wilde
לִשְׁמֹ֥עַֽ
(lishmoa)
om te luisteren
לָֽהּ
(lah)
naar haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De Masoretische tekst is hier moeilijk: אַל־אֹדֹת הָרָעָה הַגְּדוֹלָה הַזֹּאת מֵאַחֶרֶת (al odot hara'ah haggedolah hazzot me'acheret).
Wij vertalen letterlijk: ‘Nee, vanwege dit grote kwaad … erger dan het andere’.
Het ‘andere kwaad’ is wat hij haar al had aangedaan.
17Hij riep zijn jongen, die hem diende, en zei: „Stuur deze vrouw van mij weg, naar buiten, en doe de deur achter haar op slot.”
וַיִּקְרָ֗א
(vayiqra)
en hij riep
אֶֽת
(et)
(obj.)
נַעֲרוֹ֙
(naaro)
zijn jongen
מְשָׁ֣רְת֔וֹ
(meshareto)
zijn dienaar
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שִׁלְחוּ
(shilchu)
stuur weg
נָ֥א
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
זֹ֛את
(zot)
deze
מֵעָלַ֖י
(mealay)
van mij
הַח֑וּצָה
(hachutsa)
naar buiten
וּנְעֹ֥ל
(uneol)
en sluit
הַדֶּ֖לֶת
(hadelet)
de deur
אַחֲרֶֽיהָ
(achareiha)
achter haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Zij droeg een jas met lange mouwen, want zo kleedden de dochters van de koning, de maagden, zich in mantels. Zijn dienaar bracht haar naar buiten en deed de deur achter haar op slot.
וְעָלֶ֨יהָ֙
(vealeiha)
en op haar
כְּתֹ֣נֶת
(ketonet)
jas van
פַּסִּ֔ים
(pasim)
lange mouwen
כִּי֩
(ki)
want
כֵ֨ן
(ken)
zo
תִּלְבַּ֧שְׁןָ
(tilbashna)
droegen
בְנוֹת
(benot)
dochters van
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַבְּתוּלֹ֖ת
(habetulot)
de maagden
מְעִילִ֑ים
(meilim)
mantels
וַיֹּצֵ֨א
(vayotse)
en hij bracht uit
אוֹתָ֤הּ
(otah)
haar
מְשָֽׁרְתוֹ֙
(meshareto)
zijn dienaar
הַח֔וּץ
(hachuts)
naar buiten
וְנָעַ֥ל
(venaal)
en sloot
הַדֶּ֖לֶת
(hadelet)
de deur
אַחֲרֶֽיהָ
(achareiha)
achter haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כְּתֹנֶת פַּסִּים (ketonet passim), ‘jas met lange mouwen’, zoals de jas die Jakob voor Jozef liet maken (Gen. 37:3).
Hier is het het kleed van een koningsdochter die nog maagd is.
19Tamar deed as op haar hoofd. De jas met lange mouwen die zij droeg, scheurde zij kapot. Zij legde haar hand op haar hoofd en ging weg. Al gaande bleef zij schreeuwen.
וַתִּקַּ֨ח
(vatiqach)
en nam
תָּמָ֥ר
(tamar)
Tamar
אֵ֨פֶר֙
(efer)
as
עַל
(al)
op
רֹאשָׁ֔הּ
(roshah)
haar hoofd
וּכְתֹ֧נֶת
(ukhetonet)
en de jas van
הַפַּסִּ֛ים
(hapasim)
de lange mouwen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
op haar
קָרָ֑עָה
(qaraa)
scheurde zij
וַתָּ֤שֶׂם
(vatasem)
en legde
יָדָהּ֙
(yadah)
haar hand
עַל
(al)
op
רֹאשָׁ֔הּ
(roshah)
haar hoofd
וַתֵּ֥לֶךְ
(vatelekh)
en ging
הָל֖וֹךְ
(halokh)
al gaande
וְזָעָֽקָה
(vezaaqa)
en schreeuwend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
As op het hoofd, het kleed scheuren en de hand op het hoofd leggen zijn tekens van diepe rouw en schaamte.
20Haar broer Absalom zei tegen haar: „Is Amnon, je broer, bij je geweest? Wees nu stil, mijn zus. Hij is je broer. Neem je dit niet zo ter harte.” Tamar bleef achter, een verwoeste vrouw, in het huis van haar broer Absalom.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלֶ֜יהָ
(eleiha)
tot haar
אַבְשָׁל֣וֹם
(avshalom)
Absalom
אָחִ֗יהָ
(achiha)
haar broer
הַאֲמִינ֣וֹן
(haaminon)
is Amnon
אָחִיךְ֮
(achikh)
je broer
הָיָ֣ה
(haya)
geweest
עִמָּךְ֒
(imakh)
bij jou
וְעַתָּ֞ה
(veata)
en nu
אֲחוֹתִ֤י
(achoti)
mijn zus
הַחֲרִ֨ישִׁי֙
(hacharishi)
wees stil
אָחִ֣יךְ
(achikh)
je broer
ה֔וּא
(hu)
hij
אַל
(al)
niet
תָּשִׁ֥יתִי
(tashiti)
leg
אֶת
(et)
(obj.)
לִבֵּ֖ךְ
(libekh)
je hart
לַדָּבָ֣ר
(ladavar)
op de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַתֵּ֤שֶׁב
(vateshev)
en bleef
תָּמָר֙
(tamar)
Tamar
וְשֹׁ֣מֵמָ֔ה
(veshomema)
en verwoest
בֵּ֖ית
(beit)
huis van
אַבְשָׁל֥וֹם
(avshalom)
Absalom
אָחִֽיהָ
(achiha)
haar broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁוֹמֵמָה (shomemah), ‘verwoest’ of ‘verlaten’: zij bleef alleen achter als een verwoeste vrouw.
25De koning zei tegen Absalom: „Nee, mijn zoon. Laten wij toch niet allemaal gaan, anders worden wij een last voor je.” Absalom drong bij hem aan, maar hij wilde niet gaan. Wel zegende hij hem.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
אַבְשָׁל֗וֹם
(avshalom)
Absalom
אַל
(al)
nee
בְּנִי֙
(beni)
mijn zoon
אַל
(al)
niet
נָ֤א
(na)
toch
נֵלֵךְ֙
(nelekh)
laten wij gaan
כֻּלָּ֔נוּ
(kulanu)
wij allen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נִכְבַּ֖ד
(nikhbad)
laten wij zwaar zijn
עָלֶ֑יךָ
(aleikha)
op jou
וַיִּפְרָץ
(vayifrats)
en hij drong aan
בּ֛וֹ
(bo)
bij hem
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָבָ֥ה
(ava)
wilde
לָלֶ֖כֶת
(lalekhet)
te gaan
וַֽיְבָרֲכֵֽהוּ
(vayvarakhehu)
en hij zegende hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִכְבַּד (nikhbad) komt van כָּבֵד (kaved), ‘zwaar zijn’: ‘wij worden een last’.
28Absalom gaf zijn jongens een bevel: „Let op. Wanneer het hart van Amnon vrolijk is van de wijn en ik tegen jullie zeg: ‘Sla Amnon neer’, dood hem dan. Wees niet bang. Ik zelf heb het jullie toch bevolen? Wees sterk en wees dappere mannen.”
וַיְצַו֩
(vaytsav)
en hij beval
אַבְשָׁל֨וֹם
(avshalom)
Absalom
אֶת
(et)
(obj.)
נְעָרָ֜יו
(nearav)
zijn jongens
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
רְא֣וּ
(reu)
let op
נָ֠א
(na)
toch
כְּט֨וֹב
(ketov)
als vrolijk is
לֵב
(lev)
het hart van
אַמְנ֤וֹן
(amnon)
Amnon
בַּיַּ֨יִן֙
(bayayin)
van wijn
וְאָמַרְתִּ֣י
(veamarti)
en ik zeg
אֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
tot jullie
הַכּ֧וּ
(haku)
sla
אֶת
(et)
(obj.)
אַמְנ֛וֹן
(amnon)
Amnon
וַהֲמִתֶּ֥ם
(vahamitem)
en dood
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אַל
(al)
niet
תִּירָ֑אוּ
(tirau)
wees bang
הֲל֗וֹא
(halo)
is het niet
כִּ֤י
(ki)
dat
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
ik
צִוִּ֣יתִי
(tsiviti)
heb bevolen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
חִזְק֖וּ
(chizqu)
wees sterk
וִהְי֥וּ
(vihyu)
en wees
לִבְנֵי
(livnei)
zonen van
חָֽיִל
(chayil)
kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּנֵי־חָיִל (benei-chayil), ‘zonen van kracht’: dappere, sterke mannen.
29De jongens van Absalom deden met Amnon zoals Absalom had bevolen. Toen stonden alle zonen van de koning op. Ieder besteeg zijn muilezel en zij vluchtten.
וַֽיַּעֲשׂ֞וּ
(vayaasu)
en deden
נַעֲרֵ֤י
(naarei)
jongens van
אַבְשָׁלוֹם֙
(avshalom)
Absalom
לְאַמְנ֔וֹן
(leamnon)
met Amnon
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֖ה
(tsiva)
had bevolen
אַבְשָׁל֑וֹם
(avshalom)
Absalom
וַיָּקֻ֣מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַֽיִּרְכְּב֛וּ
(vayirkevu)
en bestegen
אִ֥ישׁ
(ish)
man
עַל
(al)
op
פִּרְדּ֖וֹ
(pirdo)
zijn muilezel
וַיָּנֻֽסוּ
(vayanusu)
en vluchtten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פֶּרֶד (pered), ‘muilezel’: het rijdier van de koningszonen (vergelijk 2 Sam. 18:9).
30Terwijl zij nog onderweg waren, kwam het bericht bij David: „Absalom heeft alle zonen van de koning neergeslagen. Er is niet één van hen overgebleven.”
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
בַדֶּ֔רֶךְ
(baderekh)
onderweg
וְהַשְּׁמֻעָ֣ה
(vehashemua)
en het gerucht
בָ֔אָה
(baa)
kwam
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֖ד
(david)
David
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִכָּ֤ה
(hika)
heeft geslagen
אַבְשָׁלוֹם֙
(avshalom)
Absalom
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נוֹתַ֥ר
(notar)
is overgebleven
מֵהֶ֖ם
(mehem)
van hen
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31De koning stond op, scheurde zijn kleren en ging op de grond liggen. Al zijn dienaren stonden erbij met gescheurde kleren.
וַיָּ֧קָם
(vayaqam)
en stond op
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיִּקְרַ֥ע
(vayiqra)
en scheurde
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָ֖יו
(begadav)
zijn kleren
וַיִּשְׁכַּ֣ב
(vayishkav)
en lag
אָ֑רְצָה
(aretsa)
op de grond
וְכָל
(vekhal)
en al
עֲבָדָ֥יו
(avadav)
zijn dienaren
נִצָּבִ֖ים
(nitsavim)
staande
קְרֻעֵ֥י
(qeruei)
gescheurd van
בְגָדִֽים
(begadim)
kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Jonadab, de zoon van Simea, de broer van David, antwoordde. Hij zei: „Laat mijn heer niet zeggen dat zij alle jongens, de zonen van de koning, hebben gedood. Alleen Amnon is dood. Want op bevel van Absalom was het vastgesteld, vanaf de dag dat hij Tamar, zijn zus, vernederde.
וַיַּ֡עַן
(vayaan)
en antwoordde
יוֹנָדָ֣ב
(yonadav)
Jonadab
בֶּן
(ben)
zoon van
שִׁמְעָ֨ה
(shima)
Simea
אֲחִֽי
(achi)
broer van
דָוִ֜ד
(david)
David
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
אַל
(al)
niet
יֹאמַ֤ר
(yomar)
moge zeggen
אֲדֹנִי֙
(adoni)
mijn heer
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַנְּעָרִ֤ים
(hanearim)
de jongens
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
הֵמִ֔יתוּ
(hemitu)
hebben gedood
כִּֽי
(ki)
want
אַמְנ֥וֹן
(amnon)
Amnon
לְבַדּ֖וֹ
(levado)
alleen
מֵ֑ת
(met)
is dood
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
op
פִּ֤י
(pi)
de mond van
אַבְשָׁלוֹם֙
(avshalom)
Absalom
הָיְתָ֣ה
(hayeta)
was
שׂוּמָ֔ה
(suma)
vastgesteld
מִיּוֹם֙
(miyom)
vanaf de dag
עַנֹּת֔וֹ
(anoto)
zijn vernedering van
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
תָּמָ֥ר
(tamar)
Tamar
אֲחֹתֽוֹ
(achoto)
zijn zus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׂוּמָה (sumah) komt alleen hier voor.
Wij vertalen ‘vastgesteld’.
Letterlijk staat er: ‘op de mond van Absalom was het gelegd’.
Het gaat om een besluit.
Het Hebreeuws zegt alleen ‘zijn vernedering’ van Tamar. Wij nemen aan dat Amnon bedoeld is.
Simea is de vader van Jonadab en een broer van David. In 1 Sam. 16:9 heet hij Samma.
34Absalom vluchtte. De jongen die op de uitkijk stond, sloeg zijn ogen op en zag een grote groep mensen. Zij kwamen over de weg achter hem, langs de berghelling.
וַיִּבְרַ֖ח
(vayivrach)
en vluchtte
אַבְשָׁל֑וֹם
(avshalom)
Absalom
וַיִּשָּׂ֞א
(vayisa)
en sloeg op
הַנַּ֤עַר
(hanaar)
de jongen
הַצֹּפֶה֙
(hatsofe)
de wachter
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינָ֔יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en zag
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
עַם
(am)
een volk
רַ֜ב
(rav)
veel
הֹלְכִ֥ים
(holekhim)
komend
מִדֶּ֛רֶךְ
(miderekh)
van de weg
אַחֲרָ֖יו
(acharav)
achter hem
מִצַּ֥ד
(mitsad)
van de zijde van
הָהָֽר
(hahar)
de berg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Dit vers is in de Masoretische tekst kort en moeilijk.
In sommige oude vertalingen staat een langere tekst.
35Jonadab zei tegen de koning: „Zie, de zonen van de koning komen eraan. Zoals uw dienaar zei, zo is het gegaan.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יֽוֹנָדָב֙
(yonadav)
Jonadab
אֶל
(el)
tegen
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בָּ֑אוּ
(bau)
zijn gekomen
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
volgens het woord van
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
uw dienaar
כֵּ֥ן
(ken)
zo
הָיָֽה
(haya)
is het geweest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Zodra hij was uitgesproken, kwamen de zonen van de koning binnen. Zij verhieven hun stem en huilden. Ook de koning en al zijn dienaren huilden, met zeer luid geween.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כְּכַלֹּת֣וֹ
(kekhaloto)
toen hij klaar was
לְדַבֵּ֗ר
(ledaber)
met spreken
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
בָּ֔אוּ
(bau)
kwamen
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en zij verhieven
קוֹלָ֖ם
(qolam)
hun stem
וַיִּבְכּ֑וּ
(vayivku)
en zij huilden
וְגַם
(vegam)
en ook
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וְכָל
(vekhal)
en al
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
בָּכ֕וּ
(bakhu)
huilden
בְּכִ֖י
(bekhi)
geween
גָּד֥וֹל
(gadol)
groot
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)