Elohim Bijbel

2 Samuël 18

123456789101112131415161718192021222324

De strijd in het woud van Efraïm en de dood van Absalom

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David stelt zijn leger op

1David telde het volk dat bij hem was. Hij stelde oversten over duizend man en oversten over honderd man over hen aan.
וַיִּפְקֹ֣ד
(vayifqod)
en telde
דָּוִ֔ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִתּ֑וֹ
(ito)
bij hem was
וַיָּ֣שֶׂם
(vayasem)
en stelde aan
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
שָׂרֵ֥י
(sarei)
oversten van
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizenden
וְשָׂרֵ֥י
(vesarei)
en oversten van
מֵאֽוֹת
(meot)
honderden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit hoofdstuk heeft 32 verzen.

Wat in Nederlandse Bijbels 2 Sam. 18:33 is, staat in de Hebreeuwse tekst als 2 Sam. 19:1.

Wij volgen de Hebreeuwse telling; de app zet de verwijzingen om.

2David stuurde het volk uit: een derde onder bevel van Joab. Een derde onder bevel van Abisai, de zoon van Zeruja, de broer van Joab. En een derde onder bevel van Ittai de Gattiet. De koning zei tegen het volk: „Ik ga zeker zelf ook met jullie mee.”
וַיְשַׁלַּ֨ח
(vayshalach)
en stuurde
דָּוִ֜ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
הַשְּׁלִשִׁ֤ית
(hashelishit)
het derde deel
בְּיַד
(beyad)
onder de hand van
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
וְ֠הַשְּׁלִשִׁית
(vehashelishit)
en het derde deel
בְּיַ֨ד
(beyad)
onder de hand van
אֲבִישַׁ֤י
(avishay)
Abisai
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָה֙
(tseruya)
Zeruja
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
וְהַ֨שְּׁלִשִׁ֔ת
(vehashelishit)
en het derde deel
בְּיַ֖ד
(beyad)
onder de hand van
אִתַּ֣י
(itay)
Ittai
הַגִּתִּ֑י
(hagiti)
de Gattiet
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
יָצֹ֥א
(yatso)
uittrekken
אֵצֵ֛א
(etse)
ik zal uittrekken
גַּם
(gam)
ook
אֲנִ֖י
(ani)
ik
עִמָּכֶֽם
(imakhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Maar het volk zei: „U moet niet meegaan. Want als wij op de vlucht slaan, letten zij niet op ons. Ook als de helft van ons sterft, letten zij niet op ons. Want u bent nu evenveel waard als tienduizend van ons. Daarom is het beter dat u ons vanuit de stad kunt helpen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
לֹ֣א
(lo)
niet
תֵצֵ֗א
(tetse)
u zult uittrekken
כִּי֩
(ki)
want
אִם
(im)
als
נֹ֨ס
(nos)
vluchten
נָנ֜וּס
(nanus)
wij vluchten
לֹא
(lo)
niet
יָשִׂ֧ימוּ
(yasimu)
zullen letten
אֵלֵ֣ינוּ
(eleinu)
op ons
לֵ֗ב
(lev)
hart
וְאִם
(veim)
en als
יָמֻ֤תוּ
(yamutu)
zullen sterven
חֶצְיֵ֨נוּ֙
(chetsyenu)
de helft van ons
לֹֽא
(lo)
niet
יָשִׂ֤ימוּ
(yasimu)
zullen letten
אֵלֵ֨ינוּ֙
(eleinu)
op ons
לֵ֔ב
(lev)
hart
כִּֽי
(ki)
want
עַתָּ֥ה
(ata)
nu
כָמֹ֖נוּ
(kamonu)
zoals wij
עֲשָׂרָ֣ה
(asara)
tien
אֲלָפִ֑ים
(alafim)
duizend
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
ט֔וֹב
(tov)
goed
כִּי
(ki)
dat
תִֽהְיֶה
(tihye)
u zult zijn
לָּ֥נוּ
(lanu)
voor ons
מֵעִ֖יר
(meir)
vanuit de stad
לַעְזֽוֹר
(lazor)
om te helpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De spreker is het volk.

Het spreekt de koning aan met ‘u’.

Lezing

De Hebreeuwse tekst zegt: ‘Want nu zoals wij tienduizend’ (כִּי עַתָּה כָּמֹנוּ עֲשָׂרָה אֲלָפִים).

Zonder klinkers kan עתה zowel ‘nu’ (עַתָּה, attah) als ‘u’ (אַתָּה, attah) betekenen.

Wij lezen: ‘u bent nu evenveel waard als tienduizend van ons.’

Wie ‘nu’ leest, vertaalt: ‘nu zijn er tienduizend zoals wij’.

4De koning zei tegen hen: „Wat goed is in jullie ogen, zal ik doen.” De koning ging naast de poort staan. Heel het volk trok uit, bij honderdtallen en bij duizendtallen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יִיטַ֥ב
(yitav)
goed is
בְּעֵינֵיכֶ֖ם
(beeineikhem)
in jullie ogen
אֶעֱשֶׂ֑ה
(eese)
zal ik doen
וַיַּעֲמֹ֤ד
(vayaamod)
en stond
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
naast
יַ֣ד
(yad)
de hand van
הַשַּׁ֔עַר
(hashaar)
de poort
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
יָֽצְא֔וּ
(yatseu)
trok uit
לְמֵא֖וֹת
(lemeot)
bij honderdtallen
וְלַאֲלָפִֽים
(velaalafim)
en bij duizendtallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5De koning gaf Joab, Abisai en Ittai bevel: „Wees zacht voor mij met de jongen Absalom.” Heel het volk hoorde het toen de koning alle oversten bevel gaf over Absalom.
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en gaf bevel
הַמֶּ֡לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
י֠וֹאָב
(yoav)
Joab
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲבִישַׁ֤י
(avishay)
Abisai
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אִתַּי֙
(itay)
Ittai
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לְאַט
(leat)
wees zacht
לִ֖י
(li)
voor mij
לַנַּ֣עַר
(lanaar)
met de jongen
לְאַבְשָׁל֑וֹם
(leavshalom)
Absalom
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
שָׁמְע֗וּ
(shameu)
hoorde
בְּצַוֺּ֥ת
(betsavot)
bij het bevelen van
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַשָּׂרִ֖ים
(hasarim)
de oversten
עַל
(al)
over
דְּבַ֥ר
(devar)
de zaak van
אַבְשָׁלֽוֹם
(avshalom)
Absalom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַעַר (na’ar), ‘jongen’: Absalom is een volwassen man.

David noemt hem uit genegenheid zo.

לָאט (la’at), ‘zacht’: letterlijk ‘zachtjes’. David vraagt hun zacht te zijn ‘voor mij’, dus ter wille van hem.

De strijd in het woud van Efraïm

6Het volk trok het veld in, Israël tegemoet. De strijd werd gevoerd in het woud van Efraïm.
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en trok uit
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld in
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegemoet
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en was
הַמִּלְחָמָ֖ה
(hamilchama)
de strijd
בְּיַ֥עַר
(beyaar)
in het woud van
אֶפְרָֽיִם
(efrayim)
Efraïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het woud van Efraïm lag waarschijnlijk ten oosten van de Jordaan, in Gilead, ondanks de naam.

De tekst zegt niet waarom het zo heet.

De ligging is onzeker; het gebied ligt in het noorden van Jordanië.

Zie Woud van Efraïm (ligging onzeker): Het woud van Efraïm lag waarschijnlijk in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Het ligt dus niet in het bergland van Efraïm.

De precieze plaats is niet zeker.

7Daar werd het volk van Israël verslagen door de dienaren van David. Op die dag was de slachting daar groot: twintigduizend man.
וַיִּנָּ֤גְפוּ
(vayinagefu)
en werden verslagen
שָׁם֙
(sham)
daar
עַ֣ם
(am)
het volk van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
דָוִ֑ד
(david)
David
וַתְּהִי
(vatehi)
en was
שָׁ֞ם
(sham)
daar
הַמַּגֵּפָ֧ה
(hamagefa)
de slachting
גְדוֹלָ֛ה
(gedola)
groot
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַגֵּפָה (maggefah), ‘slachting’: een slag waarbij velen vallen.

Het woord wordt ook gebruikt voor een plaag.

8De strijd verspreidde zich daar over heel het land. Het woud verslond op die dag meer van het volk dan het zwaard.
וַתְּהִי
(vatehi)
en was
שָׁ֧ם
(sham)
daar
הַמִּלְחָמָ֛ה
(hamilchama)
de strijd
נָפֹ֖צֶת
(nafotset)
verspreid
עַל
(al)
over
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
כָל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיֶּ֤רֶב
(vayerev)
en vermeerderde
הַיַּ֨עַר֙
(hayaar)
het woud
לֶאֱכֹ֣ל
(leekhol)
om te verslinden
בָּעָ֔ם
(baam)
onder het volk
מֵאֲשֶׁ֥ר
(measher)
meer dan
אָכְלָ֛ה
(akhela)
verslond
הַחֶ֖רֶב
(hacherev)
het zwaard
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het woud ‘verslond’ meer mensen dan het zwaard.

De tekst zegt niet hoe precies.

Lezing

De tekst schrijft (ketiv) een iets andere vorm van het woord ‘verspreid’ (נפצית) dan hij leest (qere, נִפְצֶת).

De betekenis blijft gelijk.

Absalom blijft hangen

9Absalom kwam de dienaren van David tegen. Absalom reed op zijn muilezel. De muilezel kwam onder de dichte takken van een grote eik. Zijn hoofd bleef in de eik vastzitten. Hij bleef hangen tussen hemel en aarde. De muilezel onder hem liep door.
וַיִּקָּרֵא֙
(vayiqare)
en kwam tegen
אַבְשָׁל֔וֹם
(avshalom)
Absalom
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
דָוִ֑ד
(david)
David
וְאַבְשָׁל֞וֹם
(veavshalom)
en Absalom
רֹכֵ֣ב
(rokhev)
rijdend
עַל
(al)
op
הַפֶּ֗רֶד
(hapered)
de muilezel
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
הַפֶּ֡רֶד
(hapered)
de muilezel
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
שׂוֹבֶךְ֩
(sovekh)
dichte takken van
הָאֵלָ֨ה
(haela)
de eik
הַגְּדוֹלָ֜ה
(hagedola)
de grote
וַיֶּחֱזַ֧ק
(vayechezaq)
en bleef vastzitten
רֹאשׁ֣וֹ
(rosho)
zijn hoofd
בָאֵלָ֗ה
(baela)
in de eik
וַיֻּתַּן֙
(vayutan)
en werd gegeven
בֵּ֤ין
(bein)
tussen
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וְהַפֶּ֥רֶד
(vehapered)
en de muilezel
אֲשֶׁר
(asher)
die
תַּחְתָּ֖יו
(tachtav)
onder hem
עָבָֽר
(avar)
liep door
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׂוֹבֶךְ (soevech), ‘dichte takken’: het woord komt alleen hier voor.

Het gaat om een kluwen van takken.

הָאֵלָה (ha’elah), ‘eik’: een grote boom.

10Een man zag het en vertelde het aan Joab. Hij zei: „Zie, ik heb Absalom aan een eik zien hangen.”
וַיַּרְא֙
(vayar)
en zag
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶחָ֔ד
(echad)
een
וַיַּגֵּ֖ד
(vayaged)
en vertelde
לְיוֹאָ֑ב
(leyoav)
aan Joab
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנֵּה֙
(hine)
zie
רָאִ֣יתִי
(raiti)
ik heb gezien
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְשָׁלֹ֔ם
(avshalom)
Absalom
תָּל֖וּי
(taluy)
hangend
בָּאֵלָֽה
(baela)
aan een eik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Joab zei tegen de man die het hem vertelde: „Je hebt hem dus gezien! Waarom heb je hem daar niet neergeslagen, tot op de grond? Dan had ik jou tien zilverstukken en een gordel moeten geven.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹאָ֗ב
(yoav)
Joab
לָאִישׁ֙
(laish)
tot de man
הַמַּגִּ֣יד
(hamagid)
die vertelde
ל֔וֹ
(lo)
hem
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
רָאִ֔יתָ
(raita)
je hebt gezien
וּמַדּ֛וּעַ
(umadua)
en waarom
לֹֽא
(lo)
niet
הִכִּית֥וֹ
(hikito)
sloeg je hem neer
שָׁ֖ם
(sham)
daar
אָ֑רְצָה
(aretsa)
tot de grond
וְעָלַ֗י
(vealay)
en op mij
לָ֤תֶת
(latet)
om te geven
לְךָ֙
(lekha)
aan jou
עֲשָׂ֣רָה
(asara)
tien
כֶ֔סֶף
(kesef)
zilver
וַחֲגֹרָ֖ה
(vachagora)
en gordel
אֶחָֽת
(echat)
een
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws noemt alleen ‘tien zilver’.

Het gaat waarschijnlijk om tien zilveren sikkels (ongeveer 114 gram).

Een gordel was een eerbewijs voor een krijger.

12De man zei tegen Joab: „Al woog ik duizend zilverstukken in mijn handen, ik strekte mijn hand niet uit naar de zoon van de koning. Want wij hoorden zelf hoe de koning u, Abisai en Ittai bevel gaf: ‘Pas op, wie het ook is, voor de jongen Absalom.’
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
וְל֨וּא
(velu)
en al
אָנֹכִ֜י
(anokhi)
ik
שֹׁקֵ֤ל
(shoqel)
woog
עַל
(al)
op
כַּפַּי֙
(kapay)
mijn handpalmen
אֶ֣לֶף
(elef)
duizend
כֶּ֔סֶף
(kesef)
zilver
לֹֽא
(lo)
niet
אֶשְׁלַ֥ח
(eshlach)
zou ik uitstrekken
יָדִ֖י
(yadi)
mijn hand
אֶל
(el)
naar
בֶּן
(ben)
de zoon van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּ֣י
(ki)
want
בְאָזְנֵ֜ינוּ
(beazeneinu)
in onze oren
צִוָּ֣ה
(tsiva)
gaf bevel
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֹ֠תְךָ
(otekha)
u
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲבִישַׁ֤י
(avishay)
Abisai
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אִתַּי֙
(itay)
Ittai
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
שִׁמְרוּ
(shimru)
pas op
מִ֕י
(mi)
wie
בַּנַּ֖עַר
(banaar)
met de jongen
בְּאַבְשָׁלֽוֹם
(beavshalom)
Absalom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Duizend zilver’ zijn waarschijnlijk duizend sikkels (ongeveer 11,4 kilogram).

Lezing

De laatste woorden (שִׁמְרוּ מִי בַּנַּעַר) zijn moeilijk: letterlijk ‘bewaakt, wie, de jongen Absalom’.

Wij vertalen ‘Pas op, wie het ook is, voor de jongen Absalom’.

De tekst schrijft (ketiv) ‘en niet ik’ (וְלֹא), maar leest (qere) ‘en al ik’ (וְלוּא). Wij volgen de qere: ‘al woog ik’.

Zie ook2 Sam 18:5
13Anders had ik tegen mijn eigen leven bedrog gepleegd. En niets blijft voor de koning verborgen. U zou zelf aan de kant blijven staan.”
אֽוֹ
(o)
of
עָשִׂ֤יתִי
(asiti)
had ik gedaan
בְנַפְשִׁי֙
(benafshi)
tegen mijn leven
שֶׁ֔קֶר
(sheqer)
bedrog
וְכָל
(vekhal)
en alles
דָּבָ֖ר
(davar)
zaak
לֹא
(lo)
niet
יִכָּחֵ֣ד
(yikached)
blijft verborgen
מִן
(min)
voor
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
תִּתְיַצֵּ֥ב
(tityatsev)
zou jezelf opstellen
מִנֶּֽגֶד
(mineged)
op afstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De tekst schrijft (ketiv) ‘tegen zijn leven’ (בְּנַפְשׁוֹ), maar leest (qere) ‘tegen mijn leven’ (בְּנַפְשִׁי).

Wij volgen de qere.

Met de ketiv is het ‘zijn leven’, dus het leven van Absalom.

De betekenis blijft bijna gelijk: de man zou de koning bedriegen.

14Joab zei: „Zo wil ik niet langer bij jou talmen.” Hij nam drie staven in zijn hand en stootte ze in het hart van Absalom, terwijl die nog leefde in het hart van de eik.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
לֹא
(lo)
niet
כֵ֖ן
(ken)
zo
אֹחִ֣ילָה
(ochila)
ik zal talmen
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor jou
וַיִּקַּח֩
(vayiqach)
en nam
שְׁלֹשָׁ֨ה
(shelosha)
drie
שְׁבָטִ֜ים
(shevatim)
staven
בְּכַפּ֗וֹ
(bekhapo)
in zijn hand
וַיִּתְקָעֵם֙
(vayitqaem)
en stootte ze
בְּלֵ֣ב
(belev)
in het hart van
אַבְשָׁל֔וֹם
(avshalom)
Absalom
עוֹדֶ֥נּוּ
(odenu)
terwijl hij nog
חַ֖י
(chay)
levend
בְּלֵ֥ב
(belev)
in het hart van
הָאֵלָֽה
(haela)
de eik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁבָטִים (sjevatim), ‘staven’: het woord betekent meestal ‘staf’ of ‘stok’, en ook ‘stam’.

Het zijn hier voorwerpen die Joab in zijn hand houdt en kan stoten, waarschijnlijk lansen.

Wij vertalen letterlijk.

Het Hebreeuws zegt ‘in het hart van de eik’: het binnenste van de boom.

15Tien jongens, de wapendragers van Joab, omringden Absalom. Zij sloegen hem en doodden hem.
וַיָּסֹ֨בּוּ֙
(vayasobu)
en omringden
עֲשָׂרָ֣ה
(asara)
tien
נְעָרִ֔ים
(nearim)
jongens
נֹשְׂאֵ֖י
(noseei)
dragers van
כְּלֵ֣י
(kelei)
wapens van
יוֹאָ֑ב
(yoav)
Joab
וַיַּכּ֥וּ
(vayaku)
en sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְשָׁל֖וֹם
(avshalom)
Absalom
וַיְמִיתֻֽהוּ
(vaymituhu)
en doodden hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Joab blies op de ramshoorn. Het volk hield op met de achtervolging van Israël, want Joab hield het volk tegen.
וַיִּתְקַ֤ע
(vayitqa)
en blies
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
בַּשֹּׁפָ֔ר
(bashofar)
op de ramshoorn
וַיָּ֣שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
מִרְדֹ֖ף
(mirdof)
van het achtervolgen
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
want
חָשַׂ֥ךְ
(chasakh)
hield tegen
יוֹאָ֖ב
(yoav)
Joab
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוֹפָר (sjofar), ‘ramshoorn’: een hoorn die als signaal diende.

17Zij namen Absalom en wierpen hem in het woud in een grote kuil. Zij legden er een zeer grote steenhoop op. Heel Israël vluchtte, ieder naar zijn tent.
וַיִּקְח֣וּ
(vayiqchu)
en namen
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְשָׁל֗וֹם
(avshalom)
Absalom
וַיַּשְׁלִ֨יכוּ
(vayashlikhu)
en wierpen
אֹת֤וֹ
(oto)
hem
בַיַּ֨עַר֙
(bayaar)
in het woud
אֶל
(el)
in
הַפַּ֣חַת
(hapachat)
de kuil
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de grote
וַיַּצִּ֧בוּ
(vayatsivu)
en richtten op
עָלָ֛יו
(alav)
over hem
גַּל
(gal)
een steenhoop van
אֲבָנִ֖ים
(avanim)
stenen
גָּד֣וֹל
(gadol)
grote
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
נָ֖סוּ
(nasu)
vluchtte
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְאֹהָלָֽיו
(leohalav)
naar zijn tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גַּל אֲבָנִים (gal avanim), ‘steenhoop’: een hoop stenen over een graf.

Zie ook Joz. 7:26 en Joz. 8:29.

18Absalom had zich tijdens zijn leven een gedenkzuil laten oprichten, die in het Koningsdal staat. Want hij had gezegd: „Ik heb geen zoon om mijn naam te laten gedenken.” Hij noemde de zuil naar zijn eigen naam. Tot op deze dag heet zij ‘de Hand van Absalom’.
וְאַבְשָׁלֹ֣ם
(veavshalom)
en Absalom
לָקַ֗ח
(laqach)
had genomen
וַיַּצֶּב
(vayatsev)
en had opgericht
ל֤וֹ
(lo)
voor zichzelf
בְחַיָּיו֙
(bechayav)
tijdens zijn leven
אֶת
(et)
(obj.)
מַצֶּ֨בֶת֙
(matsevet)
de gedenkzuil
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּעֵֽמֶק
(beemeq)
in het dal van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּ֤י
(ki)
want
אָמַר֙
(amar)
hij had gezegd
אֵֽין
(ein)
niet
לִ֣י
(li)
is voor mij
בֵ֔ן
(ben)
zoon
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
opdat
הַזְכִּ֣יר
(hazkir)
gedenken
שְׁמִ֑י
(shemi)
mijn naam
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en noemde
לַמַּצֶּ֨בֶת֙
(lamatsevet)
de zuil
עַל
(al)
naar
שְׁמ֔וֹ
(shemo)
zijn naam
וַיִּקָּ֤רֵא
(vayiqare)
en men noemt
לָהּ֙
(lah)
haar
יַ֣ד
(yad)
de Hand van
אַבְשָׁלֹ֔ם
(avshalom)
Absalom
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het Koningsdal is het dal waar Abram na zijn overwinning de koning van Sodom ontmoette (Gen. 14:17).

Het ligt bij Jeruzalem; waarschijnlijk is het het Kidrondal.

Het monument dat nu ‘het graf van Absalom’ heet, staat daar ook, maar is veel later gebouwd.

Uitleg

מַצֶּבֶת (matsevet), ‘gedenkzuil’: een zuil die ter nagedachtenis staat.

יַד אַבְשָׁלֹם (yad avsjalom), ‘de Hand van Absalom’: een naam voor de zuil; ‘hand’ kan ook ‘gedenkteken’ betekenen.

Lezing

Absalom had volgens 2 Sam. 14:27 drie zonen.

Hier zegt hij dat hij geen zoon heeft.

De tekst zegt niet hoe dit samengaat.

Het bericht voor David

19Achimaäs, de zoon van Zadok, zei: „Laat mij toch gaan rennen en de koning het goede nieuws brengen. Want Yahweh heeft hem recht verschaft tegenover zijn vijanden.”
וַאֲחִימַ֤עַץ
(vaachimaats)
en Achimaäs
בֶּן
(ben)
zoon van
צָדוֹק֙
(tsadoq)
Zadok
אָמַ֔ר
(amar)
zei
אָר֣וּצָה
(arutsa)
laat mij rennen
נָּ֔א
(na)
toch
וַאֲבַשְּׂרָ֖ה
(vaavasera)
en goed nieuws brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּי
(ki)
want
שְׁפָט֥וֹ
(shefato)
heeft recht verschaft
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
אֹיְבָֽיו
(oyevav)
zijn vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁפַט (sjafat), ‘recht verschaffen’: Yahweh heeft de zaak van David beslist en hem gelijk gegeven.

Zie ook 2 Sam. 18:31.

20Joab zei tegen hem: „Jij bent vandaag niet de man die goed nieuws brengt. Op een andere dag zul je het brengen. Maar vandaag zul je het niet brengen, want de zoon van de koning is dood.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
יוֹאָ֗ב
(yoav)
Joab
לֹא֩
(lo)
niet
אִ֨ישׁ
(ish)
man van
בְּשֹׂרָ֤ה
(besora)
goed nieuws
אַתָּה֙
(ata)
jij
הַיּ֣וֹם
(hayom)
op de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וּבִשַּׂרְתָּ֖
(uvisarta)
en je zult goed nieuws brengen
בְּי֣וֹם
(beyom)
op een dag
אַחֵ֑ר
(acher)
andere
וְהַיּ֤וֹם
(vehayom)
en op de dag
הַזֶּה֙
(haze)
deze
לֹ֣א
(lo)
niet
תְבַשֵּׂ֔ר
(tevaser)
je zult brengen
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
op
כֵּ֥ן
(ken)
zo
בֶּן
(ben)
de zoon van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מֵֽת
(met)
dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Joab zegt waarom: de zoon van de koning is dood.

Het bericht is voor David geen goed nieuws.

Daarom stuurt Joab de Kushiet (vers 21).

21Joab zei tegen de Kushiet: „Ga, vertel de koning wat je gezien hebt.” De Kushiet boog zich voor Joab neer en rende weg.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
לַכּוּשִׁ֔י
(lakushi)
tegen de Kushiet
לֵ֛ךְ
(lekh)
ga
הַגֵּ֥ד
(haged)
vertel
לַמֶּ֖לֶךְ
(lamelekh)
de koning
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
רָאִ֑יתָה
(raita)
je hebt gezien
וַיִּשְׁתַּ֧חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
כוּשִׁ֛י
(kushi)
de Kushiet
לְיוֹאָ֖ב
(leyoav)
voor Joab
וַיָּרֹֽץ
(vayarots)
en rende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכּוּשִׁי (hakushi), ‘de Kushiet’: een man uit Kush, het land ten zuiden van Egypte.

Wij schrijven Kush zoals in Gen. 2:13.

Zie ookGen 2:13
22Achimaäs, de zoon van Zadok, bleef aandringen en zei tegen Joab: „Wat er ook gebeurt, laat toch ook mij achter de Kushiet aan rennen.” Joab zei: „Waarom wil je rennen, mijn zoon? Je hebt toch geen nieuws dat iets oplevert.”
וַיֹּ֨סֶף
(vayosef)
en voegde toe
ע֜וֹד
(od)
opnieuw
אֲחִימַ֤עַץ
(achimaats)
Achimaäs
בֶּן
(ben)
zoon van
צָדוֹק֙
(tsadoq)
Zadok
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
וִ֣יהִי
(vihi)
en wat ook
מָ֔ה
(ma)
wat
אָרֻֽצָה
(arutsa)
laat mij rennen
נָּ֥א
(na)
toch
גַם
(gam)
ook
אָ֖נִי
(ani)
ik
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
הַכּוּשִׁ֑י
(hakushi)
de Kushiet
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹאָ֗ב
(yoav)
Joab
לָֽמָּה
(lama)
waarom
זֶּ֞ה
(ze)
dit
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
רָץ֙
(rats)
wilt rennen
בְּנִ֔י
(beni)
mijn zoon
וּלְכָ֖ה
(ulekha)
en voor jou
אֵין
(ein)
niet is
בְּשׂוֹרָ֥ה
(besora)
nieuws
מֹצֵֽאת
(motset)
dat oplevert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּשׂוֹרָה מֹצֵאת (besorah motsa’at), ‘nieuws dat iets oplevert’: letterlijk ‘nieuws dat vindt’.

Er is voor Achimaäs geen beloning te verwachten.

23„Wat er ook gebeurt, ik wil rennen.” Hij zei tegen hem: „Ren dan.” Achimaäs rende over de weg van de Vlakte. Zo liep hij de Kushiet voorbij.
וִיהִי
(vihi)
en wat ook
מָ֣ה
(ma)
wat
אָר֔וּץ
(aruts)
ik zal rennen
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֖וֹ
(lo)
tot hem
ר֑וּץ
(ruts)
ren
וַיָּ֤רָץ
(vayarats)
en rende
אֲחִימַ֨עַץ֙
(achimaats)
Achimaäs
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg van
הַכִּכָּ֔ר
(hakikar)
de Vlakte
וַֽיַּעֲבֹ֖ר
(vayaavor)
en liep voorbij
אֶת
(et)
(obj.)
הַכּוּשִֽׁי
(hakushi)
de Kushiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

הַכִּכָּר (hakikkar), ‘de Vlakte’: de Jordaanvlakte (Gen. 13:10).

Achimaäs neemt de weg door de vlakte, waarschijnlijk een vlakkere weg dan het bergpad van de Kushiet.

Zie De Vlakte (Kikkar, ligging onzeker): De Vlakte (Kikkar) is de vlakte van de Jordaan.

Welk deel bedoeld wordt, is niet zeker.

De wachter ziet de lopers komen

24David zat tussen de twee poorten. De wachter ging naar het dak van de poort, naar de muur. Hij sloeg zijn ogen op en zag een man alleen rennen.
וְדָוִ֥ד
(vedavid)
en David
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
zat
בֵּין
(bein)
tussen
שְׁנֵ֣י
(shenei)
de twee
הַשְּׁעָרִ֑ים
(hashearim)
poorten
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הַצֹּפֶ֜ה
(hatsofe)
de wachter
אֶל
(el)
naar
גַּ֤ג
(gag)
het dak van
הַשַּׁ֨עַר֙
(hashaar)
de poort
אֶל
(el)
naar
הַ֣חוֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
וַיִּשָּׂ֤א
(vayisa)
en sloeg op
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינָיו֙
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֔רְא
(vayar)
en zag
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
אִ֖ישׁ
(ish)
man
רָ֥ץ
(rats)
rennend
לְבַדּֽוֹ
(levado)
alleen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25De wachter riep het en vertelde het aan de koning. De koning zei: „Als hij alleen is, brengt hij nieuws.” Hij kwam steeds dichterbij.
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
הַצֹּפֶה֙
(hatsofe)
de wachter
וַיַּגֵּ֣ד
(vayaged)
en vertelde
לַמֶּ֔לֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אִם
(im)
als
לְבַדּ֖וֹ
(levado)
alleen
בְּשׂוֹרָ֣ה
(besora)
nieuws
בְּפִ֑יו
(befiv)
in zijn mond
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הָל֖וֹךְ
(halokh)
steeds verder
וְקָרֵֽב
(veqarev)
en kwam dichterbij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26De wachter zag een andere man rennen. De wachter riep naar de poortwachter: „Zie, een man die alleen rent!” De koning zei: „Ook die brengt nieuws.”
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
הַצֹּפֶה֮
(hatsofe)
de wachter
אִישׁ
(ish)
man
אַחֵ֣ר
(acher)
andere
רָץ֒
(rats)
rennend
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
הַצֹּפֶה֙
(hatsofe)
de wachter
אֶל
(el)
naar
הַשֹּׁעֵ֔ר
(hashoer)
de poort
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנֵּה
(hine)
zie
אִ֖ישׁ
(ish)
man
רָ֣ץ
(rats)
rennend
לְבַדּ֑וֹ
(levado)
alleen
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
גַּם
(gam)
ook
זֶ֥ה
(ze)
deze
מְבַשֵּֽׂר
(mevaser)
brengt nieuws
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27De wachter zei: „Ik zie dat de eerste rent zoals Achimaäs, de zoon van Zadok.” De koning zei: „Dat is een goede man. Hij komt met goed nieuws.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
הַצֹּפֶ֔ה
(hatsofe)
de wachter
אֲנִ֤י
(ani)
ik
רֹאֶה֙
(roe)
zie
אֶת
(et)
(obj.)
מְרוּצַ֣ת
(merutsat)
het rennen van
הָרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
כִּמְרֻצַ֖ת
(kimrutsat)
zoals het rennen van
אֲחִימַ֣עַץ
(achimaats)
Achimaäs
בֶּן
(ben)
zoon van
צָד֑וֹק
(tsadoq)
Zadok
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אִֽישׁ
(ish)
man
ט֣וֹב
(tov)
goed
זֶ֔ה
(ze)
deze
וְאֶל
(veel)
en naar
בְּשׂוֹרָ֥ה
(besora)
nieuws
טוֹבָ֖ה
(tova)
goed
יָבֽוֹא
(yavo)
komt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Achimaäs riep en zei tegen de koning: „Vrede!” Hij boog zich met zijn gezicht ter aarde voor de koning. Hij zei: „Gezegend zij Yahweh, uw Elohim. Hij heeft de mannen uitgeleverd die hun hand hebben opgeheven tegen mijn heer de koning.”
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en riep
אֲחִימַ֗עַץ
(achimaats)
Achimaäs
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
שָׁל֔וֹם
(shalom)
vrede
וַיִּשְׁתַּ֧חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
לַמֶּ֛לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
לְאַפָּ֖יו
(leapav)
met zijn gezicht
אָ֑רְצָה
(aretsa)
ter aarde
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
בָּרוּךְ֙
(barukh)
gezegend
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
סִגַּר֙
(sigar)
heeft uitgeleverd
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָשְׂא֥וּ
(naseu)
hebben opgeheven
אֶת
(et)
(obj.)
יָדָ֖ם
(yadam)
hun hand
בַּֽאדֹנִ֥י
(badoni)
tegen mijn heer
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלוֹם (sjalom), ‘vrede’: dit is een groet en tegelijk een boodschap dat het goed is.

סִגַּר (siggar), ‘uitleveren’: letterlijk ‘afsluiten’, ‘overleveren’. Zie ook 1 Sam. 17:46.

29De koning zei: „Is het goed met de jongen Absalom?” Achimaäs zei: „Ik zag een grote drukte toen Joab, de dienaar van de koning, uw dienaar wegstuurde. Maar ik wist niet wat er was.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שָׁל֥וֹם
(shalom)
goed
לַנַּ֖עַר
(lanaar)
met de jongen
לְאַבְשָׁל֑וֹם
(leavshalom)
Absalom
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲחִימַ֡עַץ
(achimaats)
Achimaäs
רָאִיתִי֩
(raiti)
ik zag
הֶהָמ֨וֹן
(hehamon)
de drukte
הַגָּד֜וֹל
(hagadol)
de grote
לִ֠שְׁלֹחַ
(lishloach)
bij het wegsturen van
אֶת
(et)
(obj.)
עֶ֨בֶד
(eved)
dienaar van
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַבְדֶּ֔ךָ
(avdekha)
uw dienaar
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָדַ֖עְתִּי
(yadati)
ik wist
מָֽה
(ma)
wat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Achimaäs zegt niet dat Absalom dood is.

De tekst laat open of hij het werkelijk niet wist.

30De koning zei: „Ga opzij en blijf hier staan.” Hij ging opzij en bleef staan.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
סֹ֖ב
(sov)
ga opzij
הִתְיַצֵּ֣ב
(hityatsev)
blijf staan
כֹּ֑ה
(ko)
hier
וַיִּסֹּ֖ב
(vayisov)
en ging opzij
וַֽיַּעֲמֹֽד
(vayaamod)
en bleef staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Zie, de Kushiet kwam. De Kushiet zei: „Mijn heer de koning krijgt goed nieuws: Yahweh heeft u vandaag recht verschaft tegenover allen die tegen u opstonden.”
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
הַכּוּשִׁ֖י
(hakushi)
de Kushiet
בָּ֑א
(ba)
kwam
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַכּוּשִׁ֗י
(hakushi)
de Kushiet
יִתְבַּשֵּׂר֙
(yitbaser)
laat goed nieuws worden gebracht
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּֽי
(ki)
want
שְׁפָטְךָ֤
(shefatekha)
heeft recht verschaft aan u
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
מִיַּ֖ד
(miyad)
uit de hand van
כָּל
(kal)
allen
הַקָּמִ֥ים
(haqamim)
die opstaan
עָלֶֽיךָ
(aleikha)
tegen u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Kushiet zegt dat Yahweh recht heeft verschaft, in dezelfde woorden als Achimaäs in vers 19.

32De koning zei tegen de Kushiet: „Is het goed met de jongen Absalom?” De Kushiet zei: „Mogen de vijanden van mijn heer de koning en allen die tegen u opstonden om kwaad te doen, worden zoals die jongen.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
הַכּוּשִׁ֔י
(hakushi)
de Kushiet
הֲשָׁל֥וֹם
(hashalom)
goed
לַנַּ֖עַר
(lanaar)
met de jongen
לְאַבְשָׁל֑וֹם
(leavshalom)
Absalom
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַכּוּשִׁ֗י
(hakushi)
de Kushiet
יִהְי֤וּ
(yihyu)
mogen zijn
כַנַּ֨עַר֙
(kanaar)
zoals de jongen
אֹֽיְבֵי֙
(oyevei)
de vijanden van
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכֹ֛ל
(vekhol)
en allen
אֲשֶׁר
(asher)
die
קָ֥מוּ
(qamu)
opstonden
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
tegen u
לְרָעָֽה
(leraa)
tot kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Kushiet zegt niet openlijk dat Absalom dood is.

Met zijn wens zegt hij het wel.

Zie 2 Sam. 19:1.