Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh zal niet meegaan
1Yahweh sprak tot Mozes: „Ga, trek op van hier, jij en het volk dat je uit het land Egypte hebt geleid, naar het land waarover Ik aan Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb: ‘Aan jouw nageslacht zal Ik het geven.’
וַיְדַבֵּ֨ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
עֲלֵ֣ה
(ale)
trek op
מִזֶּ֔ה
(mize)
van hier
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
וְהָעָ֔ם
(vehaam)
en het volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הֶֽעֱלִ֖יתָ
(heelita)
je liet opgaan
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֶל
(el)
naar
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
נִ֠שְׁבַּעְתִּי
(nishbati)
Ik zwoer
לְאַבְרָהָ֨ם
(leavraham)
aan Abraham
לְיִצְחָ֤ק
(leyitschaq)
aan Isaak
וּֽלְיַעֲקֹב֙
(uleyaaqov)
en aan Jakob
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
om te zeggen
לְזַרְעֲךָ֖
(lezarakha)
aan je nageslacht
אֶתְּנֶֽנָּה
(etenena)
zal Ik het geven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Na het kalf zegt Yahweh dat Hij Zelf niet met het volk meegaat, maar een engel zal sturen (vergelijk Exod. 23:20–23; 32:34).
3naar een land dat overvloeit van melk en honing; maar Ik zal niet in je midden optrekken, want je bent een halsstarrig volk. Anders verteer Ik je onderweg.”
אֶל
(el)
naar
אֶ֛רֶץ
(erets)
een land van
זָבַ֥ת
(zavat)
vloeiend van
חָלָ֖ב
(chalav)
melk
וּדְבָ֑שׁ
(udevash)
en honing
כִּי֩
(ki)
want
לֹ֨א
(lo)
niet
אֶֽעֱלֶ֜ה
(eele)
zal Ik optrekken
בְּקִרְבְּךָ֗
(beqirbekha)
in je midden
כִּ֤י
(ki)
want
עַם
(am)
een volk
קְשֵׁה
(qeshe)
hard van
עֹ֨רֶף֙
(oref)
nek
אַ֔תָּה
(ata)
jij
פֶּן
(pen)
opdat niet
אֲכֶלְךָ֖
(akhelkha)
Ik je verteer
בַּדָּֽרֶךְ
(badarekh)
onderweg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Halsstarrig’ is letterlijk ‘hard van nek’; zie Exod. 32:9.
5Yahweh had tot Mozes gezegd: „Zeg tot de zonen van Israël: ‘Jullie zijn een halsstarrig volk. Als Ik één ogenblik in je midden optrok, zou Ik je verteren. Doe nu je sieraden af, dan zal Ik weten wat Ik met je zal doen.’”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
אֱמֹ֤ר
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tot
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
עַם
(am)
een volk
קְשֵׁה
(qeshe)
hard van
עֹ֔רֶף
(oref)
nek
רֶ֧גַע
(rega)
een ogenblik
אֶחָ֛ד
(echad)
één
אֶֽעֱלֶ֥ה
(eele)
zou Ik optrekken
בְקִרְבְּךָ֖
(beqirbekha)
in je midden
וְכִלִּיתִ֑יךָ
(vekhilitikha)
en Ik zou je verteren
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הוֹרֵ֤ד
(hored)
doe af
עֶדְיְךָ֙
(edyekha)
je sieraden
מֵֽעָלֶ֔יךָ
(mealeikha)
van op je
וְאֵדְעָ֖ה
(veedea)
en Ik zal weten
מָ֥ה
(ma)
wat
אֶֽעֱשֶׂה
(eese)
Ik zal doen
לָּֽךְ
(lakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De sieraden gingen mee naar het kalf (Exod. 32:2–3); nu legt het volk ze af.
7Mozes nam de tent en sloeg die buiten het kamp op, ver van het kamp, en noemde hem tent van samenkomst. Ieder die Yahweh zocht, ging naar de tent van samenkomst buiten het kamp.
וּמֹשֶׁה֩
(umoshe)
en Mozes
יִקַּ֨ח
(yiqach)
nam
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֹ֜הֶל
(haohel)
de tent
וְנָֽטָה
(venata)
en sloeg op
ל֣וֹ
(lo)
voor zich
מִח֣וּץ
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶ֗ה
(lamachane)
het kamp
הַרְחֵק֙
(harcheq)
ver
מִן
(min)
van
הַֽמַּחֲנֶ֔ה
(hamachane)
het kamp
וְקָ֥רָא
(veqara)
en noemde
ל֖וֹ
(lo)
haar
אֹ֣הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֑ד
(moed)
samenkomst
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
כָּל
(kal)
ieder
מְבַקֵּ֣שׁ
(mevaqesh)
die zocht
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יֵצֵא֙
(yetse)
ging uit
אֶל
(el)
naar
אֹ֣הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
מִח֥וּץ
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶֽה
(lamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Deze tent van samenkomst is nog niet de tabernakel (die nog moet worden gebouwd); zij is een tent die Mozes zelf buiten het kamp opzet, als plaats waar iedereen Yahweh kan raadplegen.
8Telkens als Mozes naar de tent ging, stond heel het volk op en ging ieder bij de ingang van zijn tent staan; zij keken Mozes na tot hij de tent was binnengegaan.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het was
כְּצֵ֤את
(ketset)
toen uitging
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
naar
הָאֹ֔הֶל
(haohel)
de tent
יָק֨וּמוּ֙
(yaqumu)
stonden op
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְנִ֨צְּב֔וּ
(venitsevu)
en stonden
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
פֶּ֣תַח
(petach)
de ingang van
אָהֳל֑וֹ
(aholo)
zijn tent
וְהִבִּ֨יטוּ֙
(vehibitu)
en keken
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
עַד
(ad)
totdat
בֹּא֖וֹ
(boo)
hij binnenging
הָאֹֽהֱלָה
(haohela)
de tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Yahweh sprak met Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand met zijn vriend spreekt. Daarna keerde Mozes terug naar het kamp, maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, een jongen, week niet uit de tent.
וְדִבֶּ֨ר
(vediber)
en sprak
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
פָּנִ֣ים
(panim)
aangezicht
אֶל
(el)
tot
פָּנִ֔ים
(panim)
aangezicht
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
יְדַבֵּ֥ר
(yedaber)
spreekt
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
אֶל
(el)
tot
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
zijn vriend
וְשָׁב֙
(veshav)
en keerde terug
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶ֔ה
(hamachane)
het kamp
וּמְשָׁ֨רְת֜וֹ
(umeshareto)
en zijn dienaar
יְהוֹשֻׁ֤עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נוּן֙
(nun)
Nun
נַ֔עַר
(naar)
jongen
לֹ֥א
(lo)
niet
יָמִ֖ישׁ
(yamish)
week
מִתּ֥וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
הָאֹֽהֶל
(haohel)
de tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Van aangezicht tot aangezicht’ drukt de nabijheid uit van Yahweh en Mozes; zie ook Num. 12:6–8; Deut. 34:10.
12Mozes zei tot Yahweh: „Zie, U zegt tot mij: ‘Leid dit volk op’, maar U hebt mij niet laten weten wie U met mij zult zenden. En U hebt gezegd: ‘Ik ken je bij naam, en je hebt ook gunst gevonden in Mijn ogen.’
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
רְ֠אֵה
(ree)
zie
אַתָּ֞ה
(ata)
U
אֹמֵ֤ר
(omer)
zegt
אֵלַי֙
(elay)
tot mij
הַ֚עַל
(haal)
leid op
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וְאַתָּה֙
(veata)
en U
לֹ֣א
(lo)
niet
הֽוֹדַעְתַּ֔נִי
(hodatani)
hebt mij laten weten
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wie
תִּשְׁלַ֖ח
(tishlach)
U zult zenden
עִמִּ֑י
(imi)
met mij
וְאַתָּ֤ה
(veata)
en U
אָמַ֨רְתָּ֙
(amarta)
hebt gezegd
יְדַעְתִּ֣יךָֽ
(yedatikha)
ik ken je
בְשֵׁ֔ם
(beshem)
bij naam
וְגַם
(vegam)
en ook
מָצָ֥אתָ
(matsata)
je hebt gevonden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינָֽי
(beeinay)
in Mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Mozes pleit nu voor Yahweh's aanwezigheid bij het volk (vers 12–16).
16Waaraan zal dan blijken dat ik en Uw volk gunst hebben gevonden in Uw ogen? Is het niet doordat U met ons meegaat? Zo worden ik en Uw volk onderscheiden van alle volken op het oppervlak van de grond.”
וּבַמֶּ֣ה
(uvame)
en waaraan
יִוָּדַ֣ע
(yivada)
wordt bekend
אֵפ֗וֹא
(efo)
dan
כִּֽי
(ki)
dat
מָצָ֨אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵ֤ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֨יךָ֙
(beeineikha)
in Uw ogen
אֲנִ֣י
(ani)
ik
וְעַמֶּ֔ךָ
(veamekha)
en Uw volk
הֲל֖וֹא
(halo)
is het niet
בְּלֶכְתְּךָ֣
(belekhtekha)
doordat U gaat
עִמָּ֑נוּ
(imanu)
met ons
וְנִפְלֵ֨ינוּ֙
(venifleinu)
en worden onderscheiden
אֲנִ֣י
(ani)
ik
וְעַמְּךָ֔
(veamekha)
en Uw volk
מִכָּ֨ל
(mikal)
van alle
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Hij zei: „Ik zal al Mijn goedheid voor je aangezicht laten voorbijgaan en de naam Yahweh voor je uitroepen; Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig ben, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲנִ֨י
(ani)
Ik
אַעֲבִ֤יר
(aavir)
zal laten voorbijgaan
כָּל
(kal)
al
טוּבִי֙
(tuvi)
Mijn goedheid
עַל
(al)
voor
פָּנֶ֔יךָ
(paneikha)
je aangezicht
וְקָרָ֧אתִֽי
(veqarati)
en Ik zal uitroepen
בְשֵׁ֛ם
(beshem)
de naam
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor je aangezicht
וְחַנֹּתִי֙
(vechanoti)
en Ik zal genadig zijn
אֶת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wie
אָחֹ֔ן
(achon)
Ik genadig ben
וְרִחַמְתִּ֖י
(verichamti)
en Ik zal Mij ontfermen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wie
אֲרַחֵֽם
(arachem)
Ik Mij ontferm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De naam Yahweh wordt uitgeroepen: Yahweh maakt Zichzelf bekend door wie Hij is.