Uzzia, koning van Juda: kracht, hoogmoed en melaatsheid
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Uzzia wordt koning
1Heel het volk van Juda nam Uzzia, die 16 jaar oud was. Zij maakten hem koning in de plaats van zijn vader Amazia.
וַיִּקְח֞וּ
(vayiqchu)
en zij namen
כָּל
(kal)
heel
עַ֤ם
(am)
het volk van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
אֶת
(et)
(obj.)
עֻזִּיָּ֔הוּ
(uziyahu)
Uzzia
וְה֕וּא
(vehu)
en hij
בֶּן
(ben)
zoon van
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zestien (zes)
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וַיַּמְלִ֣יכוּ
(vayamlikhu)
en zij maakten tot koning
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
תַּ֖חַת
(tachat)
in plaats van
אָבִ֥יו
(aviv)
zijn vader
אֲמַצְיָֽהוּ
(amatsyahu)
Amazia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֻזִּיָּהוּ (Uzziyahu), ‘Uzzia’: in Koningen heet deze koning Azaria (עֲזַרְיָה), in 2 Kon. 14:21 en 15:1.
Het is dezelfde man; Jesaja noemt hem Uzzia (Jes. 6:1).
Wij schrijven in Kronieken ‘Uzzia’ en in Koningen ‘Azaria’.
De verzen 1–4 en 21–23 komen overeen met 2 Kon. 14:21–22 en 15:1–7. De verzen 5–20 staan alleen in Kronieken.
6Hij trok uit en voerde oorlog tegen de Filistijnen. Hij brak door de muur van Gat, de muur van Jabne en de muur van Asdod. Hij bouwde steden in het gebied van Asdod en onder de Filistijnen.
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en hij trok uit
וַיִּלָּ֣חֶם
(vayilachem)
en voerde oorlog
בַּפְּלִשְׁתִּ֔ים
(bapelishtim)
tegen de Filistijnen
וַיִּפְרֹ֞ץ
(vayifrots)
en brak door
אֶת
(et)
(obj.)
ח֣וֹמַת
(chomat)
de muur van
גַּ֗ת
(gat)
Gat
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
חוֹמַ֣ת
(chomat)
de muur van
יַבְנֵ֔ה
(yavne)
Jabne
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
חוֹמַ֣ת
(chomat)
de muur van
אַשְׁדּ֑וֹד
(ashdod)
Asdod
וַיִּבְנֶ֣ה
(vayivne)
en bouwde
עָרִ֔ים
(arim)
steden
בְּאַשְׁדּ֖וֹד
(beashdod)
in Asdod
וּבַפְּלִשְׁתִּֽים
(uvapelishtim)
en onder de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gat lag waarschijnlijk bij Tell es-Safi, Israël.
Jabne (Jamnia) is het huidige Yavne, Israël, ongeveer 20 kilometer ten zuiden van Tel Aviv.
Asdod is het huidige Ashdod, Israël, aan de kust.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
10Hij bouwde ook torens in de woestijn en hakte vele waterputten uit, want hij had veel vee. Dat was in het laagland en op de hoogvlakte. Hij had landbouwers en wijnbouwers in het bergland en in het vruchtbare land, want hij hield van de grond.
וַיִּ֨בֶן
(vayiven)
en bouwde
מִגְדָּלִ֜ים
(migdalim)
torens
בַּמִּדְבָּ֗ר
(bamidbar)
in de woestijn
וַיַּחְצֹב֙
(vayachtsov)
en hakte uit
בֹּר֣וֹת
(borot)
waterputten
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
כִּ֤י
(ki)
want
מִקְנֶה
(miqne)
vee
רַּב֙
(rav)
veel
הָ֣יָה
(haya)
was
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
וּבַשְּׁפֵלָ֖ה
(uvashefela)
en in het laagland
וּבַמִּישׁ֑וֹר
(uvamishor)
en op de hoogvlakte
אִכָּרִ֣ים
(ikarim)
landbouwers
וְכֹֽרְמִ֗ים
(vekhoremim)
en wijnbouwers
בֶּהָרִים֙
(beharim)
in het bergland
וּבַכַּרְמֶ֔ל
(uvakarmel)
en in het vruchtbare land
כִּֽי
(ki)
want
אֹהֵ֥ב
(ohev)
hield van
אֲדָמָ֖ה
(adama)
grond
הָיָֽה
(haya)
hij was
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֹּרוֹת (borot), ‘waterputten’: uitgehouwen regenputten in de rots.
שְׁפֵלָה (shefelah), ‘laagland’: het heuvelland tussen het gebergte van Juda en de kustvlakte. Wij vertalen overal zo; zie Joz. 15:33.
מִישׁוֹר (mishor), ‘hoogvlakte’: een vlak gebied. De naam wordt meestal gebruikt voor het plateau ten oosten van de Dode Zee (Deut. 3:10). Hier is de ligging niet duidelijk.
כַּרְמֶל (karmel), ‘vruchtbaar land’: het woord is ook de naam van de berg Karmel. Door de tegenstelling met het bergland is hier ‘vruchtbaar land’ bedoeld. De keuze is niet zeker.
11Uzzia had een leger dat oorlog voerde. Het trok in afdelingen uit, naar het getal van hun telling door Jeïël, de schrijver, en Maäseja, de opzichter. Zij stonden onder Chananja, een van de leiders van de koning.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
לְעֻזִּיָּ֡הוּ
(leuziyahu)
aan Uzzia
חַיִל֩
(chayil)
een leger
עֹשֵׂ֨ה
(ose)
dat voerde
מִלְחָמָ֜ה
(milchama)
oorlog
יוֹצְאֵ֧י
(yotseei)
uittrekkend naar
צָבָ֣א
(tsava)
het leger
לִגְד֗וּד
(ligdud)
in afdelingen
בְּמִסְפַּר֙
(bemispar)
naar het getal van
פְּקֻדָּתָ֔ם
(pequdatam)
hun telling
בְּיַד֙
(beyad)
door de hand van
יְעִיאֵ֣ל
(yeiel)
Jeïël
הַסּוֹפֵ֔ר
(hasofer)
de schrijver
וּמַעֲשֵׂיָ֖הוּ
(umaaseyahu)
en Maäseja
הַשּׁוֹטֵ֑ר
(hashoter)
de opzichter
עַ֚ל
(al)
onder
יַד
(yad)
de hand van
חֲנַנְיָ֔הוּ
(chananyahu)
Chananja
מִשָּׂרֵ֖י
(misarei)
uit de leiders van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֹׁטֵר (shoter), ‘opzichter’: iemand die toezicht houdt en bijhoudt.
Het woord wijst hier op een ambtenaar van de legertelling.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat יעואל (Jeüël).
15In Jeruzalem maakte hij werktuigen, bedacht door een vernuftig man. Die moesten op de torens en op de hoeken staan om pijlen en grote stenen te schieten. Zijn naam ging tot ver weg, want hij werd wonderbaarlijk geholpen, tot hij sterk was.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en maakte
בִּירוּשָׁלִַ֨ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
חִשְּׁבֹנ֜וֹת
(chishevonot)
werktuigen
מַחֲשֶׁ֣בֶת
(machashevet)
uitgedacht door
חוֹשֵׁ֗ב
(choshev)
een vernuftig man
לִהְי֤וֹת
(lihyot)
om te zijn
עַל
(al)
op
הַמִּגְדָּלִים֙
(hamigdalim)
de torens
וְעַל
(veal)
en op
הַפִּנּ֔וֹת
(hapinot)
de hoeken
לִירוֹא֙
(liro)
om te schieten
בַּֽחִצִּ֔ים
(bachitsim)
met pijlen
וּבָאֲבָנִ֖ים
(uvaavanim)
en met stenen
גְּדֹל֑וֹת
(gedolot)
grote
וַיֵּצֵ֤א
(vayetse)
en ging uit
שְׁמוֹ֙
(shemo)
zijn naam
עַד
(ad)
tot
לְמֵ֣רָח֔וֹק
(lemerachoq)
ver weg
כִּֽי
(ki)
want
הִפְלִ֥יא
(hifli)
wonderbaarlijk
לְהֵעָזֵ֖ר
(leheazer)
geholpen te worden
עַ֥ד
(ad)
tot
כִּֽי
(ki)
dat
חָזָֽק
(chazaq)
hij sterk was
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
חִשְּׁבֹנוֹת מַחֲשֶׁבֶת חוֹשֵׁב (chishvonot machashevet choshev), ‘werktuigen, bedacht door een vernuftig man’: dit zijn toestellen die pijlen en grote stenen wegschoten.
Het woord חִשְּׁבֹנוֹת (chishvonot) betekent letterlijk ‘bedenksels’ of ‘ontwerpen’.
הֻפְלָא לְהֵעָזֵר (hifli lehe’azer), ‘wonderbaarlijk geholpen worden’: dat wijst terug op vers 7: Elohim hielp hem.
16Maar toen hij sterk was, werd zijn hart hoogmoedig, tot zijn verderf. Hij handelde trouweloos tegen Yahweh, zijn Elohim. Hij ging de tempel van Yahweh binnen om wierook te laten opgaan op het wierookaltaar.
וּכְחֶזְקָת֗וֹ
(ukhechezqato)
en toen hij sterk was
גָּבַ֤הּ
(gavah)
werd hoog
לִבּוֹ֙
(libo)
zijn hart
עַד
(ad)
tot
לְהַשְׁחִ֔ית
(lehashchit)
verderf
וַיִּמְעַ֖ל
(vayimal)
en hij handelde trouweloos
בַּיהוָ֣ה
(baYahweh)
tegen Yahweh
אֱלֹהָ֑יו
(elohav)
zijn Elohim
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en hij ging
אֶל
(el)
naar
הֵיכַ֣ל
(heikhal)
de tempel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַקְטִ֖יר
(lehaqtir)
om wierook te laten opgaan
עַל
(al)
op
מִזְבַּ֥ח
(mizbach)
het altaar van
הַקְּטֹֽרֶת
(haqetoret)
de wierook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָעַל (ma’al), ‘trouweloos handelen’: het woord staat voor het breken van trouw aan Yahweh, vooral bij heilige zaken.
Het komt in dit hoofdstuk twee keer voor (vers 16 en 18).
הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: de hoofdzaal van het huis van Yahweh, waar het wierookaltaar stond (Exod. 30:1–8). Alleen de priesters uit het nageslacht van Aäron mochten wierook laten opgaan (Num. 17:5; 18:7).
18Zij stelden zich tegen koning Uzzia op en zeiden tegen hem: „Het is niet aan u, Uzzia, om wierook te laten opgaan voor Yahweh. Dat is voor de priesters, de zonen van Aäron, die geheiligd zijn om wierook te laten opgaan. Ga weg uit het heiligdom, want u hebt trouweloos gehandeld. Het zal u niet tot eer zijn bij Yahweh Elohim.”
וַיַּעַמְד֞וּ
(vayaamdu)
en zij stonden
עַל
(al)
tegen
עֻזִּיָּ֣הוּ
(uziyahu)
Uzzia
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֤אמְרוּ
(vayomru)
en zij zeiden
לוֹ֙
(lo)
tot hem
לֹא
(lo)
niet
לְךָ֣
(lekha)
aan u
עֻזִּיָּ֗הוּ
(uziyahu)
Uzzia
לְהַקְטִיר֙
(lehaqtir)
om wierook te laten opgaan
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
כִּ֣י
(ki)
want
לַכֹּהֲנִ֧ים
(lakohanim)
voor de priesters
בְּנֵי
(benei)
zonen van
אַהֲרֹ֛ן
(aharon)
Aäron
הַמְקֻדָּשִׁ֖ים
(hamqudashim)
de geheiligden
לְהַקְטִ֑יר
(lehaqtir)
om wierook te laten opgaan
צֵ֤א
(tse)
ga uit
מִן
(min)
uit
הַמִּקְדָּשׁ֙
(hamiqdash)
het heiligdom
כִּ֣י
(ki)
want
מָעַ֔לְתָּ
(maalta)
u hebt trouweloos gehandeld
וְלֹֽא
(velo)
en niet
לְךָ֥
(lekha)
aan u
לְכָב֖וֹד
(lekhavod)
tot eer
מֵיְהוָ֥ה
(meYahweh)
van Yahweh
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Yahweh Elohim (יְהוָה אֱלֹהִים) staat hier in de tekst als één naam.
מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’: hier de heilige ruimte van de tempel.
19Uzzia werd woedend. In zijn hand had hij een wierookvat om wierook te laten opgaan. Terwijl hij woedend was op de priesters, brak de melaatsheid uit op zijn voorhoofd. Dat gebeurde voor de ogen van de priesters, in het huis van Yahweh, bij het wierookaltaar.
וַיִּזְעַף֙
(vayizaf)
en werd woedend
עֻזִּיָּ֔הוּ
(uziyahu)
Uzzia
וּבְיָד֥וֹ
(uveyado)
en in zijn hand
מִקְטֶ֖רֶת
(miqteret)
een wierookvat
לְהַקְטִ֑יר
(lehaqtir)
om wierook te laten opgaan
וּבְזַעְפּ֣וֹ
(uvezapo)
en bij zijn woede
עִם
(im)
op
הַכֹּהֲנִ֗ים
(hakohanim)
de priesters
וְ֠הַצָּרַעַת
(vehatsaraat)
en de melaatsheid
זָרְחָ֨ה
(zarecha)
brak uit
בְמִצְח֜וֹ
(bemitscho)
op zijn voorhoofd
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵעַ֖ל
(meal)
van boven
לְמִזְבַּ֥ח
(lemizbach)
het altaar van
הַקְּטֹֽרֶת
(haqetoret)
de wierook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צָרַעַת (tsara’at), ‘melaatsheid’: een verzamelnaam voor huidaandoeningen.
Het is niet dezelfde ziekte als lepra in onze tijd (Lev. 13).
Wij vertalen het steeds met ‘melaatsheid’.
מִקְטֶרֶת (miqteret), ‘wierookvat’: een schaal of vat voor het laten opgaan van wierook.
20Azarja, de hoofdpriester, en alle priesters keken naar hem. Zie, hij was melaats op zijn voorhoofd. Zij joegen hem haastig van daar weg. Ook hijzelf haastte zich om naar buiten te gaan, want Yahweh had hem getroffen.
וַיִּ֣פֶן
(vayifen)
en keerde zich
אֵלָ֡יו
(elav)
naar hem
עֲזַרְיָהוּ֩
(azaryahu)
Azarja
כֹהֵ֨ן
(kohen)
priester van
הָרֹ֜אשׁ
(harosh)
de eerste
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַכֹּהֲנִ֗ים
(hakohanim)
de priesters
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
ה֤וּא
(hu)
hij
מְצֹרָע֙
(metsora)
melaats
בְּמִצְח֔וֹ
(bemitscho)
op zijn voorhoofd
וַיַּבְהִל֖וּהוּ
(vayavhiluhu)
en zij haastten hem
מִשָּׁ֑ם
(misham)
vandaar
וְגַם
(vegam)
en ook
הוּא֙
(hu)
hij
נִדְחַ֣ף
(nidchaf)
haastte zich
לָצֵ֔את
(latset)
om uit te gaan
כִּ֥י
(ki)
want
נִגְּע֖וֹ
(nigeo)
had hem getroffen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֹּהֵן הָרֹאשׁ (kohen harosh), ‘hoofdpriester’: letterlijk ‘de priester van het hoofd’, de eerste onder de priesters.
21Koning Uzzia was melaats tot de dag van zijn dood. Hij woonde als melaatse in een afgezonderd huis, want hij was afgesneden van het huis van Yahweh. Zijn zoon Jotam stond over het huis van de koning en sprak recht over het volk van het land.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en was
עֻזִּיָּ֨הוּ
(uziyahu)
Uzzia
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מְצֹרָ֣ע
(metsora)
melaats
עַד
(ad)
tot
י֣וֹם
(yom)
de dag van
מוֹת֗וֹ
(moto)
zijn dood
וַיֵּ֜שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
בֵּ֤ית
(beit)
in het huis van
הַֽחָפְשִׁית֙
(hachafeshit)
de afzondering
מְצֹרָ֔ע
(metsora)
melaats
כִּ֥י
(ki)
want
נִגְזַ֖ר
(nigzar)
hij was afgesneden
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
van het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיוֹתָ֤ם
(veyotam)
en Jotam
בְּנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
עַל
(al)
over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שׁוֹפֵ֖ט
(shofet)
rechtsprekend
אֶת
(et)
(obj.)
עַ֥ם
(am)
het volk van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֵּית הַחָפְשִׁית (beit hachofshit), ‘afgezonderd huis’: letterlijk ‘huis van de vrijheid’.
De betekenis is niet zeker.
Het gaat om een aparte woning, buiten het gewone leven.
Vergelijk Lev. 13:46: de melaatse woont alleen, buiten het kamp.
In 2 Kon. 15:5 staat dezelfde uitdrukking.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat een andere vorm, ה־חפשות.
23Uzzia ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem bij zijn vaderen, op het veld van de graven dat van de koningen was, want zij zeiden: „Hij is melaats.” Zijn zoon Jotam werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֨ב
(vayishkav)
en ging liggen
עֻזִּיָּ֜הוּ
(uziyahu)
Uzzia
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֗יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקְבְּר֨וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֹת֤וֹ
(oto)
hem
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָיו֙
(avotav)
zijn vaderen
בִּשְׂדֵ֤ה
(bisde)
op het veld van
הַקְּבוּרָה֙
(haqevura)
de begraafplaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לַמְּלָכִ֔ים
(lamelakhim)
voor de koningen
כִּ֥י
(ki)
want
אָמְר֖וּ
(ameru)
zij zeiden
מְצוֹרָ֣ע
(metsora)
melaats
ה֑וּא
(hu)
hij
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
יוֹתָ֥ם
(yotam)
Jotam
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit komt overeen met 2 Kon. 15:7.
Daar staat dat hij ‘in de stad van David’ werd begraven.
Hier staat meer: ‘op het veld van de graven dat van de koningen was’, ‘want zij zeiden: Hij is melaats’.