Elohim Bijbel

Jeremia 36

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

De boekrol van Jeremia: voorgelezen, verbrand en opnieuw geschreven

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh draagt Jeremia op alles op te schrijven

1In het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord tot Jeremia, van Yahweh:
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het gebeurde
בַּשָּׁנָ֣ה
(bashana)
in het jaar
הָרְבִיעִ֔ת
(hareviit)
het vierde
לִיהוֹיָקִ֥ים
(lihoyaqim)
van Jojakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֖הוּ
(yoshiyahu)
Josia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
הָיָ֞ה
(haya)
kwam
הַדָּבָ֤ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּה֙
(haze)
dit
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het vierde jaar van Jojakim is ongeveer het jaar 605 voor Christus.

Het hoofdstuk wordt in vers 9 voortgezet in het vijfde jaar van Jojakim.

Jer. 25:1 noemt hetzelfde vierde jaar.

2„Neem een boekrol en schrijf daarop alle woorden die Ik tot je heb gesproken over Israël, over Juda en over alle volken. Schrijf ze vanaf de dag dat Ik tot je sprak, vanaf de dagen van Josia tot op deze dag.
קַח
(qach)
neem
לְךָ֮
(lekha)
voor jou
מְגִלַּת
(megilat)
een rol van
סֵפֶר֒
(sefer)
boek
וְכָתַבְתָּ֣
(vekhatavta)
en je zult schrijven
אֵלֶ֗יהָ
(eleiha)
daarop
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֞ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁר
(asher)
die
דִּבַּ֧רְתִּי
(dibarti)
Ik heb gesproken
אֵלֶ֛יךָ
(eleikha)
tot je
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
וְעַל
(veal)
en over
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וְעַל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
מִיּ֞וֹם
(miyom)
vanaf de dag
דִּבַּ֤רְתִּי
(dibarti)
Ik sprak
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
tot je
מִימֵ֣י
(mimei)
vanaf de dagen van
יֹאשִׁיָּ֔הוּ
(yoshiyahu)
Josia
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְגִלַּת־סֵפֶר (megillat-sefer), ‘boekrol’: een rol, gemaakt van aan elkaar genaaide bladen leer of papyrus, waarop men schreef.

Het gaat om Yahweh’s woorden ‘vanaf de dagen van Josia’. Jeremia’s roeping begon in het dertiende jaar van Josia (Jer. 1:2).

3Misschien luistert het huis van Juda naar al het onheil dat Ik hun denk te doen, zodat ieder terugkeert van zijn kwade weg. Dan zal Ik hun schuld en hun zonde vergeven.”
אוּלַ֤י
(ulay)
misschien
יִשְׁמְעוּ֙
(yishmeu)
zullen luisteren
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
dat
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
Ik
חֹשֵׁ֖ב
(choshev)
denk
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
te doen
לָהֶ֑ם
(lahem)
aan hen
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
יָשׁ֗וּבוּ
(yashuvu)
zij terugkeren
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
מִדַּרְכּ֣וֹ
(midarko)
van zijn weg
הָרָעָ֔ה
(haraa)
de kwade
וְסָלַחְתִּ֥י
(vesalachti)
en Ik zal vergeven
לַעֲוֺנָ֖ם
(laavonam)
hun schuld
וּלְחַטָּאתָֽם
(ulechatatam)
en hun zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוּלַי (ulay), ‘misschien’: Yahweh’s doel is nog altijd dat Juda terugkeert.

Vergelijk vers 7.

וְסָלַחְתִּי (vesalachti), ‘en Ik zal vergeven’: het werkwoord סָלַח (salach) wordt in de Hebreeuwse Bijbel alleen gebruikt voor Elohim als vergever. Vergelijk Num. 14:19–20.

עֲוֺן (avon), ‘schuld’, en חַטָּאת (chatta’t), ‘zonde’: twee woorden voor wat Juda heeft misdaan. Wij houden ‘schuld’ voor avon, zoals in Jes. 1:4.

4Jeremia riep Baruch, de zoon van Nerija. Baruch schreef op een boekrol, uit de mond van Jeremia, alle woorden van Yahweh die Hij tot hem gesproken had.
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en riep
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֶת
(et)
(obj.)
בָּר֖וּךְ
(barukh)
Baruch
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵֽרִיָּ֑ה
(neriya)
Nerija
וַיִּכְתֹּ֨ב
(vayikhtov)
en schreef
בָּר֜וּךְ
(barukh)
Baruch
מִפִּ֣י
(mipi)
uit de mond van
יִרְמְיָ֗הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
דִּבְרֵ֧י
(divrei)
de woorden van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
die
דִּבֶּ֥ר
(diber)
Hij sprak
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
עַל
(al)
op
מְגִלַּת
(megilat)
een rol van
סֵֽפֶר
(sefer)
boek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Baruch moet de boekrol voorlezen

5Jeremia gaf Baruch dit bevel: „Ik ben tegengehouden. Ik kan niet naar het huis van Yahweh gaan.
וַיְצַוֶּ֣ה
(vaytsave)
en gebood
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֶת
(et)
(obj.)
בָּר֖וּךְ
(barukh)
Baruch
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אֲנִ֣י
(ani)
ik
עָצ֔וּר
(atsur)
ben tegengehouden
לֹ֣א
(lo)
niet
אוּכַ֔ל
(ukhal)
kan ik
לָב֖וֹא
(lavo)
gaan
בֵּ֥ית
(beit)
naar het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָצוּר (atsur), ‘tegengehouden’: letterlijk ‘vastgehouden, opgesloten’.

De tekst zegt niet waarom Jeremia niet naar het huis van Yahweh kan gaan.

In Jer. 33:1 en 39:15 gebruikt het boek hetzelfde woord voor Jeremia’s gevangenschap op de binnenplaats van de wacht.

Wat hem hier belet, wordt niet gezegd.

Wij vertalen niet verder dan het woord zegt.

6Ga dus zelf en lees uit de boekrol die je uit mijn mond hebt geschreven de woorden van Yahweh voor. Lees ze voor de oren van het volk in het huis van Yahweh, op een vastendag. Lees ze ook voor de oren van heel Juda, van allen die uit hun steden komen.
וּבָאתָ֣
(uvata)
en ga
אַתָּ֡ה
(ata)
jij
וְקָרָ֣אתָ
(veqarata)
en lees
בַמְּגִלָּ֣ה
(bamegila)
uit de rol
אֲשֶׁר
(asher)
die
כָּתַֽבְתָּ
(katavta)
je hebt geschreven
מִפִּי֩
(mipi)
uit mijn mond
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֨י
(divrei)
de woorden van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּאָזְנֵ֥י
(beazenei)
in de oren van
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
צ֑וֹם
(tsom)
vasten
וְגַ֨ם
(vegam)
en ook
בְּאָזְנֵ֧י
(beazenei)
in de oren van
כָל
(kal)
heel
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
הַבָּאִ֥ים
(habaim)
die komen
מֵעָרֵיהֶ֖ם
(meareihem)
uit hun steden
תִּקְרָאֵֽם
(tiqraem)
zul je ze lezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹם צוֹם (yom tsom), ‘vastendag’: een dag waarop het volk niet at en zich voor Yahweh verootmoedigde.

Zie Joël 1:14 en 2:15–16.

וְגַם בְּאָזְנֵי כָל־יְהוּדָה (vegam be’oznei khol-Yehudah), ‘ook voor de oren van heel Juda’: tijdens de vastendag kwamen mensen uit alle steden van Juda naar de tempel (vers 9).

7Misschien komt hun smeekbede voor het aangezicht van Yahweh, zodat ieder terugkeert van zijn kwade weg. Want groot zijn de toorn en de grimmigheid die Yahweh over dit volk heeft uitgesproken.”
אוּלַ֞י
(ulay)
misschien
תִּפֹּ֤ל
(tipol)
zal vallen
תְּחִנָּתָם֙
(techinatam)
hun smeekbede
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיָשֻׁ֕בוּ
(veyashuvu)
en zij zullen terugkeren
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
מִדַּרְכּ֣וֹ
(midarko)
van zijn weg
הָרָעָ֑ה
(haraa)
de kwade
כִּֽי
(ki)
want
גָד֤וֹל
(gadol)
groot is
הָאַף֙
(haaf)
de toorn
וְהַ֣חֵמָ֔ה
(vehachema)
en de grimmigheid
אֲשֶׁר
(asher)
die
דִּבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּפֹּל תְּחִנָּתָם (tippol techinnatam), ‘hun smeekbede zal vallen’: de smeekbede ‘valt neer’ voor het aangezicht van Yahweh.

Het is een beeld van mensen die zich voor Hem neerwerpen en om genade vragen.

Wij vertalen ‘komt’.

אַף (af), ‘toorn’, en חֵמָה (chemah), ‘grimmigheid’: twee woorden voor Yahweh’s woede.

8Baruch, de zoon van Nerija, deed alles wat Jeremia, de profeet, hem geboden had. Hij las de woorden van Yahweh uit het boek voor in het huis van Yahweh.
וַיַּ֗עַשׂ
(vayaas)
en deed
בָּרוּךְ֙
(barukh)
Baruch
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵ֣רִיָּ֔ה
(neriya)
Nerija
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
overeenkomstig alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֖הוּ
(tsivahu)
gebood hem
יִרְמְיָ֣הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִ֑יא
(hanavi)
de profeet
לִקְרֹ֥א
(liqro)
om te lezen
בַסֵּ֛פֶר
(basefer)
uit het boek
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהֹוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Baruch leest voor in het huis van Yahweh

9In het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, riepen zij een vasten uit voor het aangezicht van Yahweh. Dat deden heel het volk in Jeruzalem en heel het volk dat uit de steden van Juda naar Jeruzalem kwam.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het gebeurde
בַשָּׁנָ֣ה
(bashana)
in het jaar
הַ֠חֲמִשִׁית
(hachamishit)
het vijfde
לִיהוֹיָקִ֨ים
(lihoyaqim)
van Jojakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֤הוּ
(yoshiyahu)
Josia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַתְּשִׁעִ֔י
(hateshii)
de negende
קָרְא֨וּ
(qareu)
zij riepen uit
צ֜וֹם
(tsom)
vasten
לִפְנֵ֧י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בִּירֽוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
הַבָּאִ֛ים
(habaim)
dat kwam
מֵעָרֵ֥י
(mearei)
uit de steden van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

De negende maand valt ongeveer in november-december.

In vers 22 zit de koning in diezelfde maand in het winterhuis.

Het Hebreeuws zegt dat ‘zij’ de vasten uitriepen, ‘voor het aangezicht van Yahweh’. De reden wordt niet genoemd.

10Baruch las uit het boek de woorden van Jeremia voor in het huis van Yahweh, in de kamer van Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver. Die lag in de bovenste voorhof, bij de ingang van de Nieuwe Poort van het huis van Yahweh. Hij las voor de oren van heel het volk.
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en las
בָר֥וּךְ
(barukh)
Baruch
בַּסֵּ֛פֶר
(basefer)
uit het boek
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּלִשְׁכַּ֡ת
(belishkat)
in de kamer van
גְּמַרְיָהוּ֩
(gemaryahu)
Gemarja
בֶן
(ben)
zoon van
שָׁפָ֨ן
(shafan)
Safan
הַסֹּפֵ֜ר
(hasofer)
de schrijver
בֶּחָצֵ֣ר
(bechatser)
in de voorhof
הָעֶלְי֗וֹן
(haelyon)
de bovenste
פֶּ֣תַח
(petach)
ingang van
שַׁ֤עַר
(shaar)
de poort van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הֶֽחָדָ֔שׁ
(hechadash)
de nieuwe
בְּאָזְנֵ֖י
(beazenei)
in de oren van
כָּל
(kal)
heel
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver, is een broer van Achikam, die Jeremia later beschermt (Jer. 26:24).

Hun vader Safan was de schrijver van koning Josia (2 Kon. 22:3).

הֶחָצֵר הָעֶלְיוֹן (hechatser ha’elyon), ‘de bovenste voorhof’: een voorhof van het huis van Yahweh, hoger gelegen dan de andere.

שַׁעַר בֵּית־יְהוָה הֶחָדָשׁ (sha’ar beit-Yahweh hechadash), ‘de Nieuwe Poort van het huis van Yahweh’: zie ook Jer. 26:10.

De oversten horen de woorden

11Michaja, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, hoorde alle woorden van Yahweh uit het boek.
וַ֠יִּשְׁמַ֗ע
(vayishma)
en hoorde
מִכָ֨יְהוּ
(mikhayehu)
Michaja
בֶן
(ben)
zoon van
גְּמַרְיָ֧הוּ
(gemaryahu)
Gemarja
בֶן
(ben)
zoon van
שָׁפָ֛ן
(shafan)
Safan
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵעַ֥ל
(meal)
uit
הַסֵּֽפֶר
(hasefer)
het boek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Michaja hoort de woorden vanuit de bovenste voorhof, waar de kamer van zijn vader Gemarja is (vers 10).

12Hij ging naar beneden, naar het huis van de koning, naar de kamer van de schrijver. Daar zaten alle oversten: Elisjama, de schrijver, Delaja, de zoon van Sjemaja, Elnatan, de zoon van Achbor, Gemarja, de zoon van Safan, Zedekia, de zoon van Chananja, en alle andere oversten.
וַיֵּ֤רֶד
(vayered)
en hij ging af
בֵּית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
עַל
(al)
naar
לִשְׁכַּ֣ת
(lishkat)
de kamer van
הַסֹּפֵ֔ר
(hasofer)
de schrijver
וְהִ֨נֵּה
(vehine)
en zie
שָׁ֔ם
(sham)
daar
כָּל
(kal)
alle
הַשָּׂרִ֖ים
(hasarim)
de oversten
יֽוֹשְׁבִ֑ים
(yoshevim)
zittend
אֱלִישָׁמָ֣ע
(elishama)
Elisjama
הַסֹּפֵ֡ר
(hasofer)
de schrijver
וּדְלָיָ֣הוּ
(udelayahu)
en Delaja
בֶן
(ben)
zoon van
שְׁ֠מַעְיָהוּ
(shemayahu)
Sjemaja
וְאֶלְנָתָ֨ן
(veelnatan)
en Elnatan
בֶּן
(ben)
zoon van
עַכְבּ֜וֹר
(akhbor)
Achbor
וּגְמַרְיָ֧הוּ
(ugemaryahu)
en Gemarja
בֶן
(ben)
zoon van
שָׁפָ֛ן
(shafan)
Safan
וְצִדְקִיָּ֥הוּ
(vetsidqiyahu)
en Zedekia
בֶן
(ben)
zoon van
חֲנַנְיָ֖הוּ
(chananyahu)
Chananja
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַשָּׂרִֽים
(hasarim)
de oversten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּית הַמֶּלֶךְ (beit hammelekh), ‘het huis van de koning’: het koninklijk paleis.

De kamer van de schrijver is de ruimte waar de hofschrijvers werkten.

Elnatan, de zoon van Achbor, is dezelfde man die Uria uit Egypte haalde (Jer. 26:22). Zijn vader Achbor was een hoge ambtenaar van Josia (2 Kon. 22:12).

13Michaja vertelde hun alle woorden die hij gehoord had toen Baruch uit het boek voorlas voor de oren van het volk.
וַיַּגֵּ֤ד
(vayaged)
en vertelde
לָהֶם֙
(lahem)
hun
מִכָ֔יְהוּ
(mikhayehu)
Michaja
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׁמֵ֑עַ
(shamea)
hij had gehoord
בִּקְרֹ֥א
(biqro)
bij het lezen van
בָר֛וּךְ
(barukh)
Baruch
בַּסֵּ֖פֶר
(basefer)
uit het boek
בְּאָזְנֵ֥י
(beazenei)
in de oren van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Alle oversten stuurden Jehoedi, de zoon van Netanja, de zoon van Sjelemja, de zoon van Kushi, naar Baruch. Zij lieten zeggen: „Neem de boekrol waaruit je voor de oren van het volk hebt gelezen in je hand en kom.” Baruch, de zoon van Nerija, nam de boekrol in zijn hand en kwam bij hen.
וַיִּשְׁלְח֨וּ
(vayishlechu)
en zonden
כָל
(kal)
alle
הַשָּׂרִ֜ים
(hasarim)
de oversten
אֶל
(el)
naar
בָּר֗וּךְ
(barukh)
Baruch
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדִ֡י
(yehudi)
Jehoedi
בֶּן
(ben)
zoon van
נְ֠תַנְיָהוּ
(netanyahu)
Netanja
בֶּן
(ben)
zoon van
שֶׁלֶמְיָ֣הוּ
(shelemyahu)
Sjelemja
בֶן
(ben)
zoon van
כּוּשִׁי֮
(kushi)
Kushi
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
הַמְּגִלָּ֗ה
(hamegila)
de rol
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
קָרָ֤אתָ
(qarata)
je hebt gelezen
בָּהּ֙
(bah)
daaruit
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
קָחֶ֥נָּה
(qachena)
neem haar
בְיָדְךָ֖
(beyadekha)
in je hand
וָלֵ֑ךְ
(valekh)
en ga
וַ֠יִּקַּח
(vayiqach)
en nam
בָּר֨וּךְ
(barukh)
Baruch
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵרִיָּ֤הוּ
(neriyahu)
Nerija
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּגִלָּה֙
(hamegila)
de rol
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en kwam
אֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
naar hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוּדִי (Yehudi), ‘Jehoedi’: een eigennaam.

Het woord betekent ook ‘Judeeër’.

Wij schrijven de naam als ‘Jehoedi’ om hem van dat woord te onderscheiden.

כּוּשִׁי (Kushi), ‘Kushi’: een naam die ‘man uit Kush’ kan betekenen. Wij schrijven ‘Kushi’, zoals in Zef. 1:1.

De afstamming van Jehoedi wordt over drie generaties genoemd.

15Zij zeiden tegen hem: „Ga toch zitten en lees het ons voor.” Baruch las het hun voor.
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
שֵׁ֣ב
(shev)
ga zitten
נָ֔א
(na)
toch
וּקְרָאֶ֖נָּה
(uqeraena)
en lees haar voor
בְּאָזְנֵ֑ינוּ
(beazeneinu)
in onze oren
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en las
בָר֖וּךְ
(barukh)
Baruch
בְּאָזְנֵיהֶֽם
(beazeneihem)
in hun oren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Toen zij al deze woorden hoorden, schrokken zij en wendden zich tot elkaar. Zij zeiden tegen Baruch: „Wij moeten de koning zeker al deze woorden melden.”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het gebeurde
כְּשָׁמְעָם֙
(keshameam)
toen zij hoorden
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
פָּחֲד֖וּ
(pachadu)
zij schrokken
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
tot
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
zijn naaste
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zij zeiden
אֶל
(el)
tot
בָּר֔וּךְ
(barukh)
Baruch
הַגֵּ֤יד
(hageid)
melden
נַגִּיד֙
(nagid)
moeten wij melden
לַמֶּ֔לֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּחֲדוּ אִישׁ אֶל־רֵעֵהוּ (pachadu ish el-re’ehu), ‘zij schrokken, ieder tot zijn naaste’: zij waren bang en keken naar elkaar.

Wij vertalen ‘schrokken en wendden zich tot elkaar’.

הַגֵּד נַגִּיד (hagged naggid), ‘melden moeten wij melden’: een versterkte vorm; wij vertalen ‘zeker melden’.

17Ook vroegen zij Baruch: „Vertel ons toch hoe je al deze woorden hebt geschreven. Uit zijn mond?”
וְאֶ֨ת
(veet)
en (obj.)
בָּר֔וּךְ
(barukh)
Baruch
שָׁאֲל֖וּ
(shaalu)
zij vroegen
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הַגֶּד
(haged)
vertel
נָ֣א
(na)
toch
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
אֵ֗יךְ
(eikh)
hoe
כָּתַ֛בְתָּ
(katavta)
heb je geschreven
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֥ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
מִפִּֽיו
(mipiv)
uit zijn mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִפִּיו (mippiv), ‘uit zijn mond’: het laatste woord van de vraag.

Het Hebreeuws heeft geen vraagwoord.

Wij nemen aan dat zij vragen of Jeremia het aan Baruch heeft voorgezegd.

Baruch bevestigt dat in vers 18.

18Baruch zei tegen hen: „Uit zijn mond riep hij mij al deze woorden toe, en ik schreef ze met inkt op de boekrol.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
בָּר֔וּךְ
(barukh)
Baruch
מִפִּיו֙
(mipiv)
uit zijn mond
יִקְרָ֣א
(yiqra)
riep hij
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַאֲנִ֛י
(vaani)
en ik
כֹּתֵ֥ב
(kotev)
schrijvend
עַל
(al)
op
הַסֵּ֖פֶר
(hasefer)
het boek
בַּדְּיֽוֹ
(badeyo)
met inkt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִקְרָא אֵלַי (yiqra elai), ‘hij riep tot mij’: het werkwoord קָרָא (qara) betekent ‘roepen’ en ‘voorlezen’.

Jeremia sprak de woorden hardop uit.

Wij vertalen ‘riep hij mij toe’.

בַּדְּיוֹ (baddeyo), ‘met inkt’: het woord דְּיוֹ (deyo) komt alleen hier voor.

19De oversten zeiden tegen Baruch: „Ga, verberg je, jij en Jeremia. Laat niemand weten waar jullie zijn.”
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
הַשָּׂרִים֙
(hasarim)
de oversten
אֶל
(el)
tot
בָּר֔וּךְ
(barukh)
Baruch
לֵ֥ךְ
(lekh)
ga
הִסָּתֵ֖ר
(hisater)
verberg je
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
וְיִרְמְיָ֑הוּ
(veyirmeyahu)
en Jeremia
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en iemand
אַל
(al)
niet
יֵדַ֖ע
(yeda)
laat weten
אֵיפֹ֥ה
(eifo)
waar
אַתֶּֽם
(atem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De oversten waarschuwen Baruch en Jeremia dat de koning boos zal worden.

Het verbergen is een noodzaak: vergelijk vers 26, waar de koning hen laat zoeken.

De koning verbrandt de boekrol

20Zij gingen naar de koning in de voorhof. De boekrol hadden zij in de kamer van Elisjama, de schrijver, achtergelaten. Zij vertelden de koning al deze woorden.
וַיָּבֹ֤אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
חָצֵ֔רָה
(chatsera)
de voorhof in
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמְּגִלָּ֣ה
(hamegila)
de rol
הִפְקִ֔דוּ
(hifqidu)
zij hadden toevertrouwd
בְּלִשְׁכַּ֖ת
(belishkat)
in de kamer van
אֱלִישָׁמָ֣ע
(elishama)
Elisjama
הַסֹּפֵ֑ר
(hasofer)
de schrijver
וַיַּגִּ֨ידוּ֙
(vayagidu)
en zij vertelden
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִֽים
(hadevarim)
de woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶחָצֵרָה (hechatserah), ‘in de voorhof’: de binnenplaats van het paleis.

De koning zit volgens vers 22 in het winterhuis, dat bij die voorhof hoort.

21De koning stuurde Jehoedi om de boekrol te halen. Hij haalde haar uit de kamer van Elisjama, de schrijver. Jehoedi las haar voor aan de koning en aan alle oversten die bij de koning stonden.
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en zond
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדִ֗י
(yehudi)
Jehoedi
לָקַ֨חַת֙
(laqachat)
om te halen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּגִלָּ֔ה
(hamegila)
de rol
וַיִּ֨קָּחֶ֔הָ
(vayiqacheha)
en hij haalde haar
מִלִּשְׁכַּ֖ת
(milishkat)
uit de kamer van
אֱלִישָׁמָ֣ע
(elishama)
Elisjama
הַסֹּפֵ֑ר
(hasofer)
de schrijver
וַיִּקְרָאֶ֤הָ
(vayiqraeha)
en las haar
יְהוּדִי֙
(yehudi)
Jehoedi
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וּבְאָזְנֵי֙
(uveazenei)
en in de oren van
כָּל
(kal)
alle
הַשָּׂרִ֔ים
(hasarim)
de oversten
הָעֹמְדִ֖ים
(haomedim)
die stonden
מֵעַ֥ל
(meal)
bij
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22De koning zat in het winterhuis, in de negende maand. De vuurpot brandde voor hem.
וְהַמֶּ֗לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
יוֹשֵׁב֙
(yoshev)
zittend
בֵּ֣ית
(beit)
in het huis van
הַחֹ֔רֶף
(hachoref)
de winter
בַּחֹ֖דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַתְּשִׁיעִ֑י
(hateshii)
de negende
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאָ֖ח
(haach)
de vuurpot
לְפָנָ֥יו
(lefanav)
voor hem
מְבֹעָֽרֶת
(mevoaret)
brandend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּית הַחֹרֶף (beit hachoref), ‘winterhuis’: waarschijnlijk een deel van het paleis dat de koning in de koude maanden gebruikte; vergelijk Amos 3:15.

הָאָח (ha’ach), ‘de vuurpot’: een open haard of koperen pan met gloeiende kolen.

23Telkens als Jehoedi drie of vier kolommen had gelezen, sneed de koning ze af met het schrijversmes. Hij wierp ze in het vuur in de vuurpot. Zo ging het door tot de hele boekrol was verteerd door het vuur in de vuurpot.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het gebeurde
כִּקְר֣וֹא
(kiqro)
bij het lezen van
יְהוּדִ֗י
(yehudi)
Jehoedi
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
דְּלָתוֹת֮
(delatot)
kolommen
וְאַרְבָּעָה֒
(vearbaa)
en vier
יִֽקְרָעֶ֨הָ֙
(yiqraeha)
sneed hij haar af
בְּתַ֣עַר
(betaar)
met het mes van
הַסֹּפֵ֔ר
(hasofer)
de schrijver
וְהַשְׁלֵ֕ךְ
(vehashlekh)
en wierp
אֶל
(el)
in
הָאֵ֖שׁ
(haesh)
het vuur
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אֶל
(el)
in
הָאָ֑ח
(haach)
de vuurpot
עַד
(ad)
totdat
תֹּם֙
(tom)
was verteerd
כָּל
(kal)
de hele
הַמְּגִלָּ֔ה
(hamegila)
rol
עַל
(al)
op
הָאֵ֖שׁ
(haesh)
het vuur
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הָאָֽח
(haach)
de vuurpot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּלָתוֹת (delatot), ‘kolommen’: letterlijk ‘deuren’.

Het woord noemt de bladzijden van een boekrol, die als deuren naast elkaar staan.

Wij vertalen ‘kolommen’.

תַּעַר הַסֹּפֵר (ta’ar hassofer), ‘mes van de schrijver’: het mes waarmee een schrijver zijn rietpen sneed en bladen afsneed.

24De koning en al zijn dienaren, die al deze woorden hoorden, schrokken niet en scheurden hun kleren niet.
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
פָחֲד֔וּ
(pachadu)
schrokken zij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
קָרְע֖וּ
(qareu)
scheurden zij
אֶת
(et)
(obj.)
בִּגְדֵיהֶ֑ם
(bigdeihem)
hun kleren
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וְכָל
(vekhal)
en al
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
הַשֹּׁ֣מְעִ֔ים
(hashomeim)
die hoorden
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het scheuren van de kleren was het teken van berouw en schrik.

Koning Josia scheurde zijn kleren toen hij de woorden van de Torah hoorde (2 Kon. 22:11).

Jojakim, zijn zoon, doet dat niet.

25Ook Elnatan, Delaja en Gemarja pleitten bij de koning om de boekrol niet te verbranden. Maar hij luisterde niet naar hen.
וְגַם֩
(vegam)
en ook
אֶלְנָתָ֨ן
(elnatan)
Elnatan
וּדְלָיָ֤הוּ
(udelayahu)
en Delaja
וּגְמַרְיָ֨הוּ֙
(ugemaryahu)
en Gemarja
הִפְגִּ֣עוּ
(hifgiu)
pleitten
בַמֶּ֔לֶךְ
(bamelekh)
bij de koning
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
om niet
שְׂרֹ֖ף
(serof)
te verbranden
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּגִלָּ֑ה
(hamegila)
de rol
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמַ֖ע
(shama)
luisterde hij
אֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
naar hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִפְגִּעוּ (hifgi’u), ‘pleitten’: het werkwoord פָּגַע (paga) in de vorm hifil betekent ‘aandringen, pleiten’.

Zie ook Jes. 53:12.

Yahweh verbergt Baruch en Jeremia

26De koning gebood Jerachmeël, de zoon van de koning, Seraja, de zoon van Azriël, en Sjelemja, de zoon van Abdeël, om Baruch, de schrijver, en Jeremia, de profeet, te grijpen. Maar Yahweh verborg hen.
וַיְצַוֶּ֣ה
(vaytsave)
en gebood
הַ֠מֶּלֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
יְרַחְמְאֵ֨ל
(yerachmeel)
Jerachmeël
בֶּן
(ben)
zoon van
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׂרָיָ֣הוּ
(serayahu)
Seraja
בֶן
(ben)
zoon van
עַזְרִיאֵ֗ל
(azriel)
Azriël
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שֶֽׁלֶמְיָ֨הוּ֙
(shelemyahu)
Sjelemja
בֶּֽן
(ben)
zoon van
עַבְדְּאֵ֔ל
(avdeel)
Abdeël
לָקַ֨חַת֙
(laqachat)
om te grijpen
אֶת
(et)
(obj.)
בָּר֣וּךְ
(barukh)
Baruch
הַסֹּפֵ֔ר
(hasofer)
de schrijver
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
יִרְמְיָ֣הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִ֑יא
(hanavi)
de profeet
וַיַּסְתִּרֵ֖ם
(vayastirem)
maar verborg hen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְרַחְמְאֵל בֶּן־הַמֶּלֶךְ (Yerachme’el ben-hammelekh), ‘Jerachmeël, de zoon van de koning’: ‘zoon van de koning’ kan een titel zijn voor een hoge ambtenaar van de koninklijke familie.

Wij vertalen het letterlijk.

וַיַּסְתִּרֵם יְהוָה (vayastirem Yahweh), ‘maar Yahweh verborg hen’: Yahweh beschermt Zijn profeet en zijn schrijver, zoals vers 19 al voorspelde.

De boekrol wordt opnieuw geschreven

27De koning verbrandde de boekrol met de woorden die Baruch uit de mond van Jeremia had geschreven. Daarna kwam het woord van Yahweh tot Jeremia:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֑הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
nadat
שְׂרֹ֣ף
(serof)
verbrandde
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּגִלָּה֙
(hamegila)
de rol
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
כָּתַ֥ב
(katav)
schreef
בָּר֛וּךְ
(barukh)
Baruch
מִפִּ֥י
(mipi)
uit de mond van
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJer 36:4
28„Neem nogmaals een andere boekrol en schrijf daarop al de vorige woorden die op de eerste boekrol stonden. Jojakim, de koning van Juda, heeft die verbrand.
שׁ֥וּב
(shuv)
keer terug
קַח
(qach)
neem
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
מְגִלָּ֣ה
(megila)
een rol
אַחֶ֑רֶת
(acheret)
andere
וּכְתֹ֣ב
(ukhetov)
en schrijf
עָלֶ֗יהָ
(aleiha)
daarop
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִים֙
(hadevarim)
de woorden
הָרִ֣אשֹׁנִ֔ים
(harishonim)
de eerste
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָי֗וּ
(hayu)
waren
עַל
(al)
op
הַמְּגִלָּה֙
(hamegila)
de rol
הָרִ֣אשֹׁנָ֔ה
(harishona)
de eerste
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׂרַ֖ף
(saraf)
verbrandde
יְהוֹיָקִ֥ים
(yehoyaqim)
Jojakim
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוּב קַח־לְךָ (shuv qach-lekha), ‘neem nogmaals’: letterlijk ‘keer terug, neem voor jou’.

Yahweh geeft opdracht het werk over te doen.

29En over Jojakim, de koning van Juda, moet je zeggen: ‘Zo zegt Yahweh. Jij hebt deze boekrol verbrand en gezegd: Waarom heb je daarop geschreven dat de koning van Babel zeker zal komen, dit land zal verwoesten en mens en dier eruit zal verdrijven?
וְעַל
(veal)
en over
יְהוֹיָקִ֤ים
(yehoyaqim)
Jojakim
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
תֹּאמַ֔ר
(tomar)
zul je zeggen
כֹּ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אַ֠תָּה
(ata)
jij
שָׂרַ֜פְתָּ
(sarafta)
hebt verbrand
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּגִלָּ֤ה
(hamegila)
de rol
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
מַדּוּעַ֩
(madua)
waarom
כָּתַ֨בְתָּ
(katavta)
heb je geschreven
עָלֶ֜יהָ
(aleiha)
daarop
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
בֹּֽא
(bo)
komen
יָב֤וֹא
(yavo)
zal hij komen
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
וְהִשְׁחִית֙
(vehishchit)
en hij zal verwoesten
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וְהִשְׁבִּ֥ית
(vehishbit)
en hij zal doen ophouden
מִמֶּ֖נָּה
(mimena)
uit haar
אָדָ֥ם
(adam)
mens
וּבְהֵמָֽה
(uvehema)
en dier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

De koning van Babel zal komen en ‘mens en dier’ uit het land laten verdwijnen: het boek bevat dus een aankondiging van een verwoesting door Babel.

Het Hebreeuws zet de woorden van de koning in twee ‘zeggende’-zinnen. Wij schrijven ze zonder extra aanhalingstekens.

30Daarom, zo zegt Yahweh over Jojakim, de koning van Juda: Hij zal niemand hebben die op de troon van David zit. Zijn lijk zal worden weggeworpen, overdag in de hitte en ’s nachts in de vorst.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
יְהֽוֹיָקִים֙
(yehoyaqim)
Jojakim
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
לֹא
(lo)
niet
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לּ֥וֹ
(lo)
voor hem
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
zittende
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֣א
(kise)
de troon van
דָוִ֑ד
(david)
David
וְנִבְלָתוֹ֙
(venivlato)
en zijn lijk
תִּֽהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
מֻשְׁלֶ֔כֶת
(mushlekhet)
weggeworpen
לַחֹ֥רֶב
(lachorev)
voor de hitte
בַּיּ֖וֹם
(bayom)
overdag
וְלַקֶּ֥רַח
(velaqerach)
en voor de vorst
בַּלָּֽיְלָה
(balayela)
's nachts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹרֶב (choreb), ‘hitte’, en קֶרַח (qerach), ‘vorst’: zijn lijk blijft onbegraven, zowel in de hete dag als in de koude nacht.

Zie ook Jer. 22:19.

31Ik zal hem, zijn nageslacht en zijn dienaren straffen voor hun schuld. Ik zal over hen, over de inwoners van Jeruzalem en over de mannen van Juda al het onheil brengen dat Ik over hen heb gesproken. Zij hebben niet geluisterd.’”
וּפָקַדְתִּ֨י
(ufaqadti)
en Ik zal straffen
עָלָ֧יו
(alav)
over hem
וְעַל
(veal)
en over
זַרְע֛וֹ
(zaro)
zijn nageslacht
וְעַל
(veal)
en over
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
zijn dienaren
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺנָ֑ם
(avonam)
hun schuld
וְהֵבֵאתִ֣י
(veheveti)
en Ik zal brengen
עֲ֠לֵיהֶם
(aleihem)
over hen
וְעַל
(veal)
en over
יֹשְׁבֵ֨י
(yoshevei)
de inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְאֶל
(veel)
en tot
אִ֣ישׁ
(ish)
de man van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אֵ֧ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֛ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דִּבַּ֥רְתִּי
(dibarti)
Ik heb gesproken
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמֵֽעוּ
(shameu)
hebben zij geluisterd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

פָּקַדְתִּי עָלָיו (paqadti alav), ‘Ik zal hem straffen’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken, zich ermee bemoeien’.

Met עַל (al) is het ‘straffen voor’, zoals in Exod. 20:5.

32Jeremia nam een andere boekrol en gaf die aan Baruch, de zoon van Nerija, de schrijver. Baruch schreef daarop, uit de mond van Jeremia, alle woorden van het boek dat Jojakim, de koning van Juda, met vuur had verbrand. Er werden nog veel woorden aan toegevoegd, zoals deze.
וְיִרְמְיָ֜הוּ
(veyirmeyahu)
en Jeremia
לָקַ֣ח
(laqach)
nam
מְגִלָּ֣ה
(megila)
een rol
אַחֶ֗רֶת
(acheret)
andere
וַֽיִּתְּנָהּ֮
(vayitenah)
en gaf haar
אֶל
(el)
aan
בָּר֣וּךְ
(barukh)
Baruch
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵרִיָּהוּ֮
(neriyahu)
Nerija
הַסֹּפֵר֒
(hasofer)
de schrijver
וַיִּכְתֹּ֤ב
(vayikhtov)
en schreef
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
daarop
מִפִּ֣י
(mipi)
uit de mond van
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
woorden van
הַסֵּ֔פֶר
(hasefer)
het boek
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
שָׂרַ֛ף
(saraf)
verbrandde
יְהוֹיָקִ֥ים
(yehoyaqim)
Jojakim
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
וְע֨וֹד
(veod)
en nog
נוֹסַ֧ף
(nosaf)
werd toegevoegd
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
aan hen
דְּבָרִ֥ים
(devarim)
woorden
רַבִּ֖ים
(rabim)
vele
כָּהֵֽמָּה
(kahema)
zoals zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Er werden ‘nog veel woorden zoals deze’ toegevoegd: de tweede boekrol was dus groter dan de eerste.

Zie ook Jer. 45 voor Baruch.