Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Banden en jukken
1In het begin van de regering van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord tot Jeremia van Yahweh:
בְּרֵאשִׁ֗ית
(bereshith)
in het begin van
מַמְלֶ֛כֶת
(mamlekhet)
de regering van
יְהוֹיָקִ֥ם
(yehoyaqim)
Jojakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאושִׁיָּ֖הוּ
(yovshiyahu)
Josia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
הָיָ֞ה
(haya)
kwam
הַדָּבָ֤ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּה֙
(haze)
dit
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֔ה
(yirmeya)
Jeremia
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּרֵאשִׁית מַמְלֶכֶת (bereshit mamlekhet), ‘in het begin van de regering’: zie ook 26:1.
De naam ‘Jojakim’ staat hier in de Masoretische tekst. Uit vers 3, 12 en 20 en uit 28:1 blijkt dat de gebeurtenissen onder Zedekia plaatsvonden (2 Kon. 24:17–18).
Lezing
Sommige oude vertalingen lezen in vers 1 een andere naam of laten de naam weg.
3Stuur ze naar de koning van Edom, de koning van Moab, de koning van de Ammonieten, de koning van Tyrus en de koning van Sidon. Stuur ze door de boden die naar Jeruzalem komen, naar Zedekia, de koning van Juda.
וְשִׁלַּחְתָּם֩
(veshilachtam)
en stuur ze
אֶל
(el)
naar
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
de koning van
אֱד֜וֹם
(edom)
Edom
וְאֶל
(veel)
en naar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
מוֹאָ֗ב
(moav)
Moab
וְאֶל
(veel)
en naar
מֶ֨לֶךְ֙
(melekh)
de koning van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
וְאֶל
(veel)
en naar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
צֹ֖ר
(tsor)
Tyrus
וְאֶל
(veel)
en naar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
צִיד֑וֹן
(tsidon)
Sidon
בְּיַ֤ד
(beyad)
door de hand van
מַלְאָכִים֙
(malakhim)
boden
הַבָּאִ֣ים
(habaim)
die komen
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
אֶל
(el)
naar
צִדְקִיָּ֖הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
De boden van de vijf buurkoningen komen naar Jeruzalem, naar Zedekia.
De tekst zegt niet waarom zij komen.
בְּנֵי עַמּוֹן (bene Ammon), letterlijk ‘de zonen van Ammon’: de Ammonieten.
5Ik heb de aarde gemaakt, de mensen en de dieren die op de aarde zijn, door Mijn grote kracht en door Mijn uitgestrekte arm. Ik geef haar aan wie goed is in Mijn ogen.
אָנֹכִ֞י
(anokhi)
Ik
עָשִׂ֣יתִי
(asiti)
heb gemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָדָ֤ם
(haadam)
de mens
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַבְּהֵמָה֙
(habehema)
het dier
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
בְּכֹחִי֙
(bekhochi)
met Mijn kracht
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de grote
וּבִזְרוֹעִ֖י
(uvizroi)
en met Mijn arm
הַנְּטוּיָ֑ה
(hanetuya)
de uitgestrekte
וּנְתַתִּ֕יהָ
(unetatiha)
en Ik geef haar
לַאֲשֶׁ֖ר
(laasher)
aan wie
יָשַׁ֥ר
(yashar)
goed is
בְּעֵינָֽי
(beeinay)
in Mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּכֹחִי הַגָּדוֹל וּבִזְרוֹעִי הַנְּטוּיָה (bechochi haggadol uvizroi hanetuyah), ‘door Mijn grote kracht en door Mijn uitgestrekte arm’: een uitdrukking uit de uittocht uit Egypte (Deut. 4:34; 5:15).
6Nu heb Ik al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht. Ook de dieren van het veld heb Ik hem gegeven om hem te dienen.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
Ik
נָתַ֨תִּי֙
(natati)
heb gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָאֲרָצ֣וֹת
(haaratsot)
de landen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
בְּיַ֛ד
(beyad)
in de hand van
נְבוּכַדְנֶאצַּ֥ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
עַבְדִּ֑י
(avdi)
Mijn knecht
וְגַם֙
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
חַיַּ֣ת
(chayat)
de dieren van
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
נָתַ֥תִּי
(natati)
heb Ik gegeven
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
לְעָבְדֽוֹ
(leavedo)
om hem te dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: Nebukadnezar heet zo omdat Yahweh hem gebruikt (zie ook 25:9 en 43:10).
Eved staat hier met kleine letter, want het is geen titel.
נְבוּכַדְנֶאצַּר (Nevukhadnetsar), ‘Nebukadnezar’: in het Hebreeuws staat de naam in dit boek in verschillende spellingen (zie 28:11 en 29:21). Het is dezelfde koning. Wij schrijven overal ‘Nebukadnezar’.
7Alle volken zullen hem dienen, en zijn zoon, en de zoon van zijn zoon, totdat ook voor zijn eigen land de tijd komt. Dan zullen veel volken en grote koningen hem tot knecht maken.
וְעָבְד֤וּ
(veavedu)
en zullen hem dienen
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
בֶּן
(ben)
de zoon van
בְּנ֑וֹ
(beno)
zijn zoon
עַ֣ד
(ad)
tot
בֹּא
(bo)
komt
עֵ֤ת
(et)
de tijd van
אַרְצוֹ֙
(artso)
zijn land
גַּם
(gam)
ook
ה֔וּא
(hu)
hij
וְעָ֤בְדוּ
(veavedu)
en zullen hem tot knecht maken
בוֹ֙
(bo)
in hem
גּוֹיִ֣ם
(goyim)
volken
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
וּמְלָכִ֖ים
(umelakhim)
en koningen
גְּדֹלִֽים
(gedolim)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְעָבְדוּ בוֹ (ve’avdu vo), ‘en zij zullen hem tot knecht maken’: het werkwoord avad (‘dienen’) betekent hier ‘laten dienen’.
עֵת אַרְצוֹ (et artso), ‘de tijd van zijn land’: de tijd waarop Babel zelf ten val komt. Wij noemen geen namen voor ‘zijn zoon’ en ‘de zoon van zijn zoon’; de tekst noemt ze niet.
8Er zal een volk of koninkrijk zijn dat Nebukadnezar, de koning van Babel, niet wil dienen. Het brengt zijn nek niet onder het juk van de koning van Babel. Dat volk straf Ik met het zwaard, met honger en met pest, godsspraak van Yahweh. Dat doe Ik totdat Ik hen door zijn hand heb weggevaagd.
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en het zal zijn
הַגּ֜וֹי
(hagoy)
het volk
וְהַמַּמְלָכָ֗ה
(vehamamlakha)
en het koninkrijk
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יַעַבְד֤וּ
(yaavdu)
zullen dienen
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
נְבוּכַדְנֶאצַּ֣ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יִתֵּן֙
(yiten)
zal brengen
אֶת
(et)
(obj.)
צַוָּאר֔וֹ
(tsavaro)
zijn nek
בְּעֹ֖ל
(beol)
onder het juk van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
בַּחֶרֶב֩
(bacherev)
met het zwaard
וּבָרָעָ֨ב
(uvaraav)
en met honger
וּבַדֶּ֜בֶר
(uvadever)
en met pest
אֶפְקֹ֨ד
(efqod)
straf Ik
עַל
(al)
over
הַגּ֤וֹי
(hagoy)
het volk
הַהוּא֙
(hahu)
dat
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַד
(ad)
totdat
תֻּמִּ֥י
(tumi)
Ik heb weggevaagd
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
door zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de Uitleg bij Jer. 1:8.
חֶרֶב, רָעָב, דֶּבֶר (cherev, ra’av, dever), ‘zwaard, honger en pest’: drie rampen die in Jeremia vaak samen staan (zie 24:10 en 29:17).
תֻּמִּי (tammi), ‘Ik heb weggevaagd’: van het werkwoord tamam, ‘ten einde zijn, voltooid zijn’. Hier betekent het ‘een einde maken aan’.
9Jullie dan: luister niet naar jullie profeten, jullie waarzeggers, jullie dromen, jullie tekenduiders en jullie tovenaars, die tegen jullie zeggen: ‘Jullie zullen de koning van Babel niet dienen.’
וְ֠אַתֶּם
(veatem)
en jullie
אַל
(al)
niet
תִּשְׁמְע֨וּ
(tishmeu)
luister
אֶל
(el)
naar
נְבִיאֵיכֶ֜ם
(nevieikhem)
jullie profeten
וְאֶל
(veel)
en naar
קֹֽסְמֵיכֶ֗ם
(qosemeikhem)
jullie waarzeggers
וְאֶל֙
(veel)
en naar
חֲלֹמֹ֣תֵיכֶ֔ם
(chalomoteikhem)
jullie dromen
וְאֶל
(veel)
en naar
עֹֽנְנֵיכֶ֖ם
(oneneikhem)
jullie tekenduiders
וְאֶל
(veel)
en naar
כַּשָּׁפֵיכֶ֑ם
(kashafeikhem)
jullie tovenaars
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵ֞ם
(hem)
zij
אֹמְרִ֤ים
(omerim)
zeggende
אֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
tot jullie
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹ֥א
(lo)
niet
תַעַבְד֖וּ
(taavdu)
zullen jullie dienen
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
חֲלֹמֹתֵיכֶם (chalomotekhem), ‘jullie dromen’: het Hebreeuws noemt hier dromen in een rij van personen.
Bedoeld zijn waarschijnlijk wie dromen vertellen en uitleggen.
Zie ook 29:8.
עֹנְנֵיכֶם (onenekhem), ‘jullie tekenduiders’: wie tekenen uitlegt, bijvoorbeeld uit wolken. Zie ook Jes. 2:6.
קֹסְמֵיכֶם (qosmekhem), ‘jullie waarzeggers’: wie de toekomst zoekt te kennen.
11Maar het volk dat zijn nek onder het juk van de koning van Babel brengt en hem dient, dat laat Ik blijven op zijn eigen land, godsspraak van Yahweh. Het bewerkt het land en woont daarop.’”
וְהַגּ֗וֹי
(vehagoy)
en het volk
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יָבִ֧יא
(yavi)
zal brengen
אֶת
(et)
(obj.)
צַוָּאר֛וֹ
(tsavaro)
zijn nek
בְּעֹ֥ל
(beol)
onder het juk van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
וַֽעֲבָד֑וֹ
(vaavado)
en hem dient
וְהִנַּחְתִּ֤יו
(vehinachtiv)
en Ik laat het blijven
עַל
(al)
op
אַדְמָתוֹ֙
(admato)
zijn land
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽעֲבָדָ֖הּ
(vaavadah)
en het bewerkt het
וְיָ֥שַׁב
(veyashav)
en woont
בָּֽהּ
(bah)
daarop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
12Ook tegen Zedekia, de koning van Juda, heb ik al deze woorden gesproken. Ik zei: „Breng jullie nek onder het juk van de koning van Babel. Dien hem en zijn volk, dan blijven jullie leven.
וְאֶל
(veel)
en tot
צִדְקִיָּ֤ה
(tsidqiya)
Zedekia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
דִּבַּ֔רְתִּי
(dibarti)
heb ik gesproken
כְּכָל
(kekhal)
overeenkomstig alle
הַדְּבָרִ֥ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הָבִ֨יאוּ
(haviu)
breng
אֶת
(et)
(obj.)
צַוְּארֵיכֶ֜ם
(tsavereikhem)
jullie nek
בְּעֹ֣ל
(beol)
onder het juk van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
בָּבֶ֗ל
(bavel)
Babel
וְעִבְד֥וּ
(veivdu)
en dient
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
וְעַמּ֖וֹ
(veamo)
en zijn volk
וִֽחְיֽוּ
(vichyu)
en blijft leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
Hier begint wat Jeremia tegen Zedekia zegt.
In vers 3 staat de naam als צִדְקִיָּהוּ (Tsidqiyahu), hier als צִדְקִיָּה (Tsidqiyah).
13Waarom zouden jullie sterven, jij en je volk, door het zwaard, door honger en door pest? Yahweh heeft dat gezegd over het volk dat de koning van Babel niet wil dienen.
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
תָמ֨וּתוּ֙
(tamutu)
zouden jullie sterven
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
וְעַמֶּ֔ךָ
(veamekha)
en je volk
בַּחֶ֖רֶב
(bacherev)
door het zwaard
בָּרָעָ֣ב
(baraav)
door honger
וּבַדָּ֑בֶר֙
(uvadaver)
en door pest
כַּֽאֲשֶׁר֙
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֣ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
הַגּ֕וֹי
(hagoy)
het volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יַעֲבֹ֖ד
(yaavod)
dient
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
14Luister niet naar de woorden van de profeten die tegen jullie zeggen: ‘Jullie zullen de koning van Babel niet dienen.’ Want zij profeteren jullie een leugen.
וְאַֽל
(veal)
en niet
תִּשְׁמְע֞וּ
(tishmeu)
luister
אֶל
(el)
naar
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
הַנְּבִאִ֗ים
(haneviim)
de profeten
הָאֹמְרִ֤ים
(haomerim)
die zeggen
אֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
tot jullie
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹ֥א
(lo)
niet
תַעַבְד֖וּ
(taavdu)
zullen jullie dienen
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
כִּ֣י
(ki)
want
שֶׁ֔קֶר
(sheqer)
een leugen
הֵ֖ם
(hem)
zij
נִבְּאִ֥ים
(nibeim)
profeterend
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
15‘Want Ik heb hen niet gestuurd, godsspraak van Yahweh. Zij profeteren in Mijn naam een leugen. Zo verdrijf Ik jullie en komen jullie om, jullie en de profeten die voor jullie profeteren.’”
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
שְׁלַחְתִּים֙
(shelachtim)
Ik heb hen gestuurd
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהֵ֛ם
(vehem)
en zij
נִבְּאִ֥ים
(nibeim)
profeterend
בִּשְׁמִ֖י
(bishmi)
in Mijn naam
לַשָּׁ֑קֶר
(lashaqer)
een leugen
לְמַ֨עַן
(lemaan)
opdat
הַדִּיחִ֤י
(hadichi)
Ik verdrijf
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
וַאֲבַדְתֶּ֔ם
(vaavadtem)
en jullie komen om
אַתֶּ֕ם
(atem)
jullie
וְהַנְּבִאִ֖ים
(vehaneviim)
en de profeten
הַֽנִּבְּאִ֥ים
(hanibeim)
die profeteren
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit zijn Yahweh’s eigen woorden, door Jeremia aangehaald.
Over profeten die Yahweh niet heeft gestuurd, zie ook 28:15 en 29:9.
16Ook tegen de priesters en tegen heel dit volk heb ik gesproken. Ik zei: „Zo zegt Yahweh: Luister niet naar de woorden van jullie profeten. Zij profeteren voor jullie en zeggen: ‘Zie, de voorwerpen van het huis van Yahweh worden nu spoedig uit Babel teruggebracht.’ Want zij profeteren jullie een leugen.
וְאֶל
(veel)
en tot
הַכֹּהֲנִים֩
(hakohanim)
de priesters
וְאֶל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֜ה
(haze)
dit
דִּבַּ֣רְתִּי
(dibarti)
heb ik gesproken
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
כֹּה֮
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
אַֽל
(al)
niet
תִּשְׁמְע֞וּ
(tishmeu)
luister
אֶל
(el)
naar
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
נְבִֽיאֵיכֶ֗ם
(nevieikhem)
jullie profeten
הַֽנִּבְּאִ֤ים
(hanibeim)
die profeteren
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
כְלֵ֧י
(kelei)
de voorwerpen van
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מוּשָׁבִ֥ים
(mushavim)
worden teruggebracht
מִבָּבֶ֖לָה
(mibavela)
uit Babel
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
מְהֵרָ֑ה
(mehera)
spoedig
כִּ֣י
(ki)
want
שֶׁ֔קֶר
(sheqer)
een leugen
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
נִבְּאִ֥ים
(nibeim)
profeterend
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
כְלֵי בֵית יְהוָה (kele bet Yahweh), ‘de voorwerpen van het huis van Yahweh’: de vaten en het gerei uit de tempel.
Een deel is al weggevoerd (2 Kon. 24:13); de rest volgt later (2 Kon. 25:13–17).
18Als zij profeten zijn en het woord van Yahweh bij hen is, laten zij dan bij Yahweh van de legermachten aandringen. Dan gaan de voorwerpen die zijn overgebleven in het huis van Yahweh, in het huis van de koning van Juda en in Jeruzalem, niet naar Babel.
וְאִם
(veim)
en als
נְבִאִ֣ים
(neviim)
profeten
הֵ֔ם
(hem)
zij
וְאִם
(veim)
en als
יֵ֥שׁ
(yesh)
er is
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אִתָּ֑ם
(itam)
bij hen
יִפְגְּעוּ
(yifgeu)
laten zij aandringen
נָא֙
(na)
toch
בַּֽיהוָ֣ה
(baYahweh)
bij Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
לְבִלְתִּי
(levilti)
opdat niet
בֹ֜אוּ
(bou)
komen
הַכֵּלִ֣ים
(hakelim)
de voorwerpen
הַנּוֹתָרִ֣ים
(hanotarim)
die overgebleven zijn
בְּבֵית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבֵ֨ית
(uveit)
en het huis van
מֶ֧לֶךְ
(melekh)
de koning van
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
וּבִירוּשָׁלִַ֖ם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
בָּבֶֽלָה
(bavela)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
יִפְגְּעוּ נָא (yifge’u na), ‘laten zij toch aandringen’: het werkwoord paga betekent ‘ontmoeten, treffen’ en bij een gebed ‘aandringen bij’.
20die Nebukadnezar, de koning van Babel, niet nam. Dat was toen hij Jojachin, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, uit Jeruzalem wegvoerde naar Babel, samen met alle edelen van Juda en Jeruzalem.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
לְקָחָ֗ם
(leqacham)
nam hen
נְבֽוּכַדְנֶאצַּר֙
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
בַּ֠גְלוֹתוֹ
(bagloto)
toen hij wegvoerde
אֶת
(et)
(obj.)
יְכָונְיָ֨ה
(yekhavnya)
Jojachin
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָקִ֧ים
(yehoyaqim)
Jojakim
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
מִירֽוּשָׁלִַ֖ם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
בָּבֶ֑לָה
(bavela)
naar Babel
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
חֹרֵ֥י
(chorei)
de edelen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וִירוּשָׁלִָֽם
(virushaliam)
en Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
יְכָונְיָה (Yekhonyah), ‘Jechonja’: een andere vorm van de naam Jojachin.
Wij schrijven overal ‘Jojachin’, zoals in 2 Kon. 24.
21Want zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël, over de voorwerpen die zijn overgebleven in het huis van Yahweh, in het huis van de koning van Juda en in Jeruzalem:
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֛ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
עַל
(al)
over
הַכֵּלִ֗ים
(hakelim)
de voorwerpen
הַנּֽוֹתָרִים֙
(hanotarim)
die overgebleven zijn
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבֵ֥ית
(uveit)
en het huis van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וִירוּשָׁלִָֽם
(virushaliam)
en Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
22Naar Babel worden ze gebracht en daar blijven ze, tot de dag dat Ik naar hen omzie, godsspraak van Yahweh. Dan haal Ik ze op en breng Ik ze terug naar deze plaats.”
בָּבֶ֥לָה
(bavela)
naar Babel
יוּבָ֖אוּ
(yuvau)
zij worden gebracht
וְשָׁ֣מָּה
(veshama)
en daar
יִֽהְי֑וּ
(yihyu)
zij zullen zijn
עַ֠ד
(ad)
tot
י֣וֹם
(yom)
de dag van
פָּקְדִ֤י
(paqedi)
Mijn omzien
אֹתָם֙
(otam)
naar hen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהַֽעֲלִיתִים֙
(vehaalitim)
en Ik haal ze op
וַהֲשִׁ֣יבֹתִ֔ים
(vahashivotim)
en Ik breng ze terug
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
פָּקְדִי (poqdi), ‘dat Ik naar hen omzie’: het werkwoord paqad betekent ‘bezoeken, naar iemand omzien’.
Het kan straf betekenen, maar hier is het ten goede: Yahweh brengt de voorwerpen terug.