Elohim Bijbel

2 Koningen 11

12345678910111213141516171819202122232425

Atalia, Jojada en de zevenjarige Joas

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Atalia grijpt de macht

1Atalia, de moeder van Achazia, zag dat haar zoon dood was. Zij stond op en liet heel het koninklijke nageslacht omkomen.
וַֽעֲתַלְיָה֙
(vaatalya)
en Atalia
אֵ֣ם
(em)
moeder van
אֲחַזְיָ֔הוּ
(achazyahu)
Achazia
רָאֲתָ֖ה
(raata)
zag
כִּ֣י
(ki)
dat
מֵ֣ת
(met)
dood was
בְּנָ֑הּ
(benah)
haar zoon
וַתָּ֨קָם֙
(vataqam)
en zij stond op
וַתְּאַבֵּ֔ד
(vateabed)
en zij liet omkomen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
זֶ֥רַע
(zera)
nageslacht van
הַמַּמְלָכָֽה
(hamamlakha)
het koningschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֶרַע הַמַּמְלָכָה (zera hamamlakhah), ‘het koninklijke nageslacht’: de leden van het koningshuis van David.

Atalia is de moeder van Achazia (2 Kon. 8:26).

Achazia is gedood door Jehu (2 Kon. 9:27).

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft een extra ו voor het werkwoord, וראתה.

De voorgelezen tekst (qere) heeft רָאֲתָה, ‘zij zag’.

Wij volgen de qere.

2Maar Jehoseba, de dochter van koning Joram, de zuster van Achazia, nam Joas, de zoon van Achazia. Zij stal hem weg uit het midden van de zonen van de koning die gedood werden, hem en zijn voedster, in de slaapkamer. Zij verborgen hem voor Atalia, en hij werd niet gedood.
וַתִּקַּ֣ח
(vatiqach)
en zij nam
יְהוֹשֶׁ֣בַע
(yehosheva)
Jehoseba
בַּת
(bat)
dochter van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
י֠וֹרָם
(yoram)
Joram
אֲח֨וֹת
(achot)
zuster van
אֲחַזְיָ֜הוּ
(achazyahu)
Achazia
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹאָ֣שׁ
(yoash)
Joas
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחַזְיָ֗ה
(achazya)
Achazia
וַתִּגְנֹ֤ב
(vatignov)
en zij stal weg
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
מִתּ֤וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
הַמּ֣וּמָתִ֔ים
(hamumatim)
die gedood werden
אֹת֥וֹ
(oto)
hem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מֵינִקְתּ֖וֹ
(meiniqto)
zijn voedster
בַּחֲדַ֣ר
(bachadar)
in de kamer van
הַמִּטּ֑וֹת
(hamitot)
de bedden
וַיַּסְתִּ֧רוּ
(vayastiru)
en zij verborgen
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
עֲתַלְיָ֖הוּ
(atalyahu)
Atalia
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הוּמָֽת
(humat)
werd gedood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוֹשֶׁבַע (Yehosheva), ‘Jehoseba’: in 2 Kron. 22:11 heet zij Josjeba (Hebreeuws Yehoshav’at).

חֲדַר הַמִּטּוֹת (chadar hamittot), ‘de slaapkamer’: letterlijk ‘kamer van de bedden’.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft הממותתים.

De voorgelezen tekst (qere) heeft הַמּוּמָתִים, ‘die gedood werden’.

Wij volgen de qere.

3Hij was zes jaar bij haar, verborgen in het huis van Yahweh. Atalia regeerde in die tijd over het land.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en hij was
אִתָּהּ֙
(itah)
bij haar
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִתְחַבֵּ֖א
(mitchabe)
zich verborgen houdend
שֵׁ֣שׁ
(shesh)
zes
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaar
וַעֲתַלְיָ֖ה
(vaatalya)
en Atalia
מֹלֶ֥כֶת
(molekhet)
regerend
עַל
(al)
over
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het huis van Yahweh is de tempel op de tempelberg in Jeruzalem (Israël).

Jojada sluit een verbond met de bevelhebbers

4In het zevende jaar zond Jojada en liet hij de bevelhebbers van honderdtallen halen, van de Karieten en van de lopers. Hij bracht hen naar zich toe in het huis van Yahweh. Hij sloot een verbond met hen en liet hen zweren in het huis van Yahweh. Daarna liet hij hun de zoon van de koning zien.
וּבַשָּׁנָ֣ה
(uvashana)
en in het jaar
הַ֠שְּׁבִיעִית
(hasheviit)
het zevende
שָׁלַ֨ח
(shalach)
zond
יְהוֹיָדָ֜ע
(yehoyada)
Jojada
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
הַמֵּא֗וֹת
(hameot)
de honderdtallen
לַכָּרִי֙
(lakari)
van de Karieten
וְלָ֣רָצִ֔ים
(velaratsim)
en van de lopers
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en hij bracht
אֹתָ֛ם
(otam)
hen
אֵלָ֖יו
(elav)
naar zich
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּכְרֹת֩
(vayikhrot)
en hij sloot
לָהֶ֨ם
(lahem)
met hen
בְּרִ֜ית
(berit)
een verbond
וַיַּשְׁבַּ֤ע
(vayashba)
en hij liet zweren
אֹתָם֙
(otam)
hen
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en hij liet zien
אֹתָ֖ם
(otam)
hun
אֶת
(et)
(obj.)
בֶּן
(ben)
zoon van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂרֵי הַמֵּאוֹת (sarei hame’ot), ‘bevelhebbers van honderdtallen’: aanvoerders van groepen van honderd man.

In de verzen 4, 9 en 10 heeft de geschreven tekst (ketiv) de spelling המאיות en in vers 15 de spelling המיאות.

De voorgelezen tekst (qere) heeft steeds המאות.

Het is hetzelfde woord.

Wij volgen de qere.

הַכָּרִי (hakari), ‘de Karieten’: een groep die de koning bewaakte. Het is onzeker wie zij zijn. In 2 Sam. 20:23 staat dezelfde geschreven vorm (ketiv), die daar gelezen wordt als ‘Kerethieten’. Wij laten hier de geschreven vorm staan.

רָצִים (ratsim), ‘lopers’: de lijfwacht van de koning, zoals in 1 Kon. 14:27.

5Hij gaf hun bevel: „Dit moeten jullie doen: een derde van jullie, die op sabbat aantreden, houdt de wacht bij het huis van de koning.
וַיְצַוֵּ֣ם
(vaytsavem)
en hij beval hen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
זֶ֥ה
(ze)
dit
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
de zaak
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תַּעֲשׂ֑וּן
(taasun)
jullie zullen doen
הַשְּׁלִשִׁ֤ית
(hashelishit)
het derde deel
מִכֶּם֙
(mikem)
van jullie
בָּאֵ֣י
(baei)
die aantreden van
הַשַּׁבָּ֔ת
(hashabat)
de sabbat
וְשֹׁ֣מְרֵ֔י
(veshomerei)
en bewakers van
מִשְׁמֶ֖רֶת
(mishmeret)
wacht van
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Een derde staat bij de poort Sur en een derde bij de poort achter de lopers. Zo houden jullie de wacht over het huis, om het te beschermen.
וְהַשְּׁלִשִׁית֙
(vehashelishit)
en het derde deel
בְּשַׁ֣עַר
(beshaar)
bij poort
ס֔וּר
(sur)
Sur
וְהַשְּׁלִשִׁ֥ית
(vehashelishit)
en het derde deel
בַּשַּׁ֖עַר
(bashaar)
bij poort
אַחַ֣ר
(achar)
achter
הָרָצִ֑ים
(haratsim)
de lopers
וּשְׁמַרְתֶּ֛ם
(ushemartem)
en jullie zullen bewaken
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמֶ֥רֶת
(mishmeret)
wacht van
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
מַסָּֽח
(masach)
ter bescherming
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁעַר סוּר (sha’ar sur), ‘de poort Sur’: de ligging van deze poort is onbekend.

In 2 Kron. 23:5 staat hier een andere naam voor de poort.

מַסָּח (massach): dit woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Wij vertalen ‘om het te beschermen’.

7De twee delen onder jullie, alle mannen die op sabbat uittreden, houden de wacht in het huis van Yahweh bij de koning.
וּשְׁתֵּ֤י
(ushtei)
en twee van
הַיָּדוֹת֙
(hayadot)
de delen
בָּכֶ֔ם
(bakhem)
onder jullie
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יֹצְאֵ֣י
(yotseei)
die uitgaan van
הַשַּׁבָּ֑ת
(hashabat)
de sabbat
וְשָֽׁמְר֛וּ
(veshameru)
en zij zullen bewaken
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמֶ֥רֶת
(mishmeret)
wacht van
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
bij
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Jullie moeten de koning van alle kanten omringen, ieder met zijn wapens in de hand. Wie in de rijen komt, moet gedood worden. Blijf bij de koning wanneer hij uitgaat en wanneer hij binnenkomt.”
וְהִקַּפְתֶּ֨ם
(vehiqaftem)
en jullie zullen omringen
עַל
(al)
rond
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
סָבִ֗יב
(saviv)
rondom
אִ֚ישׁ
(ish)
man
וְכֵלָ֣יו
(vekhelav)
en zijn wapens
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
וְהַבָּ֥א
(vehaba)
en wie komt
אֶל
(el)
in
הַשְּׂדֵר֖וֹת
(hasederot)
de rijen
יוּמָ֑ת
(yumat)
moet gedood worden
וִהְי֥וּ
(vihyu)
en wees
אֶת
(et)
bij
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּצֵאת֥וֹ
(betseto)
bij zijn uitgaan
וּבְבֹאֽוֹ
(uvevoo)
en bij zijn binnenkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשְּׂדֵרוֹת (hasederot), ‘de rijen’: de rijen van de lopers rond de koning.

Hetzelfde woord staat in 1 Kon. 6:9 en betekent daar ‘rijen’ van balken.

De bevelhebbers voeren het bevel uit

9De bevelhebbers van honderdtallen deden alles wat de priester Jojada had bevolen. Ieder nam zijn mannen, hen die op sabbat aantraden en hen die op sabbat uittraden, en zij kwamen bij de priester Jojada.
וַֽיַּעֲשׂ֞וּ
(vayaasu)
en zij deden
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
הַמֵּא֗וֹת
(hameot)
de honderdtallen
כְּכֹ֣ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּה֮
(tsiva)
beval
יְהוֹיָדָ֣ע
(yehoyada)
Jojada
הַכֹּהֵן֒
(hakohen)
de priester
וַיִּקְחוּ֙
(vayiqchu)
en zij namen
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶת
(et)
(obj.)
אֲנָשָׁ֔יו
(anashav)
zijn mannen
בָּאֵ֣י
(baei)
die aantreden van
הַשַּׁבָּ֔ת
(hashabat)
de sabbat
עִ֖ם
(im)
met
יֹצְאֵ֣י
(yotseei)
die uitgaan van
הַשַּׁבָּ֑ת
(hashabat)
de sabbat
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
tot
יְהוֹיָדָ֥ע
(yehoyada)
Jojada
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De priester gaf aan de bevelhebbers van honderdtallen de speer en de schilden. Die waren van koning David geweest en lagen in het huis van Yahweh.
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en hij gaf
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
לְשָׂרֵ֣י
(lesarei)
aan de oversten van
הַמֵּא֗וֹת
(hameot)
de honderdtallen
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַחֲנִית֙
(hachanit)
de speer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשְּׁלָטִ֔ים
(hashelatim)
de schilden
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
לַמֶּ֣לֶךְ
(lamelekh)
van de koning
דָּוִ֑ד
(david)
David
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁלָטִים (shelatim), ‘schilden’: de betekenis is niet helemaal zeker.

Zie ook 2 Sam. 8:7 en 1 Kon. 10:16–17.

11De lopers gingen staan, ieder met zijn wapens in de hand. Zij stonden van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, bij het altaar en bij het huis, rondom de koning.
וַיַּעַמְד֨וּ
(vayaamdu)
en zij stonden
הָרָצִ֜ים
(haratsim)
de lopers
אִ֣ישׁ
(ish)
man
וְכֵלָ֣יו
(vekhelav)
en zijn wapens
בְּיָד֗וֹ
(beyado)
in zijn hand
מִכֶּ֨תֶף
(miketef)
van de zijde van
הַבַּ֤יִת
(habayit)
het huis
הַיְמָנִית֙
(haymanit)
de rechter
עַד
(ad)
tot
כֶּ֤תֶף
(ketef)
zijde van
הַבַּ֨יִת֙
(habayit)
het huis
הַשְּׂמָאלִ֔ית
(hasemalit)
de linker
לַמִּזְבֵּ֖חַ
(lamizbeach)
bij het altaar
וְלַבָּ֑יִת
(velabayit)
en bij het huis
עַל
(al)
rondom
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Joas wordt gezalfd

12Hij liet de zoon van de koning naar buiten komen. Hij zette hem de kroon op en gaf hem het getuigenis. Zij maakten hem koning en zalfden hem. Zij klapten in de handen en riepen: „Lang leve de koning!”
וַיּוֹצִ֣א
(vayotsi)
en hij bracht naar buiten
אֶת
(et)
(obj.)
בֶּן
(ben)
zoon van
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en hij gaf
עָלָיו֙
(alav)
op hem
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֵּ֨זֶר֙
(hanezer)
de kroon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָ֣עֵד֔וּת
(haedut)
het getuigenis
וַיַּמְלִ֥כוּ
(vayamlikhu)
en zij maakten koning
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
וַיִּמְשָׁחֻ֑הוּ
(vayimshachuhu)
en zij zalfden hem
וַיַּכּוּ
(vayaku)
en zij sloegen
כָ֔ף
(kaf)
hand
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zij zeiden
יְחִ֥י
(yechi)
leve
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנֵּזֶר (hanezer), ‘de kroon’: een teken van het koningschap.

Het woord wordt ook gebruikt voor de heilige kroon van de hogepriester (Exod. 29:6).

הָעֵדוּת (ha’edut), ‘het getuigenis’: waarschijnlijk een document met de voorschriften voor de koning. Het is onzeker. Zie Deut. 17:18–20.

וַיִּמְשָׁחֻהוּ (vayimshachuhu), ‘zij zalfden hem’: de zalving maakt hem tot gezalfde (mashiach) van Yahweh.

Atalia wordt gedood

13Atalia hoorde het geluid van de lopers en van het volk. Zij kwam naar het volk in het huis van Yahweh.
וַתִּשְׁמַ֣ע
(vatishma)
en zij hoorde
עֲתַלְיָ֔ה
(atalya)
Atalia
אֶת
(et)
(obj.)
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
הָֽרָצִ֖ין
(haratsin)
de lopers
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַתָּבֹ֥א
(vatavo)
en zij kwam
אֶל
(el)
naar
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרָצִין (haratsin), ‘de lopers’: een Aramese meervoudsvorm.

Tussen ‘de lopers’ en ‘het volk’ staat in het Hebreeuws geen woord ‘en’.

Wij lezen beide als bron van het geluid.

14Zij keek en zie: de koning stond bij de zuil, volgens het gebruik. De oversten en de trompetten waren bij de koning. Heel het volk van het land was blij en blies op de trompetten. Atalia scheurde haar kleren en riep: „Samenzwering, samenzwering!”
וַתֵּ֡רֶא
(vatere)
en zij zag
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
הַמֶּלֶךְ֩
(hamelekh)
de koning
עֹמֵ֨ד
(omed)
stond
עַֽל
(al)
bij
הָעַמּ֜וּד
(haamud)
de zuil
כַּמִּשְׁפָּ֗ט
(kamishpat)
volgens het gebruik
וְהַשָּׂרִ֤ים
(vehasarim)
en de oversten
וְהַחֲצֹֽצְרוֹת֙
(vehachatsotserot)
en de trompetten
אֶל
(el)
bij
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכָל
(vekhal)
en heel
עַ֤ם
(am)
volk van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
שָׂמֵ֔חַ
(sameach)
blij
וְתֹקֵ֖עַ
(vetoqea)
en blazend
בַּחֲצֹֽצְר֑וֹת
(bachatsotserot)
op de trompetten
וַתִּקְרַ֤ע
(vatiqra)
en zij scheurde
עֲתַלְיָה֙
(atalya)
Atalia
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדֶ֔יהָ
(begadeiha)
haar kleren
וַתִּקְרָ֖א
(vatiqra)
en zij riep
קֶ֥שֶׁר
(qesher)
samenzwering
קָֽשֶׁר
(qasher)
samenzwering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָעַמּוּד (ha’ammud), ‘de zuil’: de koning staat bij de zuil.

Zie ook 2 Kon. 23:3.

De tekst zegt niet welke zuil bedoeld is.

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘gebruik’: het woord betekent meestal ‘recht’. Hier gaat het om de vaste regel bij een kroning.

קֶשֶׁר (qesher), ‘samenzwering’: hetzelfde woord als in 2 Kon. 10:9.

15De priester Jojada gaf bevel aan de bevelhebbers van honderdtallen, de aanvoerders van het leger. Hij zei tegen hen: „Breng haar naar buiten, tussen de rijen door. Wie haar volgt, moet met het zwaard gedood worden.” Want de priester had gezegd: ‘Zij mag niet gedood worden in het huis van Yahweh.’
וַיְצַו֩
(vaytsav)
en hij beval
יְהוֹיָדָ֨ע
(yehoyada)
Jojada
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֥י
(sarei)
oversten van
הַמֵּא֣וֹת
(hameot)
de honderdtallen
פְּקֻדֵ֣י
(pequdei)
opzieners van
הַחַ֗יִל
(hachayil)
het leger
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
הוֹצִ֤יאוּ
(hotsiu)
brengt naar buiten
אֹתָהּ֙
(otah)
haar
אֶל
(el)
naar
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
van het huis
לַשְּׂדֵרֹ֔ת
(lasederot)
naar de rijen
וְהַבָּ֥א
(vehaba)
en wie komt
אַחֲרֶ֖יהָ
(achareiha)
achter haar
הָמֵ֣ת
(hamet)
moet gedood worden
בֶּחָ֑רֶב
(becharev)
met het zwaard
כִּ֚י
(ki)
want
אָמַ֣ר
(amar)
had gezegd
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
אַל
(al)
niet
תּוּמַ֖ת
(tumat)
zal zij gedood worden
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De rijen zijn hier de rijen van de lopers, zoals in vers 8.

Het Hebreeuws van ‘tussen de rijen door’ (מִבֵּית לַשְּׂדֵרֹת) is moeilijk.

De betekenis is onzeker.

De woorden ‘Zij mag niet gedood worden in het huis van Yahweh’ zijn een eerder bevel van Jojada, dat hij hier aanhaalt.

16Zij legden de handen aan haar. Zij kwam via de ingang van de paarden bij het huis van de koning. Daar werd zij gedood.
וַיָּשִׂ֤מוּ
(vayasimu)
en zij legden
לָהּ֙
(lah)
aan haar
יָדַ֔יִם
(yadayim)
handen
וַתָּב֛וֹא
(vatavo)
en zij kwam
דֶּֽרֶךְ
(derekh)
via
מְב֥וֹא
(mevo)
ingang van
הַסּוּסִ֖ים
(hasusim)
de paarden
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַתּוּמַ֖ת
(vatumat)
en zij werd gedood
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיָּשִׂמוּ לָהּ יָדַיִם (vayasimu lah yadayim), ‘zij legden de handen aan haar’: letterlijk ‘zij legden handen aan haar’.

Het kan ook betekenen: ‘zij maakten ruimte voor haar’.

Wij vertalen letterlijk.

מְבוֹא הַסּוּסִים (mevo hasusim), ‘de ingang van de paarden’: een ingang van het paleis. Zie ook 2 Kron. 23:15.

Het verbond en het einde van Baäl

17Jojada sloot het verbond tussen Yahweh, de koning en het volk, dat zij een volk van Yahweh zouden zijn. Ook sloot hij een verbond tussen de koning en het volk.
וַיִּכְרֹ֨ת
(vayikhrot)
en hij sloot
יְהוֹיָדָ֜ע
(yehoyada)
Jojada
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַבְּרִ֗ית
(haberit)
het verbond
בֵּ֤ין
(bein)
tussen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וּבֵ֤ין
(uvein)
en tussen
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
לְעָ֖ם
(leam)
tot een volk
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרִית (berit), ‘verbond’: hier twee verbonden in één zin.

Het eerste is tussen Yahweh aan de ene kant en de koning en het volk aan de andere kant: zij zijn een volk voor Yahweh.

Het tweede is tussen de koning en het volk.

Zie ook 2 Kon. 23:3.

18Heel het volk van het land ging naar het huis van Baäl en brak het af. Zijn altaren en zijn beelden sloegen zij helemaal kapot. Mattan, de priester van Baäl, doodden zij voor de altaren. De priester stelde bewakers aan over het huis van Yahweh.
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en zij gingen
כָל
(kal)
heel
עַם֩
(am)
volk van
הָאָ֨רֶץ
(haarets)
het land
בֵּית
(beit)
naar het huis van
הַבַּ֜עַל
(habaal)
Baäl
וַֽיִּתְּצֻ֗הוּ
(vayitetsuhu)
en zij braken het af
אֶת
(et)
(obj.)
מִזְבְּחֹתָ֤יו
(mizbechotav)
zijn altaren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צְלָמָיו֙
(tselamav)
zijn beelden
שִׁבְּר֣וּ
(shiberu)
zij sloegen kapot
הֵיטֵ֔ב
(heitev)
grondig
וְאֵ֗ת
(veet)
en (obj.)
מַתָּן֙
(matan)
Mattan
כֹּהֵ֣ן
(kohen)
priester van
הַבַּ֔עַל
(habaal)
Baäl
הָרְג֖וּ
(haregu)
zij doodden
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הַֽמִּזְבְּח֑וֹת
(hamizbechot)
de altaren
וַיָּ֧שֶׂם
(vayasem)
en hij stelde aan
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
פְּקֻדּ֖וֹת
(pequdot)
bewakers
עַל
(al)
over
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst zegt niet wie het huis van Baäl in Jeruzalem heeft gebouwd.

Zie voor de band met het huis van Achab 2 Kon. 8:18 en 8:26.

מַתָּן (Mattan), ‘Mattan’: de priester van Baäl.

פְּקֻדּוֹת (peqiddot), ‘bewakers’: mensen die toezicht houden. Zij moesten het huis van Yahweh beschermen.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft מזבחתו (mizbechato), ‘zijn altaar’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft מִזְבְּחֹתָיו, ‘zijn altaren’.

Wij volgen de qere.

Joas op de troon

19Hij nam de bevelhebbers van honderdtallen, de Karieten, de lopers en heel het volk van het land. Zij brachten de koning naar beneden uit het huis van Yahweh. Zij kwamen via de poort van de lopers bij het huis van de koning. Hij ging zitten op de troon van de koningen.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
הַ֠מֵּאוֹת
(hameot)
de honderdtallen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכָּרִ֨י
(hakari)
de Karieten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָרָצִ֜ים
(haratsim)
de lopers
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
עַ֣ם
(am)
volk van
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
וַיֹּרִ֤ידוּ
(vayoridu)
en zij brachten naar beneden
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּב֛וֹאוּ
(vayavou)
en zij kwamen
דֶּֽרֶך
(derekh)
via
שַׁ֥עַר
(shaar)
poort van
הָרָצִ֖ים
(haratsim)
de lopers
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en hij zat
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֥א
(kise)
troon van
הַמְּלָכִֽים
(hamelakhim)
de koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Heel het volk van het land was blij en de stad was rustig. Atalia hadden zij met het zwaard gedood bij het huis van de koning.
וַיִּשְׂמַ֥ח
(vayismach)
en was blij
כָּל
(kal)
heel
עַם
(am)
volk van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
וְהָעִ֣יר
(vehair)
en de stad
שָׁקָ֑טָה
(shaqata)
rustig
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲתַלְיָ֛הוּ
(atalyahu)
Atalia
הֵמִ֥יתוּ
(hemitu)
zij doodden
בַחֶ֖רֶב
(bacherev)
met het zwaard
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Nederlandse telling loopt dit hoofdstuk door tot vers 21: Hebr. 12:1 is NL 11:21.

Het Hebreeuws begint met 12:1 een nieuw hoofdstuk.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft מלך, ‘koning’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft הַמֶּלֶךְ, ‘de koning’.

Wij volgen de qere.