Elohim Bijbel

Jeremia 41

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

De moord op Gedalja en de vlucht naar Egypte

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De moord op Gedalja

1In de zevende maand kwam Jisjmaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisjama, uit het koninklijk nageslacht, naar Gedalja, de zoon van Achikam, in Mizpa. Hij kwam met de hoge ambtenaren van de koning en met tien man. Zij aten daar samen brood in Mizpa.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשְּׁבִיעִ֗י
(hashevii)
de zevende
בָּ֣א
(ba)
kwam
יִשְׁמָעֵ֣אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֣ה
(netanya)
Netanja
בֶן
(ben)
zoon van
אֱלִישָׁמָ֣ע
(elishama)
Elisjama
מִזֶּ֣רַע
(mizera)
uit het nageslacht van
הַ֠מְּלוּכָה
(hamelukha)
het koningschap
וְרַבֵּ֨י
(verabei)
en de hoge ambtenaren van
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַעֲשָׂרָ֨ה
(vaasara)
en tien
אֲנָשִׁ֥ים
(anashim)
mannen
אִתּ֛וֹ
(ito)
met hem
אֶל
(el)
naar
גְּדַלְיָ֥הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
בֶן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֖ם
(achiqam)
Achikam
הַמִּצְפָּ֑תָה
(hamitspata)
naar Mizpa
וַיֹּ֨אכְלוּ
(vayokhlu)
en zij aten
שָׁ֥ם
(sham)
daar
לֶ֛חֶם
(lechem)
brood
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
בַּמִּצְפָּֽה
(bamitspa)
in Mizpa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Uitleg

Jisjmaël stamde ‘uit het koninklijk nageslacht’, dus uit het huis van David.

Zie 2 Kon. 25:25, waar vrijwel dezelfde woorden staan.

Hier staat erbij dat hij ook ‘de hoge ambtenaren van de koning’ bij zich had (zie Jer. 39:13) en dat zij samen brood aten.

Het jaar van deze zevende maand noemt de tekst niet. Een gezamenlijke maaltijd was een teken van vriendschap.

2Jisjmaël, de zoon van Netanja, stond op met de tien man die bij hem waren. Zij sloegen Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, met het zwaard neer. Zo doodde hij hem die de koning van Babel over het land had aangesteld.
וַיָּקָם֩
(vayaqam)
en hij stond op
יִשְׁמָעֵ֨אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֜ה
(netanya)
Netanja
וַעֲשֶׂ֥רֶת
(vaaseret)
en de tien
הָאֲנָשִׁ֣ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָי֣וּ
(hayu)
waren
אִתּ֗וֹ
(ito)
met hem
וַ֠יַּכּוּ
(vayaku)
en zij sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֨הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
בֶן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֧ם
(achiqam)
Achikam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁפָ֛ן
(shafan)
Safan
בַּחֶ֖רֶב
(bacherev)
met het zwaard
וַיָּ֣מֶת
(vayamet)
en hij doodde
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִפְקִ֥יד
(hifqid)
had aangesteld
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
over het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

וַיָּמֶת (vayyamet), ‘hij doodde’: een vorm van het werkwoord ‘sterven’ die ‘doen sterven’ betekent.

In 2 Kon. 25:25 staat ‘en hij stierf’.

3Jisjmaël sloeg alle Judeeërs neer die bij hem waren, bij Gedalja in Mizpa, en de Chaldeeën die daar gevonden werden, de krijgsmannen.
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַיְּהוּדִ֗ים
(hayehudim)
Judeeërs
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָי֨וּ
(hayu)
waren
אִתּ֤וֹ
(ito)
bij hem
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֨הוּ֙
(gedalyahu)
Gedalja
בַּמִּצְפָּ֔ה
(bamitspa)
in Mizpa
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכַּשְׂדִּ֖ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נִמְצְאוּ
(nimtseu)
gevonden werden
שָׁ֑ם
(sham)
daar
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֔ה
(hamilchama)
de oorlog
הִכָּ֖ה
(hika)
sloeg neer
יִשְׁמָעֵֽאל
(yishmael)
Jisjmaël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Uitleg

Vergelijk 2 Kon. 25:25: ‘Ook de Judeeërs en de Chaldeeën die bij hem in Mizpa waren, sloegen zij neer.’

Hier staat bovendien dat de Chaldeeën ‘de krijgsmannen’ waren, waarschijnlijk soldaten van Babel die in Mizpa waren.

הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Judeeërs’: zie 2 Kon. 25:25.

Mannen uit Sichem, Silo en Samaria

4Op de tweede dag nadat hij Gedalja had gedood, wist nog niemand het.
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het was
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַשֵּׁנִ֖י
(hasheni)
de tweede
לְהָמִ֣ית
(lehamit)
na het doden van
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֑הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
וְאִ֖ישׁ
(veish)
en niemand
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדָֽע
(yada)
wist het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt: ‘Het was op de tweede dag na het doden van Gedalja, en niemand wist het.’

Wij maken er een zin van.

5Er kwamen mannen uit Sichem, uit Silo en uit Samaria: 80 man met afgeschoren baard, gescheurde kleren en sneden in hun lichaam. Zij hadden een graanoffer en wierook in hun hand om naar het huis van Yahweh te brengen.
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֲ֠נָשִׁים
(anashim)
mannen
מִשְּׁכֶ֞ם
(mishekhem)
uit Sichem
מִשִּׁל֤וֹ
(mishilo)
uit Silo
וּמִשֹּֽׁמְרוֹן֙
(umishomeron)
en uit Samaria
שְׁמֹנִ֣ים
(shemonim)
tachtig
אִ֔ישׁ
(ish)
man
מְגֻלְּחֵ֥י
(megulechei)
met afgeschoren
זָקָ֛ן
(zaqan)
baard
וּקְרֻעֵ֥י
(uqeruei)
en met gescheurde
בְגָדִ֖ים
(begadim)
kleren
וּמִתְגֹּֽדְדִ֑ים
(umitgodedim)
en zich snijdend
וּמִנְחָ֤ה
(umincha)
en een graanoffer
וּלְבוֹנָה֙
(ulevona)
en wierook
בְּיָדָ֔ם
(beyadam)
in hun hand
לְהָבִ֖יא
(lehavi)
om te brengen
בֵּ֥ית
(beit)
naar het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sichem lag in het gebergte van Efraïm, bij het huidige Tell Balata, naast Nablus (Westelijke Jordaanoever).

Silo lag bij Khirbet Seilun, ten noorden van Betel.

Samaria was de hoofdstad van het noordelijke rijk, bij het huidige Sebastia (Westelijke Jordaanoever).

Alle drie liggen in het gebied van het vroegere noordelijke rijk.

Uitleg

Afgeschoren baarden, gescheurde kleren en sneden in het lichaam zijn tekenen van rouw.

De mannen komen waarschijnlijk om te rouwen om het verwoeste huis van Yahweh.

Het zichzelf snijden werd in de Wet verboden (Lev. 19:28; Deut. 14:1).

Hier wordt het in de tekst alleen vermeld.

מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’, en לְבוֹנָה (levonah), ‘wierook’: offers die men naar het huis van Yahweh bracht, ook al lag het gebouw in puin.

6Jisjmaël, de zoon van Netanja, ging hen vanuit Mizpa tegemoet. Hij liep voortdurend en huilde. Toen hij hen ontmoette, zei hij tegen hen: „Kom naar Gedalja, de zoon van Achikam.”
וַ֠יֵּצֵא
(vayetse)
en hij ging uit
יִשְׁמָעֵ֨אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֤ה
(netanya)
Netanja
לִקְרָאתָם֙
(liqratam)
hen tegemoet
מִן
(min)
uit
הַמִּצְפָּ֔ה
(hamitspa)
Mizpa
הֹלֵ֥ךְ
(holekh)
voortgaand
הָלֹ֖ךְ
(halokh)
voortgaand
וּבֹכֶ֑ה
(uvokhe)
en wenend
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כִּפְגֹ֣שׁ
(kifgosh)
toen hij ontmoette
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
בֹּ֖אוּ
(bou)
komt
אֶל
(el)
naar
גְּדַלְיָ֥הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
בֶן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָֽם
(achiqam)
Achikam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Uitleg

הֹלֵךְ הָלֹךְ וּבֹכֶה (holekh haloch uvokheh), ‘voortdurend gaand en wenend’: Jisjmaël loopt wenend de mannen tegemoet.

Waarschijnlijk is dit een list.

De tekst zegt het niet.

7Toen zij midden in de stad kwamen, slachtte Jisjmaël, de zoon van Netanja, hen af. Hij wierp hen midden in de put, hij en de mannen die bij hem waren.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
כְּבוֹאָ֖ם
(kevoam)
toen zij kwamen
אֶל
(el)
in
תּ֣וֹךְ
(tokh)
het midden van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַיִּשְׁחָטֵ֞ם
(vayishchatem)
en hij slachtte hen af
יִשְׁמָעֵ֤אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָה֙
(netanya)
Netanja
אֶל
(el)
in
תּ֣וֹךְ
(tokh)
het midden van
הַבּ֔וֹר
(habor)
de put
ה֖וּא
(hu)
hij
וְהָאֲנָשִׁ֥ים
(vehaanashim)
en de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּשְׁחָטֵם (vayyishchatem), ‘en hij slachtte hen af’: hetzelfde werkwoord als in 39:6 voor de zonen van Zedekia.

Het Hebreeuws zegt ‘in het midden van de put’.

Het woord ‘wierp’ voegen wij toe; vers 9 laat zien dat Jisjmaël de lijken in de put wierp.

הַבּוֹר (habor), ‘de put’: een waterput of regenput, vaak in de rots uitgehouwen.

8Maar onder hen werden tien man gevonden. Zij zeiden tegen Jisjmaël: „Dood ons niet. Want wij hebben verborgen voorraden in het veld: tarwe, gerst, olie en honing.” Toen hield hij op en doodde hen niet te midden van hun broeders.
וַעֲשָׂרָ֨ה
(vaasara)
en tien
אֲנָשִׁ֜ים
(anashim)
mannen
נִמְצְאוּ
(nimtseu)
werden gevonden
בָ֗ם
(bam)
onder hen
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֶל
(el)
tot
יִשְׁמָעֵאל֙
(yishmael)
Jisjmaël
אַל
(al)
niet
תְּמִתֵ֔נוּ
(temitenu)
dood ons
כִּֽי
(ki)
want
יֶשׁ
(yesh)
er is
לָ֤נוּ
(lanu)
voor ons
מַטְמֹנִים֙
(matmonim)
verborgen voorraden
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
חִטִּ֥ים
(chitim)
tarwe
וּשְׂעֹרִ֖ים
(useorim)
en gerst
וְשֶׁ֣מֶן
(veshemen)
en olie
וּדְבָ֑שׁ
(udevash)
en honing
וַיֶּחְדַּ֕ל
(vayechdal)
en hij hield op
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הֱמִיתָ֖ם
(hemitam)
doodde hen
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
אֲחֵיהֶֽם
(acheihem)
hun broeders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַטְמֹנִים (matmonim), ‘verborgen voorraden’: voorraden die in de grond of in holen verstopt zijn.

Zo verbergen mensen hun bezit in oorlogstijd.

דְּבָשׁ (devash), ‘honing’: het kan bijenhoning zijn of een stroop van vruchten.

9Jisjmaël wierp alle lijken van de mannen die hij bij Gedalja had neergeslagen, in een put. Dat was de put die koning Asa had gemaakt vanwege Baësa, de koning van Israël. Jisjmaël, de zoon van Netanja, vulde hem met doden.
וְהַבּ֗וֹר
(vehabor)
en de put
אֲשֶׁר֩
(asher)
waarin
הִשְׁלִ֨יךְ
(hishlikh)
hij wierp
שָׁ֤ם
(sham)
daar
יִשְׁמָעֵאל֙
(yishmael)
Jisjmaël
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
פִּגְרֵ֣י
(pigrei)
lijken van
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הִכָּה֙
(hika)
hij had neergeslagen
בְּיַד
(beyad)
bij
גְּדַלְיָ֔הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
ה֗וּא
(hu)
dat
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
is die
עָשָׂה֙
(asa)
had gemaakt
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָסָ֔א
(asa)
Asa
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
בַּעְשָׁ֣א
(basha)
Baësa
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
מִלֵּ֛א
(mile)
vulde
יִשְׁמָעֵ֥אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֖הוּ
(netanyahu)
Netanja
חֲלָלִֽים
(chalalim)
met doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּיַד גְּדַלְיָהוּ (beyad Gedalyahu), ‘bij Gedalja’: letterlijk ‘door de hand van Gedalja’.

Dat kan ‘naast hem’ of ‘samen met hem’ betekenen, of ‘met Gedalja’.

Het Hebreeuws is hier niet duidelijk.

Wij nemen aan dat het gaat om de mannen die tegelijk met Gedalja werden gedood.

Koning Asa van Juda maakte Mizpa sterk tegen Baësa, de koning van Israël (1 Kon. 15:16–22; 2 Kron. 16:1–6). De put hoorde bij die versterking.

חֲלָלִים (chalalim), ‘doden’: letterlijk ‘doorboorden’, mensen die door geweld zijn gestorven.

Jisjmaël neemt gevangenen mee

10Jisjmaël nam alle overgeblevenen van het volk gevangen die in Mizpa waren: de dochters van de koning en heel het volk dat in Mizpa was achtergebleven. Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, had hen aan Gedalja, de zoon van Achikam, toevertrouwd. Jisjmaël, de zoon van Netanja, nam hen gevangen en ging weg om over te steken naar de zonen van Ammon.
וַיִּ֣שְׁבְּ
(vayishb)
en hij nam gevangen
יִ֠שְׁמָעֵאל
(yishmael)
Jisjmaël
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
שְׁאֵרִ֨ית
(sheerit)
overgeblevenen van
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּמִּצְפָּ֗ה
(bamitspa)
in Mizpa
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנ֤וֹת
(benot)
dochters van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
הַנִּשְׁאָרִ֣ים
(hanisharim)
de achterblijvers
בַּמִּצְפָּ֔ה
(bamitspa)
in Mizpa
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הִפְקִ֗יד
(hifqid)
had toevertrouwd
נְבֽוּזַרְאֲדָן֙
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֔ים
(tabachim)
de lijfwacht
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֖הוּ
(gedalyahu)
Gedalja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֑ם
(achiqam)
Achikam
וַיִּשְׁבֵּם֙
(vayishbem)
en hij nam hen gevangen
יִשְׁמָעֵ֣אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֔ה
(netanya)
Netanja
וַיֵּ֕לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
לַעֲבֹ֖ר
(laavor)
om over te steken
אֶל
(el)
naar
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עַמּֽוֹן
(amon)
Ammon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

שְׁאֵרִית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: zie 40:11.

De ‘dochters van de koning’ zijn waarschijnlijk dochters van Zedekia of andere prinsessen uit het koningshuis. Zie Jer. 43:6.

In het Hebreeuws staat ‘die Nebuzaradan toevertrouwde, Gedalja’, met het woord voor het lijdend voorwerp voor ‘Gedalja’. Wij nemen aan dat het volk aan Gedalja werd toevertrouwd (vergelijk 40:7).

לַעֲבֹר (la’avor), ‘overtrekken’: over de Jordaan naar het land van Ammon.

Jochanan achtervolgt Jisjmaël

11Jochanan, de zoon van Kareach, en alle legeroversten die bij hem waren, hoorden al het kwaad dat Jisjmaël, de zoon van Netanja, had gedaan.
וַיִּשְׁמַע֙
(vayishma)
en hij hoorde
יוֹחָנָ֣ן
(yochanan)
Jochanan
בֶּן
(ben)
zoon van
קָרֵ֔חַ
(qareach)
Kareach
וְכָל
(vekhal)
en alle
שָׂרֵ֥י
(sarei)
oversten van
הַחֲיָלִ֖ים
(hachayalim)
de troepen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתּ֑וֹ
(ito)
met hem
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָֽרָעָה֙
(haraa)
het kwaad
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עָשָׂ֔ה
(asa)
had gedaan
יִשְׁמָעֵ֖אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָֽה
(netanya)
Netanja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Zij namen alle mannen mee en gingen om te strijden tegen Jisjmaël, de zoon van Netanja. Zij vonden hem bij de grote wateren die bij Gibeon zijn.
וַיִּקְחוּ֙
(vayiqchu)
en zij namen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָ֣אֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
mannen
וַיֵּ֣לְכ֔וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
לְהִלָּחֵ֖ם
(lehilachem)
om te strijden
עִם
(im)
met
יִשְׁמָעֵ֣אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֑ה
(netanya)
Netanja
וַיִּמְצְא֣וּ
(vayimtseu)
en zij vonden
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
bij
מַ֥יִם
(mayim)
wateren
רַבִּ֖ים
(rabim)
grote
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּגִבְעֽוֹן
(begivon)
bij Gibeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

De ‘grote wateren’ zijn waarschijnlijk de vijver van Gibeon (2 Sam. 2:13).

13Toen heel het volk dat bij Jisjmaël was, Jochanan, de zoon van Kareach, zag, en alle legeroversten die bij hem waren, verheugden zij zich.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כִּרְא֤וֹת
(kirot)
toen zag
כָּל
(kal)
heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אֶת
(et)
bij
יִשְׁמָעֵ֔אל
(yishmael)
Jisjmaël
אֶת
(et)
(obj.)
יֽוֹחָנָן֙
(yochanan)
Jochanan
בֶּן
(ben)
zoon van
קָרֵ֔חַ
(qareach)
Kareach
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
שָׂרֵ֥י
(sarei)
oversten van
הַחֲיָלִ֖ים
(hachayalim)
de troepen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתּ֑וֹ
(ito)
met hem
וַיִּשְׂמָֽחוּ
(vayismachu)
en zij verheugden zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Heel het volk dat Jisjmaël uit Mizpa gevangen had genomen, draaide zich om. Zij keerden terug en gingen naar Jochanan, de zoon van Kareach.
וַיָּסֹ֨בּוּ֙
(vayasobu)
en zij draaiden zich om
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
שָׁבָ֥ה
(shava)
gevangen had genomen
יִשְׁמָעֵ֖אל
(yishmael)
Jisjmaël
מִן
(min)
uit
הַמִּצְפָּ֑ה
(hamitspa)
Mizpa
וַיָּשֻׁ֨בוּ֙
(vayashuvu)
en zij keerden terug
וַיֵּ֣לְכ֔וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
אֶל
(el)
naar
יֽוֹחָנָ֖ן
(yochanan)
Jochanan
בֶּן
(ben)
zoon van
קָרֵֽחַ
(qareach)
Kareach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Uitleg

שָׁבָה (shavah), ‘gevangen nemen’: hetzelfde werkwoord als in vers 10.

Dit volk was door Jisjmaël gevangen genomen en wordt hier bevrijd.

Zie ookJer 41:10
15Maar Jisjmaël, de zoon van Netanja, ontkwam met acht man aan Jochanan en ging naar de zonen van Ammon.
וְיִשְׁמָעֵ֣אל
(veyishmael)
en Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֗ה
(netanya)
Netanja
נִמְלַט֙
(nimlat)
ontkwam
בִּשְׁמֹנָ֣ה
(bishmona)
met acht
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor
יֽוֹחָנָ֑ן
(yochanan)
Jochanan
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
אֶל
(el)
naar
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עַמּֽוֹן
(amon)
Ammon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

Jisjmaël ontkwam met acht van de tien man die bij hem waren (vers 2).

De tekst zegt niet wat er met de twee anderen gebeurde.

Op weg naar Egypte

16Jochanan, de zoon van Kareach, en alle legeroversten die bij hem waren, namen alle overgeblevenen van het volk mee. Die had hij teruggebracht van Jisjmaël, de zoon van Netanja, uit Mizpa, nadat die Gedalja, de zoon van Achikam, had neergeslagen. Het waren mannen, krijgsmannen, vrouwen, kinderen en hofdienaren, die hij uit Gibeon had teruggebracht.
וַיִּקַּח֩
(vayiqach)
en nam
יוֹחָנָ֨ן
(yochanan)
Jochanan
בֶּן
(ben)
zoon van
קָרֵ֜חַ
(qareach)
Kareach
וְכָל
(vekhal)
en alle
שָׂרֵ֧י
(sarei)
oversten van
הַחֲיָלִ֣ים
(hachayalim)
de troepen
אֲשֶׁר
(asher)
die
אִתּ֗וֹ
(ito)
met hem
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
שְׁאֵרִ֤ית
(sheerit)
overgeblevenen van
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֵ֠שִׁיב
(heshiv)
hij had teruggebracht
מֵאֵ֨ת
(meet)
van
יִשְׁמָעֵ֤אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָה֙
(netanya)
Netanja
מִן
(min)
uit
הַמִּצְפָּ֔ה
(hamitspa)
Mizpa
אַחַ֣ר
(achar)
nadat
הִכָּ֔ה
(hika)
hij had neergeslagen
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֖ה
(gedalya)
Gedalja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֑ם
(achiqam)
Achikam
גְּבָרִ֞ים
(gevarim)
mannen
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֗ה
(hamilchama)
de oorlog
וְנָשִׁ֤ים
(venashim)
en vrouwen
וְטַף֙
(vetaf)
en kinderen
וְסָ֣רִסִ֔ים
(vesarisim)
en hofdienaren
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֵשִׁ֖יב
(heshiv)
hij had teruggebracht
מִגִּבְעֽוֹן
(migivon)
uit Gibeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem.

Uitleg

גְּבָרִים אַנְשֵׁי הַמִּלְחָמָה (gevarim anshei hammilchamah), ‘mannen, krijgsmannen’: de twee woorden staan naast elkaar.

Wij laten beide staan.

סָרִסִים (sarisim), ‘hofdienaren’: mannen aan het hof, zoals in 2 Kon. 25:19.

17Zij gingen weg en bleven in Geroet-Kimham, dat bij Betlehem ligt, om naar Egypte te gaan.
וַיֵּלְכ֗וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
וַיֵּֽשְׁבוּ֙
(vayeshevu)
en zij bleven
בְּגֵר֣וּת
(begerut)
in Geroet
כִּמְהָ֔ם
(kimham)
Kimham
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אֵ֖צֶל
(etsel)
bij
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
לָ֑חֶם
(lachem)
Lechem
לָלֶ֖כֶת
(lalekhet)
om te gaan
לָב֥וֹא
(lavo)
om te komen
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Geroet-Kimham (גֵּרוּת כִּמְהָם, Gerut Kimham) lag bij Betlehem, ten zuiden van Jeruzalem.

De ligging is onzeker.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

גֵּרוּת (gerut), ‘verblijfplaats, herberg’.

Kimham is waarschijnlijk de man die met David meeging (2 Sam. 19:38–41).

Zijn naam wordt vaak met Barzillai verbonden.

De plaats heette mogelijk naar hem.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is כמוהם (Kimoham); het qere is כִּמְהָם (Kimham).

Het is dezelfde naam in een andere schrijfwijze.

Wij volgen het qere.

18Zij deden dat vanwege de Chaldeeën. Want zij waren bang voor hen, omdat Jisjmaël, de zoon van Netanja, Gedalja, de zoon van Achikam, had neergeslagen. Hem had de koning van Babel over het land aangesteld.
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
vanwege
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
כִּ֥י
(ki)
want
יָרְא֖וּ
(yareu)
zij waren bang
מִפְּנֵיהֶ֑ם
(mipeneihem)
voor hen
כִּֽי
(ki)
omdat
הִכָּ֞ה
(hika)
had neergeslagen
יִשְׁמָעֵ֣אל
(yishmael)
Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
נְתַנְיָ֗ה
(netanya)
Netanja
אֶת
(et)
(obj.)
גְּדַלְיָ֨הוּ֙
(gedalyahu)
Gedalja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֔ם
(achiqam)
Achikam
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִפְקִ֥יד
(hifqid)
had aangesteld
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
over het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Vergelijk 2 Kon. 25:26: ‘Zij gingen naar Egypte, want zij waren bang voor de Chaldeeën.’

Hier staat de reden uitgebreider: de moord op Gedalja, die de koning van Babel had aangesteld, kon de Chaldeeën tot wraak brengen.