Elohim Bijbel

Johannes 4

123456789101112131415161718192021

De Samaritaanse vrouw en de zoon van een koninklijk ambtenaar

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua verlaat Judea

1Yeshua kwam dus te weten dat de Farizeeën gehoord hadden dat Hij meer leerlingen maakte en doopte dan Johannes.
Ὡς
(Hos)
toen
οὖν
(oun)
dus
ἔγνω
(egno)
wist
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὅτι
(hoti)
dat
ἤκουσαν
(ekousan)
hoorden
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
πλείονας
(pleionas)
meer
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
ποιεῖ
(poiei)
maakt
καὶ
(kai)
en
βαπτίζει
(baptizei)
doopt
ἢ
(e)
dan
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
Bron: SBLGNT
2Yeshua zelf doopte overigens niet, maar Zijn leerlingen.
καίτοιγε
(kaitoige)
hoewel
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
αὐτὸς
(autos)
zelf
οὐκ
(ouk)
niet
ἐβάπτιζεν
(ebaptizen)
doopte
ἀλλ’
(all’)
maar
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Joh. 3:22 zegt dat Yeshua doopte.

Hier vult de evangelist aan dat het Zijn leerlingen waren die doopten.

Zie ook Joh. 3:26.

3Hij verliet Judea en ging weer naar Galilea.
ἀφῆκεν
(apheken)
liet achter
τὴν
(ten)
de
Ἰουδαίαν
(Ioudaian)
Judea
καὶ
(kai)
en
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
πάλιν
(palin)
opnieuw
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
Γαλιλαίαν
(Galilaian)
Galilea
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.

Het komt overeen met het oude Juda.

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

4Hij moest door Samaria reizen.
ἔδει
(edei)
moest
δὲ
(de)
maar
αὐτὸν
(auton)
Hem
διέρχεσθαι
(dierchesthai)
doorreizen
διὰ
(dia)
door
τῆς
(tes)
de
Σαμαρείας
(Samareias)
Samaria
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever.

Yeshua trok er op weg naar Galilea doorheen.

Uitleg

Samaria is het gebied tussen Judea in het zuiden en Galilea in het noorden.

De kortste weg tussen die twee liep erdoorheen.

Ἔδει (edei), ‘moest’: het Grieks zegt niet of het om de weg gaat of om wat Elohim wil.

Yeshua en de Samaritaanse vrouw bij de bron

5Zo kwam Hij bij een stad in Samaria die Sichar heette, dichtbij het stuk land dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.
ἔρχεται
(erchetai)
komt
οὖν
(oun)
dus
εἰς
(eis)
naar
πόλιν
(polin)
stad
τῆς
(tes)
van de
Σαμαρείας
(Samareias)
Samaria
λεγομένην
(legomenen)
genoemd
Συχὰρ
(Sychar)
Sichar
πλησίον
(plesion)
dichtbij
τοῦ
(tou)
het
χωρίου
(choriou)
stuk land
ὃ
(ho)
dat
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
Ἰακὼβ
(Iakob)
Jakob
τῷ
(to)
aan de
Ἰωσὴφ
(Ioseph)
Jozef
τῷ
(to)
de
υἱῷ
(huio)
zoon
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever.

Yeshua trok er op weg naar Galilea doorheen.

Zie Sichar (Askar?; ligging onzeker): Sichar was een stad in Samaria, vermoedelijk het huidige Askar, bij Sichem (Nablus).

Ook Sichem zelf is voorgesteld.

Dit is niet zeker.

Uitleg

Συχάρ (Sychar), door ons geschreven als ‘Sichar’: de ligging is niet zeker.

Vaak wordt gedacht aan Askar, bij Sichem (het huidige Nablus).

Het Grieks noemt het stuk land niet bij naam. Vergelijk Gen. 33:19, Gen. 48:22 en Joz. 24:32, waar Jozef in Sichem wordt begraven.

6Daar was de bron van Jakob. Yeshua, moe van de reis, ging zo bij de bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur.
ἦν
(en)
was
δὲ
(de)
maar
ἐκεῖ
(ekei)
daar
πηγὴ
(pege)
bron
τοῦ
(tou)
van
Ἰακώβ
(Iakob)
Jakob
ὁ
(ho)
de
οὖν
(oun)
dus
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
κεκοπιακὼς
(kekopiakos)
moe geworden
ἐκ
(ek)
van
τῆς
(tes)
de
ὁδοιπορίας
(hodoiporias)
reis
ἐκαθέζετο
(ekathezeto)
zat neer
οὕτως
(houtos)
zo
ἐπὶ
(epi)
bij
τῇ
(te)
de
πηγῇ
(pege)
bron
ὥρα
(hora)
uur
ἦν
(en)
was
ὡς
(hos)
ongeveer
ἕκτη
(hekte)
zesde
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jakobsbron: De bron (put) van Jakob ligt bij het huidige Tell Balata, aan de rand van Nablus, bij het oude Sichem.

Dit is waarschijnlijk de plek uit Johannes 4.

Uitleg

πηγή (pege), ‘bron’: water dat uit de grond opwelt.

In 4:11–12 staat φρέαρ (frear), ‘put’: een gegraven put.

οὕτως (houtos), ‘zo’: zoals Hij was, vermoeid van de reis.

ὥρα ἕκτη (hora hekte), ‘het zesde uur’: bij de Joodse telling vanaf zonsopgang is dat ongeveer 12 uur ’s middags. Als Johannes de Romeinse telling gebruikt (vanaf middernacht), is het ongeveer 6 uur ’s ochtends. Zie ook 1:39 en de voetnoot bij Joh. 19:14.

Zie ookJoh 19:14
7Een vrouw uit Samaria kwam water scheppen. Yeshua zei tegen haar: „Geef Mij te drinken.”
Ἔρχεται
(Erchetai)
komt
γυνὴ
(gyne)
vrouw
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
Σαμαρείας
(Samareias)
Samaria
ἀντλῆσαι
(antlesai)
om te scheppen
ὕδωρ
(hydor)
water
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῇ
(aute)
tegen haar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Δός
(Dos)
geef
μοι
(moi)
Mij
πεῖν
(pein)
te drinken
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever.

Yeshua trok er op weg naar Galilea doorheen.

8Want Zijn leerlingen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen.
οἱ
(hoi)
de
γὰρ
(gar)
want
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἀπεληλύθεισαν
(apelelytheisan)
waren weggegaan
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
ἵνα
(hina)
opdat
τροφὰς
(trophas)
voedsel
ἀγοράσωσιν
(agorasosin)
zij kopen
Bron: SBLGNT
9De Samaritaanse vrouw zei tegen Hem: „Hoe vraagt U, een Jood, mij te drinken? Ik ben een Samaritaanse vrouw.” Joden hebben namelijk geen omgang met Samaritanen.
λέγει
(legei)
zegt
οὖν
(oun)
dus
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
ἡ
(he)
de
γυνὴ
(gyne)
vrouw
ἡ
(he)
de
Σαμαρῖτις
(Samaritis)
Samaritaanse
Πῶς
(Pos)
hoe
σὺ
(sy)
U
Ἰουδαῖος
(Ioudaios)
Jood
ὢν
(on)
zijnde
παρ’
(par’)
van
ἐμοῦ
(emou)
mij
πεῖν
(pein)
te drinken
αἰτεῖς
(aiteis)
vraagt
γυναικὸς
(gynaikos)
vrouw
Σαμαρίτιδος
(Samaritidos)
Samaritaanse
οὔσης
(ouses)
zijnde
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
συγχρῶνται
(synchrontai)
hebben omgang
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
Σαμαρίταις
(Samaritais)
met Samaritanen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Σαμαρῖτις (Samaritis), ‘Samaritaanse’: een vrouw uit Samaria.

Zie 2 Kon. 17:24–41 over de bevolking van Samaria.

De Joden hadden over het algemeen geen omgang met de Samaritanen.

συγχράομαι (synchraomai) betekent ‘samen gebruiken’ of ‘omgang hebben met’. Het kan gaan om het gezamenlijk gebruik van een drinkvat.

Ἰουδαῖος (Ioudaios), ‘Jood’: zie de Uitleg bij 1:19.

10Yeshua antwoordde en zei tegen haar: „Als je de gave van Elohim kende en wist wie tegen je zegt: ‘Geef Mij te drinken’, dan zou jij Hem gevraagd hebben. Dan zou Hij je levend water gegeven hebben.”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῇ
(aute)
tegen haar
Εἰ
(Ei)
als
ᾔδεις
(edeis)
je kende
τὴν
(ten)
de
δωρεὰν
(dorean)
gave
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
τίς
(tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
λέγων
(legon)
zeggende
σοι
(soi)
tegen je
Δός
(Dos)
geef
μοι
(moi)
Mij
πεῖν
(pein)
te drinken
σὺ
(sy)
jij
ἂν
(an)
dan
ᾔτησας
(etesas)
zou hebben gevraagd
αὐτὸν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἔδωκεν
(edoken)
zou hebben gegeven
ἄν
(an)
dan
σοι
(soi)
je
ὕδωρ
(hydor)
water
ζῶν
(zon)
levend
Bron: SBLGNT
Uitleg

δωρεά (dorea), ‘gave’: een geschenk van Elohim.

ὕδωρ ζῶν (hydor zon), ‘levend water’: stromend water uit een bron, anders dan water dat uit een put wordt geschept. Zie Gen. 26:19 en Jer. 2:13, waar Yahweh ‘de bron van levend water’ heet; zie ook Zach. 14:8.

11De vrouw zei tegen Hem: „Heer, U hebt geen emmer en de put is diep. Waar hebt U dan dat levende water vandaan?
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
ἡ
(he)
de
γυνή
(gyne)
vrouw
Κύριε
(Kyrie)
Heer
οὔτε
(oute)
noch
ἄντλημα
(antlema)
emmer
ἔχεις
(echeis)
U hebt
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
φρέαρ
(phrear)
put
ἐστὶν
(estin)
is
βαθύ
(bathy)
diep
πόθεν
(pothen)
vanwaar
οὖν
(oun)
dus
ἔχεις
(echeis)
U hebt
τὸ
(to)
het
ὕδωρ
(hydor)
water
τὸ
(to)
het
ζῶν
(zon)
levende
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριε (kyrie), ‘Heer’: ook een beleefde aanspreking, zoals ‘meneer’.

De vrouw weet nog niet wie Hij is.

Wij schrijven bij de aanspreking van Yeshua overal ‘Heer’.

12U bent toch niet groter dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft? Hij heeft er zelf uit gedronken, met zijn zonen en zijn vee.”
μὴ
(me)
toch niet
σὺ
(sy)
U
μείζων
(meizon)
groter
εἶ
(ei)
bent
τοῦ
(tou)
dan de
πατρὸς
(patros)
vader
ἡμῶν
(hemon)
onze
Ἰακώβ
(Iakob)
Jakob
ὃς
(hos)
die
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
ἡμῖν
(hemin)
aan ons
τὸ
(to)
de
φρέαρ
(phrear)
put
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
zelf
ἐξ
(ex)
uit
αὐτοῦ
(autou)
die
ἔπιεν
(epien)
dronk
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
υἱοὶ
(huioi)
zonen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
het
θρέμματα
(thremmata)
vee
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
13Yeshua antwoordde en zei tegen haar: „Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen.
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῇ
(aute)
tegen haar
Πᾶς
(Pas)
ieder
ὁ
(ho)
de
πίνων
(pinon)
drinkende
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
ὕδατος
(hydatos)
water
τούτου
(toutou)
dit
διψήσει
(dipsesei)
zal dorst hebben
πάλιν
(palin)
opnieuw
Bron: SBLGNT
14Maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal voor eeuwig geen dorst meer hebben. Het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron van water worden, dat opwelt tot eeuwig leven.”
ὃς
(hos)
wie
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
ooit
πίῃ
(pie)
drinkt
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
ὕδατος
(hydatos)
water
οὗ
(hou)
dat
ἐγὼ
(ego)
Ik
δώσω
(doso)
zal geven
αὐτῷ
(auto)
hem
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
διψήσει
(dipsesei)
zal dorst hebben
εἰς
(eis)
tot
τὸν
(ton)
de
αἰῶνα
(aiona)
eeuwigheid
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὸ
(to)
het
ὕδωρ
(hydor)
water
ὃ
(ho)
dat
δώσω
(doso)
Ik zal geven
αὐτῷ
(auto)
hem
γενήσεται
(genesetai)
zal worden
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
hem
πηγὴ
(pege)
bron
ὕδατος
(hydatos)
van water
ἁλλομένου
(hallomenou)
opwellend
εἰς
(eis)
tot
ζωὴν
(zoen)
leven
αἰώνιον
(aionion)
eeuwig
Bron: SBLGNT
Uitleg

εἰς τὸν αἰῶνα (eis ton aiona), ‘voor eeuwig’: letterlijk ‘tot de eeuwigheid’.

Wij vertalen deze uitdrukking overal zo (zie Matt. 21:19; Mark. 11:14).

ἅλλομαι (hallomai), ‘springen’, ‘opwellen’.

15Zij zei tegen Hem: „Heer, geef mij dit water, zodat ik geen dorst meer heb en hier niet meer hoef te komen om te scheppen.”
λέγει
(legei)
zegt
πρὸς
(pros)
tot
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἡ
(he)
de
γυνή
(gyne)
vrouw
Κύριε
(Kyrie)
Heer
δός
(dos)
geef
μοι
(moi)
mij
τοῦτο
(touto)
dit
τὸ
(to)
het
ὕδωρ
(hydor)
water
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
διψῶ
(dipso)
ik dorst heb
μηδὲ
(mede)
noch
διέρχωμαι
(dierchomai)
ik kom
ἐνθάδε
(enthade)
hierheen
ἀντλεῖν
(antlein)
om te scheppen
Bron: SBLGNT
16Hij zei tegen haar: „Ga je man roepen en kom hier.”
Λέγει
(Legei)
zegt
αὐτῇ
(aute)
tegen haar
Ὕπαγε
(Hypage)
ga
φώνησον
(phoneson)
roep
τὸν
(ton)
de
ἄνδρα
(andra)
man
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
ἐλθὲ
(elthe)
kom
ἐνθάδε
(enthade)
hierheen
Bron: SBLGNT
17De vrouw antwoordde en zei tegen Hem: „Ik heb geen man.” Yeshua zei tegen haar: „Je hebt terecht gezegd: ‘Ik heb geen man.’
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
ἡ
(he)
de
γυνὴ
(gyne)
vrouw
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἔχω
(echo)
ik heb
ἄνδρα
(andra)
man
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῇ
(aute)
tegen haar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Καλῶς
(Kalos)
terecht
εἶπας
(eipas)
je zei
ὅτι
(hoti)
dat
Ἄνδρα
(Andra)
man
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχω
(echo)
ik heb
Bron: SBLGNT
18Want je hebt 5 mannen gehad, en degene die je nu hebt, is je man niet. Dit heb je naar waarheid gezegd.”
πέντε
(pente)
5
γὰρ
(gar)
want
ἄνδρας
(andras)
mannen
ἔσχες
(esches)
je had
καὶ
(kai)
en
νῦν
(nyn)
nu
ὃν
(hon)
die
ἔχεις
(echeis)
je hebt
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
σου
(sou)
je
ἀνήρ
(aner)
man
τοῦτο
(touto)
dit
ἀληθὲς
(alethes)
waar
εἴρηκας
(eirekas)
je hebt gezegd
Bron: SBLGNT
19De vrouw zei tegen Hem: „Heer, ik zie dat U een profeet bent.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
ἡ
(he)
de
γυνή
(gyne)
vrouw
Κύριε
(Kyrie)
Heer
θεωρῶ
(theoro)
ik zie
ὅτι
(hoti)
dat
προφήτης
(prophetes)
profeet
εἶ
(ei)
bent
σύ
(sy)
U
Bron: SBLGNT
20Onze vaders hebben zich op deze berg neergebogen, en jullie zeggen dat in Jeruzalem de plaats is waar men zich moet neerbuigen.”
οἱ
(hoi)
de
πατέρες
(pateres)
vaders
ἡμῶν
(hemon)
onze
ἐν
(en)
op
τῷ
(to)
de
ὄρει
(orei)
berg
τούτῳ
(touto)
deze
προσεκύνησαν
(prosekynesan)
bogen zich neer
καὶ
(kai)
en
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
λέγετε
(legete)
zeggen
ὅτι
(hoti)
dat
ἐν
(en)
in
Ἱεροσολύμοις
(Hierosolymois)
Jeruzalem
ἐστὶν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
τόπος
(topos)
plaats
ὅπου
(hopou)
waar
προσκυνεῖν
(proskynein)
zich neerbuigen
δεῖ
(dei)
het nodig is
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Gerizim (‘deze berg’): Met ‘deze berg’ bedoelt de Samaritaanse vrouw de Gerizim, bij Sichem.

Dat was de heilige berg van de Samaritanen.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

‘Deze berg’ is de berg Gerizim, bij Sichem (Deut. 11:29; Deut. 27:12).

De Samaritanen bogen zich daar neer voor Elohim; de Joden deden dat in Jeruzalem.

προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: letterlijk zich diep buigen voor iemand. Wij vertalen het overal zo (zie Matt. 2:2).

21Hij zei tegen haar: „Geloof Mij, vrouw. Er komt een uur dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem zich voor de Vader zullen neerbuigen.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῇ
(aute)
tegen haar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Πίστευέ
(Pisteue)
geloof
μοι
(moi)
Mij
γύναι
(gynai)
vrouw
ὅτι
(hoti)
dat
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ὥρα
(hora)
uur
ὅτε
(hote)
wanneer
οὔτε
(oute)
noch
ἐν
(en)
op
τῷ
(to)
de
ὄρει
(orei)
berg
τούτῳ
(touto)
deze
οὔτε
(oute)
noch
ἐν
(en)
in
Ἱεροσολύμοις
(Hierosolymois)
Jeruzalem
προσκυνήσετε
(proskynesete)
zullen zich neerbuigen
τῷ
(to)
voor de
πατρί
(patri)
Vader
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Gerizim (‘deze berg’): Met ‘deze berg’ bedoelt de Samaritaanse vrouw de Gerizim, bij Sichem.

Dat was de heilige berg van de Samaritanen.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

22Jullie buigen zich neer voor wat jullie niet kennen. Wij buigen ons neer voor wat wij kennen, want de redding komt uit de Joden.
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
προσκυνεῖτε
(proskyneite)
buigen zich neer
ὃ
(ho)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
οἴδατε
(oidate)
jullie kennen
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
προσκυνοῦμεν
(proskynoumen)
buigen ons neer
ὃ
(ho)
wat
οἴδαμεν
(oidamen)
wij kennen
ὅτι
(hoti)
want
ἡ
(he)
de
σωτηρία
(soteria)
redding
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
ἐστίν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
23Maar er komt een uur, en het is er nu al, dat de ware aanbidders zich in geest en waarheid voor de Vader zullen neerbuigen. Want ook de Vader zoekt zulke mensen, die zich voor Hem neerbuigen.
ἀλλὰ
(alla)
maar
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ὥρα
(hora)
uur
καὶ
(kai)
en
νῦν
(nyn)
nu
ἐστιν
(estin)
is
ὅτε
(hote)
wanneer
οἱ
(hoi)
de
ἀληθινοὶ
(alethinoi)
ware
προσκυνηταὶ
(proskynetai)
aanbidders
προσκυνήσουσιν
(proskynesousin)
zullen zich neerbuigen
τῷ
(to)
voor de
πατρὶ
(patri)
Vader
ἐν
(en)
in
πνεύματι
(pneumati)
geest
καὶ
(kai)
en
ἀληθείᾳ
(aletheia)
waarheid
καὶ
(kai)
en
γὰρ
(gar)
want
ὁ
(ho)
de
πατὴρ
(pater)
Vader
τοιούτους
(toioutous)
zulke
ζητεῖ
(zetei)
zoekt
τοὺς
(tous)
de
προσκυνοῦντας
(proskynountas)
zich neerbuigenden
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

προσκυνητής (proskynetes), ‘aanbidder’: iemand die zich neerbuigt.

Het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor.

Wij schrijven ‘aanbidder’, omdat ‘de ware neerbuigers’ niet natuurlijk klinkt; het werkwoord blijft ‘zich neerbuigen’.

ἀληθινός (alethinos), ‘waar’, ‘echt’.

24Elohim is geest, en wie zich voor Hem neerbuigen, moeten zich in geest en waarheid neerbuigen.”
πνεῦμα
(pneuma)
geest
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
προσκυνοῦντας
(proskynountas)
zich neerbuigenden
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐν
(en)
in
πνεύματι
(pneumati)
geest
καὶ
(kai)
en
ἀληθείᾳ
(aletheia)
waarheid
δεῖ
(dei)
het is nodig
προσκυνεῖν
(proskynein)
zich neer te buigen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft geen lidwoord bij πνεῦμα (pneuma): ‘Elohim is geest’ zegt wat Hij is.

Wij schrijven ‘geest’ met een kleine letter.

‘In geest en waarheid’ kan ook betekenen ‘in de Geest en in waarheid’; ook daar heeft het Grieks geen lidwoord.

25De vrouw zei tegen Hem: „Ik weet dat Messias komt, die de Gezalfde genoemd wordt. Wanneer Hij komt, zal Hij ons alles bekendmaken.”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
ἡ
(he)
de
γυνή
(gyne)
vrouw
Οἶδα
(Oida)
ik weet
ὅτι
(hoti)
dat
Μεσσίας
(Messias)
Messias
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ὁ
(ho)
de
λεγόμενος
(legomenos)
genoemde
χριστός
(christos)
Gezalfde
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἔλθῃ
(elthe)
Hij komt
ἐκεῖνος
(ekeinos)
Die
ἀναγγελεῖ
(anangelei)
zal bekendmaken
ἡμῖν
(hemin)
ons
ἅπαντα
(hapanta)
alles
Bron: SBLGNT
Uitleg

Μεσσίας (Messias) is het Aramese woord voor ‘gezalfde’ in Griekse letters; de evangelist vertaalt het met χριστός (christos).

Zie de Uitleg bij 1:41.

26Yeshua zei tegen haar: „Ik ben het, die met je spreekt.”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῇ
(aute)
tegen haar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἐγώ
(Ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben
ὁ
(ho)
de
λαλῶν
(lalon)
sprekende
σοι
(soi)
tegen je
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐγώ εἰμι (ego eimi) is letterlijk ‘Ik ben’.

Hier betekent het ‘Ik ben het’.

Dezelfde woorden staan in 6:20; vergelijk Exod. 3:14.

Zie ookEx 3:14
27Op dat moment kwamen Zijn leerlingen. Zij verbaasden zich erover dat Hij met een vrouw sprak. Toch zei niemand: „Wat zoekt U?” of: „Wat bespreekt U met haar?”
Καὶ
(Kai)
en
ἐπὶ
(epi)
op
τούτῳ
(touto)
dit
ἦλθαν
(elthan)
kwamen
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἐθαύμαζον
(ethaumazon)
verbaasden zich
ὅτι
(hoti)
dat
μετὰ
(meta)
met
γυναικὸς
(gynaikos)
vrouw
ἐλάλει
(elalei)
Hij sprak
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
μέντοι
(mentoi)
toch
εἶπεν
(eipen)
zei
Τί
(Ti)
wat
ζητεῖς
(zeteis)
U zoekt
ἢ
(e)
of
τί
(ti)
wat
λαλεῖς
(laleis)
U bespreekt
μετ’
(met’)
met
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT

De vrouw gaat naar de stad

28De vrouw liet dus haar waterkruik achter, ging naar de stad en zei tegen de mensen:
ἀφῆκεν
(apheken)
liet achter
οὖν
(oun)
dus
τὴν
(ten)
de
ὑδρίαν
(hydrian)
waterkruik
αὐτῆς
(autes)
haar
ἡ
(he)
de
γυνὴ
(gyne)
vrouw
καὶ
(kai)
en
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
τοῖς
(tois)
aan de
ἀνθρώποις
(anthropois)
mensen
Bron: SBLGNT
29„Kom, zie een man die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb. Zou dit soms de Messias zijn?”
Δεῦτε
(Deute)
kom
ἴδετε
(idete)
zie
ἄνθρωπον
(anthropon)
man
ὃς
(hos)
die
εἶπέ
(eipe)
zei
μοι
(moi)
mij
πάντα
(panta)
alles
ὅσα
(hosa)
wat
ἐποίησα
(epoiesa)
ik deed
μήτι
(meti)
toch niet
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
χριστός
(christos)
Messias
Bron: SBLGNT
30Zij gingen de stad uit en kwamen naar Hem toe.
ἐξῆλθον
(exelthon)
gingen uit
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
πόλεως
(poleos)
stad
καὶ
(kai)
en
ἤρχοντο
(erchonto)
kwamen
πρὸς
(pros)
tot
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT

Het voedsel van Yeshua en de oogst

31Intussen vroegen de leerlingen Hem: „Rabbi, eet.”
Ἐν
(En)
in
τῷ
(to)
het
μεταξὺ
(metaxy)
tussen
ἠρώτων
(eroton)
vroegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ῥαββί
(Rhabbi)
rabbi
φάγε
(phage)
eet
Bron: SBLGNT
Uitleg

ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: zie de Uitleg bij 1:38.

32Hij zei tegen hen: „Ik heb voedsel om te eten, dat jullie niet kennen.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἐγὼ
(Ego)
Ik
βρῶσιν
(brosin)
voedsel
ἔχω
(echo)
heb
φαγεῖν
(phagein)
om te eten
ἣν
(hen)
dat
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
οὐκ
(ouk)
niet
οἴδατε
(oidate)
kennen
Bron: SBLGNT
33De leerlingen zeiden dus tegen elkaar: „Heeft iemand Hem soms te eten gebracht?”
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
πρὸς
(pros)
tot
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
Μή
(Me)
toch niet
τις
(tis)
iemand
ἤνεγκεν
(enenken)
bracht
αὐτῷ
(auto)
Hem
φαγεῖν
(phagein)
te eten
Bron: SBLGNT
34Yeshua zei tegen hen: „Mijn voedsel is dat Ik de wil doe van Hem die Mij gestuurd heeft, en Zijn werk voltooi.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἐμὸν
(Emon)
Mijn
βρῶμά
(broma)
voedsel
ἐστιν
(estin)
is
ἵνα
(hina)
opdat
ποιήσω
(poieso)
Ik doe
τὸ
(to)
de
θέλημα
(thelema)
wil
τοῦ
(tou)
van de
πέμψαντός
(pempsantos)
gestuurd hebbende
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
τελειώσω
(teleioso)
Ik voltooi
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
τὸ
(to)
het
ἔργον
(ergon)
werk
Bron: SBLGNT
35Zeggen jullie niet: ‘Nog 4 maanden, en dan komt de oogst’? Zie, Ik zeg jullie: sla jullie ogen op en kijk naar de velden: ze zijn al wit voor de oogst.
οὐχ
(ouch)
niet
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
λέγετε
(legete)
zeggen
ὅτι
(hoti)
dat
Ἔτι
(Eti)
nog
τετράμηνός
(tetramenos)
4 maanden
ἐστιν
(estin)
is
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
θερισμὸς
(therismos)
oogst
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ἰδοὺ
(idou)
zie
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἐπάρατε
(eparate)
sla op
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμοὺς
(ophthalmous)
ogen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
καὶ
(kai)
en
θεάσασθε
(theasasthe)
aanschouw
τὰς
(tas)
de
χώρας
(choras)
velden
ὅτι
(hoti)
dat
λευκαί
(leukai)
wit
εἰσιν
(eisin)
zijn
πρὸς
(pros)
voor
θερισμόν
(therismon)
oogst
ἤδη
(ede)
al
Bron: SBLGNT
Uitleg

λευκός (leukos), ‘wit’: hier waarschijnlijk van graan dat rijp is voor de oogst. χώρα (chora), ‘veld’: het open land.

36Wie oogst, ontvangt loon en verzamelt vrucht tot eeuwig leven, zodat wie zaait en wie oogst zich samen verheugen.
ὁ
(ho)
de
θερίζων
(therizon)
oogstende
μισθὸν
(misthon)
loon
λαμβάνει
(lambanei)
ontvangt
καὶ
(kai)
en
συνάγει
(synagei)
verzamelt
καρπὸν
(karpon)
vrucht
εἰς
(eis)
tot
ζωὴν
(zoen)
leven
αἰώνιον
(aionion)
eeuwig
ἵνα
(hina)
opdat
ὁ
(ho)
de
σπείρων
(speiron)
zaaiende
ὁμοῦ
(homou)
samen
χαίρῃ
(chaire)
zich verheugt
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
θερίζων
(therizon)
oogstende
Bron: SBLGNT
37Want hierin is het woord waar: ‘De een zaait en de ander oogst.’
ἐν
(en)
in
γὰρ
(gar)
want
τούτῳ
(touto)
dit
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
woord
ἐστὶν
(estin)
is
ἀληθινὸς
(alethinos)
waar
ὅτι
(hoti)
dat
Ἄλλος
(Allos)
een ander
ἐστὶν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
σπείρων
(speiron)
zaaiende
καὶ
(kai)
en
ἄλλος
(allos)
een ander
ὁ
(ho)
de
θερίζων
(therizon)
oogstende
Bron: SBLGNT
38Ik heb jullie gezonden om te oogsten waar jullie niet voor gezwoegd hebben. Anderen hebben gezwoegd, en jullie zijn binnengegaan in hun moeite.”
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἀπέστειλα
(apesteila)
zond
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
θερίζειν
(therizein)
om te oogsten
ὃ
(ho)
wat
οὐχ
(ouch)
niet
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
κεκοπιάκατε
(kekopiakate)
hebben gezwoegd
ἄλλοι
(alloi)
anderen
κεκοπιάκασιν
(kekopiakasin)
hebben gezwoegd
καὶ
(kai)
en
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
κόπον
(kopon)
moeite
αὐτῶν
(auton)
hun
εἰσεληλύθατε
(eiselelythate)
zijn binnengegaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

κοπιάω (kopiao), ‘zwoegen’: zwaar werk doen; κόπος (kopos), ‘moeite’.

Wie met ‘anderen’ bedoeld wordt, zegt de tekst niet.

Veel Samaritanen geloven in Hem

39Veel Samaritanen uit die stad geloofden in Hem door het woord van de vrouw, die getuigde: „Hij heeft mij alles gezegd wat ik gedaan heb.”
Ἐκ
(Ek)
uit
δὲ
(de)
maar
τῆς
(tes)
de
πόλεως
(poleos)
stad
ἐκείνης
(ekeines)
die
πολλοὶ
(polloi)
velen
ἐπίστευσαν
(episteusan)
geloofden
εἰς
(eis)
in
αὐτὸν
(auton)
Hem
τῶν
(ton)
van de
Σαμαριτῶν
(Samariton)
Samaritanen
διὰ
(dia)
door
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
τῆς
(tes)
van de
γυναικὸς
(gynaikos)
vrouw
μαρτυρούσης
(martyrouses)
getuigende
ὅτι
(hoti)
dat
Εἶπέν
(Eipen)
zei
μοι
(moi)
mij
πάντα
(panta)
alles
ἃ
(ha)
wat
ἐποίησα
(epoiesa)
ik deed
Bron: SBLGNT
40Toen de Samaritanen bij Hem kwamen, vroegen zij Hem bij hen te blijven. Hij bleef daar 2 dagen.
ὡς
(hos)
toen
οὖν
(oun)
dus
ἦλθον
(elthon)
kwamen
πρὸς
(pros)
tot
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
Σαμαρῖται
(Samaritai)
Samaritanen
ἠρώτων
(eroton)
vroegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
μεῖναι
(meinai)
te blijven
παρ’
(par’)
bij
αὐτοῖς
(autois)
hen
καὶ
(kai)
en
ἔμεινεν
(emeinen)
bleef
ἐκεῖ
(ekei)
daar
δύο
(dyo)
2
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
Bron: SBLGNT
41En nog veel meer mensen geloofden door Zijn woord.
καὶ
(kai)
en
πολλῷ
(pollo)
veel
πλείους
(pleious)
meer
ἐπίστευσαν
(episteusan)
geloofden
διὰ
(dia)
door
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
42Zij zeiden tegen de vrouw: „Wij geloven niet meer door jouw verhaal. Want wij hebben zelf gehoord en weten dat Hij werkelijk de Redder van de wereld is.”
τῇ
(te)
aan de
τε
(te)
en
γυναικὶ
(gynaiki)
vrouw
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
ὅτι
(hoti)
dat
Οὐκέτι
(Ouketi)
niet meer
διὰ
(dia)
door
τὴν
(ten)
het
σὴν
(sen)
jouw
λαλιὰν
(lalian)
verhaal
πιστεύομεν
(pisteuomen)
wij geloven
αὐτοὶ
(autoi)
zelf
γὰρ
(gar)
want
ἀκηκόαμεν
(akekoamen)
wij hebben gehoord
καὶ
(kai)
en
οἴδαμεν
(oidamen)
wij weten
ὅτι
(hoti)
dat
οὗτός
(houtos)
Hij
ἐστιν
(estin)
is
ἀληθῶς
(alethos)
werkelijk
ὁ
(ho)
de
σωτὴρ
(soter)
Redder
τοῦ
(tou)
van de
κόσμου
(kosmou)
wereld
Bron: SBLGNT
Uitleg

σωτήρ (soter), ‘Redder’: wie redt; verwant aan σῴζω (sozo), ‘redden’.

λαλιά (lalia), ‘verhaal’: wat iemand zegt. Het verschilt van λόγος (logos), ‘woord’, in 4:39 en 4:41.

Terug in Galilea

43Na die 2 dagen vertrok Hij vandaar naar Galilea.
Μετὰ
(Meta)
na
δὲ
(de)
maar
τὰς
(tas)
de
δύο
(dyo)
2
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
Γαλιλαίαν
(Galilaian)
Galilea
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

44Yeshua zelf had namelijk getuigd dat een profeet in zijn eigen vaderstad geen eer heeft.
αὐτὸς
(autos)
zelf
γὰρ
(gar)
want
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐμαρτύρησεν
(emartyresen)
getuigde
ὅτι
(hoti)
dat
προφήτης
(prophetes)
profeet
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
ἰδίᾳ
(idia)
eigen
πατρίδι
(patridi)
vaderstad
τιμὴν
(timen)
eer
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχει
(echei)
heeft
Bron: SBLGNT
Uitleg

πατρίς (patris), ‘vaderstad’: de plaats waar iemand thuishoort.

Wat hier bedoeld is (Nazaret, Galilea of Judea), is niet zeker.

Zie ook Matt. 13:57; Mark. 6:4; Luc. 4:24.

45Toen Hij in Galilea kwam, ontvingen de Galileeërs Hem. Zij hadden alles gezien wat Hij op het feest in Jeruzalem gedaan had, want ook zijzelf waren naar het feest gegaan.
ὅτε
(hote)
toen
οὖν
(oun)
dus
ἦλθεν
(elthen)
kwam
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
Γαλιλαίαν
(Galilaian)
Galilea
ἐδέξαντο
(edexanto)
ontvingen
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
Γαλιλαῖοι
(Galilaioi)
Galileeërs
πάντα
(panta)
alles
ἑωρακότες
(heorakotes)
gezien hebbend
ὅσα
(hosa)
wat
ἐποίησεν
(epoiesen)
Hij deed
ἐν
(en)
in
Ἱεροσολύμοις
(Hierosolymois)
Jeruzalem
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
het
ἑορτῇ
(heorte)
feest
καὶ
(kai)
ook
αὐτοὶ
(autoi)
zijzelf
γὰρ
(gar)
want
ἦλθον
(elthon)
gingen
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
ἑορτήν
(heorten)
feest
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Het feest is het Pesach uit 2:13 en 2:23.

Yeshua geneest de zoon van een koninklijk ambtenaar

46Hij kwam dus opnieuw in Kana in Galilea, waar Hij het water wijn had gemaakt. Er was een koninklijk ambtenaar wiens zoon ziek was in Kapernaüm.
Ἦλθεν
(Elthen)
kwam
οὖν
(oun)
dus
πάλιν
(palin)
opnieuw
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
Κανὰ
(Kana)
Kana
τῆς
(tes)
van de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
ὅπου
(hopou)
waar
ἐποίησεν
(epoiesen)
maakte
τὸ
(to)
het
ὕδωρ
(hydor)
water
οἶνον
(oinon)
wijn
καὶ
(kai)
en
ἦν
(en)
was
τις
(tis)
een
βασιλικὸς
(basilikos)
koninklijk ambtenaar
οὗ
(hou)
wiens
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
zoon
ἠσθένει
(esthenei)
ziek was
ἐν
(en)
in
Καφαρναούμ
(Kapharnaoum)
Kapernaüm
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Kana in Galilea (ligging onzeker): Kana in Galilea is waarschijnlijk Khirbet Qana of Kafr Kanna, ongeveer 12 km ten noordnoordoosten van Nazaret.

Welke van de twee het is, is niet zeker.

Het is een ander Kana dan dat bij Tyrus (Jozua 19:28).

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël.

Uitleg

Zie 2:1–11 voor het water dat wijn werd.

βασιλικός (basilikos), ‘koninklijk ambtenaar’: iemand in dienst van de koning, waarschijnlijk van Herodes Antipas.

Zie ook Matt. 8:5–13; Luc. 7:1–10: een verhaal dat hierop lijkt; de woorden verschillen.

47Toen deze hoorde dat Yeshua uit Judea in Galilea gekomen was, ging hij naar Hem toe. Hij vroeg Hem naar beneden te komen en zijn zoon te genezen. Want die stond op het punt te sterven.
οὗτος
(houtos)
deze
ἀκούσας
(akousas)
gehoord hebbend
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἥκει
(hekei)
is gekomen
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
Ἰουδαίας
(Ioudaias)
Judea
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
Γαλιλαίαν
(Galilaian)
Galilea
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
πρὸς
(pros)
tot
αὐτὸν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἠρώτα
(erota)
vroeg
ἵνα
(hina)
opdat
καταβῇ
(katabe)
Hij zou afdalen
καὶ
(kai)
en
ἰάσηται
(iasetai)
zou genezen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τὸν
(ton)
de
υἱόν
(huion)
zoon
ἤμελλεν
(emellen)
stond op het punt
γὰρ
(gar)
want
ἀποθνῄσκειν
(apothneskein)
te sterven
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.

Het komt overeen met het oude Juda.

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

48Yeshua zei tegen hem: „Als jullie geen tekenen en wonderen zien, zullen jullie beslist niet geloven.”
εἶπεν
(eipen)
zei
οὖν
(oun)
dus
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
πρὸς
(pros)
tot
αὐτόν
(auton)
hem
Ἐὰν
(Ean)
als
μὴ
(me)
niet
σημεῖα
(semeia)
tekenen
καὶ
(kai)
en
τέρατα
(terata)
wonderen
ἴδητε
(idete)
jullie zien
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
πιστεύσητε
(pisteusete)
jullie zult geloven
Bron: SBLGNT
Uitleg

σημεῖον (semeion), ‘teken’: zie de Uitleg bij 2:11. τέρας (teras), ‘wonder’.

De woorden ‘tekenen en wonderen’ staan ook in Exod. 7:3 en Deut. 4:34.

‘Jullie’ is meervoud: Yeshua spreekt niet alleen tot deze man.

49De koninklijk ambtenaar zei tegen Hem: „Heer, kom naar beneden voordat mijn kind sterft.”
λέγει
(legei)
zegt
πρὸς
(pros)
tot
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὁ
(ho)
de
βασιλικός
(basilikos)
koninklijk ambtenaar
Κύριε
(Kyrie)
Heer
κατάβηθι
(katabethi)
kom naar beneden
πρὶν
(prin)
voordat
ἀποθανεῖν
(apothanein)
te sterven
τὸ
(to)
het
παιδίον
(paidion)
kind
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
50Yeshua zei tegen hem: „Ga, je zoon leeft.” De man geloofde het woord dat Yeshua tot hem gezegd had, en ging.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Πορεύου
(Poreuou)
ga
ὁ
(ho)
de
υἱός
(huios)
zoon
σου
(sou)
je
ζῇ
(ze)
leeft
ἐπίστευσεν
(episteusen)
geloofde
ὁ
(ho)
de
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
τῷ
(to)
het
λόγῳ
(logo)
woord
ὃν
(hon)
dat
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἐπορεύετο
(eporeueto)
ging
Bron: SBLGNT
51Terwijl hij al naar beneden ging, kwamen zijn knechten hem tegemoet. Zij zeiden dat zijn kind leefde.
ἤδη
(ede)
al
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καταβαίνοντος
(katabainontos)
afdalend
οἱ
(hoi)
de
δοῦλοι
(douloi)
knechten
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ὑπήντησαν
(hypentesan)
kwamen tegemoet
αὐτῷ
(auto)
hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
ὁ
(ho)
het
παῖς
(pais)
kind
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ζῇ
(ze)
leeft
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοῦλος (doulos), ‘knecht’. παῖς (pais) kan ‘kind’ en ‘knecht’ betekenen; hier vertalen wij ‘kind’, zoals de zoon in 4:50, omdat de knechten al apart genoemd worden.

In 4:49 staat παιδίον (paidion), ‘kind’.

52Hij vroeg hun op welk uur het beter met hem was gegaan. Zij zeiden tegen hem: „Gisteren, op het zevende uur, liet de koorts hem los.”
ἐπύθετο
(epytheto)
vernam
οὖν
(oun)
dus
τὴν
(ten)
het
ὥραν
(horan)
uur
παρ’
(par’)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
ἐν
(en)
in
ᾗ
(he)
welk
κομψότερον
(kompsoteron)
beter
ἔσχεν
(eschen)
het kreeg
εἶπαν
(eipan)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὅτι
(hoti)
dat
Ἐχθὲς
(Echthes)
gisteren
ὥραν
(horan)
uur
ἑβδόμην
(hebdomen)
zevende
ἀφῆκεν
(apheken)
liet los
αὐτὸν
(auton)
hem
ὁ
(ho)
de
πυρετός
(pyretos)
koorts
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὥρα ἑβδόμη (hora hebdome), ‘het zevende uur’: bij de Joodse telling ongeveer 1 uur ’s middags; zie 4:6.

53De vader besefte dat het op dat uur was, waarop Yeshua tegen hem gezegd had: „Je zoon leeft.” En hij geloofde, hij en zijn hele huis.
ἔγνω
(egno)
wist
οὖν
(oun)
dus
ὁ
(ho)
de
πατὴρ
(pater)
vader
ὅτι
(hoti)
dat
ἐκείνῃ
(ekeine)
op dat
τῇ
(te)
de
ὥρᾳ
(hora)
uur
ἐν
(en)
in
ᾗ
(he)
welk
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ὁ
(Ho)
de
υἱός
(huios)
zoon
σου
(sou)
je
ζῇ
(ze)
leeft
καὶ
(kai)
en
ἐπίστευσεν
(episteusen)
geloofde
αὐτὸς
(autos)
hij
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
het
οἰκία
(oikia)
huis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ὅλη
(hole)
geheel
Bron: SBLGNT
Uitleg

οἰκία (oikia), ‘huis’: hier de huisgenoten, het hele huishouden.

54Dit was opnieuw het tweede teken dat Yeshua deed, nadat Hij uit Judea in Galilea gekomen was.
τοῦτο
(touto)
dit
δὲ
(de)
maar
πάλιν
(palin)
opnieuw
δεύτερον
(deuteron)
tweede
σημεῖον
(semeion)
teken
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen zijnde
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
Ἰουδαίας
(Ioudaias)
Judea
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
Γαλιλαίαν
(Galilaian)
Galilea
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.

Het komt overeen met het oude Juda.

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

Het eerste teken in Kana staat in 2:11.