Elohim Bijbel

Hooglied 5

12345678

De droom van de bruid; haar lof van de geliefde

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De bruidegom

1Ik ben gekomen in mijn tuin, mijn zuster, bruid. Ik heb mijn mirre geplukt met mijn specerij. Ik heb mijn honingraat gegeten met mijn honing. Ik heb mijn wijn gedronken met mijn melk. Eet, vrienden. Drink en word dronken, geliefden.
בָּ֣אתִי
(bati)
ik ben gekomen
לְגַנִּי֮
(legani)
naar mijn tuin
אֲחֹתִ֣י
(achoti)
mijn zuster
כַלָּה֒
(kala)
bruid
אָרִ֤יתִי
(ariti)
ik heb geplukt
מוֹרִי֙
(mori)
mijn mirre
עִם
(im)
met
בְּשָׂמִ֔י
(besami)
mijn specerij
אָכַ֤לְתִּי
(akhalti)
ik heb gegeten
יַעְרִי֙
(yari)
mijn honingraat
עִם
(im)
met
דִּבְשִׁ֔י
(divshi)
mijn honing
שָׁתִ֥יתִי
(shatiti)
ik heb gedronken
יֵינִ֖י
(yeini)
mijn wijn
עִם
(im)
met
חֲלָבִ֑י
(chalavi)
mijn melk
אִכְל֣וּ
(ikhlu)
eet
רֵעִ֔ים
(reim)
vrienden
שְׁת֥וּ
(shetu)
drink
וְשִׁכְר֖וּ
(veshikhru)
en word dronken
דּוֹדִֽים
(dodim)
geliefden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָרִיתִי (ariti), ‘ik heb geplukt’: het oogsten van mirre en specerij.

יַעְרִי (ya‘ri), ‘mijn honingraat’: het woord betekent gewoonlijk ‘woud’, maar in 1 Sam. 14:27 is het ‘honingraat’.

דּוֹדִים (dodim), ‘geliefden’: zij die worden aangesproken. Het woord kan ook ‘liefde’ zijn (zie 1:2 en 4:10), dan: ‘word dronken van liefde’.

Het Hebreeuws zegt niet wie ‘Eet, vrienden, drink’ spreekt. De kop ‘De bruidegom’ loopt daarom gewoon door; de spreker van dit deel is niet aangegeven.

De bruid

2Ik slaap, maar mijn hart is wakker. Een stem! Mijn geliefde klopt: „Doe voor mij open, mijn zuster, mijn vriendin, mijn duif, mijn onberispelijke. Want mijn hoofd is vol dauw, mijn lokken met druppels van de nacht.”
אֲנִ֥י
(ani)
ik
יְשֵׁנָ֖ה
(yeshena)
slaap
וְלִבִּ֣י
(velibi)
maar mijn hart
עֵ֑ר
(er)
is wakker
ק֣וֹל
(qol)
stem van
דּוֹדִ֣י
(dodi)
mijn geliefde
דוֹפֵ֗ק
(dofeq)
klopt
פִּתְחִי
(pitchi)
doe open
לִ֞י
(li)
voor mij
אֲחֹתִ֤י
(achoti)
mijn zuster
רַעְיָתִי֙
(rayati)
mijn vriendin
יוֹנָתִ֣י
(yonati)
mijn duif
תַמָּתִ֔י
(tamati)
mijn onberispelijke
שֶׁרֹּאשִׁי֙
(sheroshi)
want mijn hoofd
נִמְלָא
(nimla)
is vol
טָ֔ל
(tal)
dauw
קְוֻּצּוֹתַ֖י
(qevutsotay)
mijn lokken
רְסִ֥יסֵי
(resisei)
met druppels van
לָֽיְלָה
(layela)
de nacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier vertelt de bruid wat er gebeurde.

De woorden van haar geliefde staan tussen aanhalingstekens.

תַמָּתִי (tammati), ‘mijn onberispelijke’: vrouwelijk van תָּם (tam), ‘onberispelijk’.

קְוֻּצּוֹתַי (qevutsotai), ‘mijn lokken’.

3Ik heb mijn onderkleed uitgedaan; hoe zou ik het aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen; hoe zou ik ze bevuilen?
פָּשַׁ֨טְתִּי֙
(pashatti)
ik heb uitgedaan
אֶת
(et)
(obj.)
כֻּתָּנְתִּ֔י
(kutanti)
mijn onderkleed
אֵיכָ֖כָה
(eikhakha)
hoe
אֶלְבָּשֶׁ֑נָּה
(elbashena)
zou ik het aantrekken
רָחַ֥צְתִּי
(rachatsti)
ik heb gewassen
אֶת
(et)
(obj.)
רַגְלַ֖י
(raglay)
mijn voeten
אֵיכָ֥כָה
(eikhakha)
hoe
אֲטַנְּפֵֽם
(atanefem)
zou ik ze bevuilen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֻּתָּנְתִּי (kuttonti), ‘mijn onderkleed’: het kleed dat men direct op het lichaam draagt.

4Mijn geliefde stak zijn hand door het gat, en mijn binnenste kwam in beroering om hem.
דּוֹדִ֗י
(dodi)
mijn geliefde
שָׁלַ֤ח
(shalach)
stak uit
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
מִן
(min)
door
הַחֹ֔ר
(hachor)
het gat
וּמֵעַ֖י
(umeay)
en mijn binnenste
הָמ֥וּ
(hamu)
kwam in beroering
עָלָֽיו
(alav)
om hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָדוֹ (yado), ‘zijn hand’, en הַחֹר (hachor), ‘het gat’: de opening in de deur.

In het Hebreeuws kunnen deze woorden ook een bedekte betekenis hebben.

Wij vertalen letterlijk.

וּמֵעַי (me‘ay), ‘mijn binnenste’: letterlijk ‘mijn ingewanden’, de plaats van diepe gevoelens.

5Ik stond op om voor mijn geliefde open te doen. Mijn handen druipten van mirre, mijn vingers van vloeiende mirre, op de handvatten van het slot.
קַ֥מְתִּֽי
(qamti)
ik stond op
אֲנִ֖י
(ani)
ik
לִפְתֹּ֣חַ
(liftoach)
om open te doen
לְדוֹדִ֑י
(ledodi)
voor mijn geliefde
וְיָדַ֣י
(veyaday)
en mijn handen
נָֽטְפוּ
(natefu)
druipten
מ֗וֹר
(mor)
van mirre
וְאֶצְבְּעֹתַי֙
(veetsbeotay)
en mijn vingers
מ֣וֹר
(mor)
van mirre
עֹבֵ֔ר
(over)
vloeiende
עַ֖ל
(al)
op
כַּפּ֥וֹת
(kapot)
de handvatten van
הַמַּנְעֽוּל
(hamanul)
het slot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוֹר עֹבֵר (mor ‘over), ‘vloeiende mirre’: letterlijk ‘mirre die overgaat’.

Zie ook Exod. 30:23.

כַּפּוֹת (kappot), ‘handvatten’: letterlijk ‘handpalmen’.

6Ik deed open voor mijn geliefde, maar mijn geliefde had zich afgewend en was voorbijgegaan. Mijn ziel ging uit toen hij sprak. Ik zocht hem, maar ik vond hem niet. Ik riep hem, maar hij antwoordde mij niet.
פָּתַ֤חְתִּֽי
(patachti)
ik deed open
אֲנִי֙
(ani)
ik
לְדוֹדִ֔י
(ledodi)
voor mijn geliefde
וְדוֹדִ֖י
(vedodi)
maar mijn geliefde
חָמַ֣ק
(chamaq)
had zich afgewend
עָבָ֑ר
(avar)
was voorbijgegaan
נַפְשִׁי֙
(nafshi)
mijn ziel
יָֽצְאָ֣ה
(yatsea)
ging uit
בְדַבְּר֔וֹ
(bedabero)
toen hij sprak
בִּקַּשְׁתִּ֨יהוּ֙
(biqashtihu)
ik zocht hem
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
מְצָאתִ֔יהוּ
(metsatihu)
ik vond hem
קְרָאתִ֖יו
(qerativ)
ik riep hem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עָנָֽנִי
(anani)
hij antwoordde mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn ziel’: het leven, het hele wezen van een mens.

חָמַק (chamaq), ‘had zich afgewend’: of ‘was weggedraaid’.

בְדַבְּרוֹ (bedabbero), ‘toen hij sprak’: of ‘bij zijn woord’. De betekenis is niet helemaal zeker.

7De wachters die rondgaan in de stad vonden mij. Zij sloegen mij, zij verwondden mij. De wachters van de muren namen mijn omslagdoek van mij weg.
מְצָאֻ֧נִי
(metsauni)
vonden mij
הַשֹּׁמְרִ֛ים
(hashomerim)
de wachters
הַסֹּבְבִ֥ים
(hasovevim)
die rondgaan
בָּעִ֖יר
(bair)
in de stad
הִכּ֣וּנִי
(hikuni)
zij sloegen mij
פְצָע֑וּנִי
(petsauni)
zij verwondden mij
נָשְׂא֤וּ
(naseu)
namen weg
אֶת
(et)
(obj.)
רְדִידִי֙
(redidi)
mijn omslagdoek
מֵֽעָלַ֔י
(mealay)
van mij
שֹׁמְרֵ֖י
(shomerei)
de wachters van
הַחֹמֽוֹת
(hachomot)
de muren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רְדִידִי (redidi), ‘mijn omslagdoek’: een doek die een vrouw om zich heen sloeg.

Zie ook Jes. 3:23.

8Ik laat jullie zweren, dochters van Jeruzalem: als jullie mijn geliefde vinden, wat zullen jullie tegen hem zeggen? Dat ik ziek ben van liefde.
הִשְׁבַּ֥עְתִּי
(hishbati)
ik laat zweren
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
אִֽם
(im)
als
תִּמְצְאוּ֙
(timtseu)
jullie vinden
אֶת
(et)
(obj.)
דּוֹדִ֔י
(dodi)
mijn geliefde
מַה
(ma)
wat
תַּגִּ֣ידוּ
(tagidu)
zullen jullie zeggen
ל֔וֹ
(lo)
tegen hem
שֶׁחוֹלַ֥ת
(shecholat)
dat ziek van
אַהֲבָ֖ה
(ahava)
liefde
אָֽנִי
(ani)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

הִשְׁבַּעְתִּי (hishba‘ti), ‘ik laat zweren’: hetzelfde werkwoord als in Hoogl. 2:7 en 3:5.

שֶׁחוֹלַת אַהֲבָה (shecholat ahavah), ‘dat ik ziek ben van liefde’: dezelfde woorden als in Hoogl. 2:5.

Het koor van de dochters van Jeruzalem

9Wat is jouw geliefde meer dan een geliefde, mooiste onder de vrouwen? Wat is jouw geliefde meer dan een geliefde, dat je ons zo bezweert?
מַה
(ma)
wat
דּוֹדֵ֣ךְ
(dodekh)
is jouw geliefde
מִדּ֔וֹד
(midod)
meer dan een geliefde
הַיָּפָ֖ה
(hayafa)
de mooiste
בַּנָּשִׁ֑ים
(banashim)
onder de vrouwen
מַה
(ma)
wat
דּוֹדֵ֣ךְ
(dodekh)
is jouw geliefde
מִדּ֔וֹד
(midod)
meer dan een geliefde
שֶׁכָּ֖כָה
(shekakha)
dat zo
הִשְׁבַּעְתָּֽנוּ
(hishbatanu)
je ons bezweert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het koor van de dochters van Jeruzalem antwoordt.

הַיָּפָה בַּנָּשִׁים (hayyafah bannashim), ‘de mooiste onder de vrouwen’: zie ook Hoogl. 1:8.

De bruid

10Mijn geliefde is stralend en rood, uitmuntend boven tienduizend.
דּוֹדִ֥י
(dodi)
mijn geliefde
צַח֙
(tsach)
stralend
וְאָד֔וֹם
(veadom)
en rood
דָּג֖וּל
(dagul)
uitmuntend
מֵרְבָבָֽה
(merevava)
boven tienduizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צַח (tsach), ‘stralend’, en וְאָדוֹם (ve’adom), ‘rood’.

דָּגוּל (dagul), ‘uitmuntend’: van דֶּגֶל (degel), ‘vaandel’; letterlijk ‘met een vaandel’, dus ‘opvallend’.

11Zijn hoofd is goud, zuiver goud. Zijn lokken zijn krullen, zwart als de raaf.
רֹאשׁ֖וֹ
(rosho)
zijn hoofd
כֶּ֣תֶם
(ketem)
goud
פָּ֑ז
(paz)
zuiver goud
קְוּצּוֹתָיו֙
(qeutsotav)
zijn lokken
תַּלְתַּלִּ֔ים
(taltalim)
krullen
שְׁחֹר֖וֹת
(shechorot)
zwart
כָּעוֹרֵֽב
(kaorev)
als de raaf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֶּתֶם פָּז (ketem paz), ‘goud, zuiver goud’: twee woorden voor edel goud.

תַּלְתַּלִּים (taltallim), ‘krullen’: het woord komt alleen hier voor; sommigen vertalen ‘palmtakken’.

12Zijn ogen zijn als duiven bij waterstromen, badend in melk, zittend in hun vatting.
עֵינָ֕יו
(einav)
zijn ogen
כְּיוֹנִ֖ים
(keyonim)
als duiven
עַל
(al)
bij
אֲפִ֣יקֵי
(afiqei)
stromen van
מָ֑יִם
(mayim)
water
רֹֽחֲצוֹת֙
(rochatsot)
badend
בֶּֽחָלָ֔ב
(bechalav)
in melk
יֹשְׁב֖וֹת
(yoshevot)
zittend
עַל
(al)
op
מִלֵּֽאת
(milet)
een vatting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִלֵּאת (mille’t), ‘vatting’: het woord komt alleen hier voor.

Letterlijk ‘volheid’; de vatting waarin een edelsteen zit, is de meest gekozen betekenis.

De betekenis is niet zeker.

13Zijn wangen zijn als een bed van specerij, torens van geurige zalven. Zijn lippen zijn lelies, druipend van vloeiende mirre.
לְחָיָו֙
(lechayav)
zijn wangen
כַּעֲרוּגַ֣ת
(kaarugat)
als een bed van
הַבֹּ֔שֶׂם
(habosem)
de specerij
מִגְדְּל֖וֹת
(migdelot)
torens van
מֶרְקָחִ֑ים
(merqachim)
geurige zalven
שִׂפְתוֹתָיו֙
(siftotav)
zijn lippen
שֽׁוֹשַׁנִּ֔ים
(shoshanim)
lelies
נֹטְפ֖וֹת
(notefot)
druipend
מ֥וֹר
(mor)
mirre
עֹבֵֽר
(over)
vloeiende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּעֲרוּגַת (ka‘arugat), ‘als een bed’: een tuinbed.

מִגְדְּלוֹת (migdelot), ‘torens van’: sommige lezers verstaan ‘die laten groeien’.

מֶרְקָחִים (merqachim), ‘geurige zalven’: van dezelfde stam als ‘zalfbereider’ in Exod. 30:25.

14Zijn handen zijn rollen van goud, bezet met chrysoliet. Zijn lichaam is een plaat van ivoor, bedekt met saffieren.
יָדָיו֙
(yadav)
zijn handen
גְּלִילֵ֣י
(gelilei)
rollen van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
מְמֻלָּאִ֖ים
(memulaim)
bezet
בַּתַּרְשִׁ֑ישׁ
(batarshish)
met chrysoliet
מֵעָיו֙
(meav)
zijn lichaam
עֶ֣שֶׁת
(eshet)
een plaat van
שֵׁ֔ן
(shen)
ivoor
מְעֻלֶּ֖פֶת
(meulefet)
bedekt
סַפִּירִֽים
(sapirim)
met saffieren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּלִילֵי (gelilei), ‘rollen’: staven of ringen.

בַּתַּרְשִׁישׁ (battarshish), ‘met chrysoliet’: letterlijk ‘met een steen van Tarsis’; zie Exod. 28:20.

עֶשֶׁת (‘eshet), ‘plaat’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis is niet zeker.

מֵעָיו (me‘av), ‘zijn lichaam’: letterlijk ‘zijn binnenste’.

15Zijn benen zijn pilaren van marmer, gegrondvest op voetstukken van zuiver goud. Zijn verschijning is als de Libanon, uitgelezen als de cederen.
שׁוֹקָיו֙
(shoqav)
zijn benen
עַמּ֣וּדֵי
(amudei)
pilaren van
שֵׁ֔שׁ
(shesh)
marmer
מְיֻסָּדִ֖ים
(meyusadim)
gegrondvest
עַל
(al)
op
אַדְנֵי
(adnei)
voetstukken van
פָ֑ז
(paz)
zuiver goud
מַרְאֵ֨הוּ֙
(marehu)
zijn verschijning
כַּלְּבָנ֔וֹן
(kalevanon)
als Libanon
בָּח֖וּר
(bachur)
uitgelezen
כָּאֲרָזִֽים
(kaarazim)
als de cederen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁשׁ (shesh), ‘marmer’: een lichte, harde steen.

Het woord betekent anders ‘fijn linnen’; de betekenis is niet zeker.

שׁוֹקָיו (shoqav), ‘zijn benen’: de onderbenen of de dijen.

16Zijn gehemelte is zoetheid, en geheel is hij begeerlijk. Dit is mijn geliefde, en dit is mijn vriend, dochters van Jeruzalem.
חִכּוֹ֙
(chiko)
zijn gehemelte
מַֽמְתַקִּ֔ים
(mamtaqim)
zoetheid
וְכֻלּ֖וֹ
(vekhulo)
en geheel hij
מַחֲּמַדִּ֑ים
(machamadim)
begeerlijkheden
זֶ֤ה
(ze)
dit
דוֹדִי֙
(dodi)
is mijn geliefde
וְזֶ֣ה
(veze)
en dit
רֵעִ֔י
(rei)
is mijn vriend
בְּנ֖וֹת
(benot)
dochters van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חִכּוֹ (chikko), ‘zijn gehemelte’: ook ‘zijn mond’.

מַחֲּמַדִּים (machamaddim), ‘begeerlijkheden’: alles aan hem is te begeren.