Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Joiada sluit een verbond met de bevelhebbers
1In het zevende jaar toonde Joiada zich sterk. Hij nam de bevelhebbers over honderd bij zich in een verbond. Dat waren Azarja, de zoon van Jerocham, Jisjmaël, de zoon van Jochanan, Azarja, de zoon van Obed, Maäseja, de zoon van Adaja, en Elisjafat, de zoon van Zichri.
וּבַשָּׁנָ֨ה
(uvashana)
en in het jaar
הַשְּׁבִעִ֜ית
(hasheviit)
het zevende
הִתְחַזַּ֣ק
(hitchazaq)
toonde zich sterk
יְהוֹיָדָ֗ע
(yehoyada)
Joiada
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֣י
(sarei)
bevelhebbers van
הַמֵּא֡וֹת
(hameot)
de honderd
לַעֲזַרְיָ֣הוּ
(laazaryahu)
Azarja
בֶן
(ben)
zoon van
יְרֹחָ֡ם
(yerocham)
Jerocham
וּלְיִשְׁמָעֵ֣אל
(uleyishmael)
en Jisjmaël
בֶּן
(ben)
zoon van
יְ֠הוֹחָנָן
(yehochanan)
Jochanan
וְלַֽעֲזַרְיָ֨הוּ
(velaazaryahu)
en Azarja
בֶן
(ben)
zoon van
עוֹבֵ֜ד
(oved)
Obed
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַעֲשֵׂיָ֧הוּ
(maaseyahu)
Maäseja
בֶן
(ben)
zoon van
עֲדָיָ֛הוּ
(adayahu)
Adaja
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֱלִישָׁפָ֥ט
(elishafat)
Elisjafat
בֶּן
(ben)
zoon van
זִכְרִ֖י
(zikhri)
Zichri
עִמּ֥וֹ
(imo)
met hem
בַבְּרִֽית
(baberit)
in het verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִתְחַזֵּק (hitchazzeq), ‘toonde zich sterk’: letterlijk ‘sterkte zichzelf’.
Joiada treedt nu openlijk op tegen Atalia, die sinds 2 Kron. 22:12 over het land regeert.
Het zevende jaar is het zevende jaar van haar heerschappij.
Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Kon. 11. De namen van de vijf bevelhebbers over honderd staan alleen in Kronieken.
בְּרִית (berit), ‘verbond’: Joiada bindt hen met een verbond aan zich.
3Heel de vergadering sloot in het huis van Elohim een verbond met de koning. Joiada zei tegen hen: „Zie, de zoon van de koning zal koning zijn, zoals Yahweh heeft gesproken over de zonen van David.
וַיִּכְרֹ֨ת
(vayikhrot)
en sloot
כָּל
(kal)
heel
הַקָּהָ֥ל
(haqahal)
de vergadering
בְּרִ֛ית
(berit)
een verbond
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
de Elohim
עִם
(im)
met
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֗ם
(lahem)
tegen hen
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
בֶן
(ben)
de zoon van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
יִמְלֹ֔ךְ
(yimlokh)
zal koning zijn
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
דָוִֽיד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָהָל (qahal), ‘vergadering’: de samengekomen gemeente.
Het verbond wordt gesloten in het huis van Elohim.
De belofte dat een zoon van David koning zal zijn staat in 2 Sam. 7:12–16 en 1 Kron. 17:11–14. Zie ook 2 Kron. 21:7.
Het woord van Joiada loopt door tot en met vers 7. Wij zetten daarom het eerste aanhalingsteken in vers 3 en het laatste in vers 7.
5Een derde deel moet in het huis van de koning zijn en een derde deel bij de Grondpoort. Heel het volk moet in de voorhoven van het huis van Yahweh zijn.
וְהַשְּׁלִשִׁית֙
(vehashelishit)
en het derde deel
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְהַשְּׁלִשִׁ֖ית
(vehashelishit)
en het derde deel
בְּשַׁ֣עַר
(beshaar)
bij de poort
הַיְס֑וֹד
(haysod)
de Grondslag
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
בְּחַצְר֖וֹת
(bechatsrot)
in de voorhoven van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׁעַר הַיְּסוֹד (sha’ar hayesod), ‘de Grondpoort’: letterlijk ‘de poort van de grondslag’.
6Niemand mag het huis van Yahweh binnengaan, behalve de priesters en de Levieten die dienst doen. Zij mogen binnengaan, want zij zijn heilig. Heel het volk moet de wacht van Yahweh houden.
וְאַל
(veal)
en niet
יָב֣וֹא
(yavo)
zal binnengaan
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֤י
(ki)
want
אִם
(im)
tenzij
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
וְהַמְשָׁרְתִ֣ים
(vehamsharetim)
en de dienstdoenden
לַלְוִיִּ֔ם
(lalviyim)
van de Levieten
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
יָבֹ֖אוּ
(yavou)
zullen binnengaan
כִּי
(ki)
want
קֹ֣דֶשׁ
(qodesh)
heilig
הֵ֑מָּה
(hema)
zij
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
יִשְׁמְר֖וּ
(yishmeru)
zal houden
מִשְׁמֶ֥רֶת
(mishmeret)
de wacht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁמֶרֶת יְהוָה (mishmeret Yahweh), ‘de wacht van Yahweh’: wat Yahweh aan het volk heeft toevertrouwd om te bewaken.
Het woord wordt ook gebruikt voor de taken van de Levieten (Num. 3:7–8).
Hier moet het volk in de voorhoven blijven en het huis niet zelf binnengaan.
7De Levieten moeten rondom de koning staan, ieder met zijn wapens in zijn hand. Wie het huis binnenkomt, moet gedood worden. Blijf bij de koning, wanneer hij binnenkomt en wanneer hij weggaat.”
וְהִקִּיפוּ֩
(vehiqifu)
en zij zullen omringen
הַלְוִיִּ֨ם
(halviyim)
de Levieten
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
סָבִ֗יב
(saviv)
rondom
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
וְכֵלָ֣יו
(vekhelav)
met zijn wapens
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
וְהַבָּ֥א
(vehaba)
en wie binnenkomt
אֶל
(el)
in
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
יוּמָ֑ת
(yumat)
zal gedood worden
וִֽהְי֥וּ
(vihyu)
en wees
אֶת
(et)
met
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּבֹא֥וֹ
(bevoo)
wanneer hij binnenkomt
וּבְצֵאתֽוֹ
(uvetseto)
en wanneer hij weggaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֵּלָיו (kelav), ‘zijn wapens’: het woord betekent letterlijk ‘zijn voorwerpen’ of ‘zijn gereedschap’.
In vers 10 staat een ander woord, שֶׁלַח (shelach), ‘wapen’.
Het laatste aanhalingsteken van de toespraak van Joiada staat in dit vers.
8De Levieten en heel Juda deden alles wat de priester Joiada had bevolen. Ieder nam zijn mannen, zowel zij die op de sabbat kwamen als zij die op de sabbat vertrokken. Want de priester Joiada had de afdelingen niet laten gaan.
וַיַּעֲשׂ֨וּ
(vayaasu)
en deden
הַלְוִיִּ֜ם
(halviyim)
de Levieten
וְכָל
(vekhal)
en heel
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
כְּכֹ֣ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּה֮
(tsiva)
had bevolen
יְהוֹיָדָ֣ע
(yehoyada)
Joiada
הַכֹּהֵן֒
(hakohen)
de priester
וַיִּקְחוּ֙
(vayiqchu)
en zij namen
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
אֲנָשָׁ֔יו
(anashav)
zijn mannen
בָּאֵ֣י
(baei)
die kwamen
הַשַּׁבָּ֔ת
(hashabat)
de sabbat
עִ֖ם
(im)
met
יוֹצְאֵ֣י
(yotseei)
die vertrokken
הַשַּׁבָּ֑ת
(hashabat)
de sabbat
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
פָטַ֛ר
(patar)
had laten gaan
יְהוֹיָדָ֥ע
(yehoyada)
Joiada
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽמַּחְלְקֽוֹת
(hamachleqot)
de afdelingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמַּחְלְקוֹת (hammachloqot), ‘de afdelingen’: de groepen priesters en Levieten die om beurten dienst deden (1 Kron. 24; 1 Kron. 25).
De tekst zegt dat Joiada de afdelingen niet liet gaan, dus niet afloste.
9De priester Joiada gaf aan de bevelhebbers over honderd de speren, de schilden en de rondschilden van koning David. Die lagen in het huis van Elohim.
וַיִּתֵּן֩
(vayiten)
en gaf
יְהוֹיָדָ֨ע
(yehoyada)
Joiada
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
לְשָׂרֵ֣י
(lesarei)
aan de bevelhebbers van
הַמֵּא֗וֹת
(hameot)
de honderd
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽחֲנִיתִים֙
(hachanitim)
de speren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמָּגִנּוֹת֙
(hamaginot)
de schilden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשְּׁלָטִ֔ים
(hashelatim)
de rondschilden
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
לַמֶּ֣לֶךְ
(lamelekh)
van de koning
דָּוִ֑יד
(david)
David
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בֵּ֥ית
(beit)
in het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַחֲנִיתִים (hachanitim), ‘de speren’; הַמָּגִנּוֹת (hammaginnot), ‘de schilden’; הַשְּׁלָטִים (hashelatim), ‘de rondschilden’: het laatste woord komt ook voor in 2 Sam. 8:7 en 1 Kron. 18:7, daar bij de schilden van goud.
De betekenis is niet helemaal vast.
Wij denken aan kleine, ronde schilden.
Deze wapens van David lagen in het huis van Elohim.
10Hij liet heel het volk opstellen, ieder met zijn wapen in zijn hand. Zij stonden van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, bij het altaar en bij het huis, rondom de koning.
וַיַּעֲמֵ֨ד
(vayaamed)
en liet staan
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en ieder
שִׁלְח֣וֹ
(shilcho)
zijn wapen
בְיָד֗וֹ
(beyado)
in zijn hand
מִכֶּ֨תֶף
(miketef)
van de zijde van
הַבַּ֤יִת
(habayit)
het huis
הַיְמָנִית֙
(haymanit)
de rechter
עַד
(ad)
tot
כֶּ֤תֶף
(ketef)
de zijde van
הַבַּ֨יִת֙
(habayit)
het huis
הַשְּׂמָאלִ֔ית
(hasemalit)
de linker
לַמִּזְבֵּ֖חַ
(lamizbeach)
bij het altaar
וְלַבָּ֑יִת
(velabayit)
en bij het huis
עַל
(al)
om
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
סָבִֽיב
(saviv)
heen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zij brachten de zoon van de koning naar buiten. Zij zetten hem de kroon op en gaven hem het getuigenis. Zij maakten hem koning. Joiada en zijn zonen zalfden hem. Zij riepen: „Leve de koning!”
וַיּוֹצִ֣יאוּ
(vayotsiu)
en zij brachten naar buiten
אֶת
(et)
(obj.)
בֶּן
(ben)
de zoon van
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיִּתְּנ֤וּ
(vayitenu)
en zij gaven
עָלָיו֙
(alav)
op hem
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֵּ֨זֶר֙
(hanezer)
de kroon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָ֣עֵד֔וּת
(haedut)
het getuigenis
וַיַּמְלִ֖יכוּ
(vayamlikhu)
en zij maakten koning
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
וַיִּמְשָׁחֻ֨הוּ֙
(vayimshachuhu)
en zalfde hem
יְהוֹיָדָ֣ע
(yehoyada)
Joiada
וּבָנָ֔יו
(uvanav)
en zijn zonen
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zij zeiden
יְחִ֥י
(yechi)
leve
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֵזֶר (nezer), ‘kroon’: een teken van wijding en koningschap; letterlijk ‘wijding’ of ‘diadeem’.
עֵדוּת (edut), ‘getuigenis’: wat hier precies wordt overhandigd, zegt de tekst niet.
Het woord ‘getuigenis’ wordt elders gebruikt voor wat Yahweh aan Mozes gaf (Exod. 25:16).
Vergelijk ook Deut. 17:18–20.
וַיִּמְלִיכוּ אֹתוֹ (vayamlikhu oto), ‘zij maakten hem koning’: het werkwoord staat in het meervoud. Het gaat om degenen die bij Joiada waren.
13Zij keek, en zie, de koning stond bij zijn zuil bij de ingang. De bevelhebbers en de trompetten waren bij de koning. Heel het volk van het land was blij en blies op de trompetten. De zangers met de instrumenten voor het lied leidden de lofzang. Atalia scheurde haar kleren en riep: „Samenzwering! Samenzwering!”
וַתֵּ֡רֶא
(vatere)
en zij zag
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
הַמֶּלֶךְ֩
(hamelekh)
de koning
עוֹמֵ֨ד
(omed)
stond
עַֽל
(al)
bij
עַמּוּד֜וֹ
(amudo)
zijn zuil
בַּמָּב֗וֹא
(bamavo)
bij de ingang
וְהַשָּׂרִ֣ים
(vehasarim)
en de bevelhebbers
וְהַחֲצֹצְרוֹת֮
(vehachatsotserot)
en de trompetten
עַל
(al)
bij
הַמֶּלֶךְ֒
(hamelekh)
de koning
וְכָל
(vekhal)
en heel
עַ֨ם
(am)
het volk van
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
שָׂמֵ֗חַ
(sameach)
was blij
וְתוֹקֵ֨עַ֙
(vetoqea)
en blies
בַּחֲצֹ֣צְר֔וֹת
(bachatsotserot)
op de trompetten
וְהַמְשֽׁוֹרֲרִים֙
(vehamshorarim)
en de zangers
בִּכְלֵ֣י
(bikhlei)
met instrumenten van
הַשִּׁ֔יר
(hashir)
het lied
וּמוֹדִיעִ֖ים
(umodiim)
en die lieten weten
לְהַלֵּ֑ל
(lehalel)
om te loven
וַתִּקְרַ֤ע
(vatiqra)
en scheurde
עֲתַלְיָ֨הוּ֙
(atalyahu)
Atalia
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדֶ֔יהָ
(begadeiha)
haar kleren
וַתֹּ֖אמֶר
(vatomer)
en zei
קֶ֥שֶׁר
(qesher)
samenzwering
קָֽשֶׁר
(qasher)
samenzwering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַמּוּד (ammud), ‘zuil’: de plaats bij de zuil bij de ingang van het huis van Yahweh, waar de koning volgens gebruik stond.
In 2 Kron. 34:31 staat een verwant woord (עָמְדוֹ, omdo), ‘zijn plaats’.
וּמוֹדִיעִים לְהַלֵּל (umodi’im lehallel), ‘leidden de lofzang’: letterlijk ‘die lieten weten om te loven’, dat wil zeggen: zij gaven aan wanneer het loflied moest beginnen.
קֶשֶׁר (qesher), ‘samenzwering’: hetzelfde stamwoord als in 2 Kron. 24:21,25.
14Toen liet de priester Joiada de bevelhebbers over honderd, de aangestelden van het leger, naar buiten komen. Hij zei tegen hen: „Breng haar naar buiten, naar het midden van de rijen. Wie haar volgt, moet met het zwaard gedood worden.” Want de priester had gezegd: „Doodt haar niet in het huis van Yahweh.”
וַיּוֹצֵא֩
(vayotse)
en liet naar buiten komen
יְהוֹיָדָ֨ע
(yehoyada)
Joiada
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֥י
(sarei)
bevelhebbers van
הַמֵּא֣וֹת
(hameot)
de honderd
פְּקוּדֵ֣י
(pequdei)
de aangestelden van
הַחַ֗יִל
(hachayil)
het leger
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tegen hen
הֽוֹצִיא֨וּהָ֙
(hotsiuha)
breng haar naar buiten
אֶל
(el)
naar
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
binnen
הַשְּׂדֵר֔וֹת
(hasederot)
de rijen
וְהַבָּ֥א
(vehaba)
en wie komt
אַחֲרֶ֖יהָ
(achareiha)
achter haar
יוּמַ֣ת
(yumat)
zal gedood worden
בֶּחָ֑רֶב
(becharev)
met het zwaard
כִּ֚י
(ki)
want
אָמַ֣ר
(amar)
had gezegd
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
לֹ֥א
(lo)
niet
תְמִית֖וּהָ
(temituha)
jullie zullen haar doden
בֵּ֥ית
(beit)
in het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׂדֵרוֹת (sederot), ‘rijen’: het woord komt weinig voor.
Het betekent waarschijnlijk de rijen van de opgestelde mannen.
Ook is een betekenis als ‘zijkamers’ of ‘balken’ mogelijk.
Wij volgen de eerste: Atalia werd tussen de wachters door naar buiten geleid, weg van het huis van Yahweh.
17Heel het volk ging naar het huis van Baäl en zij braken het af. Zijn altaren en zijn beelden sloegen zij kapot. Mattan, de priester van Baäl, doodden zij voor de altaren.
וַיָּבֹ֨אוּ
(vayavou)
en kwamen
כָל
(kal)
heel
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
בֵּית
(beit)
het huis van
הַבַּ֨עַל֙
(habaal)
Baäl
וַֽיִּתְּצֻ֔הוּ
(vayitetsuhu)
en braken het af
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִזְבְּחֹתָ֥יו
(mizbechotav)
zijn altaren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צְלָמָ֖יו
(tselamav)
zijn beelden
שִׁבֵּ֑רוּ
(shiberu)
zij sloegen kapot
וְאֵ֗ת
(veet)
en (obj.)
מַתָּן֙
(matan)
Mattan
כֹּהֵ֣ן
(kohen)
de priester van
הַבַּ֔עַל
(habaal)
Baäl
הָרְג֖וּ
(haregu)
zij doodden
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הַֽמִּזְבְּחֽוֹת
(hamizbechot)
de altaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַבַּעַל (haba’al), ‘Baäl’: in het Hebreeuws staat het lidwoord voor de naam; wij schrijven ‘Baäl’ zonder lidwoord, zoals in de andere boeken.
Zie ook 2 Kron. 24:7, waar de zonen van Atalia de heilige dingen van het huis van Yahweh voor ‘de Baäls’ gebruiken.
צְלָמָיו (tselamav), ‘zijn beelden’: figuren van de godheid. Mattan is de priester van Baäl.
18Joiada legde het toezicht over het huis van Yahweh in de hand van de priesters, de Levieten. David had hen over het huis van Yahweh ingedeeld om de brandoffers van Yahweh op te dragen. Zo staat het geschreven in de wet van Mozes. Het gebeurde met vreugde en met gezang, naar de aanwijzing van David.
וַיָּשֶׂם֩
(vayasem)
en legde
יְהוֹיָדָ֨ע
(yehoyada)
Joiada
פְּקֻדֹּ֜ת
(pequdot)
het toezicht over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַ֨ד
(beyad)
in de hand van
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
הַלְוִיִּם֮
(halviyim)
de Levieten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָלַ֣ק
(chalaq)
had ingedeeld
דָּוִיד֮
(david)
David
עַל
(al)
over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
לְֽהַעֲל֞וֹת
(lehaalot)
om op te laten gaan
עֹל֣וֹת
(olot)
brandoffers van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּכָּת֛וּב
(kakatuv)
zoals geschreven staat
בְּתוֹרַ֥ת
(betorat)
in de wet van
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
בְּשִׂמְחָ֣ה
(besimcha)
met vreugde
וּבְשִׁ֑יר
(uveshir)
en met gezang
עַ֖ל
(al)
door
יְדֵ֥י
(yedei)
de handen van
דָוִֽיד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פְּקֻדֹּת (pequddot), ‘toezicht’: de taak om het huis te bewaken en te beheren.
Joiada zet de dienst van het huis weer op de orde die David had ingesteld.
עַל יְדֵי דָוִיד (al yede David), ‘naar de aanwijzing van David’: letterlijk ‘op de handen van David’. Zie 1 Kron. 23–26.
תּוֹרַת מֹשֶׁה (torat Moshe), ‘de wet van Mozes’: voor de brandoffers zie Num. 28–29.
20Hij nam de bevelhebbers over honderd, de edelen, de heersers over het volk en heel het volk van het land. Hij liet de koning uit het huis van Yahweh naar beneden komen. Zij kwamen door de Bovenpoort naar het huis van de koning. Daar zetten zij de koning op de troon van het koninkrijk.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֣י
(sarei)
bevelhebbers van
הַמֵּא֡וֹת
(hameot)
de honderd
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָֽאַדִּירִים֩
(haadirim)
de edelen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמּֽוֹשְׁלִ֨ים
(hamoshelim)
de heersers
בָּעָ֜ם
(baam)
over het volk
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
עַ֣ם
(am)
het volk van
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
וַיּ֤וֹרֶד
(vayored)
en liet naar beneden komen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּבֹ֛אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
בְּתֽוֹךְ
(betokh)
door het midden van
שַׁ֥עַר
(shaar)
de poort
הָֽעֶלְי֖וֹן
(haelyon)
de bovenste
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיּוֹשִׁ֨יבוּ֙
(vayoshivu)
en zij lieten zitten
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַ֖ל
(al)
op
כִּסֵּ֥א
(kise)
de troon van
הַמַּמְלָכָֽה
(hamamlakha)
het koninkrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
שַׁעַר הָעֶלְיוֹן (sha’ar ha’elyon), ‘de Bovenpoort’: de tekst zegt alleen dat zij hier het huis van de koning binnengingen. De ‘Bovenpoort van het huis van Yahweh’ in 2 Kron. 27:3 is een andere poort.