Elohim Bijbel

Zacharia 4

1234567891011121314

De gouden kandelaar en de twee olijfbomen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Vijfde visioen: de gouden kandelaar

1De engel die met mij sprak, kwam terug en wekte mij, zoals iemand wordt gewekt uit zijn slaap.
וַיָּ֕שָׁב
(vayashav)
en kwam terug
הַמַּלְאָ֖ךְ
(hamalakh)
de engel
הַדֹּבֵ֣ר
(hadover)
die sprak
בִּ֑י
(bi)
met mij
וַיְעִירֵ֕נִי
(vayireni)
en wekte mij
כְּאִ֖ישׁ
(keish)
zoals een man
אֲשֶׁר
(asher)
die
יֵע֥וֹר
(yeor)
wordt gewekt
מִשְּׁנָתֽוֹ
(mishenato)
uit zijn slaap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְעִירֵנִי (vaye’irení), ‘en wekte mij’: De engel wekt Zacharia, alsof hij in slaap was gevallen, voor het volgende visioen.

Het is het vijfde van de acht visioenen.

2Hij zei tegen mij: „Wat zie je?” Ik zei: „Ik zie een kandelaar, helemaal van goud, met een schaal boven op zijn top. Zijn zeven lampen staan erop, en zeven en zeven gietbuizen zijn er voor de lampen die boven op zijn top staan.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
מָ֥ה
(ma)
wat
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
רֹאֶ֑ה
(roe)
ziet
וָאֹמַ֡ר
(vaomar)
en ik zei
רָאִ֣יתִי
(raiti)
ik heb gezien
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
מְנוֹרַת֩
(menorat)
een kandelaar van
זָהָ֨ב
(zahav)
goud
כֻּלָּ֜הּ
(kulah)
geheel
וְגֻלָּ֣הּ
(vegulah)
en zijn schaal
עַל
(al)
boven
רֹאשָׁ֗הּ
(roshah)
zijn top
וְשִׁבְעָ֤ה
(veshiva)
en zeven
נֵרֹתֶ֨יהָ֙
(neroteiha)
zijn lampen
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
erop
שִׁבְעָ֤ה
(shiva)
zeven
וְשִׁבְעָה֙
(veshiva)
en zeven
מֽוּצָק֔וֹת
(mutsaqot)
gietbuizen
לַנֵּר֖וֹת
(lanerot)
voor de lampen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עַל
(al)
boven
רֹאשָֽׁהּ
(roshah)
zijn top
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְנוֹרַת זָהָב (menorat zahav), ‘een kandelaar van goud’: de zevenarmige kandelaar van de tabernakel is beschreven in Exod. 25:31–40.

De kandelaar die Zacharia ziet, heeft daarnaast een schaal en twee olijfbomen.

גֻּלָּה (gullah), ‘schaal’: een vat boven op de kandelaar, waaruit de olie naar de lampen vloeit.

שִׁבְעָה וְשִׁבְעָה מוּצָקוֹת (shiv’ah veshiv’ah mutsaqot), ‘zeven en zeven gietbuizen’: de uitdrukking kan betekenen dat elke lamp zeven gietbuizen had, of dat er in totaal veertien buizen waren. Wij houden de woorden letterlijk. מוּצָקוֹת (mutsaqot) komt van het werkwoord ‘gieten’; het zijn buisjes waardoor de olie loopt.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is ויאמר (vayyomer), ‘en hij zei’.

De te lezen vorm (qere) is וָאֹמַר (va’omar), ‘en ik zei’.

Wij volgen de qere.

3Daarbij twee olijfbomen: één rechts van de schaal en één aan de linkerkant ervan.”
וּשְׁנַ֥יִם
(ushenayim)
en twee
זֵיתִ֖ים
(zeitim)
olijfbomen
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
erbij
אֶחָד֙
(echad)
één
מִימִ֣ין
(mimin)
rechts van
הַגֻּלָּ֔ה
(hagula)
de schaal
וְאֶחָ֖ד
(veechad)
en één
עַל
(al)
aan
שְׂמֹאלָֽהּ
(semolah)
zijn linkerkant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁנַיִם זֵיתִים (shenayim zeitim), ‘twee olijfbomen’: olijfolie was de brandstof van de lampen.

De bomen zijn de bron van de olie.

Zie vers 11–14.

4Ik antwoordde en zei tegen de engel die met mij sprak: „Wat zijn dit, mijn heer?”
וָאַ֨עַן֙
(vaaan)
en ik antwoordde
וָֽאֹמַ֔ר
(vaomar)
en zei
אֶל
(el)
tot
הַמַּלְאָ֛ךְ
(hamalakh)
de engel
הַדֹּבֵ֥ר
(hadover)
die sprak
בִּ֖י
(bi)
met mij
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
מָה
(ma)
wat
אֵ֖לֶּה
(ele)
zijn dit
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: aanspreking van de engel, met kleine letter; zie de uitleg bij 1:9.

5De engel die met mij sprak, antwoordde en zei tegen mij: „Weet je niet wat dit is?” Ik zei: „Nee, mijn heer.”
וַ֠יַּעַן
(vayaan)
en antwoordde
הַמַּלְאָ֞ךְ
(hamalakh)
de engel
הַדֹּבֵ֥ר
(hadover)
die sprak
בִּי֙
(bi)
met mij
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
הֲל֥וֹא
(halo)
niet
יָדַ֖עְתָּ
(yadata)
weet je
מָה
(ma)
wat
הֵ֣מָּה
(hema)
zijn zij
אֵ֑לֶּה
(ele)
dit
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en ik zei
לֹ֥א
(lo)
nee
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲלוֹא יָדַעְתָּ (halo yada’ta), ‘weet je niet’: de engel verwacht dat Zacharia het weet, of hij maakt hem nieuwsgierig.

Hetzelfde staat in vers 13.

Niet door macht, maar door Mijn Geest

6Hij antwoordde en zei tegen mij: „Dit is het woord van Yahweh aan Zerubbabel: ‘Niet door macht en niet door kracht, maar door Mijn Geest’, zegt Yahweh van de legermachten.
וַיַּ֜עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלַי֙
(elay)
tegen mij
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
זֶ֚ה
(ze)
dit
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
aan
זְרֻבָּבֶ֖ל
(zerubavel)
Zerubbabel
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
לֹ֤א
(lo)
niet
בְחַ֨יִל֙
(bechayil)
door macht
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
בְכֹ֔חַ
(bekhoach)
door kracht
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
בְּרוּחִ֔י
(beruchi)
door Mijn Geest
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֶה דְּבַר יְהוָה אֶל זְרֻבָּבֶל (zeh devar Yahweh el Zerubbavel), ‘dit is het woord van Yahweh aan Zerubbabel’: Zerubbabel is de zoon van Sjealtiël (Ezra 3:2, Hag. 1:1), een afstammeling van David, landvoogd van Juda.

Zie ook 1 Kron. 3:19 (waar hij een zoon van Pedaja heet).

לֹא בְחַיִל וְלֹא בְכֹחַ (lo vechayil velo vekhoach), ‘niet door macht en niet door kracht’: חַיִל (chayil) is macht, soms legermacht; כֹּחַ (koach) is kracht. De spreuk zegt dat de herbouw niet door menselijk vermogen, maar door de Geest van Yahweh gebeurt.

רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: wij schrijven de Geest van Yahweh met hoofdletter, zoals elders in de profeten.

De engel spreekt hier zwart; het woord van Yahweh aan Zerubbabel (‘Mijn Geest’, ‘zegt Yahweh van de legermachten’) staat rood.

7‘Wie ben jij, grote berg? Voor Zerubbabel word je een vlakte. Hij zal de bovenste steen naar voren brengen onder gejuich: genade, genade voor haar!’”
מִֽי
(mi)
wie
אַתָּ֧ה
(ata)
jij
הַֽר
(har)
berg
הַגָּד֛וֹל
(hagadol)
de grote
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
זְרֻבָּבֶ֖ל
(zerubavel)
Zerubbabel
לְמִישֹׁ֑ר
(lemishor)
tot een vlakte
וְהוֹצִיא֙
(vehotsi)
en hij zal naar voren brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֶ֣בֶן
(haeven)
de steen
הָרֹאשָׁ֔ה
(harosha)
de bovenste
תְּשֻׁא֕וֹת
(teshuot)
gejuich van
חֵ֥ן
(chen)
genade
חֵ֖ן
(chen)
genade
לָֽהּ
(lah)
voor haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַר הַגָּדוֹל (har haggadol), ‘grote berg’: een beeld voor elke hindernis voor de herbouw.

Voor Zerubbabel wordt de berg tot een vlakte (מִישׁוֹר, mishor), een egaal stuk land.

הָאֶבֶן הָרֹאשָׁה (ha’even harosha), ‘de bovenste steen’: de steen die de bouw afsluit, of de eerste steen. Het woord רֹאשָׁה (rosha) is zeldzaam; de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘de eerste steen’ betekenen.

תְּשֻׁאוֹת חֵן חֵן לָהּ (teshu’ot chen chen lah), ‘gejuich: genade, genade voor haar’: ‘haar’ is de steen of het huis. חֵן (chen) is ‘genade’ of ‘bevalligheid’.

Dit vers is een voortzetting van de woorden van Yahweh uit vers 6 en staat rood.

Zerubbabel zal het huis voltooien

8Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9„De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, en zijn handen zullen het voltooien.” Dan zul je weten dat Yahweh van de legermachten mij naar jullie gezonden heeft.
יְדֵ֣י
(yedei)
de handen van
זְרֻבָּבֶ֗ל
(zerubavel)
Zerubbabel
יִסְּד֛וּ
(yisedu)
hebben gegrondvest
הַבַּ֥יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
וְיָדָ֣יו
(veyadav)
en zijn handen
תְּבַצַּ֑עְנָה
(tevatsana)
zullen voltooien
וְיָ֣דַעְתָּ֔
(veyadata)
en je zult weten
כִּֽי
(ki)
dat
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁלָחַ֥נִי
(shelachani)
heeft mij gezonden
אֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
tot jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְסָדוּ (yissedu), ‘hebben gegrondvest’: Zerubbabel begon met de bouw van het huis (Ezra 3:8–10).

Zie ook Hag. 2:18.

Dit huis is de tempel.

תְּבַצַּעְנָה (tevatsa’nah), ‘zullen voltooien’: het werkwoord בָּצַע (batsa) betekent hier ‘afmaken’.

Het eerste deel van het vers is het woord van Yahweh uit vers 8 (rood). Het tweede deel (‘Dan zul je weten …’) is de zin met ‘mij … gezonden’: de spreker is de gezondene, niet Yahweh zelf, daarom zwart. Zie de uitleg bij 2:12.

10Want wie heeft de dag van kleine dingen veracht? Zij zullen zich verheugen en de steen van tin in de hand van Zerubbabel zien. Deze zeven zijn de ogen van Yahweh, die over heel de aarde rondgaan.
כִּ֣י
(ki)
want
מִ֣י
(mi)
wie
בַז֮
(baz)
heeft veracht
לְי֣וֹם
(leyom)
de dag van
קְטַנּוֹת֒
(qetanot)
kleine dingen
וְשָׂמְח֗וּ
(vesamechu)
en zij zullen zich verheugen
וְרָא֞וּ
(verau)
en zien
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֶ֧בֶן
(haeven)
de steen
הַבְּדִ֛יל
(habedil)
het tin
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
זְרֻבָּבֶ֖ל
(zerubavel)
Zerubbabel
שִׁבְעָה
(shiva)
zeven
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze
עֵינֵ֣י
(einei)
de ogen van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
מְשׁוֹטְטִ֖ים
(meshotetim)
die rondgaan
בְּכָל
(bekhal)
over heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹם קְטַנּוֹת (yom qetannot), ‘de dag van kleine dingen’: de dag waarop de bouw nog klein en zwak lijkt.

Wie dacht dat het niets zou worden, zal zich verheugen.

הָאֶבֶן הַבְּדִיל (ha’even habbedil), ‘de steen van tin’: letterlijk ‘de steen, het tin’. Men denkt aan een schietlood of een lood- of tingewicht van de bouwer; de betekenis is onzeker. Wij laten de woorden letterlijk staan.

שִׁבְעָה אֵלֶּה עֵינֵי יְהוָה (shiv’ah elleh einei Yahweh), ‘deze zeven zijn de ogen van Yahweh’: verwijst waarschijnlijk naar de zeven lampen of naar de zeven ogen van 3:9. Zij zien alles op aarde. Vergelijk 2 Kron. 16:9.

De twee olijfbomen

11Ik antwoordde en zei tegen hem: „Wat zijn deze twee olijfbomen aan de rechterkant van de kandelaar en aan zijn linkerkant?”
וָאַ֖עַן
(vaaan)
en ik antwoordde
וָאֹמַ֣ר
(vaomar)
en zei
אֵלָ֑יו
(elav)
tegen hem
מַה
(ma)
wat
שְּׁנֵ֤י
(shenei)
twee
הַזֵּיתִים֙
(hazeitim)
de olijfbomen
הָאֵ֔לֶה
(haele)
deze
עַל
(al)
aan
יְמִ֥ין
(yemin)
de rechterkant van
הַמְּנוֹרָ֖ה
(hamenora)
de kandelaar
וְעַל
(veal)
en aan
שְׂמֹאולָֽהּ
(semovlah)
zijn linkerkant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַזֵּיתִים (hazzeitim), ‘de olijfbomen’: zie vers 3.

Zacharia vraagt hier naar de olijfbomen.

Hij herhaalt de vraag in vers 12; het antwoord volgt in vers 14.

12Ik antwoordde een tweede keer en zei tegen hem: „Wat zijn de twee olijftakken, die bij de twee gouden buizen zijn en het goud uit zich laten stromen?”
וָאַ֣עַן
(vaaan)
en ik antwoordde
שֵׁנִ֔ית
(shenit)
een tweede keer
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en zei
אֵלָ֑יו
(elav)
tegen hem
מַה
(ma)
wat
שְׁתֵּ֞י
(shetei)
twee
שִׁבֲּלֵ֣י
(shibalei)
de aren van
הַזֵּיתִ֗ים
(hazeitim)
de olijfbomen
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּיַ֗ד
(beyad)
bij
שְׁנֵי֙
(shenei)
twee
צַנְתְּר֣וֹת
(tsanterot)
buizen van
הַזָּהָ֔ב
(hazahav)
het goud
הַֽמְרִיקִ֥ים
(hamriqim)
die leeg laten stromen
מֵעֲלֵיהֶ֖ם
(mealeihem)
uit zich
הַזָּהָֽב
(hazahav)
het goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁבְּלֵי (shibbele), ‘de aren van’: שִׁבֹּלֶת (shibbolet) is een aar van graan of een tak met trossen.

Hier zijn het olijftakken.

Wij vertalen ‘olijftakken’.

צַנְתְּרוֹת (tsantérot), ‘buizen’: een zeldzaam woord, alleen hier. Het zijn buizen waardoor de olie loopt.

הַזָּהָב (hazzahav), ‘het goud’: letterlijk ‘het goud’. Bedoeld wordt de gouden, glanzende olie die uit de takken stroomt. Wij laten het woord letterlijk staan.

13Hij zei tegen mij: „Weet je niet wat dit is?” Ik zei: „Nee, mijn heer.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַי֙
(elay)
tegen mij
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
הֲל֥וֹא
(halo)
niet
יָדַ֖עְתָּ
(yadata)
weet je
מָה
(ma)
wat
אֵ֑לֶּה
(ele)
zijn dit
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en ik zei
לֹ֥א
(lo)
nee
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲלוֹא יָדַעְתָּ (halo yada’ta): zie de uitleg bij vers 5.

De engel noemt de uitleg nog niet; hij geeft hem in vers 14.

14Hij zei: „Dit zijn de twee zonen van de olie, die staan bij de Heer van heel de aarde.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit zijn
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
הַיִּצְהָ֑ר
(hayitshar)
de olie
הָעֹמְדִ֖ים
(haomedim)
die staan
עַל
(al)
bij
אֲד֥וֹן
(adon)
de Heer van
כָּל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי הַיִּצְהָר (bene hayyitshar), ‘zonen van de olie’: יִצְהָר (yitshar) is verse olie.

‘Zonen van de olie’ zijn mensen die met olie gezalfd zijn: waarschijnlijk Zerubbabel en Jozua, de leider en de hogepriester.

Het Hebreeuws zegt het niet; wij laten de woorden staan.

אֲדוֹן כָּל הָאָרֶץ (adon kol ha’arets), ‘de Heer van heel de aarde’: een titel van Yahweh, ook in Jozua 3:11, Ps. 97:5 en Micha 4:13. Het is het woord אָדוֹן (adon), niet אֲדֹנָי (Adonai). Wij schrijven ‘Heer’ met hoofdletter, omdat het om Yahweh gaat. Zie ook 6:5.