1 Korintiërs 11
Het hoofd en de bedekking, verdeeldheid bij de maaltijd en de instelling van het avondmaal van de Heer
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Navolgers van de Messias
μιμητής (mimetes), ‘navolger’.
Het vers sluit aan op 10:33: Paulus zoekt niet zijn eigen voordeel, en volgt daarin de Messias.
Zie ook 1 Kor. 4:16; Fil. 3:17.
Het hoofd en de bedekking bij gebed en profetie
ἐπαινέω (epaineo), ‘prijzen’. παράδοσις (paradosis), ‘overlevering’: wat doorgegeven is, zoals onderricht en gewoonten; hetzelfde werkwoord παραδίδωμι (paradidomi), ‘doorgeven’, staat in vers 23.
Zie ook 2 Tess. 2:15.
κεφαλή (kefale), ‘hoofd’: het Griekse woord kan figuurlijk ook ‘bron, oorsprong’ betekenen en ‘leider, gezagsdrager’; wij houden ‘hoofd’ en laten de betekenis open. ἀνήρ (aner), ‘man’, en γυνή (gyne), ‘vrouw’: beide woorden betekenen ook ‘echtgenoot’ en ‘echtgenote’; in dit hoofdstuk kan het gaan om vrouwen en mannen in het algemeen of om echtparen.
Het Grieks heeft alleen in het eerste deel een werkwoord (ἐστίν); in ‘de man het hoofd van de vrouw’ en ‘Elohim het hoofd van de Messias’ laten wij het, net als het Grieks, weg.
Zie ook 1 Kor. 15:27–28; Gal. 3:28.
προσεύχομαι (proseuchomai), ‘bidden’; προφητεύω (profeteuo), ‘profeteren’. κατὰ κεφαλῆς ἔχων (kata kefales echon), ‘iets over het hoofd hebbend’: het Grieks noemt niet wat dat is; wij vullen ‘iets’ aan. καταισχύνω (kataischyno), ‘te schande maken’.
‘Zijn hoofd’ kan het lichaamsdeel zijn of, volgens vers 3, degene die zijn hoofd is, de Messias; het Grieks laat dat open.
ἀκατακάλυπτος (akatakalyptos), ‘onbedekt’.
Het Grieks noemt niet waarmee het hoofd bedekt wordt: een doek, een sluier of het haar zelf (zie vers 15). ἐξυρημένη (exyremene), ‘kaalgeschoren (vrouw)’: een vrouw bij wie het haar is afgeschoren.
Vrouwen die bidden en profeteren in de samenkomst: Paulus gaat ervan uit dat dit gebeurt.
Zie ook Hand. 21:9.
κατακαλύπτω (katakalypto), ‘bedekken’; de vorm hier is ‘zich bedekken’. κείρω (keiro), ‘scheren, knippen’: het haar kort maken; ξυράομαι (xyraomai), ‘zich laten scheren’: kaal scheren.
εἰκών (eikon), ‘beeld’; δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’: ook ‘eer’.
Paulus verwijst naar de schepping van de mens; ons Genesis zegt in Gen. 1:27 dat Elohim de mens naar Zijn beeld schiep en ‘hen’ mannelijk en vrouwelijk schiep. ὀφείλω (ofeilo), ‘behoren, verplicht zijn’.
Zie ook Gen. 1:26–27.
Paulus verwijst naar de schepping van de vrouw uit de man.
In ons Genesis bouwt Yahweh Elohim de vrouw uit de rib die Hij uit Adam genomen had, en Adam zegt: ‘uit de man is zij genomen’.
Zie ook Gen. 2:22–23.
ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het woord betekent ook ‘macht, bevoegdheid, vrijheid, recht’ (zie 1 Kor. 9:4, waar wij ‘recht’ schrijven).
Wat het hier bedoelt, wordt verschillend gelezen: een teken van gezag op haar hoofd (de bedekking), of gezag dat zijzelf heeft.
Wij vertalen ‘gezag’ en kiezen geen van de lezingen.
Wij kiezen per geval de weergave die bij de samenhang past: ‘recht’ bij een bevoegdheid (9:4), ‘zeggenschap’ in 7:37, ‘gezag’ bij macht over iets of iemand.
‘Omwille van de engelen’: het Grieks zegt niet welke engelen worden bedoeld of waarom.
πλήν (plen), ‘echter, toch’: Paulus zet een tegenwicht tegenover de verzen 8–10. ἐν κυρίῳ (en kyrio), ‘in de Heer’: de Heer is Yeshua.
Zie ook Gal. 3:28.
ἐκ (ek), ‘uit’; διά (dia), ‘door’.
‘Door de vrouw’: de man wordt geboren uit een vrouw.
‘Alles is uit Elohim’: zie ook 1 Kor. 8:6.
Zie ook 1 Kor. 8:6.
κρίνω (krino), ‘oordelen’: beoordelen. πρέπον (prepon), ‘gepast, passend’.
φύσις (fysis), ‘natuur’: wat van nature of gewoonlijk zo is. κομάω (komao), ‘lang haar dragen’. ἀτιμία (atimia), ‘schande, oneer’.
De vraag uit vers 14 loopt door in vers 15.
κόμη (kome), ‘haardos’. περιβόλαιον (peribolaion), ‘omhulsel’: een mantel of doek die om iets heen wordt geslagen. ἀντί (anti), ‘in plaats van, als’. δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’, zoals in vers 7.
Het vers laat het verschil met een bedekking in vers 5–6 open: het haar kan zelf de bedekking zijn, of een teken ervan.
φιλόνεικος (filoneikos), ‘twistziek, twistgraag’. συνήθεια (syntheia), ‘gewoonte’: ook ‘omgang, gebruik’.
Het Grieks laat open of ‘zo’n gewoonte’ het twisten bedoelt of de gewoonte dat vrouwen onbedekt bidden.
Verdeeldheid bij het avondmaal van de Heer
παραγγέλλω (parangello), ‘gebieden’: ook ‘opdragen, een bevel geven’; zie 1 Kor. 7:10.
Het Griekse ‘dit’ kan wijzen op wat voorafgaat (verzen 2–16) of op wat volgt (verzen 17–34). κρεῖσσον (kreisson), ‘beter’; ἧσσον (hesson), ‘minder’.
σχίσμα (schisma), ‘scheuring’, zoals in 1 Kor. 1:10. ἐν ἐκκλησίᾳ (en ekklesia), ‘in de gemeente’: ἐκκλησία betekent hier de bijeenkomst van de gemeente. μέρος τι (meros ti), ‘voor een deel’.
Zie ook 1 Kor. 1:10.
αἵρεσις (hairesis), ‘partij, richting’: een groep die zich afscheidt; in Gal. 5:20 ‘partijschappen’. δόκιμος (dokimos), ‘goedgekeurd’: wie de toets heeft doorstaan; het tegenovergestelde ἀδόκιμος, ‘afgekeurd’, staat in 1 Kor. 9:27. φανερός (faneros), ‘openbaar’.
Zie ook Gal. 5:20.
κυριακὸν δεῖπνον (kyriakon deipnon), ‘avondmaal van de Heer’: κυριακός (kyriakos) betekent ‘van de Heer’, δεῖπνον (deipnon) ‘avondmaal, hoofdmaaltijd’. ἐπὶ τὸ αὐτό (epi to auto), ‘samen, bijeen’.
In vers 21 heeft δεῖπνον de gewone betekenis ‘maaltijd’.
De zin kan ook gelezen worden als ‘dan is het niet mogelijk het avondmaal van de Heer te eten’.
προλαμβάνω (prolambano), ‘vooraf nemen’: zijn eigen maaltijd nemen voordat de anderen er zijn of zonder te delen. πεινάω (peinao), ‘honger hebben’; μεθύω (methyo), ‘dronken zijn’.
οἰκία (oikia), ‘huis’. καταφρονέω (katafroneo), ‘minachten’.
Het Grieks heeft ‘hen die niet hebben’ zonder voorwerp; wij vullen ‘niets’ aan. καταισχύνω (kataischyno), ‘te schande maken’, zoals in vers 4.
De vragen zijn retorisch.
Wat de Heer Zelf heeft doorgegeven
παραλαμβάνω (paralambano), ‘ontvangen’; παραδίδωμι (paradidomi), ‘doorgeven’ en ook ‘overleveren, uitleveren’: hetzelfde werkwoord staat bij ‘werd overgeleverd’ en kan ook ‘verraden’ betekenen. ἀπὸ τοῦ κυρίου (apo tou kyriou), ‘van de Heer’: de Heer is Yeshua.
Het Grieks heeft ‘dat de Heer Yeshua in de nacht … brood nam’ als bijzin; wij maken er twee zinnen van.
De verzen 23–25 geven de instelling van het avondmaal; de woorden van Yeshua staan rood.
Zie ook Matt. 26:26–29; Mark. 14:22–25; Luc. 22:19–20.
εὐχαριστέω (eucharisteo), ‘danken’. κλάω (klao), ‘breken’.
Het Grieks heeft bij ‘brak’ geen voorwerp; wij vullen ‘het’ aan.
Het Grieks heeft bij ‘dat voor jullie is’ geen werkwoord; Luc. 22:19 heeft ‘dat voor jullie wordt gegeven’. ἀνάμνησις (anamnesis), ‘gedachtenis’: herinnering. ποιεῖτε (poieite), ‘doe’: de Griekse vorm is een gebod aan allen, ‘doe dit’.
Zie ook Matt. 26:26; Mark. 14:22; Luc. 22:19.
ὡσαύτως (hosautos), ‘op dezelfde manier’. δειπνέω (deipneo), ‘het avondmaal eten, de maaltijd houden’.
Het Grieks heeft geen werkwoord bij ‘de beker’; wij vullen ‘nam Hij’ aan uit vers 23. καινὴ διαθήκη (kaine diatheke), ‘nieuw verbond’: διαθήκη betekent ‘verbond’; het woord klinkt aan op Jer. 31:31, waar ons Hebreeuws ‘een nieuw verbond’ heeft, en op Exod. 24:8, ‘het bloed van het verbond’. ὁσάκις ἐὰν πίνητε (hosakis ean pinete), ‘zo vaak als jullie drinken’.
Zie ook Jer. 31:31; Exod. 24:8; Matt. 26:28; Mark. 14:24; Luc. 22:20.
Dit vers geeft de woorden van Paulus zelf; de aanhaling van Yeshua eindigt bij vers 25. καταγγέλλω (katangello), ‘verkondigen’. ἄχρι οὗ ἔλθῃ (achri hou elthe), ‘totdat Hij komt’: de komst van de Heer.
Zie ook Matt. 26:29.
Onwaardig eten en drinken
ἀναξίως (anaxios), ‘onwaardig’: op een manier die het maal onwaardig is. ἔνοχος (enochos), ‘schuldig aan’: aansprakelijk voor.
δοκιμάζω (dokimazo), ‘toetsen’: beproeven en goedkeuren; verwant met δόκιμος in vers 19.
κρίμα (krima), ‘oordeel’: uitspraak van een rechter, hier een veroordeling. διακρίνω (diakrino), ‘onderscheiden’: het verschil zien; hetzelfde werkwoord is ‘beoordelen’ in vers 31 en in 14:29.
Het zelfstandig naamwoord διάκρισις staat in 12:10 (‘onderscheiding’). τὸ σῶμα (to soma), ‘het lichaam’: het lichaam van de Heer (verzen 24 en 27), of de gemeente als lichaam (zie 1 Kor. 10:17; 12:27); het Grieks laat dat open.
Zie ook 1 Kor. 10:17; 1 Kor. 12:27.
ἀσθενής (asthenes), ‘zwak’; ἄρρωστος (arrostos), ‘ziek’; κοιμάομαι (koimaomai), ‘ontslapen’, letterlijk ‘slapen’: een bekende uitdrukking voor sterven. ἱκανοί (hikanoi), ‘een flink aantal’.
διακρίνω (diakrino) is hier ‘beoordelen’, het werkwoord van vers 29 (‘onderscheiden’) en van 14:29; wij kiezen ‘beoordelen’ omdat ‘onszelf onderscheiden’ in het Nederlands niet duidelijk is. κρίνω (krino), ‘oordelen’.
Het Grieks speelt met beide woorden.
παιδεύω (paideuo), ‘opvoeden’: onderwijzen en terechtwijzen. κατακρίνω (katakrino), ‘veroordelen’. ὑπὸ κυρίου (hypo kyriou), ‘door de Heer’: Yeshua.
Zie ook Spr. 3:11; Hebr. 12:5–11.
Wacht op elkaar
ἐκδέχομαι (ekdechomai), ‘wachten op’: ook ‘opnemen, ontvangen’.
κρίμα (krima), ‘oordeel’, zoals in vers 29. διατάσσω (diatasso), ‘regelen’. τὰ λοιπά (ta loipa), ‘de overige zaken’: Paulus noemt niet welke.