De Rechabieten die geen wijn drinken en Juda dat niet luistert
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jeremia en de Rechabieten
1Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:
הַדָּבָ֛ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הָיָ֥ה
(haya)
kwam
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּימֵ֨י
(bimei)
in de dagen van
יְהוֹיָקִ֧ים
(yehoyaqim)
Jojakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֛הוּ
(yoshiyahu)
Josia
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Jojakim, de zoon van Josia, regeerde elf jaar in Jeruzalem (2 Kon. 23:36).
Dit hoofdstuk gaat dus terug in de tijd: het gebeurt vóór de dagen van Zedekia, waarover hoofdstuk 34 en 37–38 gaan.
4Ik bracht hen in het huis van Yahweh, in de kamer van de zonen van Chanan, de zoon van Jigdalja, de man van Elohim. Die kamer was naast de kamer van de oversten, boven de kamer van Maäseja, de zoon van Sjallum, de bewaker van de drempel.
וָאָבִ֤א
(vaavi)
en ik bracht
אֹתָם֙
(otam)
hen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
לִשְׁכַּ֗ת
(lishkat)
de kamer van
בְּנֵ֛י
(benei)
de zonen van
חָנָ֥ן
(chanan)
Chanan
בֶּן
(ben)
zoon van
יִגְדַּלְיָ֖הוּ
(yigdalyahu)
Jigdalja
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
אֵ֨צֶל֙
(etsel)
naast
לִשְׁכַּ֣ת
(lishkat)
de kamer van
הַשָּׂרִ֔ים
(hasarim)
de oversten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
מִמַּ֗עַל
(mimaal)
boven
לְלִשְׁכַּ֛ת
(lelishkat)
de kamer van
מַעֲשֵׂיָ֥הוּ
(maaseyahu)
Maäseja
בֶן
(ben)
zoon van
שַׁלֻּ֖ם
(shalum)
Sjallum
שֹׁמֵ֥ר
(shomer)
bewaker van
הַסַּֽף
(hasaf)
de drempel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘man van Elohim’: een profeet (zo wordt Mozes genoemd in Deut. 33:1 en Elisa in 2 Kon. 4:9).
De ‘zonen van Chanan’ zijn zijn leerlingen of volgelingen.
שֹׁמֵר הַסַּף (shomer hasaf), ‘bewaker van de drempel’: een hoge ambtenaar in de tempel (2 Kon. 25:18; Jer. 52:24). Wij gebruiken dezelfde vertaling als in 2 Kon. 25:18.
5Ik zette kommen vol wijn en bekers voor de zonen van het huis van de Rechabieten neer. Ik zei tegen hen: „Drink wijn.”
וָאֶתֵּ֞ן
(vaeten)
en ik zette
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בֵית
(beit)
het huis van
הָרֵכָבִ֗ים
(harekhavim)
de Rechabieten
גְּבִעִ֛ים
(geviim)
kommen
מְלֵאִ֥ים
(meleim)
vol
יַ֖יִן
(yayin)
wijn
וְכֹס֑וֹת
(vekhosot)
en bekers
וָאֹמַ֥ר
(vaomar)
en ik zei
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
tot hen
שְׁתוּ
(shetu)
drinkt
יָֽיִן
(yayin)
wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גְּבִעִים (gevi’im), ‘kommen’: grote drinkvaten waaruit de wijn werd geschonken.
כֹּסוֹת (kosot) zijn de ‘bekers’ waaruit men dronk.
Jeremia legt de wijn voor, zoals Yahweh hem heeft opgedragen (vers 2). Het is een proef: Juda kan zien hoe trouw de Rechabieten zijn aan het gebod van hun vader.
6Zij zeiden: „Wij drinken geen wijn. Want Jehonadab, de zoon van Rechab, onze vader, heeft ons geboden: ‘Jullie en jullie zonen mogen voor eeuwig geen wijn drinken.
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zij zeiden
לֹ֣א
(lo)
niet
נִשְׁתֶּה
(nishte)
wij drinken
יָּ֑יִן
(yayin)
wijn
כִּי֩
(ki)
want
יוֹנָדָ֨ב
(yonadav)
Jehonadab
בֶּן
(ben)
zoon van
רֵכָ֜ב
(rekhav)
Rechab
אָבִ֗ינוּ
(avinu)
onze vader
צִוָּ֤ה
(tsiva)
heeft geboden
עָלֵ֨ינוּ֙
(aleinu)
ons
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹ֧א
(lo)
niet
תִשְׁתּוּ
(tishtu)
zullen jullie drinken
יַ֛יִן
(yayin)
wijn
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
וּבְנֵיכֶ֖ם
(uveneikhem)
en jullie zonen
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יוֹנָדָב (Yonadav), ‘Jonadab’: een kortere vorm van יְהוֹנָדָב (Yehonadav), ‘Jehonadab’.
Het is dezelfde man.
Wij schrijven overal ‘Jehonadab’, zoals in 2 Kon. 10:15.
עַד עוֹלָם (ad olam), ‘voor eeuwig’: in alle toekomstige tijden.
7Jullie mogen geen huis bouwen en geen zaad zaaien. Jullie mogen geen wijngaard planten en er ook geen hebben. Want jullie moeten al jullie dagen in tenten wonen, zodat jullie vele dagen leven op het oppervlak van de grond waar jullie als vreemdelingen verblijven.’
וּבַ֣יִת
(uvayit)
en een huis
לֹֽא
(lo)
niet
תִבְנ֗וּ
(tivnu)
zullen jullie bouwen
וְזֶ֤רַע
(vezera)
en zaad
לֹֽא
(lo)
niet
תִזְרָ֨עוּ֙
(tizrau)
zullen jullie zaaien
וְכֶ֣רֶם
(vekherem)
en een wijngaard
לֹֽא
(lo)
niet
תִטָּ֔עוּ
(titau)
zullen jullie planten
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִֽהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
כִּ֠י
(ki)
want
בָּאֳהָלִ֤ים
(baohalim)
in tenten
תֵּֽשְׁבוּ֙
(teshevu)
zullen jullie wonen
כָּל
(kal)
al
יְמֵיכֶ֔ם
(yemeikhem)
jullie dagen
לְמַ֨עַן
(lemaan)
opdat
תִּֽחְי֜וּ
(tichyu)
jullie leven
יָמִ֤ים
(yamim)
dagen
רַבִּים֙
(rabim)
vele
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
גָּרִ֥ים
(garim)
vreemdelingen zijn
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De drie geboden: geen wijn, geen vaste woning en geen landbouw (geen zaad en geen wijngaard).
Zo bleven zij vreemdelingen, ‘gerim’ (גָּרִים), in het land.
Het leven in tenten was hun teken van verbondenheid met hun vader.
עַל־פְּנֵי הָאֲדָמָה (al-penei ha’adamah), ‘op het oppervlak van de grond’: vergelijk Gen. 2:6.
8Wij hebben geluisterd naar de stem van Jehonadab, de zoon van Rechab, onze vader, in alles wat hij ons heeft geboden. Wij drinken al onze dagen geen wijn: wij, onze vrouwen, onze zonen en onze dochters.
וַנִּשְׁמַ֗ע
(vanishma)
en wij hebben geluisterd
בְּק֨וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוֹנָדָ֤ב
(yehonadav)
Jehonadab
בֶּן
(ben)
zoon van
רֵכָב֙
(rekhav)
Rechab
אָבִ֔ינוּ
(avinu)
onze vader
לְכֹ֖ל
(lekhol)
in alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
צִוָּ֑נוּ
(tsivanu)
hij ons gebood
לְבִלְתִּ֤י
(levilti)
om niet
שְׁתֽוֹת
(shetot)
te drinken
יַ֨יִן֙
(yayin)
wijn
כָּל
(kal)
al
יָמֵ֔ינוּ
(yameinu)
onze dagen
אֲנַ֣חְנוּ
(anachnu)
wij
נָשֵׁ֔ינוּ
(nasheinu)
onze vrouwen
בָּנֵ֖ינוּ
(baneinu)
onze zonen
וּבְנֹתֵֽינוּ
(uvenoteinu)
en onze dochters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Wij wonen in tenten. Wij hebben geluisterd en gedaan wat Jehonadab, onze vader, ons heeft geboden.
וַנֵּ֖שֶׁב
(vaneshev)
en wij wonen
בָּֽאֳהָלִ֑ים
(baohalim)
in tenten
וַנִּשְׁמַ֣ע
(vanishma)
en wij hebben geluisterd
וַנַּ֔עַשׂ
(vanaas)
en wij hebben gedaan
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
overeenkomstig alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֖נוּ
(tsivanu)
gebood ons
יוֹנָדָ֥ב
(yonadav)
Jehonadab
אָבִֽינוּ
(avinu)
onze vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Het gebeurde toen Nebukadnezar, de koning van Babel, het land binnentrok. Wij zeiden: ‘Kom, laten wij naar Jeruzalem gaan, weg van het leger van de Chaldeeën en van het leger van Aram.’ Zo wonen wij in Jeruzalem.”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het gebeurde
בַּעֲל֨וֹת
(baalot)
toen optrok
נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֮
(bavel)
Babel
אֶל
(el)
naar
הָאָרֶץ֒
(haarets)
het land
וַנֹּ֗אמֶר
(vanomer)
en wij zeiden
בֹּ֚אוּ
(bou)
komt
וְנָב֣וֹא
(venavo)
en laten wij gaan
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
vanwege
חֵ֣יל
(cheil)
het leger van
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
וּמִפְּנֵ֖י
(umipenei)
en vanwege
חֵ֣יל
(cheil)
het leger van
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַנֵּ֖שֶׁב
(vaneshev)
en wij wonen
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushalaim)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
De Rechabieten zijn voor het leger van Nebukadnezar naar Jeruzalem gevlucht.
Daarom wonen zij nu in de stad, tegen hun gewoonte in.
Het leger van Aram (Syrië) was bij het leger van Babel aangesloten (zie 2 Kon. 24:2).
הַכַּשְׂדִּים (hakasdim), ‘de Chaldeeën’: het volk dat Babel regeerde.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: „Ga en zeg tegen de mannen van Juda en tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Willen jullie dan geen tucht aannemen om naar Mijn woorden te luisteren? Godsspraak van Yahweh.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הָלֹ֤ךְ
(halokh)
ga
וְאָֽמַרְתָּ֙
(veamarta)
en zeg
לְאִ֣ישׁ
(leish)
tegen de man van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּלְיֽוֹשְׁבֵ֖י
(uleyoshevei)
en tegen de inwoners van
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
הֲל֨וֹא
(halo)
nietwaar
תִקְח֥וּ
(tiqchu)
zullen jullie aannemen
מוּסָ֛ר
(musar)
tucht
לִשְׁמֹ֥עַ
(lishmoa)
om te luisteren
אֶל
(el)
naar
דְּבָרַ֖י
(devaray)
Mijn woorden
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
מוּסָר (musar), ‘tucht’: het woord betekent ook ‘onderricht’ en ‘vermaning’.
Wij gebruiken ‘tucht’ zoals in Spr. 1:2.
De vraag ‘Willen jullie geen tucht aannemen?’ is een verwijt: de Rechabieten hebben het gedaan, Juda niet.
14De woorden van Jehonadab, de zoon van Rechab, zijn nagekomen. Hij gebood zijn zonen geen wijn te drinken, en tot op deze dag hebben zij niet gedronken. Want zij hebben geluisterd naar het gebod van hun vader. Maar Ik heb vroeg en telkens weer tot jullie gesproken, en jullie hebben niet naar Mij geluisterd.
הוּקַ֡ם
(huqam)
is bevestigd
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
יְהוֹנָדָ֣ב
(yehonadav)
Jehonadab
בֶּן
(ben)
zoon van
רֵ֠כָב
(rekhav)
Rechab
אֲשֶׁר
(asher)
die
צִוָּ֨ה
(tsiva)
hij gebood
אֶת
(et)
(obj.)
בָּנָ֜יו
(banav)
zijn zonen
לְבִלְתִּ֣י
(levilti)
om niet
שְׁתֽוֹת
(shetot)
te drinken
יַ֗יִן
(yayin)
wijn
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
שָׁתוּ֙
(shatu)
hebben zij gedronken
עַד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כִּ֣י
(ki)
want
שָֽׁמְע֔וּ
(shameu)
zij hebben geluisterd
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מִצְוַ֣ת
(mitsvat)
het gebod van
אֲבִיהֶ֑ם
(avihem)
hun vader
וְאָ֨נֹכִ֜י
(veanokhi)
en Ik
דִּבַּ֤רְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
אֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
tot jullie
הַשְׁכֵּ֣ם
(hashkem)
vroeg opstaand
וְדַבֵּ֔ר
(vedaber)
en sprekend
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּ֖ם
(shematem)
hebben jullie geluisterd
אֵלָֽי
(elay)
naar Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַשְׁכֵּם וְדַבֵּר (hashkem vedabber), ‘vroeg opstaand en sprekend’: een vaste uitdrukking in Jeremia voor Yahweh’s onophoudelijke, vroege waarschuwing.
Zo ook in vers 15 (‘en zendend’).
Wij vertalen ‘vroeg en telkens weer’.
הוּקַם (hukam), ‘is nagekomen’: letterlijk ‘is bevestigd, is opgericht’.
15Ik heb al Mijn knechten, de profeten, naar jullie gestuurd, vroeg en telkens weer. Ik zei: Keer toch terug, ieder van zijn kwade weg. Maak jullie daden goed. Loop niet achter andere goden aan om hen te dienen. Dan zullen jullie wonen op de grond die Ik aan jullie en aan jullie vaders heb gegeven. Maar jullie hebben je oor niet geneigd en niet naar Mij geluisterd.
וָאֶשְׁלַ֣ח
(vaeshlach)
en Ik zond
אֲלֵיכֶ֣ם
(aleikhem)
naar jullie
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
עֲבָדַ֣י
(avaday)
Mijn knechten
הַנְּבִאִ֣ים
(haneviim)
de profeten
הַשְׁכֵּ֣ים
(hashkeim)
vroeg opstaand
וְשָׁלֹ֣חַ
(veshaloach)
en zendend
לֵאמֹ֡ר
(lemor)
zeggende
שֻׁבוּ
(shuvu)
keert terug
נָ֡א
(na)
toch
אִישׁ֩
(ish)
ieder
מִדַּרְכּ֨וֹ
(midarko)
van zijn weg
הָרָעָ֜ה
(haraa)
de kwade
וְהֵיטִ֣יבוּ
(veheitivu)
en maakt goed
מַֽעַלְלֵיכֶ֗ם
(maalleikhem)
jullie daden
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּ֨לְכ֜וּ
(telekhu)
gaat
אַחֲרֵ֨י
(acharei)
achter
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִים֙
(acherim)
andere
לְעָבְדָ֔ם
(leavedam)
om hen te dienen
וּשְׁבוּ֙
(ushevu)
en woont
אֶל
(el)
op
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥תִּי
(natati)
Ik gaf
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
וְלַאֲבֹֽתֵיכֶ֑ם
(velaavoteikhem)
en aan jullie vaders
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
הִטִּיתֶם֙
(hititem)
neigden jullie
אֶֽת
(et)
(obj.)
אָזְנְכֶ֔ם
(azenekhem)
jullie oor
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּ֖ם
(shematem)
luisterden jullie
אֵלָֽי
(elay)
naar Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲבָדַי הַנְּבִאִים (avadai hanevi’im), ‘Mijn knechten, de profeten’: zo ook Jer. 7:25 en 25:4.
Wij vertalen עֶבֶד (eved) bij Yahweh’s dienaren met ‘knecht’.
שֻׁבוּ (shuvu), ‘keer terug’: het werkwoord שׁוּב (shuv) is het vaste woord van Jeremia voor ‘zich bekeren, terugkeren’.
אֱלֹהִים אֲחֵרִים (Elohim acherim), ‘andere goden’: de goden van de volken, die geen Elohim zijn.
16Want de zonen van Jehonadab, de zoon van Rechab, hebben het gebod van hun vader nagekomen dat hij hun had gegeven. Maar dit volk heeft niet naar Mij geluisterd.’”
כִּ֣י
(ki)
want
הֵקִ֗ימוּ
(heqimu)
hebben bevestigd
בְּנֵי֙
(benei)
zonen van
יְהוֹנָדָ֣ב
(yehonadav)
Jehonadab
בֶּן
(ben)
zoon van
רֵכָ֔ב
(rekhav)
Rechab
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְוַ֥ת
(mitsvat)
het gebod van
אֲבִיהֶ֖ם
(avihem)
hun vader
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
צִוָּ֑ם
(tsivam)
hij gebood hen
וְהָעָ֣ם
(vehaam)
en dit volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁמְע֖וּ
(shameu)
heeft geluisterd
אֵלָֽי
(elay)
naar Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Daarom, zo zegt Yahweh, de Elohim van de legermachten, de Elohim van Israël: „Zie, Ik breng over Juda en over alle inwoners van Jeruzalem al het onheil dat Ik over hen gesproken heb. Want Ik heb tot hen gesproken en zij hebben niet geluisterd. Ik heb hen geroepen en zij hebben niet geantwoord.”
לָ֠כֵן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
Elohim van
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִ֧י
(hinni)
zie Mij
מֵבִ֣יא
(mevi)
brengend
אֶל
(el)
over
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וְאֶ֤ל
(veel)
en over
כָּל
(kal)
alle
יֽוֹשְׁבֵי֙
(yoshevei)
inwoners van
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבַּ֖רְתִּי
(dibarti)
Ik heb gesproken
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
over hen
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
דִּבַּ֤רְתִּי
(dibarti)
Ik heb gesproken
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שָׁמֵ֔עוּ
(shameu)
hebben zij geluisterd
וָאֶקְרָ֥א
(vaeqra)
en Ik riep
לָהֶ֖ם
(lahem)
hen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עָנֽוּ
(anu)
hebben zij geantwoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
De ramp die Yahweh beloofd heeft, komt over Juda omdat het volk niet geluisterd heeft.
Het is het tegenovergestelde van wat de Rechabieten deden (vers 14–16).
18Tegen het huis van de Rechabieten zei Jeremia: Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: „Omdat jullie hebben geluisterd naar het gebod van Jehonadab, jullie vader, al zijn geboden hebben bewaard en hebben gedaan overeenkomstig alles wat hij jullie heeft geboden,
וּלְבֵ֨ית
(uleveit)
en tegen het huis van
הָרֵכָבִ֜ים
(harekhavim)
de Rechabieten
אָמַ֣ר
(amar)
zei
יִרְמְיָ֗הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
שְׁמַעְתֶּ֔ם
(shematem)
jullie hebben geluisterd
עַל
(al)
naar
מִצְוַ֖ת
(mitsvat)
het gebod van
יְהוֹנָדָ֣ב
(yehonadav)
Jehonadab
אֲבִיכֶ֑ם
(avikhem)
jullie vader
וַֽתִּשְׁמְרוּ֙
(vatishmeru)
en jullie hebben bewaard
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
מִצְוֺתָ֔יו
(mitsvotav)
zijn geboden
וַֽתַּעֲשׂ֔וּ
(vataasu)
en jullie hebben gedaan
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
overeenkomstig alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֖ה
(tsiva)
hij gebood
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Aan Jehonadab, de zoon van Rechab, zal het nooit ontbreken aan een man die voor Mijn aangezicht staat, al de dagen.”
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֛ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לֹֽא
(lo)
niet
יִכָּרֵ֨ת
(yikaret)
zal worden afgesneden
אִ֜ישׁ
(ish)
een man
לְיוֹנָדָ֧ב
(leyonadav)
voor Jehonadab
בֶּן
(ben)
zoon van
רֵכָ֛ב
(rekhav)
Rechab
עֹמֵ֥ד
(omed)
staand
לְפָנַ֖י
(lefanay)
voor Mij
כָּל
(kal)
al
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֹמֵד לְפָנַי (omed lefanai), ‘staan voor Mijn aangezicht’: dienen voor Yahweh, zoals de Levieten en de priesters (Deut. 10:8; 17:12).
De belofte is dat er altijd nakomelingen van Jehonadab zullen zijn die Hem dienen.
לְיוֹנָדָב (leYonadav), ‘voor Jonadab’: de korte vorm van de naam, als in vers 6.