Elohim Bijbel

Spreuken 27

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Vriendschap, tucht en de zorg voor de kudde

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Beroem je niet op de dag van morgen, want je weet niet wat een dag zal baren.
אַֽל
(al)
niet
תִּ֭תְהַלֵּל
(tithalel)
beroem je
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
מָחָ֑ר
(machar)
morgen
כִּ֤י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
תֵ֝דַ֗ע
(teda)
weet je
מַה
(ma)
wat
יֵּ֥לֶד
(yeled)
zal baren
יֽוֹם
(yom)
een dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Jak. 4:13–14.

2Laat een vreemde je prijzen en niet je eigen mond, een onbekende en niet je eigen lippen.
יְהַלֶּלְךָ֣
(yehalelkha)
laat prijzen jou
זָ֣ר
(zar)
een vreemde
וְלֹא
(velo)
en niet
פִ֑יךָ
(pikha)
je mond
נָ֝כְרִ֗י
(nakheri)
een onbekende
וְאַל
(veal)
en niet
שְׂפָתֶֽיךָ
(sefateikha)
je lippen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָר (zar), ‘vreemde’, en נָכְרִי (nokhri), ‘onbekende’: iemand die buiten je kring staat.

3Het gewicht van een steen en de last van het zand, maar de ergernis van een zot weegt zwaarder dan die twee.
כֹּֽבֶד
(koved)
zwaarte van
אֶ֭בֶן
(even)
steen
וְנֵ֣טֶל
(venetel)
en last van
הַח֑וֹל
(hachol)
het zand
וְכַ֥עַס
(vekhaas)
en ergernis van
אֱ֝וִ֗יל
(evil)
een zot
כָּבֵ֥ד
(kaved)
zwaar
מִשְּׁנֵיהֶֽם
(misheneihem)
dan die twee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱוִיל (evil), ‘zot’: een andere stam dan כְּסִיל (kesil), ‘dwaas’.

כַּעַס (ka’as), ‘ergernis’: wat een zot anderen aandoet.

4Woede is wreed en toorn is een stortvloed, maar wie kan standhouden voor jaloezie?
אַכְזְרִיּ֣וּת
(akhzeriyut)
wreedheid
חֵ֭מָה
(chema)
woede
וְשֶׁ֣טֶף
(veshetef)
en overstroming van
אָ֑ף
(af)
toorn
וּמִ֥י
(umi)
en wie
יַ֝עֲמֹד
(yaamod)
zal standhouden
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
קִנְאָֽה
(qina)
jaloezie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Beter is openlijke terechtwijzing dan verborgen liefde.
ט֭וֹבָה
(tova)
goed
תּוֹכַ֣חַת
(tokhachat)
terechtwijzing
מְגֻלָּ֑ה
(megula)
openlijk
מֵֽאַהֲבָ֥ה
(meahava)
dan liefde
מְסֻתָּֽרֶת
(mesutaret)
verborgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹכַחַת (tochachat), ‘terechtwijzing’: dezelfde stam als מוֹכִיחַ (mochiach) in Spr. 25:12.

6Betrouwbaar zijn de wonden van wie liefheeft, maar overvloedig zijn de kussen van wie haat.
נֶ֭אֱמָנִים
(neemanim)
betrouwbaar
פִּצְעֵ֣י
(pitsei)
wonden van
אוֹהֵ֑ב
(ohev)
wie liefheeft
וְ֝נַעְתָּר֗וֹת
(venatarot)
en overvloedig
נְשִׁיק֥וֹת
(neshiqot)
kussen van
שׂוֹנֵֽא
(sone)
wie haat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַעְתָּרוֹת (na’tarot), ‘overvloedig’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker.

Anderen lezen ‘opgedrongen’ of ‘vals’.

7Een verzadigde ziel vertrapt honingraat, maar voor een hongerige ziel is al wat bitter is, zoet.
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
ziel
שְׂ֭בֵעָה
(sevea)
verzadigd
תָּב֣וּס
(tavus)
vertrapt
נֹ֑פֶת
(nofet)
honingraat
וְנֶ֥פֶשׁ
(venefesh)
en ziel
רְ֝עֵבָ֗ה
(reeva)
hongerig
כָּל
(kal)
alles
מַ֥ר
(mar)
bitter
מָתֽוֹק
(matoq)
zoet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier de persoon met zijn honger en eetlust.

Zo ook Spr. 25:25.

8Zoals een vogel die wegzwerft van haar nest, zo is een man die wegzwerft van zijn plaats.
כְּ֭צִפּוֹר
(ketsipor)
zoals een vogel
נוֹדֶ֣דֶת
(nodedet)
die zwerft
מִן
(min)
van
קִנָּ֑הּ
(qinah)
haar nest
כֵּֽן
(ken)
zo
אִ֝֗ישׁ
(ish)
man
נוֹדֵ֥ד
(noded)
die zwerft
מִמְּקוֹמֽוֹ
(mimeqomo)
van zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Olie en reukwerk verblijden het hart, en de zoetheid van zijn naaste komt uit de raad van de ziel.
שֶׁ֣מֶן
(shemen)
olie
וּ֭קְטֹרֶת
(uqetoret)
en reukwerk
יְשַׂמַּֽח
(yesamach)
verblijdt
לֵ֑ב
(lev)
hart
וּמֶ֥תֶק
(umeteq)
en zoetheid van
רֵ֝עֵ֗הוּ
(reehu)
zijn naaste
מֵֽעֲצַת
(meatsat)
uit raad van
נָֽפֶשׁ
(nafesh)
ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is moeilijk.

De laatste woorden, מֵעֲצַת נָפֶשׁ (me’atsat nafesh), ‘uit de raad van de ziel’, kunnen betekenen: een raad die uit het hart komt, of ‘meer dan de raad van de eigen ziel’.

Wij vertalen letterlijk met ‘komt’ als korte verbinding.

De betekenis is onzeker.

רֵעַ (re’a), ‘naaste’: ook ‘vriend’; zo ook in de verzen 10, 14 en 17.

10Laat je naaste en de naaste van je vader niet in de steek. Ga niet naar het huis van je broer op de dag van je ramp. Beter is een buur dichtbij dan een broer ver weg.
רֵֽעֲךָ֨
(reakha)
je naaste
וְרֵ֪עַ
(verea)
en de naaste van
אָבִ֡יךָ
(avikha)
je vader
אַֽל
(al)
niet
תַּעֲזֹ֗ב
(taazov)
verlaat
וּבֵ֥ית
(uveit)
en het huis van
אָחִ֗יךָ
(achikha)
je broer
אַל
(al)
niet
תָּ֭בוֹא
(tavo)
ga binnen
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
אֵידֶ֑ךָ
(eidekha)
je ramp
ט֥וֹב
(tov)
beter
שָׁכֵ֥ן
(shakhen)
een buur
קָ֝ר֗וֹב
(qarov)
dichtbij
מֵאָ֥ח
(meach)
dan een broer
רָחֽוֹק
(rachoq)
ver weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵידֶךָ (edekha), ‘je ramp’: de dag van je ondergang of nood.

Lezing

De ketiv heeft ורעה (vere’ah), ‘en de vriendin van’; de qere heeft וְרֵעַ (vere’a), ‘en de naaste van’.

Wij volgen de qere.

11Wees wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart. Dan kan ik wie mij hoont een antwoord geven.
חֲכַ֣ם
(chakham)
wees wijs
בְּ֭נִי
(beni)
mijn zoon
וְשַׂמַּ֣ח
(vesamach)
en verblijd
לִבִּ֑י
(libi)
mijn hart
וְאָשִׁ֖יבָה
(veashiva)
en ik zal teruggeven
חֹרְפִ֣י
(chorefi)
aan wie mij hoont
דָבָֽר
(davar)
een woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12De slimme ziet het kwaad en verbergt zich; de eenvoudigen gaan door en worden gestraft.
עָר֤וּם
(arum)
een slimme
רָאָ֣ה
(raa)
ziet
רָעָ֣ה
(raa)
het kwaad
נִסְתָּ֑ר
(nistar)
verbergt zich
פְּ֝תָאיִ֗ם
(petayim)
eenvoudigen
עָבְר֥וּ
(averu)
gaan door
נֶעֱנָֽשׁוּ
(neenashu)
worden gestraft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers komt overeen met Spr. 22:3; daar staat ‘en verbergt zich’ in een iets andere vorm.

עָרוּם (arum), ‘slimme’: wie slim is en vooruitziet (positief gebruikt); vergelijk ‘slimheid’ (orma) in Spr. 1:4. פְּתָאיִם (peta’im), ‘eenvoudigen’.

13Neem zijn kleed, want hij heeft borg gestaan voor een vreemde. Neem hem in pand ter wille van een vreemde vrouw.
קַח
(qach)
neem
בִּ֭גְדוֹ
(bigdo)
zijn kleed
כִּי
(ki)
want
עָ֣רַב
(arav)
hij stond borg
זָ֑ר
(zar)
voor een vreemde
וּבְעַ֖ד
(uvead)
en voor
נָכְרִיָּ֣ה
(nakheriya)
een vreemde vrouw
חַבְלֵֽהוּ
(chavlehu)
neem hem in pand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is gelijk aan Spr. 20:16.

חַבְלֵהוּ (chavlehu), ‘neem hem in pand’: ook ‘neem pand van hem’.

14Wie zijn naaste zegent met luide stem, al vroeg in de morgen: dat wordt hem als een vloek gerekend.
מְבָ֘רֵ֤ךְ
(mevarekh)
wie zegent
רֵעֵ֨הוּ
(reehu)
zijn naaste
בְּק֣וֹל
(beqol)
met stem
גָּ֭דוֹל
(gadol)
luid
בַּבֹּ֣קֶר
(baboqer)
in de morgen
הַשְׁכֵּ֑ים
(hashkeim)
vroeg opstaand
קְ֝לָלָ֗ה
(qelala)
vloek
תֵּחָ֥שֶׁב
(techashev)
wordt gerekend
לֽוֹ
(lo)
aan hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשְׁכֵּים (hashkem), ‘vroeg opstaand’: letterlijk ‘vroeg opstaan’.

15Een voortdurend druipend dak op een regenachtige dag en een twistzieke vrouw zijn aan elkaar gelijk.
דֶּ֣לֶף
(delef)
druipend dak
ט֭וֹרֵד
(tored)
voortdurend
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
סַגְרִ֑יר
(sagrir)
regen
וְאֵ֥שֶׁת
(veeshet)
en een vrouw van
מִ֝דְיָנִ֗ים
(midyanim)
twisten
נִשְׁתָּוָֽה
(nishtava)
is gelijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Spr. 19:13, waar dezelfde woorden (דֶּלֶף טֹרֵד, delef tored) staan.

מִדְיָנִים (midyanim), ‘twisten’: een vrouw van twisten is een twistzieke vrouw.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft מדונים (madonim); het gelezen woord (qere) מִדְיָנִים.

De betekenis is gelijk.

16Wie haar verbergt, verbergt de wind, en zijn rechterhand komt olie tegen.
צֹפְנֶ֥יהָ
(tsofeneiha)
haar verbergers
צָֽפַן
(tsafan)
verbergt
ר֑וּחַ
(ruach)
wind
וְשֶׁ֖מֶן
(veshemen)
en olie
יְמִינ֣וֹ
(yemino)
zijn rechterhand
יִקְרָֽא
(yiqra)
komt tegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is moeilijk.

‘Haar’ verwijst waarschijnlijk naar de twistzieke vrouw uit vers 15.

צָפַן (tsafan), ‘verbergen’: ook ‘bewaren’ of ‘tegenhouden’.

יִקְרָא (yiqra), ‘komt tegen’: ook ‘roept’.

De betekenis is onzeker.

17IJzer scherpt ijzer, en een man scherpt het gezicht van zijn naaste.
בַּרְזֶ֣ל
(barzel)
ijzer
בְּבַרְזֶ֣ל
(bevarzel)
met ijzer
יָ֑חַד
(yachad)
scherpt
וְ֝אִ֗ישׁ
(veish)
en een man
יַ֣חַד
(yachad)
scherpt
פְּנֵֽי
(penei)
het gezicht van
רֵעֵֽהוּ
(reehu)
zijn naaste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָחַד (yachad), ‘scherpt’: de vorm kan ook ‘samen’ betekenen.

פְּנֵי (penei), ‘gezicht’: de persoon in zijn geheel.

18Wie een vijgenboom bewaakt, eet zijn vrucht, en wie zijn heren bewaakt, wordt geëerd.
נֹצֵ֣ר
(notser)
wie bewaakt
תְּ֭אֵנָה
(teena)
een vijgenboom
יֹאכַ֣ל
(yokhal)
eet
פִּרְיָ֑הּ
(piryah)
haar vrucht
וְשֹׁמֵ֖ר
(veshomer)
en wie bewaakt
אֲדֹנָ֣יו
(adonav)
zijn heren
יְכֻבָּֽד
(yekhubad)
wordt geëerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּבוֹד (kavod), hier ‘geëerd’ (bij een persoon): ‘wordt geëerd’.

19Zoals bij water gezicht staat tegenover gezicht, zo staat het hart van de mens tegenover de mens.
כַּ֭מַּיִם
(kamayim)
zoals in het water
הַפָּנִ֣ים
(hapanim)
de gezichten
לַפָּנִ֑ים
(lapanim)
naar de gezichten
כֵּ֤ן
(ken)
zo
לֵֽב
(lev)
hart van
הָ֝אָדָ֗ם
(haadam)
de mens
לָאָדָֽם
(laadam)
naar de mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Letterlijk: ‘zoals water: de gezichten naar de gezichten’.

Het beeld is waarschijnlijk dat een gezicht in het water zichzelf weerspiegelt, zoals het hart van de ene mens dat van de andere weerspiegelt.

De betekenis is onzeker.

20Sjeol en de Afgrond worden niet verzadigd, en de ogen van de mens worden niet verzadigd.
שְׁא֣וֹל
(sheol)
Sjeol
וַ֭אֲבַדּוֹ
(vaavado)
en de Afgrond
לֹ֣א
(lo)
niet
תִשְׂבַּ֑עְנָה
(tisbana)
worden verzadigd
וְעֵינֵ֥י
(veeinei)
en ogen van
הָ֝אָדָ֗ם
(haadam)
de mens
לֹ֣א
(lo)
niet
תִשְׂבַּֽעְנָה
(tisbana)
worden verzadigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (sjeol), ‘Sjeol’: het dodenrijk.

אֲבַדּוֹן (Avaddon), ‘de Afgrond’ of ‘Verderf’: een andere naam voor het dodenrijk, zoals in Job 26:6 en Ps. 88:12.

Zie ook Spr. 15:11.

Lezing

De ketiv heeft ואבדה (va’avaddah), ‘en het verderf’; de qere heeft וַאֲבַדּוֹן (va’avaddon), ‘en Avaddon’.

Wij volgen de qere.

21Een smeltkroes is voor het zilver en een oven voor het goud, en een man wordt beproefd door de lof die hij ontvangt.
מַצְרֵ֣ף
(matsref)
smeltkroes
לַ֭כֶּסֶף
(lakesef)
voor het zilver
וְכ֣וּר
(vekhur)
en oven
לַזָּהָ֑ב
(lazahav)
voor het goud
וְ֝אִ֗ישׁ
(veish)
en een man
לְפִ֣י
(lefi)
naar de mond van
מַהֲלָלֽוֹ
(mahalalo)
zijn lof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְפִי מַהֲלָלוֹ (lefi mahalalo), ‘naar zijn lof’: letterlijk ‘naar de mond van zijn lof’.

Het vers heeft geen werkwoord; ‘wordt beproefd’ is een korte verbinding.

De betekenis is onzeker: de lof beproeft de man, of de man wordt beoordeeld naar wat hij prijst.

22Al stamp je de zot in de vijzel, tussen de gort, met de stamper, zijn zotheid wijkt niet van hem.
אִ֥ם
(im)
als
תִּכְתּֽוֹשׁ
(tikhtosh)
je stampt
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֱוִ֨יל
(haevil)
de zot
בַּֽמַּכְתֵּ֡שׁ
(bamakhtesh)
in de vijzel
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
הָ֭רִיפוֹת
(harifot)
de gort
בַּֽעֱלִ֑י
(baeli)
met de stamper
לֹא
(lo)
niet
תָס֥וּר
(tasur)
wijkt
מֵ֝עָלָ֗יו
(mealav)
van hem
אִוַּלְתּֽוֹ
(ivalto)
zijn zotheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: verwant aan אֱוִיל (evil), ‘zot’.

רִיפוֹת (rifot), ‘gort’: gebroken of gepelde graankorrels.

23Ken goed het uiterlijk van je kleinvee; richt je hart op de kudden.
יָדֹ֣עַ
(yadoa)
weten
תֵּ֭דַע
(teda)
zul je weten
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
צֹאנֶ֑ךָ
(tsonekha)
je kleinvee
שִׁ֥ית
(shit)
zet
לִ֝בְּךָ֗
(libekha)
je hart
לַעֲדָרִֽים
(laadarim)
op de kudden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּנֵי (penei), ‘gezicht’: de toestand van het vee.

De verzen 23–27 vormen één gedachte: zorg voor je kudde geeft voor het hele huis levensonderhoud.

24Want rijkdom is er niet voor eeuwig, en blijft een kroon bestaan van generatie op generatie?
כִּ֤י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
לְעוֹלָ֣ם
(leolam)
voor eeuwig
חֹ֑סֶן
(chosen)
rijkdom
וְאִם
(veim)
en of
נֵ֝֗זֶר
(nezer)
een kroon
לְד֣וֹר
(ledor)
van generatie
וָדֽוֹר
(vador)
op generatie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹסֶן (chosen), ‘rijkdom’: wat is opgeslagen.

לְעוֹלָם (le’olam), ‘voor eeuwig’.

Lezing

De ketiv heeft דור (dor), ‘generatie’; de qere heeft דוֹר וָדוֹר (dor vador), ‘generatie op generatie’.

Wij volgen de qere.

25Het hooi verdwijnt, het jonge gras verschijnt en het kruid van de bergen wordt binnengehaald.
גָּלָ֣ה
(gala)
verdwijnt
חָ֭צִיר
(chatsir)
het hooi
וְנִרְאָה
(venira)
en verschijnt
דֶ֑שֶׁא
(deshe)
jong gras
וְ֝נֶאֶסְפ֗וּ
(veneesfu)
en worden verzameld
עִשְּׂב֥וֹת
(isevot)
kruiden van
הָרִֽים
(harim)
de bergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּלָה (galah), ‘verdwijnt’: ook ‘wordt onthuld’ of ‘wordt weggehaald’.

De gedachte: als het hooi op is, groeit het jonge gras weer.

26Lammeren zijn voor je kleding, en bokken zijn de prijs van een akker.
כְּבָשִׂ֥ים
(kevasim)
lammeren
לִלְבוּשֶׁ֑ךָ
(lilvushekha)
voor je kleding
וּמְחִ֥יר
(umechir)
en de prijs van
שָׂ֝דֶ֗ה
(sade)
een akker
עַתּוּדִֽים
(atudim)
bokken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJob 31:20
27En er is genoeg geitenmelk voor je brood, voor het brood van je huis en voor het leven van je meisjes.
וְדֵ֤י
(vedei)
en genoeg van
חֲלֵ֬ב
(chalev)
melk van
עִזִּ֗ים
(izim)
geiten
לְֽ֭לַחְמְךָ
(lelachmekha)
voor je brood
לְלֶ֣חֶם
(lelechem)
voor brood van
בֵּיתֶ֑ךָ
(beitekha)
je huis
וְ֝חַיִּ֗ים
(vechayim)
en leven
לְנַעֲרוֹתֶֽיךָ
(lenaaroteikha)
voor je meisjes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַעֲרוֹתֶיךָ (na’arotekha), ‘je meisjes’: de jonge vrouwen van je huis.