1 Timotheüs 2
Gebed voor allen, één Elohim en één bemiddelaar, en aanwijzingen voor mannen en vrouwen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Gebed voor alle mensen
παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’: ook ‘vragen, bemoedigen’; zo ook in 1:3 en 5:1.
De vier woorden voor gebed zijn δέησις (deesis), ‘smeking’: een dringende vraag om hulp; προσευχή (proseuche), ‘gebed’; ἔντευξις (enteuxis), ‘voorbede’: een gebed voor een ander, eigenlijk ‘een verzoek bij iemand indienen’; εὐχαριστία (eucharistia), ‘dankzegging’.
Paulus noemt ze naast elkaar zonder verschil uit te leggen.
βασιλεῖς (basileis), ‘koningen’: in het Grieks ook ‘heersers’. ὑπεροχή (yperoche), ‘hoge positie’: gezag, voorrang. ἤρεμος (eremos), ‘rustig’; ἡσύχιος (hesychios), ‘stil’; εὐσέβεια (eusebeia), ‘vroomheid’: eerbied voor Elohim en een leven dat daarbij past; het woord is kenmerkend voor deze brieven (3:16; 4:7–8; 6:3–6; 6:11). σεμνότης (semnotes), ‘waardigheid’.
Zie ook 1 Tim. 3:16; 4:7–8; 6:3–6; Tit. 1:1.
θέλει (thelei), ‘wil’: de Griekse tegenwoordige tijd noemt Elohims wil, niet het resultaat. ἐπίγνωσις (epignosis), ‘volle kennis’: kennis die tot herkenning en erkenning leidt, zoals in Kol. 1:9; 1:10.
Zie ook Kol. 1:9–10; 1 Tim. 4:3; 2 Tim. 2:25; 3:7; Tit. 1:1.
De tekst begint met een belijdenis: ‘één Elohim’ (vergelijk Deut. 6:4; Rom. 3:30). μεσίτης (mesites), ‘bemiddelaar’: iemand die tussen twee partijen staat.
In Gal. 3:19–20 staat hetzelfde Griekse woord, daar weergegeven met ‘middelaar’.
Yeshua de Messias is hier ‘de mens’ (ἄνθρωπος, anthropos).
Zie ook Deut. 6:4; Gal. 3:19–20; Hebr. 8:6; Hebr. 9:15; Hebr. 12:24.
ἀντίλυτρον (antilytron), ‘losgeld’: een prijs die in de plaats van een ander betaald wordt; het woord is verwant met λύτρον (lytron), ‘losgeld’, in Matt. 20:28 en Mark. 10:45. τὸ μαρτύριον καιροῖς ἰδίοις (to martyrion kairois idiois): ‘het getuigenis op de eigen tijden’.
Het Grieks heeft geen werkwoord; wij laten de bijstelling staan: het getuigenis is op de daarvoor bestemde tijden gegeven.
Zie ook Matt. 20:28; Mark. 10:45; Tit. 1:3.
κῆρυξ (keryx), ‘heraut’: iemand die een boodschap uitroept; verwant met κηρύσσω (kerysso), ‘verkondigen’. ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’.
De woorden ‘ik zeg de waarheid, ik lieg niet’ zijn een tussenzin; wij zetten ze tussen haakjes. διδάσκαλος ἐθνῶν (didaskalos ethnon), ‘leraar van de volken’.
Zie ook Rom. 9:1; Gal. 1:20; 2 Tim. 1:11.
Bij ‘ik zeg’ (λέγω) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Mannen en vrouwen
ὅσιος (hosios), ‘toegewijd’: wat aan Elohim gewijd is; het woord staat in Tit. 1:8 bij de opziener.
De houding van de handen opheffen bij het gebed vindt men ook in Ps. 28:2 en Ps. 134:2. διαλογισμός (dialogismos), ‘twijfel’: letterlijk ‘overweging, redenering’; het woord wordt ook verstaan als ‘twist’ of ‘onenigheid’.
Wij kiezen ‘twijfel’ en noemen de andere mogelijkheden.
Zie ook Ps. 28:2; Ps. 134:2; Tit. 1:8.
Bij ‘twijfel’ (διαλογισμοῦ) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Dit vers loopt grammaticaal door vanuit vers 8; ‘ik wil’ blijft de hoofdzin. καταστολή (katastole), ‘kleding’: ook ‘houding, voorkomen’. αἰδώς (aidos), ‘schroom’: bescheidenheid, het zich ontzien. σωφροσύνη (sofrosyne), ‘bezonnenheid’: zelfbeheersing, gezond verstand. κοσμέω (kosmeo), ‘versieren’; κόσμιος (kosmios), ‘ordelijk’: in 3:2 gezegd van de opziener. πλέγμα (plegma), ‘vlecht’: gevlochten haar.
Vergelijk 1 Petr. 3:3.
Zie ook 1 Petr. 3:3; 1 Tim. 3:2.
Bij ‘ook’ (καί) en bij ‘en goud’ (καὶ χρυσίῳ) markeert de SBLGNT varianten.
Wij volgen de SBLGNT.
θεοσέβεια (theosebeia), ‘ontzag voor Elohim’: samengesteld uit θεός (theos), ‘Elohim’, en σέβομαι (sebomai), ‘eerbied hebben’; verwant met εὐσέβεια, ‘vroomheid’ (vers 2). ἐπαγγέλλομαι (epangellomai), ‘belijden’: hier ‘zich beroepen op, openlijk uitspreken’; in 6:21 staat hetzelfde werkwoord.
Zie ook 1 Tim. 6:21.
Leren in stilte
De verzen 11–15 zijn moeilijk; wij vertalen zo letterlijk als het Nederlands toelaat en geven de woorden mee. γυνή (gyne), ‘vrouw’: ook ‘echtgenote’; het Griekse woord heeft beide betekenissen, zo ook in vers 12 en 14. ἡσυχία (hesychia), ‘stilte’: ook ‘rust’; hetzelfde woord staat in vers 12. ὑποταγή (hypotage), ‘onderschikking’: verwant met ὑποτάσσω (hypotasso), ‘onderschikken’.
Het Grieks zegt niet aan wie of wat de vrouw zich onderschikt.
Vergelijk 1 Kor. 14:34–35 en Tit. 2:5.
Zie ook 1 Kor. 14:34–35; Ef. 5:22; Tit. 2:5.
De vorm οὐκ ἐπιτρέπω (ouk epitrepo), ‘ik sta niet toe’, staat in de tegenwoordige tijd. αὐθεντέω (authenteo), ‘gezag uitoefenen’: dit werkwoord staat in de door ons vertaalde hoofdstukken alleen hier, en de betekenis wordt verschillend opgegeven.
De zin is ook verstaan als ‘een vrouw niet toestaan te onderwijzen en ook niet gezag over een man uit te oefenen’ en als één samenhangend verbod.
Wij geven de woorden en kiezen geen betekenis. ἀνδρός (andros) is ‘man’ of ‘echtgenoot’.
Bij ‘onderwijzen’ (διδάσκειν) en ‘vrouw’ (γυναικί) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Adam en Eva: zie Gen. 2:7; 2:18–23. πλάσσω (plasso), ‘vormen’.
De volgorde waarin Adam en Eva gevormd zijn, wordt hier als reden genoemd.
Zie ook Gen. 2:7; Gen. 2:21–22; 1 Kor. 11:8–9.
ἀπατάω (apatao), ‘misleiden’; ἐξαπατάω (exapatao), ‘volledig misleiden’: hetzelfde woord als in 2 Kor. 11:3, waar wij ‘misleidde’ hebben (‘de slang misleidde Eva’). παράβασις (parabasis), ‘overtreding’: het overschrijden van een gebod; vergelijk Rom. 5:14. γέγονεν (gegonen), ‘is geworden, is gekomen’: een voltooide tijd; de gevolgen duren voort.
Het Grieks noemt Eva niet bij naam: ‘de vrouw’.
Zie ook Gen. 3:1–6, 13; 2 Kor. 11:3; Rom. 5:14.
Bij ‘volledig misleid’ (ἐξαπατηθεῖσα) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Het vers is grammaticaal en inhoudelijk moeilijk. σῴζω (sozo), ‘redden’: ook ‘in veiligheid brengen, behouden’. τεκνογονία (teknogonia) is ‘het baren van kinderen’; het Grieks heeft hier het lidwoord: ‘het baren’.
Wat bedoeld wordt, wordt verschillend verstaan: bewaring tijdens de bevalling, de rol als moeder, of het kind dat Eva zou baren (vergelijk Gen. 3:15); de tekst zegt het niet.
Het enkelvoud ‘zij zal gered worden’ gaat over in het meervoud ‘zij blijven’. ἁγιασμός (hagiasmos), ‘heiliging’.
Vergelijk 1 Tim. 5:14.
Zie ook Gen. 3:15–16; 1 Tim. 5:14.