Elohim Bijbel

Ester 7

12345678910

Ester onthult Haman en Haman wordt opgehangen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het tweede feestmaal

1De koning en Haman kwamen om te drinken met koningin Ester.
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וְהָמָ֔ן
(vehaman)
en Haman
לִשְׁתּ֖וֹת
(lishtot)
om te drinken
עִם
(im)
met
אֶסְתֵּ֥ר
(ester)
Ester
הַמַּלְכָּֽה
(hamalka)
de koningin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Ook op de tweede dag zei de koning bij het wijnfeest tegen Ester: „Wat is je vraag, koningin Ester? Het zal je gegeven worden. En wat is je verzoek? Tot de helft van het koninkrijk toe, het zal gedaan worden.”
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְאֶסְתֵּ֜ר
(leester)
aan Ester
גַּ֣ם
(gam)
ook
בַּיּ֤וֹם
(bayom)
op de dag
הַשֵּׁנִי֙
(hasheni)
de tweede
בְּמִשְׁתֵּ֣ה
(bemishte)
bij het feestmaal van
הַיַּ֔יִן
(hayayin)
de wijn
מַה
(ma)
wat
שְּׁאֵלָתֵ֛ךְ
(sheelatekh)
je vraag
אֶסְתֵּ֥ר
(ester)
Ester
הַמַּלְכָּ֖ה
(hamalka)
de koningin
וְתִנָּ֣תֵֽן
(vetinaten)
en het zal gegeven worden
לָ֑ךְ
(lakh)
aan jou
וּמַה
(uma)
en wat
בַּקָּשָׁתֵ֛ךְ
(baqashatekh)
je verzoek
עַד
(ad)
tot
חֲצִ֥י
(chatsi)
de helft van
הַמַּלְכ֖וּת
(hamalkhut)
het koninkrijk
וְתֵעָֽשׂ
(veteas)
en het zal gedaan worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De koning stelt zijn vraag voor de derde keer (zie 5:3 en 5:6).

Pas nu antwoordt Ester.

Esters vraag

3Koningin Ester antwoordde en zei: „Als ik gunst heb gevonden in uw ogen, o koning, en als het de koning goeddunkt, laat mij dan het leven behouden op mijn vraag, en mijn volk op mijn verzoek.
וַתַּ֨עַן
(vataan)
en antwoordde
אֶסְתֵּ֤ר
(ester)
Ester
הַמַּלְכָּה֙
(hamalka)
de koningin
וַתֹּאמַ֔ר
(vatomar)
en zei
אִם
(im)
als
מָצָ֨אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵ֤ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֨יךָ֙
(beeineikha)
in uw ogen
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
koning
וְאִם
(veim)
en als
עַל
(al)
bij
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
ט֑וֹב
(tov)
goed
תִּנָּֽתֶן
(tinaten)
laat gegeven worden
לִ֤י
(li)
aan mij
נַפְשִׁי֙
(nafshi)
mijn leven
בִּשְׁאֵ֣לָתִ֔י
(bishelati)
op mijn vraag
וְעַמִּ֖י
(veami)
en mijn volk
בְּבַקָּשָׁתִֽי
(bevaqashati)
op mijn verzoek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn leven’: het woord nefesh betekent ‘ziel’, ‘leven’ en ‘persoon’.

Hier gaat het om haar leven.

4Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, om te vernietigen, te doden en te laten omkomen. Als wij als slaven en slavinnen verkocht waren, had ik gezwegen. Want de tegenstander weegt niet op tegen de schade voor de koning.”
כִּ֤י
(ki)
want
נִמְכַּ֨רְנוּ֙
(nimkarnu)
wij zijn verkocht
אֲנִ֣י
(ani)
ik
וְעַמִּ֔י
(veami)
en mijn volk
לְהַשְׁמִ֖יד
(lehashmid)
om te vernietigen
לַהֲר֣וֹג
(laharog)
om te doden
וּלְאַבֵּ֑ד
(uleabed)
en om te laten omkomen
וְ֠אִלּוּ
(veilu)
en als
לַעֲבָדִ֨ים
(laavadim)
tot slaven
וְלִשְׁפָח֤וֹת
(velishfachot)
en slavinnen
נִמְכַּ֨רְנוּ֙
(nimkarnu)
wij waren verkocht
הֶחֱרַ֔שְׁתִּי
(hecherashti)
ik zou zwijgen
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niet
הַצָּ֛ר
(hatsar)
de tegenstander
שֹׁוֶ֖ה
(shove)
gelijk
בְּנֵ֥זֶק
(benezeq)
aan de schade van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws gebruikt dezelfde drie werkwoorden als in 3:13: ‘vernietigen, doden en laten omkomen’.

Ester verwijst zo naar het besluit tegen haar volk.

כִּי אֵין הַצָּר שֹׁוֶה בְּנֵזֶק הַמֶּלֶךְ (ki ein hatsar shoveh benezek hammelekh), ‘want de tegenstander weegt niet op tegen de schade voor de koning’: de zin is moeilijk. Sommigen verstaan: de tegenstander zou de schade voor de koning niet kunnen vergoeden. Anderen verstaan: de nood van het volk is niet te vergelijken met het verlies voor de koning. Onze vertaling laat beide lezingen open.

5Koning Ahasveros zei tegen koningin Ester: „Wie is hij, en waar is hij, die het in zijn hart heeft gehad zo te handelen?”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
לְאֶסְתֵּ֣ר
(leester)
aan Ester
הַמַּלְכָּ֑ה
(hamalka)
de koningin
מִ֣י
(mi)
wie
ה֥וּא
(hu)
is
זֶה֙
(ze)
deze
וְאֵֽי
(veei)
en waar
זֶ֣ה
(ze)
deze
ה֔וּא
(hu)
is hij
אֲשֶׁר
(asher)
die
מְלָא֥וֹ
(melao)
hebben gevuld
לִבּ֖וֹ
(libo)
zijn hart
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲשֶׁר מְלָאוֹ לִבּוֹ (asher mela'o libbo), ‘die het in zijn hart heeft gehad’: letterlijk ‘wiens hart hem heeft gevuld’, dat wil zeggen: wie zich dit heeft aangematigd.

6Ester zei: „Een tegenstander en vijand: die slechte Haman!” Haman schrok voor het aangezicht van de koning en de koningin.
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zei
אֶסְתֵּ֔ר
(ester)
Ester
אִ֚ישׁ
(ish)
man van
צַ֣ר
(tsar)
tegenstander
וְאוֹיֵ֔ב
(veoyev)
en vijand
הָמָ֥ן
(haman)
Haman
הָרָ֖ע
(hara)
de slechte
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְהָמָ֣ן
(vehaman)
en Haman
נִבְעַ֔ת
(nivat)
schrok
מִלִּפְנֵ֥י
(milifnei)
voor het aangezicht van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְהַמַּלְכָּֽה
(vehamalka)
en de koningin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De woede van de koning

7De koning stond in zijn woede op van het wijnfeest en ging naar de tuin van het paviljoen. Haman bleef staan om bij koningin Ester om zijn leven te smeken. Want hij zag dat het onheil door de koning tegen hem was besloten.
וְהַמֶּ֜לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
קָ֤ם
(qam)
stond op
בַּחֲמָתוֹ֙
(bachamato)
in zijn woede
מִמִּשְׁתֵּ֣ה
(mimishte)
van het feestmaal van
הַיַּ֔יִן
(hayayin)
de wijn
אֶל
(el)
naar
גִּנַּ֖ת
(ginat)
tuin van
הַבִּיתָ֑ן
(habitan)
het paviljoen
וְהָמָ֣ן
(vehaman)
en Haman
עָמַ֗ד
(amad)
bleef staan
לְבַקֵּ֤שׁ
(levaqesh)
om te smeken
עַל
(al)
om
נַפְשׁוֹ֙
(nafsho)
zijn leven
מֵֽאֶסְתֵּ֣ר
(meester)
bij Ester
הַמַּלְכָּ֔ה
(hamalka)
de koningin
כִּ֣י
(ki)
want
רָאָ֔ה
(raa)
hij zag
כִּֽי
(ki)
dat
כָלְתָ֥ה
(kaleta)
is besloten
אֵלָ֛יו
(elav)
tegen hem
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het onheil
מֵאֵ֥ת
(meet)
van bij
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּנַּת הַבִּיתָן (ginnat habitan), ‘de tuin van het paviljoen’: een tuin bij het paleis.

De betekenis van het woord bitan is onzeker; het kan een paviljoen of een paleisgebouw zijn.

כָלְתָה אֵלָיו הָרָעָה (kaltah elav hara'ah), ‘het onheil was tegen hem besloten’: letterlijk ‘het onheil was voor hem voleindigd’.

8De koning kwam terug uit de tuin van het paviljoen naar de zaal van het wijnfeest. Haman was neergevallen op het bed waarop Ester zat. De koning zei: „Wil hij zelfs de koningin geweld aandoen, bij mij in huis?” Het woord ging uit de mond van de koning, en men bedekte het gezicht van Haman.
וְהַמֶּ֡לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
שָׁב֩
(shav)
keerde terug
מִגִּנַּ֨ת
(miginat)
uit tuin van
הַבִּיתָ֜ן
(habitan)
het paviljoen
אֶל
(el)
naar
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
מִשְׁתֵּ֣ה
(mishte)
feestmaal van
הַיַּ֗יִן
(hayayin)
de wijn
וְהָמָן֙
(vehaman)
en Haman
נֹפֵ֔ל
(nofel)
was gevallen
עַל
(al)
op
הַמִּטָּה֙
(hamita)
het bed
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarop
אֶסְתֵּ֣ר
(ester)
Ester
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
daarop
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הֲ֠גַם
(hagam)
zelfs
לִכְבּ֧וֹשׁ
(likhbosh)
om geweld aan te doen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּלְכָּ֛ה
(hamalka)
de koningin
עִמִּ֖י
(imi)
bij mij
בַּבָּ֑יִת
(babayit)
in het huis
הַדָּבָ֗ר
(hadavar)
het woord
יָצָא֙
(yatsa)
ging uit
מִפִּ֣י
(mipi)
uit de mond van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וּפְנֵ֥י
(ufenei)
en het gezicht van
הָמָ֖ן
(haman)
Haman
חָפֽוּ
(chafu)
bedekten zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִכְבּוֹשׁ (likhbosh), ‘geweld aandoen’: letterlijk ‘onderwerpen’, hetzelfde werkwoord als in Gen. 1:28.

De koning beschuldigt Haman van aanranding van de koningin; de tekst zegt niet of Haman dat bedoelde.

וּפְנֵי הָמָן חָפוּ (ufnei Haman chafu), ‘men bedekte het gezicht van Haman’: een teken dat hij ten dode was gedoemd. De tekst zegt niet wie het deed.

Haman wordt opgehangen

9Charbona, een van de hovelingen die bij de koning stonden, zei: „Zie, ook staat in het huis van Haman de paal die Haman voor Mordechai heeft gemaakt. Mordechai heeft ten goede voor de koning gesproken. De paal is vijftig el hoog.” De koning zei: „Hang hem daaraan op.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
חַ֠רְבוֹנָה
(charvona)
Charbona
אֶחָ֨ד
(echad)
een
מִן
(min)
van de
הַסָּרִיסִ֜ים
(hasarisim)
hovelingen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
גַּ֣ם
(gam)
ook
הִנֵּה
(hine)
zie
הָעֵ֣ץ
(haets)
de paal
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֪ה
(asa)
maakte
הָמָ֟ן
(haman)
Haman
לְֽמָרְדֳּכַ֞י
(lemardokhay)
voor Mordechai
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
דִּבֶּר
(diber)
sprak
ט֣וֹב
(tov)
ten goede
עַל
(al)
over
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עֹמֵד֙
(omed)
staat
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
הָמָ֔ן
(haman)
Haman
גָּבֹ֖הַּ
(gavoha)
hoog
חֲמִשִּׁ֣ים
(chamishim)
vijftig
אַמָּ֑ה
(ama)
el
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
תְּלֻ֥הוּ
(teluhu)
hang hem op
עָלָֽיו
(alav)
daaraan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַרְבוֹנָה (Charvonah), ‘Charbona’: een van de hovelingen.

Hij komt ook voor in 1:10.

De paal en de vijftig el: zie 5:14.

De woorden ‘Mordechai heeft ten goede voor de koning gesproken’ verwijzen naar de aangifte van Mordechai (zie 2:21–23).

10Men hing Haman op aan de paal die hij voor Mordechai had klaargemaakt. Toen bedaarde de woede van de koning.
וַיִּתְלוּ֙
(vayitlu)
en zij hingen op
אֶת
(et)
(obj.)
הָמָ֔ן
(haman)
Haman
עַל
(al)
aan
הָעֵ֖ץ
(haets)
de paal
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵכִ֣ין
(hekhin)
had klaargemaakt
לְמָרְדֳּכָ֑י
(lemardokhay)
voor Mordechai
וַחֲמַ֥ת
(vachamat)
en de woede van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שָׁכָֽכָה
(shakhakha)
bedaarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Haman wordt opgehangen aan dezelfde paal die hij voor Mordechai had laten maken.

Zo komt het kwaad dat hij Mordechai toedacht, op hemzelf terecht.