Elohim Bijbel

Genesis 30

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Kinderen van Jakob; Jakobs kudden

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Kinderen door Bilha

1Toen Rachel zag dat zij Jakob geen kinderen baarde, werd zij jaloers op haar zus. Ze zei tegen Jakob: „Geef mij zonen, anders ben ik dood.”
וַתֵּ֣רֶא
(vatere)
en ze zag
רָחֵ֗ל
(rachel)
Rachel
כִּ֣י
(ki)
dat
לֹ֤א
(lo)
niet
יָֽלְדָה֙
(yaleda)
ze had gebaard
לְיַעֲקֹ֔ב
(leyaaqov)
aan Jakob
וַתְּקַנֵּ֥א
(vateqane)
en ze was jaloers
רָחֵ֖ל
(rachel)
Rachel
בַּאֲחֹתָ֑הּ
(baachotah)
op haar zus
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
הָֽבָה
(hava)
geef
לִּ֣י
(li)
mij
בָנִ֔ים
(banim)
zonen
וְאִם
(veim)
en als
אַ֖יִן
(ayin)
niet
מֵתָ֥ה
(meta)
dood
אָנֹֽכִי
(anokhi)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ותקנא רחל באחתה (vatqanne Rachel be’achotah), ‘ze was jaloers op haar zus’.

אין מתה אנכי (ein metah anochi), ‘anders ben ik dood’: zonder kinderen is haar leven leeg.

Aanvullend

Jasher 31:16 zegt dat Rachel jaloers was op Lea toen zij Jakob geen kinderen baarde.

2Jakob werd kwaad op Rachel en zei: „Ben ik soms in de plaats van Elohim, die jou de vrucht van de baarmoeder heeft onthouden?”
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֥ף
(af)
neus
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
בְּרָחֵ֑ל
(berachel)
tegen Rachel
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הֲתַ֤חַת
(hatachat)
in de plaats van
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
ik
אֲשֶׁר
(asher)
die
מָנַ֥ע
(mana)
heeft onthouden
מִמֵּ֖ךְ
(mimekh)
van jou
פְּרִי
(peri)
vrucht van
בָֽטֶן
(baten)
buik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

התחת אלהים אנכי (hatachat Elohim anochi), ‘ben ik in de plaats van Elohim?’: Jakob wijst erop dat alleen Elohim kinderen geeft (zie 29:31).

3Ze zei: „Zie, daar is mijn dienares Bilha. Ga naar haar toe. Zij zal baren op mijn knieën, en zo word ook ik door haar opgebouwd.”
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en ze zei
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
אֲמָתִ֥י
(amati)
mijn dienares
בִלְהָ֖ה
(bilha)
Bilha
בֹּ֣א
(bo)
ga binnen
אֵלֶ֑יהָ
(eleiha)
tot haar
וְתֵלֵד֙
(veteled)
opdat ze baart
עַל
(al)
op
בִּרְכַּ֔י
(birkay)
mijn knieën
וְאִבָּנֶ֥ה
(veibane)
en laat mij opgebouwd worden
גַם
(gam)
ook
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
מִמֶּֽנָּה
(mimena)
uit haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ותלד על ברכי (vateled al birkai), ‘zij zal baren op mijn knieën’: het kind op de knieën leggen is het erkennen als eigen kind (zie 50:23).

ואבנה (ve’ivaneh), ‘en laat mij opgebouwd worden’: het woord klinkt als ben, ‘zoon’ (zie 16:2).

Aanvullend

Jubileeën 28:16–19 zegt dat Rachel jaloers was op Lea en dat Jakob, na de vier zonen van Lea, bij Bilha binnenging.

4Ze gaf hem haar dienares Bilha tot vrouw, en Jakob ging naar haar toe.
וַתִּתֶּן
(vatiten)
en ze gaf
ל֛וֹ
(lo)
aan hem
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּלְהָ֥ה
(bilha)
Bilha
שִׁפְחָתָ֖הּ
(shifchatah)
haar dienares
לְאִשָּׁ֑ה
(leisha)
tot vrouw
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en hij ging binnen
אֵלֶ֖יהָ
(eleiha)
tot haar
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Bilha werd zwanger en baarde Jakob een zoon.
וַתַּ֣הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
בִּלְהָ֔ה
(bilha)
Bilha
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en ze baarde
לְיַעֲקֹ֖ב
(leyaaqov)
aan Jakob
בֵּֽן
(ben)
zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 28:18
6Rachel zei: „Elohim heeft mij recht gedaan. Hij heeft ook naar mijn stem geluisterd en mij een zoon gegeven.” Daarom noemde zij hem Dan.
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en ze zei
רָחֵל֙
(rachel)
Rachel
דָּנַ֣נִּי
(danani)
heeft mij recht gedaan
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
וְגַם֙
(vegam)
en ook
שָׁמַ֣ע
(shama)
heeft gehoord
בְּקֹלִ֔י
(beqoli)
naar mijn stem
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en Hij gaf
לִ֖י
(li)
aan mij
בֵּ֑ן
(ben)
zoon
עַל
(al)
op
כֵּ֛ן
(ken)
zo
קָרְאָ֥ה
(qarea)
ze noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
דָּֽן
(dan)
Dan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דנני (danani), ‘heeft mij recht gedaan’: Dan klinkt als dan, ‘recht doen’.

Aanvullend

Jubileeën 28:18 vertelt de geboorte van Bilha’s eerste zoon, maar noemt de naam Dan niet.

7Bilha, de dienares van Rachel, werd opnieuw zwanger en baarde Jakob een tweede zoon.
וַתַּ֣הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
ע֔וֹד
(od)
opnieuw
וַתֵּ֕לֶד
(vateled)
en ze baarde
בִּלְהָ֖ה
(bilha)
Bilha
שִׁפְחַ֣ת
(shifchat)
dienares van
רָחֵ֑ל
(rachel)
Rachel
בֵּ֥ן
(ben)
zoon
שֵׁנִ֖י
(sheni)
tweede
לְיַעֲקֹֽב
(leyaaqov)
aan Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 28:19
8Rachel zei: „Een zware worsteling heb ik gevoerd met mijn zus, en ik heb gewonnen.” Ze noemde hem Naftali.
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
רָחֵ֗ל
(rachel)
Rachel
נַפְתּוּלֵ֨י
(naftulei)
worstelingen van
אֱלֹהִ֧ים
(Elohim)
Elohim
נִפְתַּ֛לְתִּי
(niftalti)
ik heb gestreden
עִם
(im)
met
אֲחֹתִ֖י
(achoti)
mijn zus
גַּם
(gam)
ook
יָכֹ֑לְתִּי
(yakholti)
ik heb overwonnen
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
נַפְתָּלִֽי
(naftali)
Naftali
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נפתולי אלהים (naftulei Elohim niftalti), ‘een worsteling van Elohim heb ik gevoerd’: ‘van Elohim’ kan ook ‘geweldig’ betekenen, dus ‘een zware worsteling’.

Naftali klinkt als niftal, ‘worstelen’.

Aanvullend

Jubileeën 28:19 noemt Naftali.

Kinderen door Zilpa

9Toen Lea zag dat zij niet meer baarde, nam zij haar dienares Zilpa en gaf haar aan Jakob tot vrouw.
וַתֵּ֣רֶא
(vatere)
en ze zag
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
כִּ֥י
(ki)
dat
עָמְדָ֖ה
(ameda)
ze was blijven staan
מִלֶּ֑דֶת
(miledet)
met baren
וַתִּקַּח֙
(vatiqach)
en ze nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
זִלְפָּ֣ה
(zilpa)
Zilpa
שִׁפְחָתָ֔הּ
(shifchatah)
haar dienares
וַתִּתֵּ֥ן
(vatiten)
en ze gaf
אֹתָ֛הּ
(otah)
haar
לְיַעֲקֹ֖ב
(leyaaqov)
aan Jakob
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עמדה מלדת (amedah miledet), ‘ze was blijven staan met baren’: zie 29:35.

Aanvullend

Jubileeën 28:20 en Jasher 31:17 zeggen dat Lea Zilpa aan Jakob gaf toen zij zelf niet meer baarde.

10Zilpa, de dienares van Lea, baarde Jakob een zoon.
וַתֵּ֗לֶד
(vateled)
en ze baarde
זִלְפָּ֛ה
(zilpa)
Zilpa
שִׁפְחַ֥ת
(shifchat)
dienares van
לֵאָ֖ה
(lea)
Lea
לְיַעֲקֹ֥ב
(leyaaqov)
aan Jakob
בֵּֽן
(ben)
zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 28:20
11Lea zei: „Geluk is gekomen!” En ze noemde hem Gad.
וַתֹּ֥אמֶר
(vatomer)
en ze zei
לֵאָ֖ה
(lea)
Lea
בגד
(beged)
met geluk (geschreven)
בָּ֣א
(ba)
komt
גָ֑ד
(gad)
geluk
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
גָּֽד
(gad)
Gad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Masoreten laten het lezen als בא גד (ba gad), ‘geluk is gekomen’.

Hier is de gelezen vorm gevolgd.

Gad klinkt als gad, ‘geluk’.

Lezing

Lezing: het geschreven woord is בגד (bagad), ‘met geluk’.

Aanvullend

Jubileeën 28:20 noemt Gad.

12Zilpa, de dienares van Lea, baarde Jakob een tweede zoon.
וַתֵּ֗לֶד
(vateled)
en ze baarde
זִלְפָּה֙
(zilpa)
Zilpa
שִׁפְחַ֣ת
(shifchat)
dienares van
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
בֵּ֥ן
(ben)
zoon
שֵׁנִ֖י
(sheni)
tweede
לְיַעֲקֹֽב
(leyaaqov)
aan Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 28:21
13Lea zei: „Wat een geluk! Want de dochters zullen mij gelukkig noemen.” Ze noemde hem Aser.
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
בְּאָשְׁרִ֕י
(beasheri)
tot mijn geluk
כִּ֥י
(ki)
want
אִשְּׁר֖וּנִי
(isheruni)
zullen mij gelukkig noemen
בָּנ֑וֹת
(banot)
dochters
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
אָשֵֽׁר
(asher)
Aser
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

באשׁרי (be’oshri), ‘tot mijn geluk’, en אשׁרוני (ishsheruni), ‘zullen mij gelukkig noemen’: Aser klinkt als osher, ‘geluk’.

Aanvullend

Jubileeën 28:21 noemt Aser.

De dudaïm

14In de dagen van de tarweoogst ging Ruben naar het veld en vond dudaïm. Hij bracht ze naar zijn moeder Lea. Rachel zei tegen Lea: „Geef mij toch iets van de dudaïm van je zoon.”
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
רְאוּבֵ֜ן
(reuven)
Ruben
בִּימֵ֣י
(bimei)
in dagen van
קְצִיר
(qetsir)
oogst van
חִטִּ֗ים
(chitim)
tarwe
וַיִּמְצָ֤א
(vayimtsa)
en hij vond
דֽוּדָאִים֙
(dudaim)
dudaïm
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
וַיָּבֵ֣א
(vayave)
en hij bracht
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
אֶל
(el)
tot
לֵאָ֖ה
(lea)
Lea
אִמּ֑וֹ
(imo)
zijn moeder
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en ze zei
רָחֵל֙
(rachel)
Rachel
אֶל
(el)
tot
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
תְּנִי
(teni)
geef
נָ֣א
(na)
alsjeblieft
לִ֔י
(li)
aan mij
מִדּוּדָאֵ֖י
(midudaei)
van de dudaïm van
בְּנֵֽךְ
(benekh)
je zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בימי קציר חטים (bimei qetsir chittim), ‘in de dagen van de tarweoogst’: eind mei of begin juni.

דודאים (duda’im), ‘dudaïm’: een plant met geurige vruchten, die als middel voor vruchtbaarheid golden; vaak vertaald als ‘alruinen’ of ‘liefdesappels’.

15Lea zei tegen haar: „Is het niet genoeg dat je mijn man hebt genomen? Wil je ook de dudaïm van mijn zoon nemen?” Rachel zei: „Daarom mag hij vannacht bij jou slapen, in ruil voor de dudaïm van je zoon.”
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
לָ֗הּ
(lah)
tot haar
הַמְעַט֙
(hamat)
is het weinig
קַחְתֵּ֣ךְ
(qachtekh)
dat je nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אִישִׁ֔י
(ishi)
mijn man
וְלָקַ֕חַת
(velaqachat)
en wil je nemen
גַּ֥ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דּוּדָאֵ֖י
(dudaei)
de dudaïm van
בְּנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
רָחֵ֗ל
(rachel)
Rachel
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
יִשְׁכַּ֤ב
(yishkav)
hij zal liggen
עִמָּךְ֙
(imakh)
bij jou
הַלַּ֔יְלָה
(halayla)
vannacht
תַּ֖חַת
(tachat)
in ruil voor
דּוּדָאֵ֥י
(dudaei)
de dudaïm van
בְנֵֽךְ
(benekh)
je zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

המעט קחתך את אישׁי (hame’at qachtech et ishi), ‘is het niet genoeg dat je mijn man hebt genomen?’: Lea ziet Rachel als de bevoorrechte vrouw (zie 29:30).

16's Avonds kwam Jakob van het veld. Lea ging hem tegemoet en zei: „Je moet bij mij komen, want ik heb je werkelijk gehuurd met de dudaïm van mijn zoon.” Die nacht sliep hij bij haar.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en hij kwam
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
מִן
(min)
van
הַשָּׂדֶה֮
(hasade)
het veld
בָּעֶרֶב֒
(baerev)
in de avond
וַתֵּצֵ֨א
(vatetse)
en ze ging uit
לֵאָ֜ה
(lea)
Lea
לִקְרָאת֗וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en ze zei
אֵלַ֣י
(elay)
tot mij
תָּב֔וֹא
(tavo)
je zult komen
כִּ֚י
(ki)
want
שָׂכֹ֣ר
(sakhor)
loon betalen
שְׂכַרְתִּ֔יךָ
(sekhartikha)
ik heb je gehuurd
בְּדוּדָאֵ֖י
(bedudaei)
met de dudaïm van
בְּנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וַיִּשְׁכַּ֥ב
(vayishkav)
en hij lag
עִמָּ֖הּ
(imah)
bij haar
בַּלַּ֥יְלָה
(balayla)
in de nacht
הֽוּא
(hu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׂכר שׂכרתיך (sachor sechartich), ‘ik heb je werkelijk gehuurd’: het woord sachar, ‘loon, huur’, komt terug in de naam van vers 18.

Zie ookGen 30:18
17Elohim luisterde naar Lea. Ze werd zwanger en baarde Jakob een vijfde zoon.
וַיִּשְׁמַ֥ע
(vayishma)
en Hij hoorde
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
naar
לֵאָ֑ה
(lea)
Lea
וַתַּ֛הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en ze baarde
לְיַעֲקֹ֖ב
(leyaaqov)
aan Jakob
בֵּ֥ן
(ben)
zoon
חֲמִישִֽׁי
(chamishi)
vijfde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וישׁמע אלהים אל לאה (vayishma Elohim el Leah), ‘Elohim luisterde naar Lea’.

Aanvullend

Jasher 31:18 en Jubileeën 28:22–23 noemen Issachar, Zebulon en Dina.

18Lea zei: „Elohim heeft mij mijn loon gegeven, omdat ik mijn dienares aan mijn man heb gegeven.” Ze noemde hem Issachar.
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
לֵאָ֗ה
(lea)
Lea
נָתַ֤ן
(natan)
heeft gegeven
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
שְׂכָרִ֔י
(sekhari)
mijn loon
אֲשֶׁר
(asher)
omdat
נָתַ֥תִּי
(natati)
ik heb gegeven
שִׁפְחָתִ֖י
(shifchati)
mijn dienares
לְאִישִׁ֑י
(leishi)
aan mijn man
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יִשָּׂשכָֽר
(yisashkhar)
Issachar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ישׂשכר (Yissaskhar), ‘Issachar’: klinkt als sachar, ‘loon’ (zie vers 16).

19Lea werd opnieuw zwanger en baarde Jakob een zesde zoon.
וַתַּ֤הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
עוֹד֙
(od)
opnieuw
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּן
(ben)
zoon
שִׁשִּׁ֖י
(shishi)
zesde
לְּיַעֲקֹֽב
(leyaaqov)
aan Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 28:23
20Lea zei: „Elohim heeft mij een goede gave gegeven. Nu zal mijn man mij in ere houden, want ik heb hem zes zonen gebaard.” Ze noemde hem Zebulon.
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
לֵאָ֗ה
(lea)
Lea
זְבָדַ֨נִי
(zevadani)
heeft begiftigd
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
אֹתִי֮
(oti)
mij
זֵ֣בֶד
(zeved)
met een gave
טוֹב֒
(tov)
goed
הַפַּ֨עַם֙
(hapaam)
de keer
יִזְבְּלֵ֣נִי
(yizbeleni)
zal mij eren
אִישִׁ֔י
(ishi)
mijn man
כִּֽי
(ki)
want
יָלַ֥דְתִּי
(yaladti)
ik heb gebaard
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
שִׁשָּׁ֣ה
(shisha)
zes
בָנִ֑ים
(banim)
zonen
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
זְבֻלֽוּן
(zevulun)
Zebulon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זבדני (zevadani), ‘heeft mij begiftigd’, en יזבלני (yizbeleni), ‘zal mij in ere houden’: Zebulon klinkt als zaval, ‘eren’.

21Daarna baarde zij een dochter, en ze noemde haar Dina.
וְאַחַ֖ר
(veachar)
en daarna
יָ֣לְדָה
(yaleda)
ze baarde
בַּ֑ת
(bat)
dochter
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמָ֖הּ
(shemah)
haar naam
דִּינָֽה
(dina)
Dina
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ותקרא את שׁמה דינה (vatiqra et shemah Dinah), ‘ze noemde haar Dina’: bij Dina staat geen uitleg van de naam.

Haar verhaal staat in hoofdstuk 34.

De geboorte van Jozef

22Elohim dacht aan Rachel. Elohim luisterde naar haar en opende haar baarmoeder.
וַיִּזְכֹּ֥ר
(vayizkor)
en Hij dacht
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רָחֵ֑ל
(rachel)
Rachel
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en Hij hoorde
אֵלֶ֨יהָ֙
(eleiha)
naar haar
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
וַיִּפְתַּ֖ח
(vayiftach)
en Hij opende
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רַחְמָֽהּ
(rachmah)
haar baarmoeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויזכר אלהים את רחל (vayizkor Elohim et Rachel), ‘Elohim dacht aan Rachel’: zie 8:1; 19:29.

ויפתח את רחמה (vayiftach et rachmah), ‘hij opende haar baarmoeder’: zie 29:31.

Aanvullend

Jasher 31:19–21 vertelt dat Rachel tot Yahweh bad dat Hij aan haar zou denken.

23Ze werd zwanger en baarde een zoon. Ze zei: „Elohim heeft mijn schande weggenomen.”
וַתַּ֖הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּ֑ן
(ben)
zoon
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אָסַ֥ף
(asaf)
heeft weggenomen
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חֶרְפָּתִֽי
(cherpati)
mijn schande
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אסף אלהים את חרפתי (asaf Elohim et cherpati), ‘Elohim heeft mijn schande weggenomen’: asaf, ‘wegnemen’, klinkt als Yosef.

Onvruchtbaarheid gold als schande (zie Luc. 1:25).

24Ze noemde hem Jozef en zei: „Moge Yahweh mij nog een zoon toevoegen.”
וַתִּקְרָ֧א
(vatiqra)
en ze noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֛וֹ
(shemo)
zijn naam
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
יֹסֵ֧ף
(yosef)
moge toevoegen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לִ֖י
(li)
aan mij
בֵּ֥ן
(ben)
zoon
אַחֵֽר
(acher)
ander
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוסף (Yosef), ‘Jozef’: ‘hij voegt toe’ (yasaf).

Aanvullend

Jasher 31:21 zegt dat Jakob eenennegentig was toen Jozef werd geboren.

Jubileeën 28:24 zegt dat Yahweh Rachel genadig was en haar schoot opende.

Jakobs loon

25Toen Rachel Jozef had gebaard, zei Jakob tegen Laban: „Laat mij gaan, naar mijn eigen plaats en naar mijn land.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
toen
יָלְדָ֥ה
(yaleda)
had gebaard
רָחֵ֖ל
(rachel)
Rachel
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
tot
לָבָ֔ן
(lavan)
Laban
שַׁלְּחֵ֨נִי֙
(shalecheni)
stuur mij weg
וְאֵ֣לְכָ֔ה
(veelekha)
dat ik ga
אֶל
(el)
naar
מְקוֹמִ֖י
(meqomi)
mijn plaats
וּלְאַרְצִֽי
(uleartsi)
en naar mijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁלחני ואלכה אל מקומי ולארצי (shalcheni ve’elchah el meqomi ule’artsi), ‘laat mij gaan naar mijn plaats en mijn land’.

Aanvullend

Jasher 31:22–24 zegt dat Rebekka haar min Debora naar Jakob stuurde met het bericht dat hij naar huis moest terugkeren.

Jubileeën 28:25 heeft dezelfde vraag van Jakob.

26Geef mij mijn vrouwen en mijn kinderen, voor wie ik u gediend heb, dan ga ik. U weet zelf welk werk ik voor u heb gedaan.”
תְּנָ֞ה
(tena)
geef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
נָשַׁ֣י
(nashay)
mijn vrouwen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יְלָדַ֗י
(yeladay)
mijn kinderen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
voor wie
עָבַ֧דְתִּי
(avadti)
ik heb gediend
אֹֽתְךָ֛
(otekha)
bij jou
בָּהֵ֖ן
(bahen)
om hen
וְאֵלֵ֑כָה
(veelekha)
dat ik ga
כִּ֚י
(ki)
want
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
יָדַ֔עְתָּ
(yadata)
weet
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֲבֹדָתִ֖י
(avodati)
mijn dienst
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עֲבַדְתִּֽיךָ
(avadtikha)
ik heb je gediend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Laban zei tegen hem: „Als ik gunst in je ogen heb gevonden… Ik heb voortekenen geraadpleegd en gemerkt dat Yahweh mij gezegend heeft omwille van jou.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
לָבָ֔ן
(lavan)
Laban
אִם
(im)
als
נָ֛א
(na)
alsjeblieft
מָצָ֥אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֑יךָ
(beeineikha)
in je ogen
נִחַ֕שְׁתִּי
(nichashti)
ik heb voortekenen geraadpleegd
וַיְבָרֲכֵ֥נִי
(vayvarakheni)
en heeft mij gezegend
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּגְלָלֶֽךָ
(biglalekha)
omwille van jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נחשׁתי (nichashti), ‘ik heb voortekenen geraadpleegd’: het woord hoort bij nachash, ‘waarzeggen’ (zie 44:5, 15).

Laban merkt dat Yahweh hem zegent door Jakob.

Aanvullend

Jasher 31:25 geeft Labans antwoord als: blijf bij mij en noem je loon.

28Hij zei: „Noem je loon, dan geef ik het.”
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en hij zei
נָקְבָ֧ה
(naqeva)
noem
שְׂכָרְךָ֛
(sekharekha)
je loon
עָלַ֖י
(alay)
aan mij
וְאֶתֵּֽנָה
(veetena)
en ik zal geven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נקבה (nakvah), ‘noem’: van naqav, ‘aanwijzen, bepalen’.

29Jakob zei tegen hem: „U weet zelf hoe ik u gediend heb en hoe het uw vee bij mij is vergaan.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
יָדַ֔עְתָּ
(yadata)
weet
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
hoe
עֲבַדְתִּ֑יךָ
(avadtikha)
ik heb je gediend
וְאֵ֛ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אֲשֶׁר
(asher)
hoe
הָיָ֥ה
(haya)
was
מִקְנְךָ֖
(miqnekha)
je vee
אִתִּֽי
(iti)
met mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Het was weinig wat u had voordat ik kwam. Het is enorm toegenomen, en Yahweh heeft u gezegend sinds ik hier ben. Maar wanneer mag ik ook iets doen voor mijn eigen huis?”
כִּ֡י
(ki)
want
מְעַט֩
(meat)
weinig
אֲשֶׁר
(asher)
wat
הָיָ֨ה
(haya)
was
לְךָ֤
(lekha)
aan jou
לְפָנַי֙
(lefanay)
vóór mij
וַיִּפְרֹ֣ץ
(vayifrots)
en het breidde uit
לָרֹ֔ב
(larov)
tot menigte
וַיְבָ֧רֶךְ
(vayvarekh)
en heeft gezegend
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹתְךָ֖
(otekha)
je
לְרַגְלִ֑י
(leragli)
bij mijn voet
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
מָתַ֛י
(matay)
wanneer
אֶֽעֱשֶׂ֥ה
(eese)
zal ik doen
גַם
(gam)
ook
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
לְבֵיתִֽי
(leveiti)
voor mijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לרגלי (leragli), ‘sinds ik hier ben’: letterlijk ‘op mijn voet’, dus ‘door mijn komst’.

ויפרץ (vayifrots), ‘het is toegenomen’: letterlijk ‘het brak door’, dezelfde stam als in vers 43 (zie ook 28:14).

31Hij zei: „Wat moet ik je geven?” Jakob zei: „U hoeft mij niets te geven. Als u dit voor mij wilt doen, dan zal ik weer uw kudde weiden en bewaken.
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מָ֣ה
(ma)
wat
אֶתֶּן
(eten)
zal ik geven
לָ֑ךְ
(lakh)
aan jou
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
לֹא
(lo)
niet
תִתֶּן
(titen)
je zult geven
לִ֣י
(li)
aan mij
מְא֔וּמָה
(meuma)
iets
אִם
(im)
als
תַּֽעֲשֶׂה
(taase)
je zult doen
לִּי֙
(li)
voor mij
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
אָשׁ֛וּבָה
(ashuva)
ik zal terugkeren
אֶרְעֶ֥ה
(ere)
ik zal weiden
צֹֽאנְךָ֖
(tsonkha)
je kleinvee
אֶשְׁמֹֽר
(eshmor)
ik zal bewaken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Laat mij vandaag door heel uw kudde gaan. Haal daaruit elk gespikkeld en gevlekt dier weg, en elk donker dier onder de schapen, en onder de geiten elk gevlekt en gespikkeld dier. Dat zal mijn loon zijn.
אֶֽעֱבֹ֨ר
(eevor)
ik zal gaan
בְּכָל
(bekhal)
door al
צֹֽאנְךָ֜
(tsonkha)
je kleinvee
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
הָסֵ֨ר
(haser)
verwijder
מִשָּׁ֜ם
(misham)
vandaar
כָּל
(kal)
elk
שֶׂ֣ה
(se)
stuk kleinvee
נָקֹ֣ד
(naqod)
gespikkeld
וְטָל֗וּא
(vetalu)
en gevlekt
וְכָל
(vekhal)
en elk
שֶׂה
(se)
stuk kleinvee
חוּם֙
(chum)
donker
בַּכְּשָׂבִ֔ים
(bakesavim)
onder de schapen
וְטָל֥וּא
(vetalu)
en gevlekt
וְנָקֹ֖ד
(venaqod)
en gespikkeld
בָּעִזִּ֑ים
(baizim)
onder de geiten
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en het zal zijn
שְׂכָרִֽי
(sekhari)
mijn loon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נקד וטלוא (naqod vetalu), ‘gespikkeld en gevlekt’, en חום (chum), ‘donker’: donkerbruin tot zwart.

De meeste schapen waren wit en de meeste geiten zwart; Jakob vraagt om de uitzonderingen.

Aanvullend

Jasher 31:26 zegt hetzelfde.

Jubileeën 28:27 geeft de afspraak als ‘donker, gevlekt en gespikkeld met wit’.

33Mijn rechtvaardigheid zal morgen voor mij antwoorden, wanneer u mijn loon komt bekijken. Alles wat onder de geiten niet gespikkeld en gevlekt is, en onder de schapen niet donker, is bij mij gestolen.”
וְעָֽנְתָה
(veaneta)
en zal antwoorden
בִּ֤י
(bi)
tegen mij
צִדְקָתִי֙
(tsidqati)
mijn rechtvaardigheid
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag
מָחָ֔ר
(machar)
morgen
כִּֽי
(ki)
wanneer
תָב֥וֹא
(tavo)
je zult komen
עַל
(al)
over
שְׂכָרִ֖י
(sekhari)
mijn loon
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor je gezicht
כֹּ֣ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
אֵינֶנּוּ֩
(einenu)
niet is
נָקֹ֨ד
(naqod)
gespikkeld
וְטָל֜וּא
(vetalu)
en gevlekt
בָּֽעִזִּ֗ים
(baizim)
onder de geiten
וְחוּם֙
(vechum)
en donker
בַּכְּשָׂבִ֔ים
(bakesavim)
onder de schapen
גָּנ֥וּב
(ganuv)
gestolen
ה֖וּא
(hu)
dat is
אִתִּֽי
(iti)
bij mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וענתה בי צדקתי (ve’anetah bi tsidqati), ‘mijn rechtvaardigheid zal voor mij antwoorden’: wie bij Jakob een ander dier vindt, heeft het bewijs van diefstal.

Aanvullend

Jasher 31:27 zegt dat Laban deed zoals Jakob had gezegd.

34Laban zei: „Goed, laat het zijn zoals je zegt.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
הֵ֑ן
(hen)
zie
ל֖וּ
(lu)
o dat
יְהִ֥י
(yehi)
het zij
כִדְבָרֶֽךָ
(kidvarekha)
naar je woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Die dag haalde hij de gestreepte en gevlekte bokken weg, en alle gespikkelde en gevlekte geiten, alles waar wit aan zat, en alle donkere schapen. Hij gaf ze in de hand van zijn zonen.
וַיָּ֣סַר
(vayasar)
en hij verwijderde
בַּיּוֹם֩
(bayom)
op de dag
הַה֨וּא
(hahu)
die
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַתְּיָשִׁ֜ים
(hateyashim)
de bokken
הָֽעֲקֻדִּ֣ים
(haaqudim)
de gestreepte
וְהַטְּלֻאִ֗ים
(vehateluim)
en de gevlekte
וְאֵ֤ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
הָֽעִזִּים֙
(haizim)
de geiten
הַנְּקֻדּ֣וֹת
(hanequdot)
de gespikkelde
וְהַטְּלֻאֹ֔ת
(vehateluot)
en de gevlekte
כֹּ֤ל
(kol)
alle
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לָבָן֙
(lavan)
wit
בּ֔וֹ
(bo)
daarin
וְכָל
(vekhal)
en alle
ח֖וּם
(chum)
donker
בַּכְּשָׂבִ֑ים
(bakesavim)
onder de schapen
וַיִּתֵּ֖ן
(vayiten)
en hij gaf
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
בָּנָֽיו
(banav)
zijn zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

התישׁים העקדים (hateyashim ha’aqudim), ‘de gestreepte bokken’: aqud, ‘gestreept’, komt van aqad, ‘binden’.

Lezing

Lezing: ‘zijn zonen’ is hier gelezen als de zonen van Laban (zie vers 36).

Aanvullend

Jasher 31:28 leest de zonen van Jakob.

36Hij legde een afstand van drie dagreizen tussen zichzelf en Jakob. Jakob weidde de rest van Labans kudde.
וַיָּ֗שֶׂם
(vayasem)
en hij zette
דֶּ֚רֶךְ
(derekh)
weg van
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
בֵּינ֖וֹ
(beino)
tussen hem
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וְיַעֲקֹ֗ב
(veyaaqov)
en Jakob
רֹעֶ֛ה
(roe)
weidde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
צֹ֥אן
(tson)
kleinvee van
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
הַנּוֹתָרֹֽת
(hanotarot)
de overgebleven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דרך שׁלשׁת ימים (derekh sheloshet yamim), ‘een afstand van drie dagen’: zie 31:22.

Zie ookGen 31:22

Jakobs kudden

37Jakob nam verse staken van populier, amandel en plataan. Hij schilde er witte strepen in, zodat het witte van de staken bloot kwam.
וַיִּֽקַּֽח
(vayiqach)
en hij nam
ל֣וֹ
(lo)
voor zich
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
מַקַּ֥ל
(maqal)
staf van
לִבְנֶ֛ה
(livne)
populier
לַ֖ח
(lach)
vers
וְל֣וּז
(veluz)
en amandel
וְעֶרְמ֑וֹן
(veermon)
en plataan
וַיְפַצֵּ֤ל
(vayfatsel)
en hij schilde
בָּהֵן֙
(bahen)
in ze
פְּצָל֣וֹת
(petsalot)
strepen
לְבָנ֔וֹת
(levanot)
witte
מַחְשֹׂף֙
(machsof)
het bloot leggen van
הַלָּבָ֔ן
(halavan)
het witte
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הַמַּקְלֽוֹת
(hamaqlot)
de staven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לבנה (livneh), ‘populier’: ook vertaald als ‘storaxboom’; het woord betekent ‘wit’.

ולוז (luz), ‘amandel’: zie ook 28:19, waar Luz de oude naam van Betel is.

וערמון (armon), ‘plataan’.

38Hij zette de geschilde staken in de troggen, in de drinkbakken waar de kudden water kwamen drinken, recht tegenover de kudden. Zo raakten ze bronstig als ze kwamen drinken.
וַיַּצֵּ֗ג
(vayatseg)
en hij plaatste
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמַּקְלוֹת֙
(hamaqlot)
de staven
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
פִּצֵּ֔ל
(pitsel)
hij had geschild
בָּרֳהָטִ֖ים
(barohatim)
in de troggen
בְּשִֽׁקֲת֣וֹת
(beshiqatot)
in de drinkbakken van
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
אֲשֶׁר֩
(asher)
waar
תָּבֹ֨אןָ
(tavona)
komen
הַצֹּ֤אן
(hatson)
het kleinvee
לִשְׁתּוֹת֙
(lishtot)
om te drinken
לְנֹ֣כַח
(lenokhach)
tegenover
הַצֹּ֔אן
(hatson)
het kleinvee
וַיֵּחַ֖מְנָה
(vayechamna)
en ze raakten in bronst
בְּבֹאָ֥ן
(bevoan)
bij hun komen
לִשְׁתּֽוֹת
(lishtot)
om te drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ברהטים (berehatim), ‘in de troggen’: zie Ex. 2:16.

בשׁקתות (bishqatot), ‘in de drinkbakken’: zie 24:20.

39De dieren paarden bij de staken en wierpen gestreepte, gespikkelde en gevlekte jongen.
וַיֶּחֱמ֥וּ
(vayechemu)
en ze raakten in bronst
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
אֶל
(el)
bij
הַמַּקְל֑וֹת
(hamaqlot)
de staven
וַתֵּלַ֣דְןָ
(vateladna)
en ze baarden
הַצֹּ֔אן
(hatson)
het kleinvee
עֲקֻדִּ֥ים
(aqudim)
gestreepte
נְקֻדִּ֖ים
(nequdim)
gespikkelde
וּטְלֻאִֽים
(uteluim)
en gevlekte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Jakob scheidde de lammeren af en liet de dieren kijken naar het gestreepte en naar alles wat donker was in de kudde van Laban. Zo maakte hij aparte kudden voor zichzelf en voegde ze niet bij de kudde van Laban.
וְהַכְּשָׂבִים֮
(vehakesavim)
en de lammeren
הִפְרִ֣יד
(hifrid)
hij scheidde af
יַעֲקֹב֒
(yaaqov)
Jakob
וַ֠יִּתֵּן
(vayiten)
en hij richtte
פְּנֵ֨י
(penei)
gezichten van
הַצֹּ֧אן
(hatson)
het kleinvee
אֶל
(el)
naar
עָקֹ֛ד
(aqod)
gestreept
וְכָל
(vekhal)
en alle
ח֖וּם
(chum)
donker
בְּצֹ֣אן
(betson)
in het kleinvee van
לָבָ֑ן
(lavan)
Laban
וַיָּֽשֶׁת
(vayashet)
en hij zette
ל֤וֹ
(lo)
voor zich
עֲדָרִים֙
(adarim)
kudden
לְבַדּ֔וֹ
(levado)
alleen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁתָ֖ם
(shatam)
hij zette ze
עַל
(al)
bij
צֹ֥אן
(tson)
kleinvee van
לָבָֽן
(lavan)
Laban
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Telkens als de sterke dieren bronstig waren, legde Jakob de staken in de troggen, voor de ogen van de dieren, zodat ze bij de staken bronstig werden.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het gebeurde
בְּכָל
(bekhal)
telkens als
יַחֵם֮
(yachem)
bronst van
הַצֹּ֣אן
(hatson)
het kleinvee
הַמְקֻשָּׁרוֹת֒
(hamqusharot)
de sterke
וְשָׂ֨ם
(vesam)
en plaatste
יַעֲקֹ֧ב
(yaaqov)
Jakob
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמַּקְל֛וֹת
(hamaqlot)
de staven
לְעֵינֵ֥י
(leeinei)
voor de ogen van
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
בָּרֳהָטִ֑ים
(barohatim)
in de troggen
לְיַחְמֵ֖נָּה
(leyachmena)
opdat ze in bronst raakten
בַּמַּקְלֽוֹת
(bamaqlot)
bij de staven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

המקשׁרות (hamqushshorot), ‘de sterke’: letterlijk ‘de vastgebonden’, dus de stevige.

Het tegenovergestelde is ‘de zwakke’ in vers 42.

Zie ookGen 30:42
42Maar bij de zwakke dieren legde hij ze niet neer. Zo werden de zwakke voor Laban en de sterke voor Jakob.
וּבְהַעֲטִ֥יף
(uvehaatif)
en bij het zwak zijn van
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
לֹ֣א
(lo)
niet
יָשִׂ֑ים
(yasim)
hij legde ze neer
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het werd
הָעֲטֻפִים֙
(haatufim)
de zwakke
לְלָבָ֔ן
(lelavan)
aan Laban
וְהַקְּשֻׁרִ֖ים
(vehaqeshurim)
en de sterke
לְיַעֲקֹֽב
(leyaaqov)
aan Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

העטפים ללבן והקשׁרים ליעקב (ha’utafim leLavan vehaqeshurim leYa’aqov), ‘de zwakke voor Laban en de sterke voor Jakob’.

43De man werd buitengewoon rijk. Hij kreeg veel kleinvee, dienaressen en dienaren, kamelen en ezels.
וַיִּפְרֹ֥ץ
(vayifrots)
en hij brak door
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
מְאֹ֣ד
(meod)
zeer
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַֽיְהִי
(vayhi)
en er was
לוֹ֙
(lo)
aan hem
צֹ֣אן
(tson)
kleinvee
רַבּ֔וֹת
(rabot)
veel
וּשְׁפָחוֹת֙
(ushefachot)
en dienaressen
וַעֲבָדִ֔ים
(vaavadim)
en dienaren
וּגְמַלִּ֖ים
(ugemalim)
en kamelen
וַחֲמֹרִֽים
(vachamorim)
en ezels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויפרץ האישׁ מאד מאד (vayifrots ha’ish me’od me’od), ‘de man brak buitengewoon door’: zie 28:14 en vers 30.

Aanvullend

Jasher 31:31–33 zegt dat Jakob zes jaar langer bij Laban diende en zeer rijk werd.

Jubileeën 28:29 noemt zijn bezit aan runderen, schapen, ezels, kamelen, knechten en meiden.