Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Kinderen door Bilha
1Toen Rachel zag dat zij Jakob geen kinderen baarde, werd zij jaloers op haar zus. Ze zei tegen Jakob: „Geef mij zonen, anders ben ik dood.”
וַתֵּ֣רֶא
(vatere)
en ze zag
רָחֵ֗ל
(rachel)
Rachel
כִּ֣י
(ki)
dat
לֹ֤א
(lo)
niet
יָֽלְדָה֙
(yaleda)
ze had gebaard
לְיַעֲקֹ֔ב
(leyaaqov)
aan Jakob
וַתְּקַנֵּ֥א
(vateqane)
en ze was jaloers
רָחֵ֖ל
(rachel)
Rachel
בַּאֲחֹתָ֑הּ
(baachotah)
op haar zus
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
הָֽבָה
(hava)
geef
לִּ֣י
(li)
mij
בָנִ֔ים
(banim)
zonen
וְאִם
(veim)
en als
אַ֖יִן
(ayin)
niet
מֵתָ֥ה
(meta)
dood
אָנֹֽכִי
(anokhi)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ותקנא רחל באחתה (vatqanne Rachel be’achotah), ‘ze was jaloers op haar zus’.
אין מתה אנכי (ein metah anochi), ‘anders ben ik dood’: zonder kinderen is haar leven leeg.
Aanvullend
Jasher 31:16 zegt dat Rachel jaloers was op Lea toen zij Jakob geen kinderen baarde.
8Rachel zei: „Een zware worsteling heb ik gevoerd met mijn zus, en ik heb gewonnen.” Ze noemde hem Naftali.
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
רָחֵ֗ל
(rachel)
Rachel
נַפְתּוּלֵ֨י
(naftulei)
worstelingen van
אֱלֹהִ֧ים
(Elohim)
Elohim
נִפְתַּ֛לְתִּי
(niftalti)
ik heb gestreden
עִם
(im)
met
אֲחֹתִ֖י
(achoti)
mijn zus
גַּם
(gam)
ook
יָכֹ֑לְתִּי
(yakholti)
ik heb overwonnen
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
נַפְתָּלִֽי
(naftali)
Naftali
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נפתולי אלהים (naftulei Elohim niftalti), ‘een worsteling van Elohim heb ik gevoerd’: ‘van Elohim’ kan ook ‘geweldig’ betekenen, dus ‘een zware worsteling’.
14In de dagen van de tarweoogst ging Ruben naar het veld en vond dudaïm. Hij bracht ze naar zijn moeder Lea. Rachel zei tegen Lea: „Geef mij toch iets van de dudaïm van je zoon.”
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
רְאוּבֵ֜ן
(reuven)
Ruben
בִּימֵ֣י
(bimei)
in dagen van
קְצִיר
(qetsir)
oogst van
חִטִּ֗ים
(chitim)
tarwe
וַיִּמְצָ֤א
(vayimtsa)
en hij vond
דֽוּדָאִים֙
(dudaim)
dudaïm
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
וַיָּבֵ֣א
(vayave)
en hij bracht
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
אֶל
(el)
tot
לֵאָ֖ה
(lea)
Lea
אִמּ֑וֹ
(imo)
zijn moeder
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en ze zei
רָחֵל֙
(rachel)
Rachel
אֶל
(el)
tot
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
תְּנִי
(teni)
geef
נָ֣א
(na)
alsjeblieft
לִ֔י
(li)
aan mij
מִדּוּדָאֵ֖י
(midudaei)
van de dudaïm van
בְּנֵֽךְ
(benekh)
je zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בימי קציר חטים (bimei qetsir chittim), ‘in de dagen van de tarweoogst’: eind mei of begin juni.
דודאים (duda’im), ‘dudaïm’: een plant met geurige vruchten, die als middel voor vruchtbaarheid golden; vaak vertaald als ‘alruinen’ of ‘liefdesappels’.
15Lea zei tegen haar: „Is het niet genoeg dat je mijn man hebt genomen? Wil je ook de dudaïm van mijn zoon nemen?” Rachel zei: „Daarom mag hij vannacht bij jou slapen, in ruil voor de dudaïm van je zoon.”
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
לָ֗הּ
(lah)
tot haar
הַמְעַט֙
(hamat)
is het weinig
קַחְתֵּ֣ךְ
(qachtekh)
dat je nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אִישִׁ֔י
(ishi)
mijn man
וְלָקַ֕חַת
(velaqachat)
en wil je nemen
גַּ֥ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דּוּדָאֵ֖י
(dudaei)
de dudaïm van
בְּנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
רָחֵ֗ל
(rachel)
Rachel
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
יִשְׁכַּ֤ב
(yishkav)
hij zal liggen
עִמָּךְ֙
(imakh)
bij jou
הַלַּ֔יְלָה
(halayla)
vannacht
תַּ֖חַת
(tachat)
in ruil voor
דּוּדָאֵ֥י
(dudaei)
de dudaïm van
בְנֵֽךְ
(benekh)
je zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
המעט קחתך את אישׁי (hame’at qachtech et ishi), ‘is het niet genoeg dat je mijn man hebt genomen?’: Lea ziet Rachel als de bevoorrechte vrouw (zie 29:30).
16's Avonds kwam Jakob van het veld. Lea ging hem tegemoet en zei: „Je moet bij mij komen, want ik heb je werkelijk gehuurd met de dudaïm van mijn zoon.” Die nacht sliep hij bij haar.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en hij kwam
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
מִן
(min)
van
הַשָּׂדֶה֮
(hasade)
het veld
בָּעֶרֶב֒
(baerev)
in de avond
וַתֵּצֵ֨א
(vatetse)
en ze ging uit
לֵאָ֜ה
(lea)
Lea
לִקְרָאת֗וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en ze zei
אֵלַ֣י
(elay)
tot mij
תָּב֔וֹא
(tavo)
je zult komen
כִּ֚י
(ki)
want
שָׂכֹ֣ר
(sakhor)
loon betalen
שְׂכַרְתִּ֔יךָ
(sekhartikha)
ik heb je gehuurd
בְּדוּדָאֵ֖י
(bedudaei)
met de dudaïm van
בְּנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וַיִּשְׁכַּ֥ב
(vayishkav)
en hij lag
עִמָּ֖הּ
(imah)
bij haar
בַּלַּ֥יְלָה
(balayla)
in de nacht
הֽוּא
(hu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׂכר שׂכרתיך (sachor sechartich), ‘ik heb je werkelijk gehuurd’: het woord sachar, ‘loon, huur’, komt terug in de naam van vers 18.
27Laban zei tegen hem: „Als ik gunst in je ogen heb gevonden… Ik heb voortekenen geraadpleegd en gemerkt dat Yahweh mij gezegend heeft omwille van jou.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
לָבָ֔ן
(lavan)
Laban
אִם
(im)
als
נָ֛א
(na)
alsjeblieft
מָצָ֥אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֑יךָ
(beeineikha)
in je ogen
נִחַ֕שְׁתִּי
(nichashti)
ik heb voortekenen geraadpleegd
וַיְבָרֲכֵ֥נִי
(vayvarakheni)
en heeft mij gezegend
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּגְלָלֶֽךָ
(biglalekha)
omwille van jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נחשׁתי (nichashti), ‘ik heb voortekenen geraadpleegd’: het woord hoort bij nachash, ‘waarzeggen’ (zie 44:5, 15).
Laban merkt dat Yahweh hem zegent door Jakob.
Aanvullend
Jasher 31:25 geeft Labans antwoord als: blijf bij mij en noem je loon.
30Het was weinig wat u had voordat ik kwam. Het is enorm toegenomen, en Yahweh heeft u gezegend sinds ik hier ben. Maar wanneer mag ik ook iets doen voor mijn eigen huis?”
כִּ֡י
(ki)
want
מְעַט֩
(meat)
weinig
אֲשֶׁר
(asher)
wat
הָיָ֨ה
(haya)
was
לְךָ֤
(lekha)
aan jou
לְפָנַי֙
(lefanay)
vóór mij
וַיִּפְרֹ֣ץ
(vayifrots)
en het breidde uit
לָרֹ֔ב
(larov)
tot menigte
וַיְבָ֧רֶךְ
(vayvarekh)
en heeft gezegend
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹתְךָ֖
(otekha)
je
לְרַגְלִ֑י
(leragli)
bij mijn voet
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
מָתַ֛י
(matay)
wanneer
אֶֽעֱשֶׂ֥ה
(eese)
zal ik doen
גַם
(gam)
ook
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
לְבֵיתִֽי
(leveiti)
voor mijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לרגלי (leragli), ‘sinds ik hier ben’: letterlijk ‘op mijn voet’, dus ‘door mijn komst’.
ויפרץ (vayifrots), ‘het is toegenomen’: letterlijk ‘het brak door’, dezelfde stam als in vers 43 (zie ook 28:14).
32Laat mij vandaag door heel uw kudde gaan. Haal daaruit elk gespikkeld en gevlekt dier weg, en elk donker dier onder de schapen, en onder de geiten elk gevlekt en gespikkeld dier. Dat zal mijn loon zijn.
אֶֽעֱבֹ֨ר
(eevor)
ik zal gaan
בְּכָל
(bekhal)
door al
צֹֽאנְךָ֜
(tsonkha)
je kleinvee
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
הָסֵ֨ר
(haser)
verwijder
מִשָּׁ֜ם
(misham)
vandaar
כָּל
(kal)
elk
שֶׂ֣ה
(se)
stuk kleinvee
נָקֹ֣ד
(naqod)
gespikkeld
וְטָל֗וּא
(vetalu)
en gevlekt
וְכָל
(vekhal)
en elk
שֶׂה
(se)
stuk kleinvee
חוּם֙
(chum)
donker
בַּכְּשָׂבִ֔ים
(bakesavim)
onder de schapen
וְטָל֥וּא
(vetalu)
en gevlekt
וְנָקֹ֖ד
(venaqod)
en gespikkeld
בָּעִזִּ֑ים
(baizim)
onder de geiten
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en het zal zijn
שְׂכָרִֽי
(sekhari)
mijn loon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נקד וטלוא (naqod vetalu), ‘gespikkeld en gevlekt’, en חום (chum), ‘donker’: donkerbruin tot zwart.
De meeste schapen waren wit en de meeste geiten zwart; Jakob vraagt om de uitzonderingen.
Aanvullend
Jasher 31:26 zegt hetzelfde.
Jubileeën 28:27 geeft de afspraak als ‘donker, gevlekt en gespikkeld met wit’.
33Mijn rechtvaardigheid zal morgen voor mij antwoorden, wanneer u mijn loon komt bekijken. Alles wat onder de geiten niet gespikkeld en gevlekt is, en onder de schapen niet donker, is bij mij gestolen.”
וְעָֽנְתָה
(veaneta)
en zal antwoorden
בִּ֤י
(bi)
tegen mij
צִדְקָתִי֙
(tsidqati)
mijn rechtvaardigheid
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag
מָחָ֔ר
(machar)
morgen
כִּֽי
(ki)
wanneer
תָב֥וֹא
(tavo)
je zult komen
עַל
(al)
over
שְׂכָרִ֖י
(sekhari)
mijn loon
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor je gezicht
כֹּ֣ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
אֵינֶנּוּ֩
(einenu)
niet is
נָקֹ֨ד
(naqod)
gespikkeld
וְטָל֜וּא
(vetalu)
en gevlekt
בָּֽעִזִּ֗ים
(baizim)
onder de geiten
וְחוּם֙
(vechum)
en donker
בַּכְּשָׂבִ֔ים
(bakesavim)
onder de schapen
גָּנ֥וּב
(ganuv)
gestolen
ה֖וּא
(hu)
dat is
אִתִּֽי
(iti)
bij mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וענתה בי צדקתי (ve’anetah bi tsidqati), ‘mijn rechtvaardigheid zal voor mij antwoorden’: wie bij Jakob een ander dier vindt, heeft het bewijs van diefstal.
Aanvullend
Jasher 31:27 zegt dat Laban deed zoals Jakob had gezegd.
35Die dag haalde hij de gestreepte en gevlekte bokken weg, en alle gespikkelde en gevlekte geiten, alles waar wit aan zat, en alle donkere schapen. Hij gaf ze in de hand van zijn zonen.
וַיָּ֣סַר
(vayasar)
en hij verwijderde
בַּיּוֹם֩
(bayom)
op de dag
הַה֨וּא
(hahu)
die
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַתְּיָשִׁ֜ים
(hateyashim)
de bokken
הָֽעֲקֻדִּ֣ים
(haaqudim)
de gestreepte
וְהַטְּלֻאִ֗ים
(vehateluim)
en de gevlekte
וְאֵ֤ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
הָֽעִזִּים֙
(haizim)
de geiten
הַנְּקֻדּ֣וֹת
(hanequdot)
de gespikkelde
וְהַטְּלֻאֹ֔ת
(vehateluot)
en de gevlekte
כֹּ֤ל
(kol)
alle
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לָבָן֙
(lavan)
wit
בּ֔וֹ
(bo)
daarin
וְכָל
(vekhal)
en alle
ח֖וּם
(chum)
donker
בַּכְּשָׂבִ֑ים
(bakesavim)
onder de schapen
וַיִּתֵּ֖ן
(vayiten)
en hij gaf
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
בָּנָֽיו
(banav)
zijn zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
התישׁים העקדים (hateyashim ha’aqudim), ‘de gestreepte bokken’: aqud, ‘gestreept’, komt van aqad, ‘binden’.
Lezing
Lezing: ‘zijn zonen’ is hier gelezen als de zonen van Laban (zie vers 36).
38Hij zette de geschilde staken in de troggen, in de drinkbakken waar de kudden water kwamen drinken, recht tegenover de kudden. Zo raakten ze bronstig als ze kwamen drinken.
וַיַּצֵּ֗ג
(vayatseg)
en hij plaatste
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמַּקְלוֹת֙
(hamaqlot)
de staven
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
פִּצֵּ֔ל
(pitsel)
hij had geschild
בָּרֳהָטִ֖ים
(barohatim)
in de troggen
בְּשִֽׁקֲת֣וֹת
(beshiqatot)
in de drinkbakken van
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
אֲשֶׁר֩
(asher)
waar
תָּבֹ֨אןָ
(tavona)
komen
הַצֹּ֤אן
(hatson)
het kleinvee
לִשְׁתּוֹת֙
(lishtot)
om te drinken
לְנֹ֣כַח
(lenokhach)
tegenover
הַצֹּ֔אן
(hatson)
het kleinvee
וַיֵּחַ֖מְנָה
(vayechamna)
en ze raakten in bronst
בְּבֹאָ֥ן
(bevoan)
bij hun komen
לִשְׁתּֽוֹת
(lishtot)
om te drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ברהטים (berehatim), ‘in de troggen’: zie Ex. 2:16.
בשׁקתות (bishqatot), ‘in de drinkbakken’: zie 24:20.
40Jakob scheidde de lammeren af en liet de dieren kijken naar het gestreepte en naar alles wat donker was in de kudde van Laban. Zo maakte hij aparte kudden voor zichzelf en voegde ze niet bij de kudde van Laban.
וְהַכְּשָׂבִים֮
(vehakesavim)
en de lammeren
הִפְרִ֣יד
(hifrid)
hij scheidde af
יַעֲקֹב֒
(yaaqov)
Jakob
וַ֠יִּתֵּן
(vayiten)
en hij richtte
פְּנֵ֨י
(penei)
gezichten van
הַצֹּ֧אן
(hatson)
het kleinvee
אֶל
(el)
naar
עָקֹ֛ד
(aqod)
gestreept
וְכָל
(vekhal)
en alle
ח֖וּם
(chum)
donker
בְּצֹ֣אן
(betson)
in het kleinvee van
לָבָ֑ן
(lavan)
Laban
וַיָּֽשֶׁת
(vayashet)
en hij zette
ל֤וֹ
(lo)
voor zich
עֲדָרִים֙
(adarim)
kudden
לְבַדּ֔וֹ
(levado)
alleen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁתָ֖ם
(shatam)
hij zette ze
עַל
(al)
bij
צֹ֥אן
(tson)
kleinvee van
לָבָֽן
(lavan)
Laban
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Telkens als de sterke dieren bronstig waren, legde Jakob de staken in de troggen, voor de ogen van de dieren, zodat ze bij de staken bronstig werden.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het gebeurde
בְּכָל
(bekhal)
telkens als
יַחֵם֮
(yachem)
bronst van
הַצֹּ֣אן
(hatson)
het kleinvee
הַמְקֻשָּׁרוֹת֒
(hamqusharot)
de sterke
וְשָׂ֨ם
(vesam)
en plaatste
יַעֲקֹ֧ב
(yaaqov)
Jakob
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמַּקְל֛וֹת
(hamaqlot)
de staven
לְעֵינֵ֥י
(leeinei)
voor de ogen van
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
בָּרֳהָטִ֑ים
(barohatim)
in de troggen
לְיַחְמֵ֖נָּה
(leyachmena)
opdat ze in bronst raakten
בַּמַּקְלֽוֹת
(bamaqlot)
bij de staven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
המקשׁרות (hamqushshorot), ‘de sterke’: letterlijk ‘de vastgebonden’, dus de stevige.