Elohim Bijbel

Prediker 1

123456789101112

Alles is damp

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Alles is damp

1De woorden van Qohelet, de zoon van David, koning in Jeruzalem.
דִּבְרֵי֙
(divrei)
de woorden van
קֹהֶ֣לֶת
(qohelet)
Qohelet
בֶּן
(ben)
de zoon van
דָּוִ֔ד
(david)
David
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
koning
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

קֹהֶלֶת (qohelet), ‘Qohelet’: afgeleid van קָהָל (qahal), ‘vergadering’.

Het woord betekent iets als ‘verzamelaar’ of ‘spreker voor de vergadering’.

Traditioneel wordt het vertaald met ‘Prediker’.

In dit vers wordt over Qohelet gesproken in de derde persoon. Vanaf vers 2 spreekt hij zelf in de ‘ik’-vorm. De naam Salomo staat er niet.

2Damp van dampen, zegt Qohelet, damp van dampen. Alles is damp.
הֲבֵ֤ל
(havel)
damp van
הֲבָלִים֙
(havalim)
dampen
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
קֹהֶ֔לֶת
(qohelet)
Qohelet
הֲבֵ֥ל
(havel)
damp van
הֲבָלִ֖ים
(havalim)
dampen
הַכֹּ֥ל
(hakol)
alles
הָֽבֶל
(havel)
damp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶבֶל (hevel), ‘damp’: letterlijk adem of damp, wat verdwijnt en niet vast te grijpen is.

Het woord komt in dit boek heel vaak voor.

Het wordt ook vertaald met ‘ijdelheid’ of ‘nietigheid’.

Wij houden overal ‘damp’.

Zie ook Ps. 144:4.

הֲבֵל הֲבָלִים (havel havalim), ‘damp van dampen’: de hoogste vorm, ‘de grootste damp’. Zo ook Pred. 12:8.

3Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zwoegt onder de zon?
מַה
(ma)
welk
יִּתְר֖וֹן
(yitron)
voordeel
לָֽאָדָ֑ם
(laadam)
voor de mens
בְּכָל
(bekhal)
van al
עֲמָל֔וֹ
(amalo)
zijn zwoegen
שֶֽׁיַּעֲמֹ֖ל
(sheyaamol)
waarmee hij zwoegt
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
הַשָּֽׁמֶשׁ
(hashamesh)
de zon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָמָל (amal), ‘zwoegen’: moeizaam werk en de moeite die daarbij hoort.

יִתְרוֹן (yitron), ‘voordeel’: wat overblijft, de winst.

תַּחַת הַשָּׁמֶשׁ (tachat hashamesh), ‘onder de zon’: in deze wereld, zoals wij die dagelijks zien. Dit is een vaste uitdrukking in het boek.

4Een generatie gaat en een generatie komt, maar de aarde blijft voor eeuwig staan.
דּ֤וֹר
(dor)
een generatie
הֹלֵךְ֙
(holekh)
gaat
וְד֣וֹר
(vedor)
en een generatie
בָּ֔א
(ba)
komt
וְהָאָ֖רֶץ
(vehaarets)
maar de aarde
לְעוֹלָ֥ם
(leolam)
voor eeuwig
עֹמָֽדֶת
(omadet)
blijft staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְעוֹלָם (le’olam), ‘voor eeuwig’.

De aarde blijft staan terwijl de generaties wisselen.

Zie ook Ps. 104:5.

5De zon gaat op en de zon gaat onder. Hij haast zich naar zijn plaats, om daar op te gaan.
וְזָרַ֥ח
(vezarach)
en gaat op
הַשֶּׁ֖מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
וּבָ֣א
(uva)
en gaat onder
הַשָּׁ֑מֶשׁ
(hashamesh)
de zon
וְאֶ֨ל
(veel)
en naar
מְקוֹמ֔וֹ
(meqomo)
zijn plaats
שׁוֹאֵ֛ף
(shoef)
haast zich
זוֹרֵ֥חַֽ
(zoreach)
opgaand
ה֖וּא
(hu)
hij
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוֹאֵף (sho’ef), ‘hij haast zich’: letterlijk ‘hij hijgt’, de zon snakt als het ware naar zijn plaats.

6Hij gaat naar het zuiden en draait naar het noorden. Rondgaand, rondgaand gaat de wind, en op zijn kringen keert de wind terug.
הוֹלֵךְ֙
(holekh)
gaat
אֶל
(el)
naar
דָּר֔וֹם
(darom)
het zuiden
וְסוֹבֵ֖ב
(vesovev)
en draait
אֶל
(el)
naar
צָפ֑וֹן
(tsafon)
het noorden
סוֹבֵ֤ב
(sovev)
rondgaand
סֹבֵב֙
(sovev)
rondgaand
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
gaat
הָר֔וּחַ
(haruach)
de wind
וְעַל
(veal)
en op
סְבִיבֹתָ֖יו
(sevivotav)
zijn kringen
שָׁ֥ב
(shav)
keert terug
הָרֽוּחַ
(haruach)
de wind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt niet wie er naar het zuiden gaat.

Het kan de zon uit vers 5 zijn of de wind uit het tweede deel van het vers.

Wij laten het zoals het er staat.

7Alle beken gaan naar de zee, maar de zee is niet vol. Naar de plaats waar de beken gaan, daar keren zij terug om weer te gaan.
כָּל
(kal)
alle
הַנְּחָלִים֙
(hanechalim)
de beken
הֹלְכִ֣ים
(holekhim)
gaan
אֶל
(el)
naar
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
וְהַיָּ֖ם
(vehayam)
maar de zee
אֵינֶ֣נּוּ
(einenu)
is niet
מָלֵ֑א
(male)
vol
אֶל
(el)
naar
מְק֗וֹם
(meqom)
de plaats
שֶׁ֤הַנְּחָלִים֙
(shehanechalim)
waar de beken
הֹֽלְכִ֔ים
(holekhim)
gaan
שָׁ֛ם
(sham)
daar
הֵ֥ם
(hem)
zij
שָׁבִ֖ים
(shavim)
keren terug
לָלָֽכֶת
(lalakhet)
om te gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Alle dingen zijn vermoeiend; niemand kan erover spreken. Het oog wordt niet verzadigd van zien en het oor wordt niet vol van horen.
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de dingen
יְגֵעִ֔ים
(yegeim)
zijn vermoeiend
לֹא
(lo)
niet
יוּכַ֥ל
(yukhal)
kan
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
לְדַבֵּ֑ר
(ledaber)
spreken
לֹא
(lo)
niet
תִשְׂבַּ֥ע
(tisba)
wordt verzadigd
עַ֨יִן֙
(ayin)
het oog
לִרְא֔וֹת
(lirot)
van zien
וְלֹא
(velo)
en niet
תִמָּלֵ֥א
(timale)
wordt vol
אֹ֖זֶן
(ozen)
het oor
מִשְּׁמֹֽעַ
(mishemoa)
van horen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַדְּבָרִים (hadevarim), ‘de dingen’: het woord kan ook ‘de woorden’ betekenen.

Dan zou er staan: ‘alle woorden zijn vermoeiend’.

9Wat geweest is, dat zal zijn, en wat gedaan is, dat zal gedaan worden. Er is niets nieuws onder de zon.
מַה
(ma)
wat
שֶּֽׁהָיָה֙
(shehaya)
geweest is
ה֣וּא
(hu)
dat
שֶׁיִּהְיֶ֔ה
(sheyihye)
zal zijn
וּמַה
(uma)
en wat
שֶׁנַּֽעֲשָׂ֔ה
(shenaasa)
gedaan is
ה֖וּא
(hu)
dat
שֶׁיֵּעָשֶׂ֑ה
(sheyease)
zal gedaan worden
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is niet
כָּל
(kal)
enig
חָדָ֖שׁ
(chadash)
nieuws
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
הַשָּֽׁמֶשׁ
(hashamesh)
de zon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Is er iets waarvan men zegt: „Zie, dit is nieuw”? Het was al in de eeuwen die vóór ons waren.
יֵ֥שׁ
(yesh)
is er
דָּבָ֛ר
(davar)
iets
שֶׁיֹּאמַ֥ר
(sheyomar)
wat men zegt
רְאֵה
(ree)
zie
זֶ֖ה
(ze)
dit
חָדָ֣שׁ
(chadash)
nieuw
ה֑וּא
(hu)
het is
כְּבָר֙
(kevar)
al
הָיָ֣ה
(haya)
het was
לְעֹֽלָמִ֔ים
(leolamim)
in de eeuwen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָיָ֖ה
(haya)
was
מִלְּפָנֵֽנוּ
(milefanenu)
vóór ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְעֹלָמִים (le’olamim), ‘in de eeuwen’: meervoud van olam, de lange tijden van het verleden.

11Er is geen herinnering aan de eersten. En ook aan de laatsten, die er zullen zijn, zal er geen herinnering zijn bij hen die er daarna zullen zijn.
אֵ֥ין
(ein)
er is niet
זִכְר֖וֹן
(zikhron)
herinnering
לָרִאשֹׁנִ֑ים
(larishonim)
aan de eersten
וְגַ֨ם
(vegam)
en ook
לָאַחֲרֹנִ֜ים
(laacharonim)
aan de laatsten
שֶׁיִּהְי֗וּ
(sheyihyu)
die zullen zijn
לֹֽא
(lo)
niet
יִהְיֶ֤ה
(yihye)
zal zijn
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
זִכָּר֔וֹן
(zikaron)
herinnering
עִ֥ם
(im)
bij
שֶׁיִּהְי֖וּ
(sheyihyu)
die zullen zijn
לָאַחֲרֹנָֽה
(laacharona)
daarna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft ‘de eersten’ en ‘de laatsten’.

Dat kunnen mensen zijn of gebeurtenissen.

Wij laten het open.

Qohelet zoekt wijsheid

12Ik, Qohelet, was koning over Israël in Jeruzalem.
אֲנִ֣י
(ani)
ik
קֹהֶ֗לֶת
(qohelet)
Qohelet
הָיִ֥יתִי
(hayiti)
was
מֶ֛לֶךְ
(melekh)
koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Vanaf dit vers spreekt Qohelet over zichzelf in de ‘ik’-vorm.

In vers 1 en 2 werd in de derde persoon over hem gesproken.

13Ik gaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken en te doorzoeken alles wat onder de hemel gebeurt. Het is een kwade bezigheid, die Elohim aan de mensenkinderen gegeven heeft om zich ermee bezig te houden.
וְנָתַ֣תִּי
(venatati)
en ik gaf
אֶת
(et)
(obj.)
לִבִּ֗י
(libi)
mijn hart
לִדְר֤וֹשׁ
(lidrosh)
om te onderzoeken
וְלָתוּר֙
(velatur)
en te doorzoeken
בַּֽחָכְמָ֔ה
(bachakhema)
met wijsheid
עַ֛ל
(al)
over
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
נַעֲשָׂ֖ה
(naasa)
gedaan wordt
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
ה֣וּא
(hu)
het
עִנְיַ֣ן
(inyan)
bezigheid
רָ֗ע
(ra)
kwade
נָתַ֧ן
(natan)
heeft gegeven
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de kinderen van
הָאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
לַעֲנ֥וֹת
(laanot)
om bezig te zijn
בּֽוֹ
(bo)
ermee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֱלֹהִים (ha’Elohim), ‘Elohim’: in dit boek staat vrijwel altijd het lidwoord bij Elohim.

Wij vertalen steeds ‘Elohim’.

עִנְיָן (inyan), ‘bezigheid’: een taak waar men zich mee bezighoudt. Zo ook 2:23, 2:26, 3:10.

לַעֲנוֹת בּוֹ (la’anot bo), ‘om zich ermee bezig te houden’: letterlijk ‘om erin bezig te zijn’. Dit kan ook ‘om er mee te worstelen’ betekenen.

בְּנֵי הָאָדָם (bene ha’adam), ‘mensenkinderen’: de mensen, de mensheid.

14Ik zag alle werken die onder de zon gedaan worden, en zie: alles is damp en najagen van wind.
רָאִ֨יתִי֙
(raiti)
ik zag
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַֽמַּעֲשִׂ֔ים
(hamaasim)
de werken
שֶֽׁנַּעֲשׂ֖וּ
(shenaasu)
die gedaan worden
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הַשָּׁ֑מֶשׁ
(hashamesh)
de zon
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
הַכֹּ֛ל
(hakol)
alles
הֶ֖בֶל
(hevel)
damp
וּרְע֥וּת
(ureut)
en najagen van
רֽוּחַ
(ruach)
wind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רְעוּת רוּחַ (re’ut ruach), ‘najagen van wind’: het woord ruach betekent zowel ‘wind’ als ‘geest’.

Het eerste woord komt van een wortel die ‘weiden’ of ‘najagen’ betekent.

Het kan ook ‘streven’ betekenen.

Zo ook 2:11, 2:17, 2:26, 4:4, 4:6 en 6:9.

15Wat krom is, kan niet recht gemaakt worden, en wat ontbreekt, kan niet geteld worden.
מְעֻוָּ֖ת
(meuvat)
het kromme
לֹא
(lo)
niet
יוּכַ֣ל
(yukhal)
kan
לִתְקֹ֑ן
(litqon)
recht gemaakt worden
וְחֶסְר֖וֹן
(vechesron)
en het tekort
לֹא
(lo)
niet
יוּכַ֥ל
(yukhal)
kan
לְהִמָּנֽוֹת
(lehimanot)
geteld worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְעֻוָּת (me’uvat), ‘wat krom is’: wat verdraaid of scheef is gemaakt.

16Ik sprak met mijn hart en zei: „Zie, ik heb wijsheid groot gemaakt en vermeerderd boven allen die vóór mij over Jeruzalem waren.” En mijn hart heeft veel wijsheid en kennis gezien.
דִּבַּ֨רְתִּי
(dibarti)
ik sprak
אֲנִ֤י
(ani)
ik
עִם
(im)
met
לִבִּי֙
(libi)
mijn hart
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אֲנִ֗י
(ani)
ik
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
הִגְדַּ֤לְתִּי
(higdalti)
ik heb groot gemaakt
וְהוֹסַ֨פְתִּי֙
(vehosafti)
en vermeerderd
חָכְמָ֔ה
(chakhema)
wijsheid
עַ֛ל
(al)
boven
כָּל
(kal)
allen
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָיָ֥ה
(haya)
waren
לְפָנַ֖י
(lefanay)
vóór mij
עַל
(al)
over
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְלִבִּ֛י
(velibi)
en mijn hart
רָאָ֥ה
(raa)
heeft gezien
הַרְבֵּ֖ה
(harbe)
veel
חָכְמָ֥ה
(chakhema)
wijsheid
וָדָֽעַת
(vadaat)
en kennis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

17Ik richtte mijn hart om wijsheid en kennis te kennen, en razernij en domheid. Ik heb gemerkt dat ook dit najagen van wind is.
וָאֶתְּנָ֤ה
(vaetena)
en ik richtte
לִבִּי֙
(libi)
mijn hart
לָדַ֣עַת
(ladaat)
om te kennen
חָכְמָ֔ה
(chakhema)
wijsheid
וְדַ֥עַת
(vedaat)
en kennis
הוֹלֵל֖וֹת
(holelot)
razernij
וְשִׂכְל֑וּת
(vesikhlut)
en domheid
יָדַ֕עְתִּי
(yadati)
ik heb gemerkt
שֶׁגַּם
(shegam)
dat ook
זֶ֥ה
(ze)
dit
ה֖וּא
(hu)
het is
רַעְי֥וֹן
(rayon)
najagen van
רֽוּחַ
(ruach)
wind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹלֵלוֹת (holelot), ‘razernij’: ook ‘dwaze uitgelatenheid’.

סִכְלוּת (siklut), ‘domheid’: verwant aan סָכָל (sakal), ‘dom’.

Het is een ander woord dan כְּסִיל (kesil), ‘dwaas’, en dan כֶּסֶל (kesel), ‘dwaasheid’.

Wij vertalen siklut steeds met ‘domheid’, ook in 2:3, 2:12, 2:13 en 7:25.

רַעְיוֹן רוּחַ (ra’yon ruach), ‘najagen van wind’: dit lijkt op het woord uit vers 14. Wij vertalen beide gelijk.

18Want bij veel wijsheid is veel ergernis, en wie kennis vermeerdert, vermeerdert pijn.
כִּ֛י
(ki)
want
בְּרֹ֥ב
(berov)
bij veel
חָכְמָ֖ה
(chakhema)
wijsheid
רָב
(rav)
veel
כָּ֑עַס
(kaas)
ergernis
וְיוֹסִ֥יף
(veyosif)
en wie vermeerdert
דַּ֖עַת
(daat)
kennis
יוֹסִ֥יף
(yosif)
vermeerdert
מַכְאֽוֹב
(makhov)
pijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּעַס (ka’as), ‘ergernis’: ook ‘verdriet’ of ‘woede’.

Wij houden steeds ‘ergernis’, ook in 2:23, 5:16, 7:3, 7:9, 11:10.