Elohim Bijbel

Jesaja 21

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Drie lasten: de woestijn van de zee, Duma en Arabië

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Last over de woestijn van de zee

1Last over de woestijn van de zee. Zoals stormwinden door de Negev trekken, zo komt het uit de woestijn, uit een gevreesd land.
מַשָּׂ֖א
(masa)
last van
מִדְבַּר
(midbar)
woestijn van
יָ֑ם
(yam)
de zee
כְּסוּפ֤וֹת
(kesufot)
zoals stormwinden
בַּנֶּ֨גֶב֙
(banegev)
in de Negev
לַֽחֲלֹ֔ף
(lachalof)
om voorbij te trekken
מִמִּדְבָּ֣ר
(mimidbar)
uit de woestijn
בָּ֔א
(ba)
het komt
מֵאֶ֖רֶץ
(meerets)
uit een land
נוֹרָאָֽה
(noraa)
gevreesd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Uitleg

מַשָּׂא (massa), ‘last’: zie 13:1.

מִדְבַּר יָם (midbar yam), ‘woestijn van de zee’: het vers noemt geen plaats. Vers 9 noemt Babel; daarom denken veel lezers aan Babel. Dat is onzeker. Wij laten de naam letterlijk staan.

כְּסוּפוֹת (kesufot), ‘stormwinden’: winden die met kracht voortrazen, zoals in de Negev, het droge zuiden van Juda.

2Een hard visioen is mij meegedeeld: de verrader verraadt en de verwoester verwoest. Trek op, Elam! Sla het beleg, Medië! „Aan al haar zuchten heb Ik een einde gemaakt.”
חָז֥וּת
(chazut)
een visioen
קָשָׁ֖ה
(qasha)
hard
הֻגַּד
(hugad)
is meegedeeld
לִ֑י
(li)
aan mij
הַבּוֹגֵ֤ד
(haboged)
de verrader
בּוֹגֵד֙
(boged)
verraadt
וְהַשּׁוֹדֵ֣ד
(vehashoded)
en de verwoester
שׁוֹדֵ֔ד
(shoded)
verwoest
עֲלִ֤י
(ali)
trek op
עֵילָם֙
(eilam)
Elam
צוּרִ֣י
(tsuri)
beleger
מָדַ֔י
(maday)
Medië
כָּל
(kal)
alle
אַנְחָתָ֖ה
(anchata)
haar zuchten
הִשְׁבַּֽתִּי
(hishbati)
Ik heb laten ophouden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.

Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran.

Uitleg

חָזוּת (chazut), ‘visioen’: iets dat de profeet te zien krijgt.

Het is hard, want het kondigt verraad en verwoesting aan.

עֵילָם (Elam) en מָדַי (Madai), ‘Medië’: twee volken ten oosten van Babel. Zij worden opgeroepen om Babel aan te vallen.

כָּל אַנְחָתָהּ (kol anachatah), ‘al haar zuchten’: de zuchten van de volken die door haar werden onderdrukt. Wie met ‘haar’ bedoeld is, zegt het vers niet; vers 9 noemt Babel.

Het Hebreeuws zegt niet wie ‘Ik’ is in de laatste zin: Yahweh of de profeet. Wij kiezen Yahweh, omdat Hij een einde maakt aan het onrecht van een volk. Daarom staat de zin rood.

3Daarom zijn mijn heupen vol pijn. Weeën hebben mij gegrepen, als de weeën van een barende vrouw. Ik ben ineengekrompen door wat ik hoor en ontsteld door wat ik zie.
עַל
(al)
op grond
כֵּ֗ן
(ken)
hiervan
מָלְא֤וּ
(maleu)
zijn gevuld
מָתְנַי֙
(matenay)
mijn heupen
חַלְחָלָ֔ה
(chalchala)
met pijn
צִירִ֣ים
(tsirim)
weeën
אֲחָז֔וּנִי
(achazuni)
hebben mij gegrepen
כְּצִירֵ֖י
(ketsirei)
als de weeën van
יֽוֹלֵדָ֑ה
(yoleda)
een barende vrouw
נַעֲוֵ֣יתִי
(naaveiti)
ik ben ineengekrompen
מִשְּׁמֹ֔עַ
(mishemoa)
van horen
נִבְהַ֖לְתִּי
(nivhalti)
ik ben ontsteld
מֵרְאֽוֹת
(mereot)
van zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָתְנַיִם (motnayim), ‘heupen’: de streek van het lichaam waar men pijn voelt.

Zie ook 20:2.

צִירִים (tsirim), ‘weeën’: de pijn van een barende vrouw. Het is een beeld voor heftige angst.

4Mijn hart dwaalt, siddering overvalt mij. De schemering waar ik naar verlangde, is mij tot huivering gemaakt.
תָּעָ֣ה
(taa)
dwaalt
לְבָבִ֔י
(levavi)
mijn hart
פַּלָּצ֖וּת
(palatsut)
siddering
בִּֽעֲתָ֑תְנִי
(biatateni)
overvalt mij
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
נֶ֣שֶׁף
(neshef)
schemering van
חִשְׁקִ֔י
(chishqi)
mijn verlangen
שָׂ֥ם
(sam)
is gemaakt
לִ֖י
(li)
mij
לַחֲרָדָֽה
(lacharada)
tot huivering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶשֶׁף חִשְׁקִי (neshef chishqi), ‘de schemering waar ik naar verlangde’: letterlijk ‘de schemering van mijn verlangen’.

De schemering, de tijd van rust, wordt voor de profeet een tijd van huivering.

5Dek de tafel! Spreid het kleed uit! Eet, drink! Sta op, aanvoerders, zalf het schild!
עָרֹ֧ךְ
(arokh)
dek
הַשֻּׁלְחָ֛ן
(hashulchan)
de tafel
צָפֹ֥ה
(tsafo)
spreid uit
הַצָּפִ֖ית
(hatsafit)
het kleed
אָכ֣וֹל
(akhol)
eet
שָׁתֹ֑ה
(shato)
drink
ק֥וּמוּ
(qumu)
sta op
הַשָּׂרִ֖ים
(hasarim)
aanvoerders
מִשְׁח֥וּ
(mishchu)
zalf
מָגֵֽן
(magen)
het schild
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָפֹה הַצָּפִית (tsafoh hatsafit), ‘spreid het kleed uit’: het woord צָפִית (tsafit) komt alleen hier voor.

De betekenis is onzeker.

Lezing

Het werkwoord צָפָה (tsafah) kan ook ‘de wacht houden’ betekenen.

Dan zou het vers luiden: ‘Dek de tafel!

Houd de wacht!’

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Wij kiezen het maal, omdat de zin zo past bij ‘eet, drink’.

Dat de feestvierders dan plotseling tot de wapens worden geroepen, vormt de wending van dit vers.

מִשְׁחוּ מָגֵן (mishchu magen), ‘zalf het schild’: een leren schild werd met olie ingewreven om het soepel te maken voor de strijd.

De wachter

6Want zo heeft de Heer tegen mij gezegd: „Ga, zet een wachter neer. Wat hij ziet, moet hij melden.”
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֛ר
(amar)
heeft gezegd
אֵלַ֖י
(elay)
tegen mij
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
de Heer
לֵ֚ךְ
(lekh)
ga
הַעֲמֵ֣ד
(haamed)
zet neer
הַֽמְצַפֶּ֔ה
(hamtsape)
de wachter
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
יִרְאֶ֖ה
(yire)
hij ziet
יַגִּֽיד
(yagid)
hij meldt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: de titel staat hier zonder de naam Yahweh.

Wij vertalen ‘de Heer’.

De opdracht aan de profeet is een woord van Yahweh en staat rood.

7Hij ziet een wagen met een span ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kamelen. Hij luistert aandachtig, heel aandachtig.
וְרָ֣אָה
(veraa)
en hij ziet
רֶ֗כֶב
(rekhev)
wagen
צֶ֚מֶד
(tsemed)
span van
פָּֽרָשִׁ֔ים
(parashim)
ruiters
רֶ֥כֶב
(rekhev)
wagen
חֲמ֖וֹר
(chamor)
ezel
רֶ֣כֶב
(rekhev)
wagen
גָּמָ֑ל
(gamal)
kameel
וְהִקְשִׁ֥יב
(vehiqshiv)
en hij luistert
קֶ֖שֶׁב
(qeshev)
aandachtig
רַב
(rav)
veel
קָֽשֶׁב
(qashev)
aandacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֶכֶב (rekhev), ‘wagen’: een wagen of wagenstoet.

De tekst legt niet uit wie in die wagens zitten.

Het zijn mogelijk de legers die Babel aanvallen.

Dat is niet zeker.

8Toen riep hij als een leeuw: „Mijn Heer, overdag sta ik voortdurend op de uitkijk, en elke nacht blijf ik op mijn wachtpost staan.
וַיִּקְרָ֖א
(vayiqra)
en hij riep
אַרְיֵ֑ה
(arye)
een leeuw
עַל
(al)
op
מִצְפֶּ֣ה
(mitspe)
de uitkijk
אֲדֹנָ֗י
(adonay)
mijn Heer
אָנֹכִ֞י
(anokhi)
ik
עֹמֵ֤ד
(omed)
sta
תָּמִיד֙
(tamid)
voortdurend
יוֹמָ֔ם
(yomam)
overdag
וְעַל
(veal)
en op
מִ֨שְׁמַרְתִּ֔י
(mishmarti)
mijn wachtpost
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
נִצָּ֖ב
(nitsav)
blijf staan
כָּל
(kal)
alle
הַלֵּילֽוֹת
(haleilot)
nachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: de wachter spreekt Yahweh aan.

אַרְיֵה (aryeh), ‘leeuw’: letterlijk staat er ‘Hij riep: een leeuw’. Wij lezen ‘Hij riep als een leeuw’, dat wil zeggen: luid en krachtig. Het woord ‘als’ is onze toevoeging.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen hier anders.

9En zie, daar komt een man in een wagen, een span ruiters.” Hij antwoordde en zei: „Gevallen, gevallen is Babel! Alle gesneden beelden van haar goden zijn tegen de grond stukgeslagen.”
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
זֶ֥ה
(ze)
daar
בָא֙
(ba)
komt
רֶ֣כֶב
(rekhev)
wagen van
אִ֔ישׁ
(ish)
man
צֶ֖מֶד
(tsemed)
span van
פָּֽרָשִׁ֑ים
(parashim)
ruiters
וַיַּ֣עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
נָפְלָ֤ה
(nafela)
gevallen
נָֽפְלָה֙
(nafela)
gevallen
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וְכָל
(vekhal)
en alle
פְּסִילֵ֥י
(pesilei)
gesneden beelden van
אֱלֹהֶ֖יהָ
(eloheiha)
haar goden
שִׁבַּ֥ר
(shibar)
heeft verbrijzeld
לָאָֽרֶץ
(laarets)
op de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt niet wie ‘antwoordde’: de wachter of de man in de wagen.

Ook loopt de roep van de wachter door in de eerste helft van dit vers.

Wij laten het open.

נָפְלָה נָפְלָה בָּבֶל (naflah naflah Bavel), ‘Gevallen, gevallen is Babel’: de herhaling maakt de val zeker. Zie ook Openb. 14:8 en 18:2.

שִׁבַּר (shibber), ‘zijn stukgeslagen’: het werkwoord staat in de derde persoon enkelvoud, zonder genoemd onderwerp. Wij vertalen met ‘zijn … stukgeslagen’.

פְּסִילֵי (pesilei), ‘gesneden beelden’: afgodsbeelden, uit hout of steen gesneden.

10Mijn gedorste, zoon van mijn dorsvloer! Wat ik van Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël, heb gehoord, heb ik jullie verteld.
מְדֻשָׁתִ֖י
(medushati)
mijn gedorste
וּבֶן
(uven)
en zoon van
גָּרְנִ֑י
(gareni)
mijn dorsvloer
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
שָׁמַ֗עְתִּי
(shamati)
ik heb gehoord
מֵאֵ֨ת
(meet)
van
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֛וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
הִגַּ֥דְתִּי
(higadti)
ik heb verteld
לָכֶֽם
(lakhem)
aan jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְדֻשָׁתִי (medushati), ‘mijn gedorste’, en בֶּן גָּרְנִי (ben gorni), ‘zoon van mijn dorsvloer’: Israël wordt geslagen als graan op de dorsvloer.

Wie aangesproken wordt, noemt het vers niet; het kan Israël of Juda zijn.

Het gaat om het volk van de profeet.

De profeet geeft door wat hij van Yahweh heeft gehoord.

Last over Duma

11Last over Duma. Iemand roept mij toe uit Seïr: „Wachter, hoe staat het met de nacht? Wachter, hoe staat het met de nacht?”
מַשָּׂ֖א
(masa)
last van
דּוּמָ֑ה
(duma)
Duma
אֵלַי֙
(elay)
tot mij
קֹרֵ֣א
(qore)
iemand roept
מִשֵּׂעִ֔יר
(miseir)
uit Seïr
שֹׁמֵר֙
(shomer)
wachter
מַה
(ma)
wat
מִלַּ֔יְלָה
(milayla)
van de nacht
שֹׁמֵ֖ר
(shomer)
wachter
מַה
(ma)
wat
מִלֵּֽיל
(mileil)
van de nacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Duma (Dumat al-Jandal?; ligging onzeker): De ligging van Duma is onzeker.

Meestal wordt gedacht aan Dumat al-Jandal, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië.

Zie Seïr (Edom): Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

דּוּמָה (Dumah), ‘Duma’: een naam die ook ‘stilte’ betekent.

Duma was een zoon van Ismaël (Gen. 25:14) en de naam van een oase of streek in Arabië.

De tekst noemt Seïr, het bergland van Edom.

De ligging van Duma is onzeker.

שֹׁמֵר (shomer), ‘wachter’: iemand die op de uitkijk staat. De vraag ‘wat van de nacht?’ betekent: hoe lang duurt het nog tot de morgen?

12De wachter zei: „De morgen komt, en ook de nacht. Als jullie willen vragen, vraag dan. Keer terug, kom!”
אָמַ֣ר
(amar)
zei
שֹׁמֵ֔ר
(shomer)
de wachter
אָתָ֥ה
(ata)
komt
בֹ֖קֶר
(boqer)
morgen
וְגַם
(vegam)
en ook
לָ֑יְלָה
(layela)
nacht
אִם
(im)
als
תִּבְעָי֥וּן
(tivayun)
jullie willen vragen
בְּעָ֖יוּ
(beayu)
vraag
שֻׁ֥בוּ
(shuvu)
keer terug
אֵתָֽיוּ
(etayu)
kom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De wachter geeft een raadselachtig antwoord: de morgen komt, maar ook weer een nacht.

Dat kan betekenen dat er bevrijding komt en daarna weer onheil.

Wij laten het raadsel staan.

Last over Arabië

13Last over Arabië. In het struikgewas van Arabië zullen jullie overnachten, karavanen van Dedan.
מַשָּׂ֖א
(masa)
last van
בַּעְרָ֑ב
(barav)
Arabië
בַּיַּ֤עַר
(bayaar)
in het struikgewas
בַּעְרַב֙
(barav)
van Arabië
תָּלִ֔ינוּ
(talinu)
jullie zullen overnachten
אֹֽרְח֖וֹת
(orechot)
karavanen van
דְּדָנִֽים
(dedanim)
Dedan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Arabië (ongeveer): Arabië is het woestijngebied ten oosten en zuiden van Israël.

De grenzen zijn niet scherp te trekken.

Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute.

Uitleg

בַּעְרָב (ba’arav), ‘in Arabië’: dezelfde medeklinkers kunnen ook ‘in de avond’ betekenen (ba’erev).

Misschien speelt de profeet met die twee woorden.

Wij vertalen ‘Arabië’.

דְּדָנִים (Dedanim), ‘Dedan’: de Dedanieten, een handelsvolk in Arabië (Gen. 25:3). Hun karavanen moeten uitwijken in het struikgewas.

14Kom de dorstige tegemoet. Breng water, bewoners van het land Tema. Ga de vluchteling tegemoet met brood voor hem.
לִקְרַ֥את
(liqrat)
om te ontmoeten
צָמֵ֖א
(tsame)
dorstige
הֵתָ֣יוּ
(hetayu)
breng
מָ֑יִם
(mayim)
water
יֹשְׁבֵי֙
(yoshevei)
bewoners van
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land
תֵּימָ֔א
(teima)
Tema
בְּלַחְמ֖וֹ
(belachmo)
met zijn brood
קִדְּמ֥וּ
(qidemu)
ontmoet
נֹדֵֽד
(noded)
vluchteling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tema: Tema (nu Tayma) is een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, op de karavaanroute.

Uitleg

תֵּימָא (Teima), ‘Tema’: een oase in het noorden van Arabië.

Tema was een zoon van Ismaël (Gen. 25:15).

בְּלַחְמוֹ (belachmo), ‘met brood voor hem’: letterlijk ‘met zijn brood’. Het brood is voor de vluchteling bestemd.

15Want zij zijn gevlucht voor de zwaarden, voor het getrokken zwaard, voor de gespannen boog en voor de zwaarte van de oorlog.
כִּֽי
(ki)
want
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
חֲרָב֖וֹת
(charavot)
zwaarden
נָדָ֑דוּ
(nadadu)
zijn zij gevlucht
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor
חֶ֣רֶב
(cherev)
zwaard
נְטוּשָׁ֗ה
(netusha)
getrokken
וּמִפְּנֵי֙
(umipenei)
en voor
קֶ֣שֶׁת
(qeshet)
boog
דְּרוּכָ֔ה
(derukha)
gespannen
וּמִפְּנֵ֖י
(umipenei)
en voor
כֹּ֥בֶד
(koved)
zwaarte van
מִלְחָמָֽה
(milchama)
oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶרֶב נְטוּשָׁה (cherev netushah), ‘het getrokken zwaard’: letterlijk ‘het verlaten zwaard’.

Het bijvoeglijk naamwoord betekent ‘losgelaten’ of ‘uit de schede genomen’.

De betekenis is niet helemaal zeker.

כֹּבֶד מִלְחָמָה (kovod milchamah), ‘de zwaarte van de oorlog’: hetzelfde woord als ‘luister’ in vers 16, maar hier in zijn betekenis ‘gewicht’.

16Want zo heeft de Heer tegen mij gezegd: „Binnen een jaar, zoals de jaren van een loonarbeider, zal alle luister van Kedar voorbij zijn.
כִּי
(ki)
want
כֹ֛ה
(ko)
zo
אָמַ֥ר
(amar)
heeft gezegd
אֲדֹנָ֖י
(adonay)
tegen mij
אֵלָ֑י
(elay)
de Heer
בְּע֤וֹד
(beod)
binnen
שָׁנָה֙
(shana)
een jaar
כִּשְׁנֵ֣י
(kishnei)
als de jaren van
שָׂכִ֔יר
(sakhir)
een loonarbeider
וְכָלָ֖ה
(vekhala)
en zal voorbij zijn
כָּל
(kal)
alle
כְּב֥וֹד
(kevod)
luister van
קֵדָֽר
(qedar)
Kedar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië.

De precieze ligging is niet zeker.

Uitleg

כִּשְׁנֵי שָׂכִיר (kishnei sakhir), ‘zoals de jaren van een loonarbeider’: een loonarbeider telt zijn tijd precies en laat niets over.

Het jaar is dus nauwkeurig een jaar.

קֵדָר (Qedar), ‘Kedar’: een volk van nomaden in het noorden van Arabië, een zoon van Ismaël (Gen. 25:13).

17De overgeblevenen van het aantal bogen, de helden van de zonen van Kedar, zullen weinig zijn.” Want Yahweh, de Elohim van Israël, heeft gesproken.
וּשְׁאָ֧ר
(ushear)
en de overgeblevenen van
מִסְפַּר
(mispar)
aantal van
קֶ֛שֶׁת
(qeshet)
bogen
גִּבּוֹרֵ֥י
(giborei)
helden van
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
קֵדָ֖ר
(qedar)
Kedar
יִמְעָ֑טוּ
(yimatu)
zullen weinig zijn
כִּ֛י
(ki)
want
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
דִּבֵּֽר
(diber)
heeft gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië.

De precieze ligging is niet zeker.

Uitleg

שְׁאָר (she’ar), ‘de overgeblevenen’: wie na de strijd overblijft.

קֶשֶׁת (qeshet), ‘boog’: hier met de betekenis ‘boogschutters’; de bogen staan voor wie ze hanteren. Wij houden het woord ‘bogen’.

De slotzin is een woord van de profeet over Yahweh in de derde persoon en staat zwart.