Jesaja 21
Drie lasten: de woestijn van de zee, Duma en Arabië
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Last over de woestijn van de zee
Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.
מַשָּׂא (massa), ‘last’: zie 13:1.
מִדְבַּר יָם (midbar yam), ‘woestijn van de zee’: het vers noemt geen plaats. Vers 9 noemt Babel; daarom denken veel lezers aan Babel. Dat is onzeker. Wij laten de naam letterlijk staan.
כְּסוּפוֹת (kesufot), ‘stormwinden’: winden die met kracht voortrazen, zoals in de Negev, het droge zuiden van Juda.
Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran.
חָזוּת (chazut), ‘visioen’: iets dat de profeet te zien krijgt.
Het is hard, want het kondigt verraad en verwoesting aan.
עֵילָם (Elam) en מָדַי (Madai), ‘Medië’: twee volken ten oosten van Babel. Zij worden opgeroepen om Babel aan te vallen.
כָּל אַנְחָתָהּ (kol anachatah), ‘al haar zuchten’: de zuchten van de volken die door haar werden onderdrukt. Wie met ‘haar’ bedoeld is, zegt het vers niet; vers 9 noemt Babel.
Het Hebreeuws zegt niet wie ‘Ik’ is in de laatste zin: Yahweh of de profeet. Wij kiezen Yahweh, omdat Hij een einde maakt aan het onrecht van een volk. Daarom staat de zin rood.
נֶשֶׁף חִשְׁקִי (neshef chishqi), ‘de schemering waar ik naar verlangde’: letterlijk ‘de schemering van mijn verlangen’.
De schemering, de tijd van rust, wordt voor de profeet een tijd van huivering.
צָפֹה הַצָּפִית (tsafoh hatsafit), ‘spreid het kleed uit’: het woord צָפִית (tsafit) komt alleen hier voor.
De betekenis is onzeker.
Het werkwoord צָפָה (tsafah) kan ook ‘de wacht houden’ betekenen.
Dan zou het vers luiden: ‘Dek de tafel!
Houd de wacht!’
Sommige oude vertalingen lezen anders.
Wij kiezen het maal, omdat de zin zo past bij ‘eet, drink’.
Dat de feestvierders dan plotseling tot de wapens worden geroepen, vormt de wending van dit vers.
מִשְׁחוּ מָגֵן (mishchu magen), ‘zalf het schild’: een leren schild werd met olie ingewreven om het soepel te maken voor de strijd.
De wachter
אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: de titel staat hier zonder de naam Yahweh.
Wij vertalen ‘de Heer’.
De opdracht aan de profeet is een woord van Yahweh en staat rood.
אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: de wachter spreekt Yahweh aan.
אַרְיֵה (aryeh), ‘leeuw’: letterlijk staat er ‘Hij riep: een leeuw’. Wij lezen ‘Hij riep als een leeuw’, dat wil zeggen: luid en krachtig. Het woord ‘als’ is onze toevoeging.
Sommige oude vertalingen lezen hier anders.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Het Hebreeuws zegt niet wie ‘antwoordde’: de wachter of de man in de wagen.
Ook loopt de roep van de wachter door in de eerste helft van dit vers.
Wij laten het open.
נָפְלָה נָפְלָה בָּבֶל (naflah naflah Bavel), ‘Gevallen, gevallen is Babel’: de herhaling maakt de val zeker. Zie ook Openb. 14:8 en 18:2.
שִׁבַּר (shibber), ‘zijn stukgeslagen’: het werkwoord staat in de derde persoon enkelvoud, zonder genoemd onderwerp. Wij vertalen met ‘zijn … stukgeslagen’.
פְּסִילֵי (pesilei), ‘gesneden beelden’: afgodsbeelden, uit hout of steen gesneden.
מְדֻשָׁתִי (medushati), ‘mijn gedorste’, en בֶּן גָּרְנִי (ben gorni), ‘zoon van mijn dorsvloer’: Israël wordt geslagen als graan op de dorsvloer.
Wie aangesproken wordt, noemt het vers niet; het kan Israël of Juda zijn.
Het gaat om het volk van de profeet.
De profeet geeft door wat hij van Yahweh heeft gehoord.
Last over Duma
Zie Duma (Dumat al-Jandal?; ligging onzeker): De ligging van Duma is onzeker.
Meestal wordt gedacht aan Dumat al-Jandal, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië.
Zie Seïr (Edom): Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
דּוּמָה (Dumah), ‘Duma’: een naam die ook ‘stilte’ betekent.
Duma was een zoon van Ismaël (Gen. 25:14) en de naam van een oase of streek in Arabië.
De tekst noemt Seïr, het bergland van Edom.
De ligging van Duma is onzeker.
שֹׁמֵר (shomer), ‘wachter’: iemand die op de uitkijk staat. De vraag ‘wat van de nacht?’ betekent: hoe lang duurt het nog tot de morgen?
De wachter geeft een raadselachtig antwoord: de morgen komt, maar ook weer een nacht.
Dat kan betekenen dat er bevrijding komt en daarna weer onheil.
Wij laten het raadsel staan.
Last over Arabië
Zie Arabië (ongeveer): Arabië is het woestijngebied ten oosten en zuiden van Israël.
De grenzen zijn niet scherp te trekken.
Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute.
בַּעְרָב (ba’arav), ‘in Arabië’: dezelfde medeklinkers kunnen ook ‘in de avond’ betekenen (ba’erev).
Misschien speelt de profeet met die twee woorden.
Wij vertalen ‘Arabië’.
דְּדָנִים (Dedanim), ‘Dedan’: de Dedanieten, een handelsvolk in Arabië (Gen. 25:3). Hun karavanen moeten uitwijken in het struikgewas.
Zie Tema: Tema (nu Tayma) is een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, op de karavaanroute.
תֵּימָא (Teima), ‘Tema’: een oase in het noorden van Arabië.
Tema was een zoon van Ismaël (Gen. 25:15).
בְּלַחְמוֹ (belachmo), ‘met brood voor hem’: letterlijk ‘met zijn brood’. Het brood is voor de vluchteling bestemd.
חֶרֶב נְטוּשָׁה (cherev netushah), ‘het getrokken zwaard’: letterlijk ‘het verlaten zwaard’.
Het bijvoeglijk naamwoord betekent ‘losgelaten’ of ‘uit de schede genomen’.
De betekenis is niet helemaal zeker.
כֹּבֶד מִלְחָמָה (kovod milchamah), ‘de zwaarte van de oorlog’: hetzelfde woord als ‘luister’ in vers 16, maar hier in zijn betekenis ‘gewicht’.
Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië.
De precieze ligging is niet zeker.
כִּשְׁנֵי שָׂכִיר (kishnei sakhir), ‘zoals de jaren van een loonarbeider’: een loonarbeider telt zijn tijd precies en laat niets over.
Het jaar is dus nauwkeurig een jaar.
קֵדָר (Qedar), ‘Kedar’: een volk van nomaden in het noorden van Arabië, een zoon van Ismaël (Gen. 25:13).
Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië.
De precieze ligging is niet zeker.
שְׁאָר (she’ar), ‘de overgeblevenen’: wie na de strijd overblijft.
קֶשֶׁת (qeshet), ‘boog’: hier met de betekenis ‘boogschutters’; de bogen staan voor wie ze hanteren. Wij houden het woord ‘bogen’.
De slotzin is een woord van de profeet over Yahweh in de derde persoon en staat zwart.