Elohim Bijbel

1 Kronieken 1

1234567891011121314151617181920212223242526272829

Van Adam tot de stamhoofden van Edom

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Van Adam tot de zonen van Noach

1Adam, Seth, Enosh,
אָדָ֥ם
(adam)
Adam
שֵׁ֖ת
(shet)
Seth
אֱנֽוֹשׁ
(enosh)
Enosh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In deze verzen staat alleen een rij namen, zonder ‘zoon van’ of ‘werd de vader van’.

Wij laten de rij zoals zij is.

Dezelfde namen staan in Gen. 5:3–32, daar met de woorden die de verwantschap aanduiden.

De lijst in dit hoofdstuk loopt grotendeels gelijk met Genesis. Waar de Hebreeuwse spelling van een naam in Kronieken afwijkt van Genesis, houden wij de vorm van Kronieken en noemen wij de vorm uit Genesis in een voetnoot.

2Kenan, Mahalalël, Jered,
קֵינָ֥ן
(qeinan)
Kenan
מַהֲלַלְאֵ֖ל
(mahalalel)
Mahalalël
יָֽרֶד
(yared)
Jered
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Henoch, Metuselach, Lemech,
חֲנ֥וֹךְ
(chanokh)
Henoch
מְתוּשֶׁ֖לַח
(metushelach)
Metuselach
לָֽמֶךְ
(lamekh)
Lemech
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Noach, Sem, Cham en Jafeth.
נֹ֥חַ
(noach)
Noach
שֵׁ֖ם
(shem)
Sem
חָ֥ם
(cham)
Cham
וָיָֽפֶת
(vayafet)
en Jafeth
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zonen van Jafeth

5De zonen van Jafeth waren Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras.
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יֶ֔פֶת
(yefet)
Jafeth
גֹּ֣מֶר
(gomer)
Gomer
וּמָג֔וֹג
(umagog)
en Magog
וּמָדַ֖י
(umaday)
en Madai
וְיָוָ֣ן
(veyavan)
en Javan
וְתֻבָ֑ל
(vetuval)
en Tubal
וּמֶ֖שֶׁךְ
(umeshekh)
en Mesech
וְתִירָֽס
(vetiras)
en Tiras
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verzen 5–23 lopen parallel met Gen. 10:2–29.

Kronieken laat de verhalende toevoegingen van Genesis weg en geeft alleen de namen.

6De zonen van Gomer waren Askenaz, Difat en Togarma.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en de zonen van
גֹּ֑מֶר
(gomer)
Gomer
אַשְׁכֲּנַ֥ז
(ashkanaz)
Askenaz
וְדִיפַ֖ת
(vedifat)
en Difat
וְתוֹגַרְמָֽה
(vetogarma)
en Togarma
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִיפַת (Difat): in Gen. 10:3 staat רִיפַת (Rifat).

De Hebreeuwse letters dalet (ד) en resh (ר) lijken sterk op elkaar.

Wij houden de vorm van Kronieken.

Zie ookGen 10:3
7De zonen van Javan waren Elisa, Tarsis, de Kittim en de Rodanim.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
יָוָ֖ן
(yavan)
Javan
אֱלִישָׁ֣ה
(elisha)
Elisa
וְתַרְשִׁ֑ישָׁה
(vetarshisha)
en Tarsis
כִּתִּ֖ים
(kitim)
Kittim
וְרוֹדָנִֽים
(verodanim)
en Rodanim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוֹדָנִים (Rodanim): in Gen. 10:4 staat דֹּדָנִים (Dodanim).

Ook hier lijken de letters ד en ר op elkaar.

Wij houden de vorm van Kronieken.

תַּרְשִׁישָׁה (Tarsis): hier met de uitgang ־ָה (-ah); in Gen. 10:4 staat תַּרְשִׁישׁ. Het is dezelfde naam.

De zonen van Cham

8De zonen van Cham waren Kush, Misraïm, Put en Kanaän.
בְּנֵ֖י
(benei)
de zonen van
חָ֑ם
(cham)
Cham
כּ֥וּשׁ
(kush)
Kush
וּמִצְרַ֖יִם
(umitsrayim)
en Misraïm
פּ֥וּט
(put)
Put
וּכְנָֽעַן
(ukhenaan)
en Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9De zonen van Kush waren Seba, Havila, Sabta, Raäma en Sabteka. De zonen van Raäma waren Sjeba en Dedan.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
כ֔וּשׁ
(kush)
Kush
סְבָא֙
(seva)
Seba
וַחֲוִילָ֔ה
(vachavila)
en Havila
וְסַבְתָּ֥א
(vesavta)
en Sabta
וְרַעְמָ֖א
(verama)
en Raäma
וְסַבְתְּכָ֑א
(vesavtekha)
en Sabteka
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
רַעְמָ֖א
(rama)
Raäma
שְׁבָ֥א
(sheva)
Sjeba
וּדְדָֽן
(udedan)
en Dedan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְבָא (Seba) en שְׁבָא (Sjeba) zijn twee verschillende namen.

De naam Sjeba komt in dit hoofdstuk drie keer voor: hier als zoon van Raäma, in vers 22 als zoon van Joktan en in vers 32 als zoon van Joksjan.

Vergelijk Gen. 10:7, 10:28 en 25:3.

10Kush werd de vader van Nimrod. Hij begon een held te zijn op de aarde.
וְכ֖וּשׁ
(vekhush)
en Kush
יָלַ֣ד
(yalad)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
נִמְר֑וֹד
(nimrod)
Nimrod
ה֣וּא
(hu)
hij
הֵחֵ֔ל
(hechel)
begon
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
גִּבּ֖וֹר
(gibor)
held
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
op de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּבּוֹר (gibbor), ‘held’: iemand met kracht en gezag.

Gen. 10:8–12 vertelt veel meer over Nimrod: dat hij een machtig jager was en welke steden zijn koninkrijk vormden.

Kronieken noemt alleen dat hij begon een held te zijn.

11Misraïm werd de vader van de Ludim, de Anamim, de Lehabim en de Naftuchim,
וּמִצְרַ֡יִם
(umitsrayim)
en Misraïm
יָלַ֞ד
(yalad)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
לוּדִ֧ים
(ludim)
de Ludim
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲנָמִ֛ים
(anamim)
de Anamim
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
לְהָבִ֖ים
(lehavim)
de Lehabim
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נַפְתֻּחִֽים
(naftuchim)
de Naftuchim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft לודיים (Ludijim), de gelezen tekst (qere) לוּדִים (Ludim).

Wij volgen de qere.

Zo staat het ook in Gen. 10:13.

12de Patrusim, de Kasluchim, waaruit de Filistijnen zijn voortgekomen, en de Kaftorim.
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
פַּתְרֻסִ֞ים
(patrusim)
de Patrusim
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כַּסְלֻחִ֗ים
(kasluchim)
de Kasluchim
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יָצְא֥וּ
(yatseu)
zijn uitgegaan
מִשָּׁ֛ם
(misham)
vandaar
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
Filistijnen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כַּפְתֹּרִֽים
(kaftorim)
de Kaftorim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kaftor (כַּפְתּוֹר) ligt waarschijnlijk in of bij de Egeïsche Zee; vaak wordt aan Kreta gedacht.

De ligging is onzeker.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

De Filistijnen worden hier afgeleid van de Kasluchim, zoals in Gen. 10:14.

Elders komen zij uit Kaftor (Amos 9:7; Jer. 47:4).

De tekst legt niet uit hoe deze twee aanduidingen samengaan.

13Kanaän werd de vader van Sidon, zijn eerstgeborene, en van Het,
וּכְנַ֗עַן
(ukhenaan)
en Kanaän
יָלַ֛ד
(yalad)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
צִיד֥וֹן
(tsidon)
Sidon
בְּכֹר֖וֹ
(bekhoro)
zijn eerstgeborene
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֵֽת
(chet)
Het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sidon (צִידוֹן) was een havenstad aan de kust van het huidige Libanon (Saïda).

Uitleg

חֵת (Het) is de stamvader van de Hetieten.

Zie Gen. 10:15.

14de Jebusiet, de Amoriet en de Girgasiet,
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיְבוּסִי֙
(hayvusi)
de Jebusiet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָ֣אֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amoriet
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
הַגִּרְגָּשִֽׁי
(hagirgashi)
de Girgasiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15de Chiviet, de Arkiet en de Siniet,
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחִוִּ֥י
(hachivi)
de Chiviet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַֽעַרְקִ֖י
(haarqi)
de Arkiet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַסִּינִֽי
(hasini)
de Siniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16de Arvadiet, de Zemariet en de Chamatiet.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאַרְוָדִ֥י
(haarvadi)
de Arvadiet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַצְּמָרִ֖י
(hatsemari)
de Zemariet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַֽחֲמָתִֽי
(hachamati)
de Chamatiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zonen van Sem

17De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arpachsad, Lud, Aram, Us, Chul, Gether en Mesech.
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
שֵׁ֔ם
(shem)
Sem
עֵילָ֣ם
(eilam)
Elam
וְאַשּׁ֔וּר
(veashur)
en Assur
וְאַרְפַּכְשַׁ֖ד
(vearpakhshad)
en Arpachsad
וְל֣וּד
(velud)
en Lud
וַאֲרָ֑ם
(vaaram)
en Aram
וְע֥וּץ
(veuts)
en Us
וְח֖וּל
(vechul)
en Chul
וְגֶ֥תֶר
(vegeter)
en Gether
וָמֶֽשֶׁךְ
(vameshekh)
en Mesech
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gen. 10:22 noemt vijf zonen van Sem: Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram.

In Gen. 10:23 volgen dan Us, Chul, Gether en Mas als zonen van Aram.

Kronieken zet alle negen namen achter elkaar, zonder te zeggen dat de laatste vier zonen van Aram zijn.

Wij vertalen letterlijk.

Lezing

De laatste naam is hier מֶשֶׁךְ (Mesech), dezelfde schrijfwijze als bij de zoon van Jafeth in vers 5.

In Gen. 10:23 staat מַשׁ (Mas).

Wij volgen de Masoretische tekst.

18Arpachsad werd de vader van Selach, en Selach werd de vader van Eber.
וְאַרְפַּכְשַׁ֖ד
(vearpakhshad)
en Arpachsad
יָלַ֣ד
(yalad)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁ֑לַח
(shalach)
Selach
וְשֶׁ֖לַח
(veshelach)
en Selach
יָלַ֥ד
(yalad)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עֵֽבֶר
(ever)
Eber
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In deze lijst volgt Selach direct op Arpachsad, zoals ook in Gen. 10:24 en 11:12.

Lukas 3:35–36 noemt tussen Arpachsad en Selach nog een Kainam.

19Aan Eber werden twee zonen geboren. De naam van de ene was Peleg, want in zijn dagen werd de aarde verdeeld. De naam van zijn broer was Joktan.
וּלְעֵ֥בֶר
(uleever)
en aan Eber
יֻלַּ֖ד
(yulad)
werden geboren
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee van
בָנִ֑ים
(banim)
zonen
שֵׁ֣ם
(shem)
de naam van
הָאֶחָ֞ד
(haechad)
de ene
פֶּ֗לֶג
(peleg)
Peleg
כִּ֤י
(ki)
want
בְיָמָיו֙
(beyamav)
in zijn dagen
נִפְלְגָ֣ה
(niflega)
werd verdeeld
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
אָחִ֖יו
(achiv)
zijn broer
יָקְטָֽן
(yaqetan)
Joktan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּלֶג (Peleg), ‘verdeling’: de naam hoort bij het werkwoord נִפְלְגָה (niflegah), ‘werd verdeeld’.

Zie ook Gen. 10:25 en 11:16–19.

Het Hebreeuwse woord הָאָרֶץ (ha’arets) kan ‘de aarde’ of ‘het land’ betekenen.

Wij vertalen zoals in Gen. 10:25.

20Joktan werd de vader van Almodad, Sjelef, Chazarmaveth, Jerach,
וְיָקְטָ֣ן
(veyaqetan)
en Joktan
יָלַ֔ד
(yalad)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
אַלְמוֹדָ֖ד
(almodad)
Almodad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שָׁ֑לֶף
(shalef)
Sjelef
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֲצַרְמָ֖וֶת
(chatsarmavet)
Chazarmaveth
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יָֽרַח
(yarach)
Jerach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Hadoram, Uzal, Dikla,
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הֲדוֹרָ֥ם
(hadoram)
Hadoram
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אוּזָ֖ל
(uzal)
Uzal
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דִּקְלָֽה
(diqla)
Dikla
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Ebal, Abimaël, Sjeba,
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֵיבָ֥ל
(eival)
Ebal
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲבִימָאֵ֖ל
(avimael)
Abimaël
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁבָֽא
(sheva)
Sjeba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵיבָל (Ebal): in Gen. 10:28 staat עוֹבָל (Obal).

Wij houden de vorm van Kronieken.

Dezelfde schrijfwijze Ebal komt ook voor in vers 40 (een zoon van Sobal).

23Ofir, Havila en Jobab. Al deze waren zonen van Joktan.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אוֹפִ֥יר
(ofir)
Ofir
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֲוִילָ֖ה
(chavila)
Havila
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יוֹבָ֑ב
(yovav)
Jobab
כָּל
(kal)
al
אֵ֖לֶּה
(ele)
deze
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יָקְטָֽן
(yaqetan)
Joktan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Van Sem tot Abraham

24Sem, Arpachsad, Selach,
שֵׁ֥ם
(shem)
Sem
אַרְפַּכְשַׁ֖ד
(arpakhshad)
Arpachsad
שָֽׁלַח
(shalach)
Selach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verzen 24–27 vatten de lijn van Sem tot Abraham samen.

Vergelijk Gen. 11:10–26.

25Eber, Peleg, Reü,
עֵ֥בֶר
(ever)
Eber
פֶּ֖לֶג
(peleg)
Peleg
רְעֽוּ
(reu)
Reü
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookLuc 3:35
26Serug, Nachor, Terach,
שְׂר֥וּג
(serug)
Serug
נָח֖וֹר
(nachor)
Nachor
תָּֽרַח
(tarach)
Terach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Abram, hij is Abraham.
אַבְרָ֖ם
(avram)
Abram
ה֥וּא
(hu)
hij
אַבְרָהָֽם
(avraham)
Abraham
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Abram heet Abraham sinds Gen. 17:5.

De zonen van Abraham

28De zonen van Abraham waren Isaak en Ismaël.
בְּנֵי֙
(benei)
de zonen van
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
יִצְחָ֖ק
(yitschaq)
Isaak
וְיִשְׁמָעֵֽאל
(veyishmael)
en Ismaël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Dit is hun geschiedenis: Nebajot was de eerstgeborene van Ismaël, dan Kedar, Adbeël, Mibsam,
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
תֹּלְדוֹתָ֑ם
(toledotam)
hun geschiedenis
בְּכ֤וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
יִשְׁמָעֵאל֙
(yishmael)
Ismaël
נְבָי֔וֹת
(nevayot)
Nebajot
וְקֵדָ֥ר
(veqedar)
en Kedar
וְאַדְבְּאֵ֖ל
(veadbeel)
en Adbeël
וּמִבְשָֽׂם
(umivsam)
en Mibsam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֹּלְדוֹתָם (toledotam), ‘hun geschiedenis’: de afstammelingen en hun verhaal.

Zo ook in Gen. 25:12 en 36:1.

De verzen 29–31 lopen gelijk met Gen. 25:13–16, de verzen 32–33 met Gen. 25:1–4.

30Misjma, Duma, Massa, Chadad, Tema,
מִשְׁמָ֣ע
(mishma)
Misjma
וְדוּמָ֔ה
(veduma)
en Duma
מַשָּׂ֖א
(masa)
Massa
חֲדַ֥ד
(chadad)
Chadad
וְתֵימָֽא
(veteima)
en Tema
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Jetur, Nafisj en Kedma. Dit zijn de zonen van Ismaël.
יְט֥וּר
(yetur)
Jetur
נָפִ֖ישׁ
(nafish)
Nafisj
וָקֵ֑דְמָה
(vaqedema)
en Kedma
אֵ֥לֶּה
(ele)
dit
הֵ֖ם
(hem)
zij
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׁמָעֵֽאל
(yishmael)
Ismaël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32De zonen van Ketura, de bijvrouw van Abraham: zij baarde Zimran, Joksjan, Medan, Midian, Jisjbak en Sjuach. De zonen van Joksjan waren Sjeba en Dedan.
וּבְנֵ֨י
(uvenei)
en de zonen van
קְטוּרָ֜ה
(qetura)
Ketura
פִּילֶ֣גֶשׁ
(pilegesh)
bijvrouw van
אַבְרָהָ֗ם
(avraham)
Abraham
יָלְדָ֞ה
(yaleda)
zij baarde
אֶת
(et)
(obj.)
זִמְרָ֧ן
(zimran)
Zimran
וְיָקְשָׁ֛ן
(veyaqeshan)
en Joksjan
וּמְדָ֥ן
(umedan)
en Medan
וּמִדְיָ֖ן
(umidyan)
en Midian
וְיִשְׁבָּ֣ק
(veyishbaq)
en Jisjbak
וְשׁ֑וּחַ
(veshuach)
en Sjuach
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
יָקְשָׁ֖ן
(yaqeshan)
Joksjan
שְׁבָ֥א
(sheva)
Sjeba
וּדְדָֽן
(udedan)
en Dedan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ketura is in Gen. 25:1 de vrouw van Abraham en in Kronieken zijn bijvrouw (פִּילֶגֶשׁ, pilegesh).

Wij vertalen zoals de tekst staat.

Vergelijk Gen. 25:6.

33De zonen van Midian waren Efa, Efer, Chanoch, Abida en Eldaä. Al deze waren zonen van Ketura.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
מִדְיָ֗ן
(midyan)
Midian
עֵיפָ֤ה
(eifa)
Efa
וָעֵ֨פֶר֙
(vaefer)
en Efer
וַחֲנ֔וֹךְ
(vachanokh)
en Chanoch
וַאֲבִידָ֖ע
(vaavida)
en Abida
וְאֶלְדָּעָ֑ה
(veeldaa)
en Eldaä
כָּל
(kal)
al
אֵ֖לֶּה
(ele)
deze
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
קְטוּרָֽה
(qetura)
Ketura
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJes 60:6
34Abraham werd de vader van Isaak. De zonen van Isaak waren Ezau en Israël.
וַיּ֥וֹלֶד
(vayoled)
en hij werd de vader van
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(obj.)
יִצְחָ֑ק
(yitschaq)
Isaak
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִצְחָ֔ק
(yitschaq)
Isaak
עֵשָׂ֖ו
(esav)
Ezau
וְיִשְׂרָאֵֽל
(veyisrael)
en Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Israël is Jakob, de tweelingbroer van Ezau (Gen. 32:29).

De zonen van Ezau

35De zonen van Ezau waren Elifaz, Reüel, Jeüs, Jaëlam en Korach.
בְּנֵ֖י
(benei)
de zonen van
עֵשָׂ֑ו
(esav)
Ezau
אֱלִיפַ֛ז
(elifaz)
Elifaz
רְעוּאֵ֥ל
(reuel)
Reüel
וִיע֖וּשׁ
(viush)
en Jeüs
וְיַעְלָ֥ם
(veyalam)
en Jaëlam
וְקֹֽרַח
(veqorach)
en Korach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Zefi, Gatam, Kenaz, Timna en Amalek.
בְּנֵ֖י
(benei)
de zonen van
אֱלִיפָ֑ז
(elifaz)
Elifaz
תֵּימָ֤ן
(teiman)
Teman
וְאוֹמָר֙
(veomar)
en Omar
צְפִ֣י
(tsefi)
Zefi
וְגַעְתָּ֔ם
(vegatam)
en Gatam
קְנַ֖ז
(qenaz)
Kenaz
וְתִמְנָ֥ע
(vetimna)
en Timna
וַעֲמָלֵֽק
(vaamaleq)
en Amalek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְפִי (Zefi): in Gen. 36:11 staat צְפוֹ (Zefo).

Wij houden de vorm van Kronieken.

Timna wordt hier bij de zonen van Elifaz genoemd. In Gen. 36:12 is Timna een bijvrouw van Elifaz, die Amalek aan hem baarde. Kronieken zegt dat niet.

37De zonen van Reüel waren Nachat, Zerach, Samma en Missa.
בְּנֵ֖י
(benei)
de zonen van
רְעוּאֵ֑ל
(reuel)
Reüel
נַ֥חַת
(nachat)
Nachat
זֶ֖רַח
(zerach)
Zerach
שַׁמָּ֥ה
(shama)
Samma
וּמִזָּֽה
(umiza)
en Missa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zonen van Seïr

38De zonen van Seïr waren Lotan, Sobal, Sibeon, Ana, Dison, Eser en Disan.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
שֵׂעִ֔יר
(seir)
Seïr
לוֹטָ֥ן
(lotan)
Lotan
וְשׁוֹבָ֖ל
(veshoval)
en Sobal
וְצִבְע֣וֹן
(vetsivon)
en Sibeon
וַֽעֲנָ֑ה
(vaana)
en Ana
וְדִישֹׁ֥ן
(vedishon)
en Dison
וְאֵ֖צֶר
(veetser)
en Eser
וְדִישָֽׁן
(vedishan)
en Disan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verzen 38–42 lopen parallel met Gen. 36:20–28.

In verschillende namen wijkt de Hebreeuwse spelling af: Homam (Gen. 36:22: Heman), Alian (Gen. 36:23: Alvan), Sefi (Gen. 36:23: Sefo), Chamran (Gen. 36:26: Hemdan) en Jaakan (Gen. 36:27: Akan).

Wij houden steeds de vorm van Kronieken.

39De zonen van Lotan waren Hori en Homam. De zus van Lotan was Timna.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
לוֹטָ֖ן
(lotan)
Lotan
חֹרִ֣י
(chori)
Hori
וְהוֹמָ֑ם
(vehomam)
en Homam
וַאֲח֥וֹת
(vaachot)
en de zus van
לוֹטָ֖ן
(lotan)
Lotan
תִּמְנָֽע
(timna)
Timna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40De zonen van Sobal waren Alian, Manachat, Ebal, Sefi en Onam. De zonen van Sibeon waren Ajja en Ana.
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
שׁוֹבָ֔ל
(shoval)
Sobal
עַלְיָ֧ן
(alyan)
Alian
וּמָנַ֛חַת
(umanachat)
en Manachat
וְעֵיבָ֖ל
(veeival)
en Ebal
שְׁפִ֣י
(shefi)
Sefi
וְאוֹנָ֑ם
(veonam)
en Onam
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
צִבְע֖וֹן
(tsivon)
Sibeon
אַיָּ֥ה
(aya)
Ajja
וַעֲנָֽה
(vaana)
en Ana
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41De zonen van Ana: Dison. De zonen van Dison waren Chamran, Esban, Jitran en Keran.
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עֲנָ֖ה
(ana)
Ana
דִּישׁ֑וֹן
(dishon)
Dison
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
דִישׁ֔וֹן
(dishon)
Dison
חַמְרָ֥ן
(chamran)
Chamran
וְאֶשְׁבָּ֖ן
(veeshban)
en Esban
וְיִתְרָ֥ן
(veyitran)
en Jitran
וּכְרָֽן
(ukheran)
en Keran
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft hier het meervoud ‘de zonen van Ana’, maar noemt één naam: Dison.

In Gen. 36:25 staat dat Ana een zoon Dison en een dochter Oholibama had.

Wij vertalen zoals de tekst staat.

42De zonen van Eser waren Bilhan, Saävan en Jaakan. De zonen van Dison waren Us en Aran.
בְּֽנֵי
(benei)
de zonen van
אֵ֔צֶר
(etser)
Eser
בִּלְהָ֥ן
(bilhan)
Bilhan
וְזַעֲוָ֖ן
(vezaavan)
en Saävan
יַעֲקָ֑ן
(yaaqan)
Jaakan
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
דִישׁ֖וֹן
(dishon)
Dison
ע֥וּץ
(uts)
Us
וַאֲרָֽן
(vaaran)
en Aran
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De koningen van Edom

43Dit zijn de koningen die in het land Edom regeerden, voordat een koning over de Israëlieten regeerde. Bela was de zoon van Beor. De naam van zijn stad was Dinhaba.
וְאֵ֣לֶּה
(veele)
en dit
הַמְּלָכִ֗ים
(hamelakhim)
de koningen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
מָלְכוּ֙
(malekhu)
regeerden
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
מְלָךְ
(melakh)
regeerde
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
koning
לִבְנֵ֣י
(livnei)
over de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
בֶּ֚לַע
(bela)
Bela
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּע֔וֹר
(beor)
Beor
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
דִּנְהָֽבָה
(dinhava)
Dinhaba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Edom (אֱדוֹם) ligt ten zuidoosten van de Zoutzee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Dinhaba (דִּנְהָבָה): de ligging is onzeker.

Uitleg

De verzen 43–50 lopen parallel met Gen. 36:31–39.

De zin ‘voordat een koning regeerde over de Israëlieten’ staat in beide teksten.

Hij kijkt dus terug vanuit de tijd van de koningen van Israël.

44Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerach, uit Bozra, regeerde in zijn plaats.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en stierf
בָּ֑לַע
(bala)
Bela
וַיִּמְלֹ֣ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
יוֹבָ֥ב
(yovav)
Jobab
בֶּן
(ben)
zoon van
זֶ֖רַח
(zerach)
Zerach
מִבָּצְרָֽה
(mibatsera)
uit Bozra
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bozra (בָּצְרָה) lag in Edom, waarschijnlijk bij het huidige Buseirah in Jordanië.

45Jobab stierf, en Husam uit het land van de Temanieten regeerde in zijn plaats.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en stierf
יוֹבָ֑ב
(yovav)
Jobab
וַיִּמְלֹ֣ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
חוּשָׁ֖ם
(chusham)
Husam
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
הַתֵּימָנִֽי
(hateimani)
de Temaniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Teman (תֵּימָן) is een streek of stad in Edom.

De precieze ligging is onzeker.

Zie Land van de Temanieten (ligging onzeker): Het land van de Temanieten lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee.

Teman wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië).

De precieze plaats is niet zeker.

46Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats. Hij versloeg Midian op het veld van Moab. De naam van zijn stad was Avit.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en stierf
חוּשָׁ֑ם
(chusham)
Husam
וַיִּמְלֹ֨ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
תַּחְתָּ֜יו
(tachtav)
in zijn plaats
הֲדַ֣ד
(hadad)
Hadad
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּדַ֗ד
(bedad)
Bedad
הַמַּכֶּ֤ה
(hamake)
die versloeg
אֶת
(et)
(obj.)
מִדְיָן֙
(midyan)
Midian
בִּשְׂדֵ֣ה
(bisde)
op het veld van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
עֲוִֽית
(avit)
Avit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het veld van Moab (שְׂדֵה מוֹאָב) ligt ten oosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië.

Avit (עֲוִית): de ligging is onzeker.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft עיות, de gelezen tekst (qere) עֲוִית (Avit).

Wij volgen de qere.

Zo staat het ook in Gen. 36:35.

Zie ookGen 36:35
47Hadad stierf, en Samla uit Masreka regeerde in zijn plaats.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en stierf
הֲדָ֑ד
(hadad)
Hadad
וַיִּמְלֹ֣ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
שַׂמְלָ֖ה
(samla)
Samla
מִמַּשְׂרֵקָֽה
(mimasreqa)
uit Masreka
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Masreka (מַשְׂרֵקָה): de ligging is onzeker.

Zie ookGen 36:36
48Samla stierf, en Saul uit Rechobot aan de rivier regeerde in zijn plaats.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en stierf
שַׂמְלָ֑ה
(samla)
Samla
וַיִּמְלֹ֣ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
מֵרְחֹב֥וֹת
(merechovot)
uit Rechobot
הַנָּהָֽר
(hanahar)
de rivier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Rechobot aan de rivier (רְחֹבוֹת הַנָּהָר): ‘de rivier’ is in de Bijbel meestal de Eufraat.

Of Rechobot hier aan de Eufraat lag of aan een rivier in Edom, is onzeker.

Zie ookGen 36:37
49Saul stierf, en Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en stierf
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וַיִּמְלֹ֣ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
בַּ֥עַל
(baal)
Baäl
חָנָ֖ן
(chanan)
Hanan
בֶּן
(ben)
zoon van
עַכְבּֽוֹר
(akhbor)
Achbor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
50Baäl-Hanan stierf, en Hadad regeerde in zijn plaats. De naam van zijn stad was Pai. De naam van zijn vrouw was Mehetabel, de dochter van Matred, de dochter van Me-Zahab.
וַיָּ֨מָת֙
(vayamat)
en stierf
בַּ֣עַל
(baal)
Baäl
חָנָ֔ן
(chanan)
Hanan
וַיִּמְלֹ֤ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
תַּחְתָּיו֙
(tachtav)
in zijn plaats
הֲדַ֔ד
(hadad)
Hadad
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
פָּ֑עִי
(pai)
Pai
וְשֵׁ֨ם
(veshem)
en de naam van
אִשְׁתּ֤וֹ
(ishto)
zijn vrouw
מְהֵיטַבְאֵל֙
(meheitavel)
Mehetabel
בַּת
(bat)
dochter van
מַטְרֵ֔ד
(matred)
Matred
בַּ֖ת
(bat)
dochter van
מֵ֥י
(mei)
Me
זָהָֽב
(zahav)
Zahab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְהֵיטַבְאֵל (Mehetabel) en haar voorouders staan hier hetzelfde als in Gen. 36:39.

Lezing

In Gen. 36:39 staan in de Masoretische tekst de vormen הֲדָר (Hadar) en פָּעוּ (Pau).

Kronieken heeft הֲדַד (Hadad) en פָּעִי (Pai).

Wij houden de vormen van beide teksten, zoals zij staan.

Zie ookGen 36:39

De stamhoofden van Edom

51Hadad stierf. De stamhoofden van Edom waren: stamhoofd Timna, stamhoofd Alwa, stamhoofd Jetet,
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en stierf
הֲדָ֑ד
(hadad)
Hadad
וַיִּהְיוּ֙
(vayihyu)
en waren
אַלּוּפֵ֣י
(alufei)
stamhoofden van
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
תִּמְנָ֛ע
(timna)
Timna
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
עַֽלְוָ֖ה
(alva)
Alwa
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
יְתֵֽת
(yetet)
Jetet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַלּוּף (alluf), ‘stamhoofd’: aanvoerder van een stam of familie.

Wij vertalen zoals in Gen. 36:15.

Gen. 36 vertelt niet dat Hadad stierf. De Masoretische tekst van Kronieken zegt dat hier wel. Daarna volgt de lijst van stamhoofden, gelijk aan Gen. 36:40–43.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft עליה, de gelezen tekst (qere) עַלְוָה (Alwa).

Wij volgen de qere.

Zo staat het ook in Gen. 36:40.

52stamhoofd Oholibama, stamhoofd Ela, stamhoofd Pinon,
אַלּ֧וּף
(aluf)
stamhoofd
אָהֳלִיבָמָ֛ה
(aholivama)
Oholibama
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
אֵלָ֖ה
(ela)
Ela
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
פִּינֹֽן
(pinon)
Pinon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
53stamhoofd Kenaz, stamhoofd Teman, stamhoofd Mibsar,
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
קְנַ֛ז
(qenaz)
Kenaz
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
תֵּימָ֖ן
(teiman)
Teman
אַלּ֣וּף
(aluf)
stamhoofd
מִבְצָֽר
(mivtsar)
Mibsar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
54stamhoofd Magdiël, stamhoofd Iram. Dit zijn de stamhoofden van Edom.
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
מַגְדִּיאֵ֖ל
(magdiel)
Magdiël
אַלּ֣וּף
(aluf)
stamhoofd
עִירָ֑ם
(iram)
Iram
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
אַלּוּפֵ֥י
(alufei)
stamhoofden van
אֱדֽוֹם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)