Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Van Adam tot de zonen van Noach
1Adam, Seth, Enosh,
אָדָ֥ם
(adam)
Adam
שֵׁ֖ת
(shet)
Seth
אֱנֽוֹשׁ
(enosh)
Enosh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In deze verzen staat alleen een rij namen, zonder ‘zoon van’ of ‘werd de vader van’.
Wij laten de rij zoals zij is.
Dezelfde namen staan in Gen. 5:3–32, daar met de woorden die de verwantschap aanduiden.
De lijst in dit hoofdstuk loopt grotendeels gelijk met Genesis. Waar de Hebreeuwse spelling van een naam in Kronieken afwijkt van Genesis, houden wij de vorm van Kronieken en noemen wij de vorm uit Genesis in een voetnoot.
31Jetur, Nafisj en Kedma. Dit zijn de zonen van Ismaël.
יְט֥וּר
(yetur)
Jetur
נָפִ֖ישׁ
(nafish)
Nafisj
וָקֵ֑דְמָה
(vaqedema)
en Kedma
אֵ֥לֶּה
(ele)
dit
הֵ֖ם
(hem)
zij
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׁמָעֵֽאל
(yishmael)
Ismaël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32De zonen van Ketura, de bijvrouw van Abraham: zij baarde Zimran, Joksjan, Medan, Midian, Jisjbak en Sjuach. De zonen van Joksjan waren Sjeba en Dedan.
וּבְנֵ֨י
(uvenei)
en de zonen van
קְטוּרָ֜ה
(qetura)
Ketura
פִּילֶ֣גֶשׁ
(pilegesh)
bijvrouw van
אַבְרָהָ֗ם
(avraham)
Abraham
יָלְדָ֞ה
(yaleda)
zij baarde
אֶת
(et)
(obj.)
זִמְרָ֧ן
(zimran)
Zimran
וְיָקְשָׁ֛ן
(veyaqeshan)
en Joksjan
וּמְדָ֥ן
(umedan)
en Medan
וּמִדְיָ֖ן
(umidyan)
en Midian
וְיִשְׁבָּ֣ק
(veyishbaq)
en Jisjbak
וְשׁ֑וּחַ
(veshuach)
en Sjuach
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
יָקְשָׁ֖ן
(yaqeshan)
Joksjan
שְׁבָ֥א
(sheva)
Sjeba
וּדְדָֽן
(udedan)
en Dedan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Ketura is in Gen. 25:1 de vrouw van Abraham en in Kronieken zijn bijvrouw (פִּילֶגֶשׁ, pilegesh).
43Dit zijn de koningen die in het land Edom regeerden, voordat een koning over de Israëlieten regeerde. Bela was de zoon van Beor. De naam van zijn stad was Dinhaba.
וְאֵ֣לֶּה
(veele)
en dit
הַמְּלָכִ֗ים
(hamelakhim)
de koningen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
מָלְכוּ֙
(malekhu)
regeerden
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
מְלָךְ
(melakh)
regeerde
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
koning
לִבְנֵ֣י
(livnei)
over de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
בֶּ֚לַע
(bela)
Bela
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּע֔וֹר
(beor)
Beor
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
דִּנְהָֽבָה
(dinhava)
Dinhaba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Edom (אֱדוֹם) ligt ten zuidoosten van de Zoutzee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Dinhaba (דִּנְהָבָה): de ligging is onzeker.
Uitleg
De verzen 43–50 lopen parallel met Gen. 36:31–39.
De zin ‘voordat een koning regeerde over de Israëlieten’ staat in beide teksten.
Hij kijkt dus terug vanuit de tijd van de koningen van Israël.
49Saul stierf, en Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en stierf
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וַיִּמְלֹ֣ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
בַּ֥עַל
(baal)
Baäl
חָנָ֖ן
(chanan)
Hanan
בֶּן
(ben)
zoon van
עַכְבּֽוֹר
(akhbor)
Achbor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
50Baäl-Hanan stierf, en Hadad regeerde in zijn plaats. De naam van zijn stad was Pai. De naam van zijn vrouw was Mehetabel, de dochter van Matred, de dochter van Me-Zahab.
וַיָּ֨מָת֙
(vayamat)
en stierf
בַּ֣עַל
(baal)
Baäl
חָנָ֔ן
(chanan)
Hanan
וַיִּמְלֹ֤ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
תַּחְתָּיו֙
(tachtav)
in zijn plaats
הֲדַ֔ד
(hadad)
Hadad
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
פָּ֑עִי
(pai)
Pai
וְשֵׁ֨ם
(veshem)
en de naam van
אִשְׁתּ֤וֹ
(ishto)
zijn vrouw
מְהֵיטַבְאֵל֙
(meheitavel)
Mehetabel
בַּת
(bat)
dochter van
מַטְרֵ֔ד
(matred)
Matred
בַּ֖ת
(bat)
dochter van
מֵ֥י
(mei)
Me
זָהָֽב
(zahav)
Zahab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְהֵיטַבְאֵל (Mehetabel) en haar voorouders staan hier hetzelfde als in Gen. 36:39.
Lezing
In Gen. 36:39 staan in de Masoretische tekst de vormen הֲדָר (Hadar) en פָּעוּ (Pau).
Kronieken heeft הֲדַד (Hadad) en פָּעִי (Pai).
Wij houden de vormen van beide teksten, zoals zij staan.
51Hadad stierf. De stamhoofden van Edom waren: stamhoofd Timna, stamhoofd Alwa, stamhoofd Jetet,
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en stierf
הֲדָ֑ד
(hadad)
Hadad
וַיִּהְיוּ֙
(vayihyu)
en waren
אַלּוּפֵ֣י
(alufei)
stamhoofden van
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
תִּמְנָ֛ע
(timna)
Timna
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
עַֽלְוָ֖ה
(alva)
Alwa
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
יְתֵֽת
(yetet)
Jetet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַלּוּף (alluf), ‘stamhoofd’: aanvoerder van een stam of familie.
Wij vertalen zoals in Gen. 36:15.
Gen. 36 vertelt niet dat Hadad stierf. De Masoretische tekst van Kronieken zegt dat hier wel. Daarna volgt de lijst van stamhoofden, gelijk aan Gen. 36:40–43.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft עליה, de gelezen tekst (qere) עַלְוָה (Alwa).