Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het dal van het visioen
1Last over het dal van het visioen. Wat is er toch met je, dat je helemaal naar de daken bent opgeklommen?
מַשָּׂ֖א
(masa)
last
גֵּ֣יא
(gei)
dal van
חִזָּי֑וֹן
(chizayon)
visioen
מַה
(ma)
wat
לָּ֣ךְ
(lakh)
is er voor jou
אֵפ֔וֹא
(efo)
toch
כִּֽי
(ki)
dat
עָלִ֥ית
(alit)
je bent opgeklommen
כֻּלָּ֖ךְ
(kulakh)
helemaal
לַגַּגּֽוֹת
(lagagot)
naar de daken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַשָּׂא (massa), ‘last’: zie 13:1.
Zie ook vers 25.
גֵּיא חִזָּיוֹן (gei chizzayon), ‘dal van het visioen’: waarschijnlijk Jeruzalem, want vers 9 en 10 noemen de stad van David en de huizen van Jeruzalem. Het is onzeker waarom de stad zo heet.
Van oudsher waren de platte daken een plaats waar men uitkeek, rouwde of feest vierde.
5Want Heer Yahweh van de legermachten heeft een dag van verwarring, vertrapping en paniek in het dal van het visioen. Er wordt een muur afgebroken, en hulpgeroep klinkt naar de berg.
כִּ֣י
(ki)
want
יוֹם֩
(yom)
dag van
מְהוּמָ֨ה
(mehuma)
verwarring
וּמְבוּסָ֜ה
(umevusa)
en vertrapping
וּמְבוּכָ֗ה
(umevukha)
en paniek
לַֽאדֹנָ֧י
(ladonay)
voor Heer
יְהוִ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
בְּגֵ֣יא
(begei)
in het dal van
חִזָּי֑וֹן
(chizayon)
visioen
מְקַרְקַ֥ר
(meqarqar)
afbrekend
קִ֖ר
(qir)
muur
וְשׁ֥וֹעַ
(veshoa)
en hulpgeroep
אֶל
(el)
naar
הָהָֽר
(hahar)
de berg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (Adonai Yahweh Tsevaot), ‘Heer Yahweh van de legermachten’: zie Jes. 3:15.
לַאדֹנָי (la’Adonai), ‘voor Heer’: de letter lamed betekent hier ‘voor’ of ‘van’. De dag is een dag van Heer Yahweh van de legermachten.
מְקַרְקַר קִר (meqarqar qir), ‘een muur wordt afgebroken’: het werkwoord komt alleen hier voor en de betekenis is niet zeker. Het kan ook gaan om een gebrul tegen de muur.
שׁוֹעַ (shoa), ‘hulpgeroep’: een schreeuw om hulp.
6Elam droeg de pijlkoker, met wagens vol mannen en met ruiters. Kir maakte het schild bloot.
וְעֵילָם֙
(veeilam)
en Elam
נָשָׂ֣א
(nasa)
droeg
אַשְׁפָּ֔ה
(ashpa)
pijlkoker
בְּרֶ֥כֶב
(berekhev)
in wagen
אָדָ֖ם
(adam)
mannen
פָּֽרָשִׁ֑ים
(parashim)
ruiters
וְקִ֥יר
(veqir)
en Kir
עֵרָ֖ה
(era)
maakte bloot
מָגֵֽן
(magen)
schild
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Uitleg
In de verzen 6 tot en met 11 vertalen wij in de verleden tijd.
Het Hebreeuws laat open of het om een belegering in het verleden gaat of om een visioen van wat komt.
עֵילָם (Elam) en קִיר (Qir, ‘Kir’): Elam lag ten oosten van Babel, in het huidige Iran. De ligging van Kir is onzeker; Amos 1:5 en 9:7 noemen het ook. Hier zijn het waarschijnlijk bondgenoten of huurlingen van de vijand.
אַשְׁפָּה (ashpah), ‘pijlkoker’: de koker waarin de pijlen zitten.
עֵרָה מָגֵן (erah magen), ‘maakte het schild bloot’: het schild werd uit zijn hoes gehaald, klaar voor de strijd.
8Hij nam de dekking van Juda weg. Op die dag keek je naar de wapens in het Huis van het Woud.
וַיְגַ֕ל
(vaygal)
en Hij nam weg
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מָסַ֣ךְ
(masakh)
de dekking van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַתַּבֵּט֙
(vatabet)
en je keek
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
אֶל
(el)
naar
נֶ֖שֶׁק
(nesheq)
de wapens van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הַיָּֽעַר
(hayaar)
het woud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָסַךְ יְהוּדָה (masakh Yehudah), ‘de dekking van Juda’: een bedekking of afscherming, hier een beeld van Juda’s bescherming.
Wie het onderwerp is, zegt het Hebreeuws niet.
Het kan Yahweh zijn of de vijand.
בֵּית הַיָּעַר (beit hayya’ar), ‘het Huis van het Woud’: de korte naam van het Huis van het Woud van de Libanon, een gebouw van Salomo waar wapens werden bewaard. Zie 1 Kon. 7:2 en 10:17.
9Jullie zagen dat de bressen in de stad van David talrijk waren. Jullie verzamelden het water van de onderste vijver.
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
בְּקִיעֵ֧י
(beqiei)
bressen van
עִיר
(ir)
stad van
דָּוִ֛ד
(david)
David
רְאִיתֶ֖ם
(reitem)
jullie zagen
כִּי
(ki)
dat
רָ֑בּוּ
(rabu)
ze waren talrijk
וַֽתְּקַבְּצ֔וּ
(vateqabetsu)
en jullie verzamelden
אֶת
(et)
(obj.)
מֵ֥י
(mei)
water van
הַבְּרֵכָ֖ה
(haberekha)
de vijver
הַתַּחְתּוֹנָֽה
(hatachtona)
de onderste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Onderste vijver (Jeruzalem; ligging onzeker): De onderste vijver was een waterreservoir bij de stad van David, in Jeruzalem.
Welke vijver precies bedoeld is, is niet zeker.
Uitleg
עִיר דָּוִד (ir David), ‘stad van David’: het oudste deel van Jeruzalem op de zuidoostelijke heuvel.
Zie ook 2 Kron. 32:5 waar Hizkia de doorbroken muur herstelt.
הַבְּרֵכָה הַתַּחְתּוֹנָה (habberekhah hattachtonah), ‘de onderste vijver’: een waterreservoir onder in de stad. Welke vijver bedoeld wordt, is niet zeker.
10Jullie telden de huizen van Jeruzalem en braken de huizen af om de muur te versterken.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּתֵּ֥י
(batei)
huizen van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
סְפַרְתֶּ֑ם
(sefartem)
jullie telden
וַתִּתְֿצוּ֙
(vatittsu)
en jullie braken af
הַבָּ֣תִּ֔ים
(habatim)
de huizen
לְבַצֵּ֖ר
(levatser)
om te versterken
הַחוֹמָֽה
(hachoma)
de muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Men brak huizen af om stenen voor de muur te hebben, of om ruimte te maken voor een tweede muur.
11Jullie maakten een reservoir tussen de twee muren voor het water van de oude vijver. Maar naar Hem die het gemaakt heeft, keken jullie niet. En Hem die het van lang geleden gevormd heeft, zagen jullie niet.
וּמִקְוָ֣ה
(umiqva)
en een reservoir
עֲשִׂיתֶ֗ם
(asitem)
jullie maakten
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
הַחֹ֣מֹתַ֔יִם
(hachomotayim)
de twee muren
לְמֵ֖י
(lemei)
voor het water van
הַבְּרֵכָ֣ה
(haberekha)
de vijver
הַיְשָׁנָ֑ה
(hayshana)
de oude
וְלֹ֤א
(velo)
maar niet
הִבַּטְתֶּם֙
(hibattem)
jullie keken
אֶל
(el)
naar
עֹשֶׂ֔יהָ
(oseiha)
Hem die het maakte
וְיֹצְרָ֥הּ
(veyotserah)
en Hem die het vormde
מֵֽרָח֖וֹק
(merachoq)
van lang geleden
לֹ֥א
(lo)
niet
רְאִיתֶֽם
(reitem)
jullie zagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Oude vijver (Jeruzalem; ligging onzeker): De oude vijver was een waterreservoir tussen twee muren van Jeruzalem; mogelijk is het de vijver van Siloam.
Dit is niet zeker.
Uitleg
מִקְוֵה (miqveh), ‘reservoir’: een plaats waar water wordt verzameld.
Zie 2 Kon. 20:20 en 2 Kron. 32:30 voor wat Hizkia met het water van Jeruzalem deed.
עֹשֶׂיהָ וְיֹצְרָהּ (oseyha veyotsrah), ‘Hem die het gemaakt heeft’ en ‘Hem die het gevormd heeft’: het Hebreeuws heeft hier een vrouwelijk ‘het’ of ‘haar’, dat naar de stad of naar het hele gebeuren verwijst. Met ‘Hem’ is Yahweh bedoeld.
מֵרָחוֹק (merachoq), ‘van lang geleden’: letterlijk ‘van veraf’, hier in de tijd. Hetzelfde woord staat in 2 Kon. 19:25.
13Maar zie: blijdschap en vreugde! Men doodt runderen en slacht schapen. Men eet vlees en drinkt wijn. „Laten we eten en drinken, want morgen sterven we!”
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
שָׂשׂ֣וֹן
(sason)
blijdschap
וְשִׂמְחָ֗ה
(vesimcha)
en vreugde
הָרֹ֤ג
(harog)
doden
בָּקָר֙
(baqar)
rund
וְשָׁחֹ֣ט
(veshachot)
en slachten
צֹ֔אן
(tson)
kleinvee
אָכֹ֥ל
(akhol)
eten
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
וְשָׁת֣וֹת
(veshatot)
en drinken
יָ֑יִן
(yayin)
wijn
אָכ֣וֹל
(akhol)
eten
וְשָׁת֔וֹ
(veshato)
en drinken
כִּ֥י
(ki)
want
מָחָ֖ר
(machar)
morgen
נָמֽוּת
(namut)
zullen we sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De vreugde is een vreugde zonder berouw.
Het woord ‘Zie’ (hinneh) zet haar tegenover de oproep tot rouw in vers 12.
Paulus haalt de woorden ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we’ aan in 1 Kor. 15:32.
14Yahweh van de legermachten heeft Zich aan mijn oren geopenbaard: „Deze schuld zal jullie zeker niet worden verzoend, totdat jullie sterven. Dat zegt Heer Yahweh van de legermachten.”
וְנִגְלָ֥ה
(venigla)
en is geopenbaard
בְאָזְנָ֖י
(beazenay)
in mijn oren
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אִם
(im)
zeker niet
יְ֠כֻפַּר
(yekhupar)
zal worden verzoend
הֶעָוֺ֨ן
(heavon)
de schuld
הַזֶּ֤ה
(haze)
deze
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
עַד
(ad)
tot
תְּמֻת֔וּן
(temutun)
jullie sterven
אָמַ֛ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְנִגְלָה בְאָזְנָי (venigleh be’ozni), ‘Hij heeft Zich aan mijn oren geopenbaard’: Yahweh liet het Jesaja horen.
אִם־יְכֻפַּר (im yekhuppar), ‘zal zeker niet worden verzoend’: letterlijk ‘als dit verzoend wordt’, een vorm die in een eed voorkomt en dan ‘zeker niet’ betekent. Het werkwoord כִּפֶּר (kipper) is ‘verzoening doen’.
15Zo zegt Heer Yahweh van de legermachten: „Ga naar binnen bij deze beheerder, bij Sjebna, die over het huis is.
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֛ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
לֶךְ
(lekh)
ga
בֹּא֙
(bo)
kom
אֶל
(el)
naar
הַסֹּכֵ֣ן
(hasokhen)
de beheerder
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
עַל
(al)
naar
שֶׁבְנָ֖א
(shevna)
Sjebna
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עַל
(al)
over
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סֹכֵן (soken), ‘beheerder’: iemand die een koning of een huis dient en bestuurt.
De vrouwelijke vorm staat in 1 Kon. 1:2.
שֶׁבְנָא (Shevna), ‘Sjebna’: in 2 Kon. 18:18, 18:37 en 19:2 is Sjebna de schrijver. Eljakim is dan degene die over het huis is. Sjebna is dus teruggezet, zoals dit hoofdstuk aankondigt.
אֲשֶׁר עַל־הַבָּיִת (asher al habbayit), ‘die over het huis is’: de hoogste hofbeambte, zoals in 2 Kon. 18:18.
16Wat heb je hier te zoeken? Wie heb je hier? Je hebt hier voor jezelf een graf uitgehouwen. Hij houwt zijn graf hoog uit. Hij hakt voor zichzelf een woning in de rots.
מַה
(ma)
wat
לְּךָ֥
(lekha)
is voor jou
פֹה֙
(po)
hier
וּמִ֣י
(umi)
en wie
לְךָ֣
(lekha)
is voor jou
פֹ֔ה
(po)
hier
כִּֽי
(ki)
dat
חָצַ֧בְתָּ
(chatsavta)
je hebt uitgehouwen
לְּךָ֛
(lekha)
voor jezelf
פֹּ֖ה
(po)
hier
קָ֑בֶר
(qaver)
graf
חֹצְבִ֤י
(chotsevi)
die uithouwt
מָרוֹם֙
(marom)
hoogte
קִבְר֔וֹ
(qivro)
zijn graf
חֹקְקִ֥י
(choqeqi)
die uitsnijdt
בַסֶּ֖לַע
(basela)
in de rots
מִשְׁכָּ֥ן
(mishkan)
woning
לֽוֹ
(lo)
voor zichzelf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַה־לְּךָ פֹה (mah lekha foh), ‘wat heb je hier’: dat is ‘wat heb je hier te zoeken?’.
De vraag ‘wie heb je hier’ bedoelt: welke familie heb je hier, dat je hier een graf mag laten maken?
In vers 16 gaat het van ‘je’ over naar ‘hij’ (‘zijn graf’, ‘voor zichzelf’). Het Hebreeuws gebruikt hier twee deelwoorden: ‘de uithouwer van zijn graf’.
17Zie, Yahweh zal je met een harde worp wegslingeren, man. Hij zal je stevig inwikkelen.
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מְטַלְטֶלְךָ֔
(metaltelkha)
zal je wegslingeren
טַלְטֵלָ֖ה
(taltela)
slingerend
גָּ֑בֶר
(gaver)
man
וְעֹטְךָ֖
(veotekha)
en wikkelt je in
עָטֹֽה
(ato)
inwikkelend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גָּבֶר (gaver), ‘man’: het woord kan ook ‘krachtig’ betekenen, en dan hoort het bij ‘wegslingeren’.
Wij kiezen de aanspreking ‘man’.
וְעֹטְךָ עָטֹה (ve’otkha atoh), ‘Hij zal je stevig inwikkelen’: het werkwoord betekent ‘omhullen’. Het beeld is een kleed dat om iemand wordt gewikkeld voordat hij wordt weggegooid. De betekenis is niet helemaal zeker.
18Hij zal je stevig oprollen en als een bal wegwerpen naar een ruim land. Daar zul je sterven. Daar staan de wagens van je eer, tot schande voor het huis van je heer.
צָנ֤וֹף
(tsanof)
oprollend
יִצְנָפְךָ֙
(yitsnafekha)
Hij zal je oprollen
צְנֵפָ֔ה
(tsenefa)
oprolling
כַּדּ֕וּר
(kadur)
als een bal
אֶל
(el)
naar
אֶ֖רֶץ
(erets)
land
רַחֲבַ֣ת
(rachavat)
ruim van
יָדָ֑יִם
(yadayim)
handen
שָׁ֣מָּה
(shama)
daar
תָמ֗וּת
(tamut)
zul je sterven
וְשָׁ֨מָּה֙
(veshama)
en daar
מַרְכְּב֣וֹת
(markevot)
wagens van
כְּבוֹדֶ֔ךָ
(kevodekha)
je eer
קְל֖וֹן
(qelon)
schande van
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
אֲדֹנֶֽיךָ
(adoneikha)
je heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כַּדּוּר (kaddur), ‘bal’: het woord komt alleen hier voor.
Het beeld is een bal die in een groot, open veld wordt gegooid.
רַחֲבַת יָדַיִם (rachavat yadayim), ‘ruim land’: letterlijk ‘wijd van handen’, dat is ‘groot en open aan alle kanten’.
כָּבוֹד (kavod), ‘eer’: letterlijk ‘gewicht’. Zie ook 22:23 en 22:24.
21Ik zal hem jouw kleed aantrekken en hem sterk maken met jouw gordel. Jouw gezag zal Ik in zijn hand geven. Hij zal een vader zijn voor de bewoners van Jeruzalem en voor het huis van Juda.
וְהִלְבַּשְׁתִּ֣יו
(vehilbashtiv)
en Ik zal hem kleden
כֻּתָּנְתֶּ֗ךָ
(kutantekha)
in je kleed
וְאַבְנֵֽטְךָ֙
(veavnetekha)
en je gordel
אֲחַזְּקֶ֔נּוּ
(achazeqenu)
Ik zal hem sterk maken
וּמֶֽמְשֶׁלְתְּךָ֖
(umemsheltekha)
en je gezag
אֶתֵּ֣ן
(eten)
Ik zal geven
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en hij zal zijn
לְאָ֛ב
(leav)
tot vader
לְיוֹשֵׁ֥ב
(leyoshev)
voor de bewoner van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וּלְבֵ֥ית
(uleveit)
en voor het huis van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
כֻּתֹּנֶת (kuttonet), ‘kleed’: het lange onderkleed.
אַבְנֵט (avnet), ‘gordel’: de band om het kleed, een teken van het ambt.
לְאָב (le’av), ‘tot vader’: een titel van een hoge ambtenaar die voor het volk zorgt. Zie ook Gen. 45:8, waar Jozef ‘vader van de farao’ heet.
22Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen. Als hij opent, sluit niemand. Als hij sluit, opent niemand.
וְנָתַתִּ֛י
(venatati)
en Ik zal geven
מַפְתֵּ֥חַ
(mafteach)
sleutel van
בֵּית
(beit)
huis van
דָּוִ֖ד
(david)
David
עַל
(al)
op
שִׁכְמ֑וֹ
(shikhmo)
zijn schouder
וּפָתַח֙
(ufatach)
en hij zal openen
וְאֵ֣ין
(veein)
en niemand
סֹגֵ֔ר
(soger)
sluit
וְסָגַ֖ר
(vesagar)
en hij zal sluiten
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
פֹּתֵֽחַ
(poteach)
opent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַפְתֵּחַ בֵּית דָּוִד (maftei’ach beit David), ‘de sleutel van het huis van David’: het gezag om het paleis te openen en te sluiten, dat is het beheer over het koninklijk huis.
24Heel de eer van het huis van zijn vader zal men aan hem hangen: de nakomelingen en de uitlopers. Alle kleine vaten hangen eraan, van de schalen tot alle kruiken.
וְתָל֨וּ
(vetalu)
en zij zullen hangen
עָלָ֜יו
(alav)
aan hem
כֹּ֣ל
(kol)
heel
כְּב֣וֹד
(kevod)
de eer van
בֵּית
(beit)
huis van
אָבִ֗יו
(aviv)
zijn vader
הַצֶּֽאֱצָאִים֙
(hatseetsaim)
de nakomelingen
וְהַצְּפִע֔וֹת
(vehatsefiot)
en de uitlopers
כֹּ֖ל
(kol)
alle
כְּלֵ֣י
(kelei)
vaten van
הַקָּטָ֑ן
(haqatan)
het kleine
מִכְּלֵי֙
(mikelei)
van de vaten van
הָֽאַגָּנ֔וֹת
(haaganot)
de schalen
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
כָּל
(kal)
alle
כְּלֵ֥י
(kelei)
vaten van
הַנְּבָלִֽים
(hanevalim)
de kruiken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַצֶּאֱצָאִים וְהַצְּפִעוֹת (hatse’etsa’im vehatsefi’ot), ‘de nakomelingen en de uitlopers’: het tweede woord komt alleen hier voor.
De betekenis is niet zeker; het gaat om kleinere familieleden of afhankelijken.
הַנְּבָלִים (hannevalim), ‘de kruiken’: het woord kan ook ‘harpen’ betekenen. Hier past ‘kruiken’ bij de reeks vaten.
25Op die dag, godsspraak van Yahweh van de legermachten, zal de pin die op een betrouwbare plaats is vastgeslagen, losraken. Hij zal worden afgehouwen en vallen. De last die erop hangt, zal worden weggesneden.” Want Yahweh heeft gesproken.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
תָּמוּשׁ֙
(tamush)
zal loskomen
הַיָּתֵ֔ד
(hayated)
de pin
הַתְּקוּעָ֖ה
(hatequa)
die vastgeslagen is
בְּמָק֣וֹם
(bemaqom)
op een plaats
נֶאֱמָ֑ן
(neeman)
betrouwbare
וְנִגְדְּעָ֣ה
(venigdea)
en zal worden afgehouwen
וְנָפְלָ֗ה
(venafela)
en zal vallen
וְנִכְרַת֙
(venikhrat)
en zal worden weggesneden
הַמַּשָּׂ֣א
(hamasa)
de last
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
erop
כִּ֥י
(ki)
want
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבֵּֽר
(diber)
heeft gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה צְבָאוֹת (neum Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Yahweh van de legermachten’: zie Jes. 1:24.
Hier staat de formule midden in Zijn woorden en is daarom rood.
הַמַּשָּׂא (hammassa), ‘de last’: hetzelfde woord als ‘last’ in vers 1, maar hier gaat het om wat aan de pin hangt.
In vers 23 is de pin Eljakim, in vers 25 valt hij. Het Hebreeuws zegt niet uitdrukkelijk wie of wat er valt.
‘Want Yahweh heeft gesproken’ is een woord van de profeet; het staat niet in het rood.