Open in de app Alle boeken Spreuken ← 28 30 → Spreuken 29 Leiders, tucht en vertrouwen op Yahweh
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
1 Wie vaak terechtgewezen wordt en zijn nek verhardt, wordt in een oogwenk gebroken, en er is geen genezing.
תּ֭וֹכָחוֹת
(tokhachot)
terechtwijzingen
מַקְשֶׁה
(maqshe)
die verhardt
פֶּ֥תַע
(peta)
in een oogwenk
יִ֝שָּׁבֵ֗ר
(yishaver)
wordt hij gebroken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dezelfde woorden staan in Spr. 6:15: ‘in een oogwenk wordt hij gebroken, en er is geen genezing’.
עֹרֶף (oref), ‘nek’: een stijve nek is het beeld van koppigheid.
2 Als rechtvaardigen talrijk worden, verheugt het volk zich. Maar als een goddeloze heerst, zucht het volk.
בִּרְב֣וֹת
(birvot)
bij het talrijk worden van
צַ֭דִּיקִים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
יִשְׂמַ֣ח
(yismach)
verheugt zich
וּבִמְשֹׁ֥ל
(uvimshol)
en bij het heersen van
רָ֝שָׁ֗ע
(rasha)
een goddeloze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֵאָנַח (ye’anach), ‘zucht’: kreunen onder druk, zoals Israël in Exod. 2:23.
3 Een man die wijsheid liefheeft, verheugt zijn vader. Maar wie omgaat met hoeren, laat zijn vermogen verloren gaan.
אֹהֵ֣ב
(ohev)
die liefheeft
חָ֭כְמָה
(chakhema)
wijsheid
יְשַׂמַּ֣ח
(yesamach)
verheugt
וְרֹעֶ֥ה
(veroe)
maar wie omgaat met
יְאַבֶּד
(yeabed)
laat verloren gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹן (hon), ‘vermogen’.
רֹעֶה (ro’eh), ‘omgaat met’: zoals in Spr. 28:7.
זוֹנוֹת (zonot), ‘hoeren’: vrouwen die zich verhuren.
4 Een koning laat het land standhouden door recht. Maar een man van heffingen breekt het af.
מֶ֗לֶךְ
(melekh)
een koning
בְּ֭מִשְׁפָּט
(bemishpat)
door recht
יַעֲמִ֣יד
(yaamid)
laat standhouden
וְאִ֖ישׁ
(veish)
maar een man van
תְּרוּמ֣וֹת
(terumot)
heffingen
יֶֽהֶרְסֶֽנָּה
(yehersena)
breekt het af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּרוּמוֹת (terumot), ‘heffingen’: het woord kan ook ‘gaven’ of ‘geschenken’ betekenen.
Een ‘man van heffingen’ is iemand die zulke gaven voor zichzelf opeist, bijvoorbeeld door afpersing of omkoping.
5 Een man die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor zijn voeten.
מַחֲלִ֣יק
(machaliq)
die vleit
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
zijn naaste
פּוֹרֵ֥שׂ
(pores)
spreidt hij uit
פְּעָמָֽיו
(peamav)
zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַחֲלִיק (machaliq), ‘vleit’: letterlijk ‘glad maakt’.
Het Hebreeuws zegt ‘zijn voeten’. Dat kan de voeten van de vleier zijn, maar ook die van zijn naaste. Wij laten het open.
6 In de overtreding van een kwade man is een strik. Maar een rechtvaardige jubelt en is blij.
בְּפֶ֤שַֽׁע
(befesha)
in de overtreding van
מוֹקֵ֑שׁ
(moqesh)
een strik
וְ֝צַדִּ֗יק
(vetsadiq)
maar een rechtvaardige
וְשָׂמֵֽחַ
(vesameach)
en is blij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7 Een rechtvaardige kent de zaak van de geringen. Een goddeloze begrijpt geen kennis.
צַ֭דִּיק
(tsadiq)
een rechtvaardige
רָ֝שָׁ֗ע
(rasha)
een goddeloze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דִּין (din), ‘zaak’: de rechtszaak of het recht van de geringen.
De rechtvaardige zet zich ervoor in.
דַּעַת (da’at), ‘kennis’: weten wat er voor de geringen nodig is.
8 Spotters doen een stad oplaaien, maar wijzen keren de toorn af.
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mensen van
יָפִ֣יחוּ
(yafichu)
blazen aan
וַ֝חֲכָמִ֗ים
(vachakhamim)
maar wijzen
יָשִׁ֥יבוּ
(yashivu)
keren af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לָצוֹן (latson), ‘spot’: spotters zijn mensen die alles belachelijk maken (vergelijk letz, ‘spotter’).
יָפִיחוּ (yafichu), ‘zij blazen aan’: zij laten de stad oplaaien, als een vuur dat wordt aangeblazen.
9 Als een wijze man een rechtszaak voert met een zot, dan raast en lacht hij, en er is geen rust.
נִ֭שְׁפָּט
(nishpat)
gaat in rechtszaak
וְרָגַ֥ז
(veragaz)
en hij raast
וְ֝שָׂחַ֗ק
(vesachaq)
en hij lacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱוִיל (evil), ‘zot’.
Het Hebreeuws zegt niet wie raast en lacht. Dat kan de zot zijn, maar ook de wijze man. Wij laten het open met ‘hij’.
10 Bloeddorstige mensen haten de onberispelijke. Maar oprechten zoeken zijn leven.
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mensen van
תָ֑ם
(tam)
een onberispelijke
וִֽ֝ישָׁרִ֗ים
(visharim)
maar oprechten
יְבַקְשׁ֥וּ
(yevaqshu)
zoeken
נַפְשֽׁוֹ
(nafsho)
zijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְבַקְשׁוּ נַפְשׁוֹ (yevaqshu nafsho), ‘zij zoeken zijn leven’: dat kan betekenen dat de oprechten voor zijn leven opkomen en het beschermen.
Het kan ook zijn dat de bloeddorstige mensen óók het leven van de oprechten zoeken.
אַנְשֵׁי דָמִים (anshe damim), ‘mensen van bloed’: bloeddorstige mensen.
11 Een dwaas laat heel zijn geest naar buiten komen, maar een wijze sust hem achteraf.
יוֹצִ֣יא
(yotsi)
laat uitgaan
וְ֝חָכָ֗ם
(vechakham)
maar een wijze
בְּאָח֥וֹר
(beachor)
achteraf
יְשַׁבְּחֶֽנָּה
(yeshabechena)
sust hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רוּחוֹ (ruchoh), ‘zijn geest’: hier zijn gemoed, zijn woede.
בְּאָחוֹר (be’achor), ‘achteraf’: letterlijk ‘naar achteren’. De wijze houdt zijn gemoed in en maakt het stil.
12 Als een heerser luistert naar een leugenwoord, zijn al zijn bedienden goddeloos.
מֹ֭שֵׁל
(moshel)
een heerser
מַקְשִׁ֣יב
(maqshiv)
die luistert
מְשָׁרְתָ֥יו
(mesharetav)
zijn bedienden
רְשָׁעִֽים
(reshaim)
goddeloos
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְשָׁרְתָיו (meshartav), ‘zijn bedienden’: zij die hem dienen en zich naar hem richten.
13 De berooide en de afperser ontmoeten elkaar. Yahweh verlicht de ogen van hen beiden.
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en een man van
תְּכָכִ֣ים
(tekhakhim)
afpersingen
נִפְגָּ֑שׁוּ
(nifgashu)
ontmoeten elkaar
עֵינֵ֖י
(einei)
de ogen van
שְׁנֵיהֶ֣ם
(sheneihem)
hen beiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּכָכִים (techakhim), ‘afpersingen’: een woord dat maar één keer voorkomt.
Wij vertalen ‘afperser’ voor ‘man van afpersingen’.
מֵאִיר (me’ir) ‘verlicht’: Yahweh geeft hen beiden licht en leven. Vergelijk Spr. 22:2.
14 Een koning die in waarheid recht doet aan de geringen: zijn troon staat voor altijd vast.
מֶ֤לֶךְ
(melekh)
een koning
שׁוֹפֵ֣ט
(shofet)
die recht doet
בֶּֽאֱמֶ֣ת
(beemet)
in waarheid
דַּלִּ֑ים
(dalim)
aan geringen
כִּ֝סְא֗וֹ
(kiso)
zijn troon
יִכּֽוֹן
(yikon)
staat vast
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15 Stok en terechtwijzing geven wijsheid. Maar een jongen die aan zichzelf is overgelaten, brengt zijn moeder in schande.
וְ֭תוֹכַחַת
(vetokhachat)
en terechtwijzing
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וְנַ֥עַר
(venaar)
maar een jongen
מְ֝שֻׁלָּ֗ח
(meshulach)
die losgelaten is
מֵבִ֥ישׁ
(mevish)
brengt in schande
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֵׁבֶט (shevet), ‘stok’.
Zie ook Spr. 13:24, 22:15, 23:13 en 29:17.
מְשֻׁלָּח (meshullach), ‘aan zichzelf overgelaten’: letterlijk ‘losgelaten’, zonder toezicht.
16 Als goddelozen talrijk worden, neemt de overtreding toe. Maar rechtvaardigen zullen hun val zien.
בִּרְב֣וֹת
(birvot)
bij het talrijk worden van
רְ֭שָׁעִים
(reshaim)
goddelozen
פָּ֑שַׁע
(pasha)
overtreding
וְ֝צַדִּיקִ֗ים
(vetsadiqim)
maar rechtvaardigen
בְּֽמַפַּלְתָּ֥ם
(bemapaltam)
bij hun val
יִרְאֽוּ
(yiru)
zullen zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17 Tuchtig je zoon, dan geeft hij je rust. En hij schenkt vreugde aan je ziel.
וִֽינִיחֶ֑ךָ
(vinichekha)
dan geeft hij je rust
וְיִתֵּ֖ן
(veyiten)
en hij geeft
מַעֲדַנִּ֣ים
(maadanim)
vreugde
לְנַפְשֶֽׁךָ
(lenafshekha)
aan je ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יַסֵּר (yasser), ‘tuchtig’: van מוּסָר (musar), ‘tucht’; het betekent ook ‘onderwijzen’ en ‘vermanen’.
מַעֲדַנִּים (ma’adannim), ‘vreugde’: letterlijk ‘geneugten’. Zie ook Spr. 29:15.
18 Waar geen visioen is, raakt het volk ontketend. Maar gelukkig is wie de wet bewaart.
בְּאֵ֣ין
(beein)
bij het ontbreken van
יִפָּ֣רַֽע
(yipara)
raakt ontketend
וְשֹׁמֵ֖ר
(veshomer)
maar wie bewaart
אַשְׁרֵֽהוּ
(ashrehu)
gelukkig is hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: een openbaring van Yahweh.
Vergelijk 1 Sam. 3:1.
יִפָּרַע (yippara), ‘raakt ontketend’: dezelfde stam als in Exod. 32:25. Het volk is zonder leiding en zonder grenzen.
תּוֹרָה (torah), ‘wet’: Gods wet, zoals in Spr. 28:4.
19 Een dienaar wordt niet getuchtigd met woorden. Want hij begrijpt het wel, maar er is geen antwoord.
בִּ֭דְבָרִים
(bidvarim)
met woorden
יִוָּ֣סֶר
(yivaser)
wordt getuchtigd
יָ֝בִ֗ין
(yavin)
hij begrijpt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִוָּסֶר (yivvaser), ‘wordt getuchtigd’: van dezelfde stam als musar, ‘tucht’.
20 Heb je een man gezien die haastig is in zijn woorden? Er is meer hoop voor een dwaas dan voor hem.
חָזִ֗יתָ
(chazita)
heb je gezien
בִּדְבָרָ֑יו
(bidvarav)
in zijn woorden
לִכְסִ֣יל
(likhsil)
voor een dwaas
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
meer dan voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Bijna dezelfde spreuk staat in Spr. 26:12; daar gaat het over een man die in zijn eigen ogen wijs is.
21 Wie zijn dienaar van jongs af verwent, zijn einde zal weerspannigheid zijn.
מְפַנֵּ֣ק
(mefaneq)
wie verwent
מִנֹּ֣עַר
(minoar)
van jongs af
עַבְדּ֑וֹ
(avdo)
zijn dienaar
וְ֝אַחֲרִית֗וֹ
(veacharito)
en zijn einde
מָנֽוֹן
(manon)
weerspannigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָנוֹן (manon) komt nergens anders voor.
De betekenis is onzeker.
Voorgestelde vertalingen zijn ‘weerspannigheid’, ‘ondankbaarheid’ of ‘opvolger’ (iemand die zich als zoon gedraagt).
Wij vertalen ‘weerspannigheid’.
מְפַנֵּק (mefanneq), ‘verwent’: ook dit werkwoord komt maar één keer voor.
22 Een man van toorn wekt twist op. En een man vol woede is rijk aan overtreding.
וּבַ֖עַל
(uvaal)
en een meester van
פָּֽשַׁע
(pasha)
overtreding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie ook Spr. 15:18 en 28:25.
23 De hoogmoed van een mens vernedert hem. Maar wie nederig van geest is, verkrijgt eer.
גַּאֲוַ֣ת
(gaavat)
de hoogmoed van
תַּשְׁפִּילֶ֑נּוּ
(tashpilenu)
vernedert hem
וּשְׁפַל
(ushefal)
maar nederig van
יִתְמֹ֥ךְ
(yitmokh)
verkrijgt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כָּבוֹד (kavod) is meestal ‘heerlijkheid’.
Bij een persoon vertalen wij ‘eer’.
24 Wie deelt met een dief, haat zijn eigen ziel. Hij hoort de vervloeking en meldt niets.
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zijn ziel
יִ֝שְׁמַ֗ע
(yishma)
hoort hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָלָה (alah), ‘vervloeking’: ook ‘eed’.
Wie een misdaad weet, wordt onder ede opgeroepen om te getuigen.
Wie dan zwijgt, maakt zichzelf schuldig; zie Lev. 5:1.
נַפְשׁוֹ (nafsho), ‘zijn ziel’: zichzelf, zijn eigen leven.
25 Angst voor mensen legt een strik. Maar wie op Yahweh vertrouwt, wordt beschermd.
חֶרְדַּ֣ת
(cherdat)
angst van
מוֹקֵ֑שׁ
(moqesh)
een strik
וּבוֹטֵ֖חַ
(uvoteach)
en wie vertrouwt
בַּיהוָ֣ה
(baYahweh)
op Yahweh
יְשֻׂגָּֽב
(yesugav)
wordt beschermd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶרְדַּת אָדָם (chardat adam), ‘angst voor mensen’: de angst die mensen voor anderen hebben.
Het kan ook zijn de angst die mensen aanjagen.
יְשֻׂגָּב (yesugav), ‘wordt beschermd’: letterlijk ‘wordt hoog gezet’, buiten bereik van gevaar.
26 Velen zoeken het aangezicht van een heerser. Maar van Yahweh komt het recht van een man.
מְבַקְשִׁ֣ים
(mevaqshim)
zoeken
פְּנֵי
(penei)
het aangezicht van
מוֹשֵׁ֑ל
(moshel)
een heerser
וּ֝מֵיְהוָ֗ה
(umeYahweh)
maar van Yahweh
מִשְׁפַּט
(mishpat)
recht van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְבַקְשִׁים פְּנֵי (mevaqshim penei), ‘zoeken het aangezicht van’: een gesprek met hem zoeken om zijn gunst te winnen.
מִשְׁפַּט (mishpat), ‘recht’: de uitspraak die een mens ten deel valt. Die komt uiteindelijk van Yahweh.
27 Een man van onrecht is een gruwel voor de rechtvaardigen. En wie oprecht is op zijn weg, is een gruwel voor de goddeloze.
תּוֹעֲבַ֣ת
(toavat)
gruwel van
צַ֭דִּיקִים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
וְתוֹעֲבַ֖ת
(vetoavat)
en gruwel van
רָשָׁ֣ע
(rasha)
een goddeloze
יְשַׁר
(yeshar)
oprecht van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Met dit vers eindigt de verzameling spreuken die in Spr. 25:1 begint.