Elohim Bijbel

Spreuken 29

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Leiders, tucht en vertrouwen op Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Wie vaak terechtgewezen wordt en zijn nek verhardt, wordt in een oogwenk gebroken, en er is geen genezing.
אִ֣ישׁ
(ish)
een man van
תּ֭וֹכָחוֹת
(tokhachot)
terechtwijzingen
מַקְשֶׁה
(maqshe)
die verhardt
עֹ֑רֶף
(oref)
de nek
פֶּ֥תַע
(peta)
in een oogwenk
יִ֝שָּׁבֵ֗ר
(yishaver)
wordt hij gebroken
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet
מַרְפֵּֽא
(marpe)
genezing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dezelfde woorden staan in Spr. 6:15: ‘in een oogwenk wordt hij gebroken, en er is geen genezing’.

עֹרֶף (oref), ‘nek’: een stijve nek is het beeld van koppigheid.

2Als rechtvaardigen talrijk worden, verheugt het volk zich. Maar als een goddeloze heerst, zucht het volk.
בִּרְב֣וֹת
(birvot)
bij het talrijk worden van
צַ֭דִּיקִים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
יִשְׂמַ֣ח
(yismach)
verheugt zich
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וּבִמְשֹׁ֥ל
(uvimshol)
en bij het heersen van
רָ֝שָׁ֗ע
(rasha)
een goddeloze
יֵאָ֥נַֽח
(yeanach)
zucht
עָֽם
(am)
een volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יֵאָנַח (ye’anach), ‘zucht’: kreunen onder druk, zoals Israël in Exod. 2:23.

3Een man die wijsheid liefheeft, verheugt zijn vader. Maar wie omgaat met hoeren, laat zijn vermogen verloren gaan.
אִֽישׁ
(ish)
een man
אֹהֵ֣ב
(ohev)
die liefheeft
חָ֭כְמָה
(chakhema)
wijsheid
יְשַׂמַּ֣ח
(yesamach)
verheugt
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וְרֹעֶ֥ה
(veroe)
maar wie omgaat met
ז֝וֹנ֗וֹת
(zonot)
hoeren
יְאַבֶּד
(yeabed)
laat verloren gaan
הֽוֹן
(hon)
vermogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹן (hon), ‘vermogen’.

רֹעֶה (ro’eh), ‘omgaat met’: zoals in Spr. 28:7.

זוֹנוֹת (zonot), ‘hoeren’: vrouwen die zich verhuren.

4Een koning laat het land standhouden door recht. Maar een man van heffingen breekt het af.
מֶ֗לֶךְ
(melekh)
een koning
בְּ֭מִשְׁפָּט
(bemishpat)
door recht
יַעֲמִ֣יד
(yaamid)
laat standhouden
אָ֑רֶץ
(arets)
het land
וְאִ֖ישׁ
(veish)
maar een man van
תְּרוּמ֣וֹת
(terumot)
heffingen
יֶֽהֶרְסֶֽנָּה
(yehersena)
breekt het af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּרוּמוֹת (terumot), ‘heffingen’: het woord kan ook ‘gaven’ of ‘geschenken’ betekenen.

Een ‘man van heffingen’ is iemand die zulke gaven voor zichzelf opeist, bijvoorbeeld door afpersing of omkoping.

5Een man die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor zijn voeten.
גֶּ֭בֶר
(gever)
een man
מַחֲלִ֣יק
(machaliq)
die vleit
עַל
(al)
tegenover
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
zijn naaste
רֶ֝֗שֶׁת
(reshet)
een net
פּוֹרֵ֥שׂ
(pores)
spreidt hij uit
עַל
(al)
voor
פְּעָמָֽיו
(peamav)
zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַחֲלִיק (machaliq), ‘vleit’: letterlijk ‘glad maakt’.

Het Hebreeuws zegt ‘zijn voeten’. Dat kan de voeten van de vleier zijn, maar ook die van zijn naaste. Wij laten het open.

6In de overtreding van een kwade man is een strik. Maar een rechtvaardige jubelt en is blij.
בְּפֶ֤שַֽׁע
(befesha)
in de overtreding van
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
רָ֣ע
(ra)
kwade
מוֹקֵ֑שׁ
(moqesh)
een strik
וְ֝צַדִּ֗יק
(vetsadiq)
maar een rechtvaardige
יָר֥וּן
(yarun)
jubelt
וְשָׂמֵֽחַ
(vesameach)
en is blij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Een rechtvaardige kent de zaak van de geringen. Een goddeloze begrijpt geen kennis.
יֹדֵ֣עַ
(yodea)
kent
צַ֭דִּיק
(tsadiq)
een rechtvaardige
דִּ֣ין
(din)
de zaak van
דַּלִּ֑ים
(dalim)
geringen
רָ֝שָׁ֗ע
(rasha)
een goddeloze
לֹא
(lo)
niet
יָבִ֥ין
(yavin)
begrijpt
דָּֽעַת
(daat)
kennis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִּין (din), ‘zaak’: de rechtszaak of het recht van de geringen.

De rechtvaardige zet zich ervoor in.

דַּעַת (da’at), ‘kennis’: weten wat er voor de geringen nodig is.

8Spotters doen een stad oplaaien, maar wijzen keren de toorn af.
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mensen van
לָ֭צוֹן
(latson)
spot
יָפִ֣יחוּ
(yafichu)
blazen aan
קִרְיָ֑ה
(qirya)
een stad
וַ֝חֲכָמִ֗ים
(vachakhamim)
maar wijzen
יָשִׁ֥יבוּ
(yashivu)
keren af
אָֽף
(af)
toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לָצוֹן (latson), ‘spot’: spotters zijn mensen die alles belachelijk maken (vergelijk letz, ‘spotter’).

יָפִיחוּ (yafichu), ‘zij blazen aan’: zij laten de stad oplaaien, als een vuur dat wordt aangeblazen.

9Als een wijze man een rechtszaak voert met een zot, dan raast en lacht hij, en er is geen rust.
אִֽישׁ
(ish)
een man
חָכָ֗ם
(chakham)
wijze
נִ֭שְׁפָּט
(nishpat)
gaat in rechtszaak
אֶת
(et)
met
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
אֱוִ֑יל
(evil)
zot
וְרָגַ֥ז
(veragaz)
en hij raast
וְ֝שָׂחַ֗ק
(vesachaq)
en hij lacht
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet
נָֽחַת
(nachat)
rust
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱוִיל (evil), ‘zot’.

Het Hebreeuws zegt niet wie raast en lacht. Dat kan de zot zijn, maar ook de wijze man. Wij laten het open met ‘hij’.

10Bloeddorstige mensen haten de onberispelijke. Maar oprechten zoeken zijn leven.
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mensen van
דָ֭מִים
(damim)
bloed
יִשְׂנְאוּ
(yisneu)
haten
תָ֑ם
(tam)
een onberispelijke
וִֽ֝ישָׁרִ֗ים
(visharim)
maar oprechten
יְבַקְשׁ֥וּ
(yevaqshu)
zoeken
נַפְשֽׁוֹ
(nafsho)
zijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְבַקְשׁוּ נַפְשׁוֹ (yevaqshu nafsho), ‘zij zoeken zijn leven’: dat kan betekenen dat de oprechten voor zijn leven opkomen en het beschermen.

Het kan ook zijn dat de bloeddorstige mensen óók het leven van de oprechten zoeken.

אַנְשֵׁי דָמִים (anshe damim), ‘mensen van bloed’: bloeddorstige mensen.

11Een dwaas laat heel zijn geest naar buiten komen, maar een wijze sust hem achteraf.
כָּל
(kal)
heel
ר֭וּחוֹ
(rucho)
zijn geest
יוֹצִ֣יא
(yotsi)
laat uitgaan
כְסִ֑יל
(kesil)
een dwaas
וְ֝חָכָ֗ם
(vechakham)
maar een wijze
בְּאָח֥וֹר
(beachor)
achteraf
יְשַׁבְּחֶֽנָּה
(yeshabechena)
sust hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחוֹ (ruchoh), ‘zijn geest’: hier zijn gemoed, zijn woede.

בְּאָחוֹר (be’achor), ‘achteraf’: letterlijk ‘naar achteren’. De wijze houdt zijn gemoed in en maakt het stil.

12Als een heerser luistert naar een leugenwoord, zijn al zijn bedienden goddeloos.
מֹ֭שֵׁל
(moshel)
een heerser
מַקְשִׁ֣יב
(maqshiv)
die luistert
עַל
(al)
naar
דְּבַר
(devar)
woord van
שָׁ֑קֶר
(shaqer)
leugen
כָּֽל
(kal)
al
מְשָׁרְתָ֥יו
(mesharetav)
zijn bedienden
רְשָׁעִֽים
(reshaim)
goddeloos
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשָׁרְתָיו (meshartav), ‘zijn bedienden’: zij die hem dienen en zich naar hem richten.

13De berooide en de afperser ontmoeten elkaar. Yahweh verlicht de ogen van hen beiden.
רָ֤שׁ
(rash)
een berooide
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en een man van
תְּכָכִ֣ים
(tekhakhim)
afpersingen
נִפְגָּ֑שׁוּ
(nifgashu)
ontmoeten elkaar
מֵ֤אִיר
(meir)
verlicht
עֵינֵ֖י
(einei)
de ogen van
שְׁנֵיהֶ֣ם
(sheneihem)
hen beiden
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּכָכִים (techakhim), ‘afpersingen’: een woord dat maar één keer voorkomt.

Wij vertalen ‘afperser’ voor ‘man van afpersingen’.

מֵאִיר (me’ir) ‘verlicht’: Yahweh geeft hen beiden licht en leven. Vergelijk Spr. 22:2.

14Een koning die in waarheid recht doet aan de geringen: zijn troon staat voor altijd vast.
מֶ֤לֶךְ
(melekh)
een koning
שׁוֹפֵ֣ט
(shofet)
die recht doet
בֶּֽאֱמֶ֣ת
(beemet)
in waarheid
דַּלִּ֑ים
(dalim)
aan geringen
כִּ֝סְא֗וֹ
(kiso)
zijn troon
לָעַ֥ד
(laad)
voor altijd
יִכּֽוֹן
(yikon)
staat vast
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Stok en terechtwijzing geven wijsheid. Maar een jongen die aan zichzelf is overgelaten, brengt zijn moeder in schande.
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stok
וְ֭תוֹכַחַת
(vetokhachat)
en terechtwijzing
יִתֵּ֣ן
(yiten)
geven
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וְנַ֥עַר
(venaar)
maar een jongen
מְ֝שֻׁלָּ֗ח
(meshulach)
die losgelaten is
מֵבִ֥ישׁ
(mevish)
brengt in schande
אִמּֽוֹ
(imo)
zijn moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁבֶט (shevet), ‘stok’.

Zie ook Spr. 13:24, 22:15, 23:13 en 29:17.

מְשֻׁלָּח (meshullach), ‘aan zichzelf overgelaten’: letterlijk ‘losgelaten’, zonder toezicht.

16Als goddelozen talrijk worden, neemt de overtreding toe. Maar rechtvaardigen zullen hun val zien.
בִּרְב֣וֹת
(birvot)
bij het talrijk worden van
רְ֭שָׁעִים
(reshaim)
goddelozen
יִרְבֶּה
(yirbe)
neemt toe
פָּ֑שַׁע
(pasha)
overtreding
וְ֝צַדִּיקִ֗ים
(vetsadiqim)
maar rechtvaardigen
בְּֽמַפַּלְתָּ֥ם
(bemapaltam)
bij hun val
יִרְאֽוּ
(yiru)
zullen zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Tuchtig je zoon, dan geeft hij je rust. En hij schenkt vreugde aan je ziel.
יַסֵּ֣ר
(yaser)
tuchtig
בִּ֭נְךָ
(binkha)
je zoon
וִֽינִיחֶ֑ךָ
(vinichekha)
dan geeft hij je rust
וְיִתֵּ֖ן
(veyiten)
en hij geeft
מַעֲדַנִּ֣ים
(maadanim)
vreugde
לְנַפְשֶֽׁךָ
(lenafshekha)
aan je ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יַסֵּר (yasser), ‘tuchtig’: van מוּסָר (musar), ‘tucht’; het betekent ook ‘onderwijzen’ en ‘vermanen’.

מַעֲדַנִּים (ma’adannim), ‘vreugde’: letterlijk ‘geneugten’. Zie ook Spr. 29:15.

18Waar geen visioen is, raakt het volk ontketend. Maar gelukkig is wie de wet bewaart.
בְּאֵ֣ין
(beein)
bij het ontbreken van
חָ֭זוֹן
(chazon)
visioen
יִפָּ֣רַֽע
(yipara)
raakt ontketend
עָ֑ם
(am)
een volk
וְשֹׁמֵ֖ר
(veshomer)
maar wie bewaart
תּוֹרָ֣ה
(tora)
wet
אַשְׁרֵֽהוּ
(ashrehu)
gelukkig is hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: een openbaring van Yahweh.

Vergelijk 1 Sam. 3:1.

יִפָּרַע (yippara), ‘raakt ontketend’: dezelfde stam als in Exod. 32:25. Het volk is zonder leiding en zonder grenzen.

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: Gods wet, zoals in Spr. 28:4.

19Een dienaar wordt niet getuchtigd met woorden. Want hij begrijpt het wel, maar er is geen antwoord.
בִּ֭דְבָרִים
(bidvarim)
met woorden
לֹא
(lo)
niet
יִוָּ֣סֶר
(yivaser)
wordt getuchtigd
עָ֑בֶד
(aved)
een dienaar
כִּֽי
(ki)
want
יָ֝בִ֗ין
(yavin)
hij begrijpt
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet
מַעֲנֶֽה
(maane)
antwoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִוָּסֶר (yivvaser), ‘wordt getuchtigd’: van dezelfde stam als musar, ‘tucht’.

20Heb je een man gezien die haastig is in zijn woorden? Er is meer hoop voor een dwaas dan voor hem.
חָזִ֗יתָ
(chazita)
heb je gezien
אִ֭ישׁ
(ish)
een man
אָ֣ץ
(ats)
haastig
בִּדְבָרָ֑יו
(bidvarav)
in zijn woorden
תִּקְוָ֖ה
(tiqva)
hoop
לִכְסִ֣יל
(likhsil)
voor een dwaas
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
meer dan voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bijna dezelfde spreuk staat in Spr. 26:12; daar gaat het over een man die in zijn eigen ogen wijs is.

21Wie zijn dienaar van jongs af verwent, zijn einde zal weerspannigheid zijn.
מְפַנֵּ֣ק
(mefaneq)
wie verwent
מִנֹּ֣עַר
(minoar)
van jongs af
עַבְדּ֑וֹ
(avdo)
zijn dienaar
וְ֝אַחֲרִית֗וֹ
(veacharito)
en zijn einde
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
מָנֽוֹן
(manon)
weerspannigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָנוֹן (manon) komt nergens anders voor.

De betekenis is onzeker.

Voorgestelde vertalingen zijn ‘weerspannigheid’, ‘ondankbaarheid’ of ‘opvolger’ (iemand die zich als zoon gedraagt).

Wij vertalen ‘weerspannigheid’.

מְפַנֵּק (mefanneq), ‘verwent’: ook dit werkwoord komt maar één keer voor.

22Een man van toorn wekt twist op. En een man vol woede is rijk aan overtreding.
אִֽישׁ
(ish)
een man van
אַ֭ף
(af)
toorn
יְגָרֶ֣ה
(yegare)
wekt op
מָד֑וֹן
(madon)
twist
וּבַ֖עַל
(uvaal)
en een meester van
חֵמָ֣ה
(chema)
woede
רַב
(rav)
veel
פָּֽשַׁע
(pasha)
overtreding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Spr. 15:18 en 28:25.

23De hoogmoed van een mens vernedert hem. Maar wie nederig van geest is, verkrijgt eer.
גַּאֲוַ֣ת
(gaavat)
de hoogmoed van
אָ֭דָם
(adam)
een mens
תַּשְׁפִּילֶ֑נּוּ
(tashpilenu)
vernedert hem
וּשְׁפַל
(ushefal)
maar nederig van
ר֝֗וּחַ
(ruach)
geest
יִתְמֹ֥ךְ
(yitmokh)
verkrijgt
כָּבֽוֹד
(kavod)
eer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּבוֹד (kavod) is meestal ‘heerlijkheid’.

Bij een persoon vertalen wij ‘eer’.

24Wie deelt met een dief, haat zijn eigen ziel. Hij hoort de vervloeking en meldt niets.
חוֹלֵ֣ק
(choleq)
wie deelt
עִם
(im)
met
גַּ֭נָּב
(ganav)
een dief
שׂוֹנֵ֣א
(sone)
haat
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zijn ziel
אָלָ֥ה
(ala)
vervloeking
יִ֝שְׁמַ֗ע
(yishma)
hoort hij
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יַגִּֽיד
(yagid)
meldt hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָלָה (alah), ‘vervloeking’: ook ‘eed’.

Wie een misdaad weet, wordt onder ede opgeroepen om te getuigen.

Wie dan zwijgt, maakt zichzelf schuldig; zie Lev. 5:1.

נַפְשׁוֹ (nafsho), ‘zijn ziel’: zichzelf, zijn eigen leven.

25Angst voor mensen legt een strik. Maar wie op Yahweh vertrouwt, wordt beschermd.
חֶרְדַּ֣ת
(cherdat)
angst van
אָ֭דָם
(adam)
een mens
יִתֵּ֣ן
(yiten)
legt
מוֹקֵ֑שׁ
(moqesh)
een strik
וּבוֹטֵ֖חַ
(uvoteach)
en wie vertrouwt
בַּיהוָ֣ה
(baYahweh)
op Yahweh
יְשֻׂגָּֽב
(yesugav)
wordt beschermd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶרְדַּת אָדָם (chardat adam), ‘angst voor mensen’: de angst die mensen voor anderen hebben.

Het kan ook zijn de angst die mensen aanjagen.

יְשֻׂגָּב (yesugav), ‘wordt beschermd’: letterlijk ‘wordt hoog gezet’, buiten bereik van gevaar.

26Velen zoeken het aangezicht van een heerser. Maar van Yahweh komt het recht van een man.
רַ֭בִּים
(rabim)
velen
מְבַקְשִׁ֣ים
(mevaqshim)
zoeken
פְּנֵי
(penei)
het aangezicht van
מוֹשֵׁ֑ל
(moshel)
een heerser
וּ֝מֵיְהוָ֗ה
(umeYahweh)
maar van Yahweh
מִשְׁפַּט
(mishpat)
recht van
אִֽישׁ
(ish)
een man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְבַקְשִׁים פְּנֵי (mevaqshim penei), ‘zoeken het aangezicht van’: een gesprek met hem zoeken om zijn gunst te winnen.

מִשְׁפַּט (mishpat), ‘recht’: de uitspraak die een mens ten deel valt. Die komt uiteindelijk van Yahweh.

27Een man van onrecht is een gruwel voor de rechtvaardigen. En wie oprecht is op zijn weg, is een gruwel voor de goddeloze.
תּוֹעֲבַ֣ת
(toavat)
gruwel van
צַ֭דִּיקִים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
עָ֑וֶל
(avel)
van onrecht
וְתוֹעֲבַ֖ת
(vetoavat)
en gruwel van
רָשָׁ֣ע
(rasha)
een goddeloze
יְשַׁר
(yeshar)
oprecht van
דָּֽרֶךְ
(darekh)
weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Met dit vers eindigt de verzameling spreuken die in Spr. 25:1 begint.