Romeinen 16
Febe, de groeten, een waarschuwing en de groeten van Paulus’ metgezellen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Febe wordt aanbevolen
Zie Kenchreeën (ligging ongeveer): Kenchreeën was de oostelijke haven van Korinte, aan de Saronische Golf.
συνίστημι (synistemi), ‘aanbevelen’: iemand bij anderen introduceren en voor hem instaan. διάκονος (diakonos), ‘dienaar’: Febe wordt hier διάκονος genoemd; het Griekse woord heeft een mannelijke vorm, ook als het een vrouw aanduidt.
Wij vertalen ‘dienaar’, zoals bij andere plaatsen (13:4; 15:8).
Wat haar dienst in de gemeente was, zegt de tekst niet. Κεγχρεαί (Kenchreai), ‘Kenchreeën’: de havenstad van Korinte aan de oostkant van de landengte.
De brief zegt niet dat Febe de brief overbrengt. ἀδελφή (adelfe), ‘zuster’.
Zie ook Hand. 18:18.
Bij ‘ook’ (in ‘die ook dienaar is’) verschillen sommige oude handschriften.
προσδέχομαι (prosdechomai), ‘ontvangen, onthalen’. ἀξίως τῶν ἁγίων (axios ton hagion), ‘de heiligen waardig’: op een manier die de toegewijden betaamt. παρίστημι (paristemi), ‘bijstaan’: naast iemand gaan staan, zie 6:13 en 12:1. προστάτις (prostatis), ‘beschermster’: het vrouwelijke woord bij προστάτης (prostates), ‘wie voor anderen opkomt, beschermheer’.
De tekst zegt niet hoe zij hen terzijde stond. ἐμοῦ αὐτοῦ (emou autou), ‘mijzelf’.
Bij ‘ontvangen’ en bij ‘mijzelf’ verschillen sommige oude handschriften.
Groeten aan vrienden en medewerkers
Πρίσκα (Priska) is de korte vorm van Πρίσκιλλα (Priscilla), de naam in Hand. 18:2, 18:18 en 18:26. Ἀκύλας (Akylas), ‘Aquila’: de spelling van Handelingen en 1 Kor. 16:19. συνεργός (synergos), ‘medewerker’.
Hier staat Priska vóór Aquila, zoals in Hand. 18:18 en 18:26.
Zie ook Hand. 18:2; Hand. 18:18; Hand. 18:26; 1 Kor. 16:19.
ὑπέθηκαν τὸν τράχηλον (hypethekan ton trachelon), letterlijk ‘hun nek eronder gelegd’: een beeld voor het gevaar lopen te sterven; wat er gebeurd is, zegt de tekst niet. ψυχή (psyche), ‘leven’: hier ‘mijn leven’. εὐχαριστέω (eucharisteo), ‘danken’.
Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
ἡ κατ᾽ οἶκον ἐκκλησία (he kat oikon ekklesia), ‘de gemeente in hun huis’: de gemeente die bij hen thuis samenkomt, zoals in 1 Kor. 16:19. ἀπαρχή (aparche), ‘eersteling’: de eerste die in een streek tot geloof kwam, zoals in 8:23 en 11:16. Ἀσία (Asia) is de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije.
Zie ook 1 Kor. 16:19; 1 Kor. 16:15.
Bij ‘Asia’ verschillen sommige oude handschriften.
Μαριάμ (Mariam) is de Hebreeuwse vorm van de naam; wij schrijven ‘Maria’, zoals elders. κοπιάω (kopiao), ‘zwoegen’: hard werken, zoals in 1 Kor. 16:16.
Bij ‘Maria’ en bij ‘voor jullie’ verschillen sommige oude handschriften.
Ἰουνίαν (Iounian) is een vierde naamval.
Dat kan de vrouwennaam Ἰουνία (Iounia, ‘Junia’) zijn of een mannennaam, ‘Junias’ (een verkorting van Junianus).
Wij vertalen ‘Junia’; de tekst zegt niet of Andronicus en Junia een echtpaar waren. συγγενής (syngenes), ‘verwant’: familie of volksgenoot; het woord komt ook voor in de verzen 11 en 21 en in 9:3. συναιχμάλωτος (synaichmalotos), ‘medegevangene’. ἐπίσημοι ἐν τοῖς ἀποστόλοις (episemoi en tois apostolois), ‘opvallend onder de apostelen’: het kan betekenen dat de apostelen hen hoog achten, of dat zij zelf apostelen zijn en daaronder opvallen; het Grieks laat beide toe. ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: wie gezonden is. γέγοναν ἐν Χριστῷ (gegonan en Christo), ‘zijn in de Messias geweest’: zij kwamen eerder tot de Messias dan Paulus.
Bij ‘Junia’ en bij ‘zijn geweest’ verschillen sommige oude handschriften.
ἀγαπητός (agapetos), ‘geliefde’: verwant aan ἀγάπη (agape), ‘liefde’.
Bij ‘Ampliatus’ verschillen sommige oude handschriften.
συνεργός (synergos), ‘medewerker’.
δόκιμος (dokimos), ‘goedgekeurd’: beproefd en echt bevonden, zoals in 14:18. οἱ ἐκ τῶν Ἀριστοβούλου (hoi ek ton Aristoboulou), ‘de mensen van Aristobulus’: zijn huishouden of kring, zoals ‘de mensen van Chloë’ in 1 Kor. 1:11.
De tekst zegt niet dat Aristobulus zelf tot de gemeente hoort.
Τρύφαινα (Tryfaina) en Τρυφῶσα (Tryfosa) zijn twee vrouwennamen. κοπιάω (kopiao), ‘zwoegen’: zie vers 6; Persis, de geliefde, heeft ‘veel’ gezwoegd.
ἐκλεκτός (eklektos), ‘uitverkorene’: ook ‘uitgelezene’.
‘En de mijne’: Paulus noemt haar ook zijn moeder; de tekst zegt niet of dit letterlijk of als beeld bedoeld is.
Een Rufus wordt ook genoemd in Mark. 15:21, als zoon van Simon van Cyrene; of het dezelfde man is, zegt de tekst niet.
Zie ook Mark. 15:21.
‘De broers die bij hen zijn’: de gelovigen in hun kring; de tekst zegt niet wie dat zijn.
Bij de namen Hermes, Patrobas en Hermas verschillen sommige oude handschriften.
ἅγιοι (hagioi), ‘heiligen’: de toegewijden; zie 12:13.
De heilige kus
φίλημα (filema), ‘kus’: de groet in de gemeente.
‘Alle gemeenten van de Messias’: de tekst zegt niet welke gemeenten bedoeld zijn.
Zie ook 1 Kor. 16:20; 2 Kor. 13:12.
Bij ‘alle’ verschillen sommige oude handschriften.
Waarschuwing voor verdeeldheid
παρακαλέω (parakaleo), ‘oproepen’: zie 12:1. σκοπέω (skopeo), ‘opletten’. διχοστασία (dichostasia), ‘verdeeldheid’; σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok’: zie 14:13. διδαχή (didache), ‘onderricht’: wat de gemeente geleerd heeft. ἐκκλίνω (ekklino), ‘zich afkeren’, ‘uitwijken’.
De tekst zegt niet wie deze mensen zijn.
Zie ook Gal. 1:8–9.
Bij ‘keer je af’ verschillen sommige oude handschriften.
κοιλία (koilia), ‘buik’: een beeld voor eigen verlangens en eigen gewin. χρηστολογία (chrestologia), ‘gladde taal’: vriendelijke woorden die niet oprecht zijn; εὐλογία (eulogia), ‘mooie woorden’: fraai gesproken woorden (hetzelfde woord als ‘zegen’ in 15:29). ἄκακος (akakos), ‘argeloos’: zonder kwade bedoelingen.
Bij ‘onze’ verschillen sommige oude handschriften.
ὑπακοή (hypakoe), ‘gehoorzaamheid’: zoals in 1:5 en 15:18. ἀκέραιος (akeraios), ‘zuiver’, letterlijk ‘onvermengd’: dezelfde weergave als in Matt. 10:16.
De Griekse zin zet ‘wijs’ en ‘zuiver’ tegenover elkaar, ‘voor het goede’ en ‘voor het kwade’.
Zie ook Matt. 10:16.
Bij ‘Ik verheug mij dus over jullie’ en bij ‘wijs’ verschillen sommige oude handschriften.
De Elohim van de vrede: zie ook 15:33. συντρίβω (syntribo), ‘vermorzelen’: dezelfde weergave als in Gen. 3:15, waar de nakomeling van de vrouw de kop van de slang vermorzelt; Paulus noemt Gen. 3:15 niet. Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’: de tegenstander. ἐν τάχει (en tachei), ‘spoedig’, ‘snel’.
Zie ook Gen. 3:15; Luc. 10:19.
Bij ‘de Messias’ verschillen sommige oude handschriften.
Groeten van Paulus’ metgezellen
Τιμόθεος (Timotheos), ‘Timoteüs’: de medewerker van Paulus uit Hand. 16:1 en andere plaatsen.
Een Lucius uit Cyrene staat in Hand. 13:1; Jason in Hand. 17:5–9; Σωσίπατρος (Sosipatros) is de langere vorm van Σώπατρος (Sopatros), ‘Sopater’ in Hand. 20:4.
Of dit dezelfde mannen zijn, zegt de tekst niet. συγγενής (syngenes), ‘verwant’: zie vers 7.
Zie ook Hand. 16:1; Hand. 20:4.
Bij ‘groet’ verschillen sommige oude handschriften.
Τέρτιος (Tertios), ‘Tertius’: hij noemt zichzelf de schrijver van de brief en groet in zijn eigen naam.
In de oudheid schreven helpers (secretarissen) brieven op voor de afzender; Paulus schreef soms zelf een groet erbij.
De tekst zegt niet meer.
‘In de Heer’ hoort bij ‘groet’ of bij ‘geschreven’; het Grieks laat beide toe.
Zie ook Gal. 6:11; 1 Kor. 16:21.
ξένος (xenos), ‘gastheer’: letterlijk ‘vreemdeling, gast’; hier degene die gasten ontvangt. Γάϊος (Gaios), ‘Gajus’: de spelling van 1 Kor. 1:14; een Gaius uit Derbe staat in Hand. 20:4. οἰκονόμος τῆς πόλεως (oikonomos tes poleos), ‘stadsbeheerder’: een beheerder in dienst van de stad; wat zijn ambt precies was, zegt de tekst niet. Ἔραστος (Erastos), ‘Erastus’: een Erastus staat ook in Hand. 19:22 en in 2 Tim. 4:20; of het dezelfde man is, zegt de tekst niet. Κούαρτος (Kouartos), ‘Kwartus’: een Latijnse naam, ‘de vierde’.
Zie ook 1 Kor. 1:14; Hand. 19:22; Hand. 20:4.
Bij ‘de hele gemeente’ verschillen sommige oude handschriften.
Onze SBLGNT-gegevens eindigen dit hoofdstuk bij vers 24.
De afsluitende lofprijs, de verzen 25–27, staat daarin niet; wij nemen hem hieronder op uit een andere Griekse tekst (zie vers 25).
De slotlofprijs
στηρίζω (sterizo), ‘sterken’: stevig maken. μυστήριον (mysterion), ‘geheim’: iets wat verborgen was en nu bekend is gemaakt; zie ook 11:25. σιγάω (sigao), ‘verzwijgen’: stil houden.
Het geheim was ‘eeuwenlang verzwegen’, de tijden van de eeuwen.
Deze verzen (25–27) ontbreken in de SBLGNT.
Wij nemen ze op uit een andere Griekse uitgave van het Nieuwe Testament (uit 1904, vrij van rechten), en markeren ze daarom geel in de brontekst; de rest van het hoofdstuk blijft SBLGNT.
Dit is dus een gemengde bron.
φανερόω (fanero), ‘openbaar maken’: zichtbaar maken. ὑπακοὴ πίστεως (hypakoe pisteos), ‘gehoorzaamheid van het geloof’: zoals in 1:5.
Zie ook Rom. 1:5.
Het Grieks van deze zin is niet afgemaakt: ‘aan de enige wijze Elohim, door Yeshua de Messias, aan wie de heerlijkheid’ heeft geen werkwoord; wij vullen ‘is’ aan. δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’.
Vergelijk Gal. 1:5.