Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Te veel mannen
1Jerubbaal, dat is Gideon, stond vroeg op, met heel het volk dat bij hem was. Zij sloegen hun kamp op bij de bron van Charod. Het kamp van Midian lag ten noorden van hem, bij de heuvel More, in de vallei.
וַיַּשְׁכֵּ֨ם
(vayashkem)
en stond vroeg op
יְרֻבַּ֜עַל
(yerubaal)
Jerubbaal
ה֣וּא
(hu)
hij
גִדְע֗וֹן
(gidon)
Gideon
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en legerden zich
עַל
(al)
bij
עֵ֣ין
(ein)
bron van
חֲרֹ֑ד
(charod)
Charod
וּמַחֲנֵ֤ה
(umachane)
en kamp van
מִדְיָן֙
(midyan)
Midian
הָיָה
(haya)
was
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
מִצָּפ֔וֹן
(mitsafon)
ten noorden
מִגִּבְעַ֥ת
(migivat)
van heuvel van
הַמּוֹרֶ֖ה
(hamore)
de More
בָּעֵֽמֶק
(baemeq)
in de vallei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De bron van Charod ligt aan de voet van de berg Gilboa, bij het huidige Ein Harod in het noorden van Israël.
Dit is waarschijnlijk.
De heuvel More lag enkele kilometers ten noorden daarvan, in de vallei van Jizreël.
Ook dit is waarschijnlijk.
Zie Bron van Charod: De bron van Charod (Ein Harod) ligt aan de voet van de Gilboa.
Zie Heuvel More: De heuvel More (Givat ha-More) lag in de vallei van Jizreël, ten noorden van het kamp van Gideon.
Uitleg
Jerubbaal is de naam die Gideon kreeg in Richt. 6:32.
2Yahweh zei tegen Gideon: „Het volk dat bij je is, is te talrijk voor Mij om Midian in hun hand te geven. Anders verheft Israël zich boven Mij en zegt: ‘Mijn eigen hand heeft mij gered.’
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
גִּדְע֔וֹן
(gidon)
Gideon
רַ֗ב
(rav)
te veel
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִתָּ֔ךְ
(itakh)
met je
מִתִּתִּ֥י
(mititi)
dat Ik geef
אֶת
(et)
(obj.)
מִדְיָ֖ן
(midyan)
Midian
בְּיָדָ֑ם
(beyadam)
in hun hand
פֶּן
(pen)
opdat niet
יִתְפָּאֵ֨ר
(yitpaer)
zich verheft
עָלַ֤י
(alay)
boven Mij
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יָדִ֖י
(yadi)
mijn hand
הוֹשִׁ֥יעָה
(hoshia)
heeft gered
לִּֽי
(li)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Roep nu in de oren van het volk: ‘Wie bang en angstig is, moet terugkeren. Hij moet de berg Gilead verlaten.’” Toen keerden 22.000 van het volk terug. Er bleven 10.000 over.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
קְרָ֨א
(qera)
roep
נָ֜א
(na)
toch
בְּאָזְנֵ֤י
(beazenei)
in de oren van
הָעָם֙
(haam)
het volk
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
מִֽי
(mi)
wie
יָרֵ֣א
(yare)
bang is
וְחָרֵ֔ד
(vechared)
en angstig
יָשֹׁ֥ב
(yashov)
laat terugkeren
וְיִצְפֹּ֖ר
(veyitspor)
en laat weggaan
מֵהַ֣ר
(mehar)
van de berg
הַגִּלְעָ֑ד
(hagilad)
Gilead
וַיָּ֣שָׁב
(vayashav)
en keerden terug
מִן
(min)
uit
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
וּשְׁנַ֨יִם֙
(ushenayim)
en twee
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
וַעֲשֶׂ֥רֶת
(vaaseret)
en tien
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
נִשְׁאָֽרוּ
(nisharu)
bleven over
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Lezing
Het Hebreeuwse woord וְיִצְפֹּר (vayitspor), ‘en hij moet weggaan’, komt maar één keer voor.
De betekenis is niet zeker; wij vertalen volgens de zin.
Ook de berg Gilead is hier moeilijk: de bekende Gilead ligt ten oosten van de Jordaan, ver weg.
Het kan gaan om een berg of heuvelrug in de buurt van Charod.
Wij houden ‘de berg Gilead’ zoals het Hebreeuws zegt.
Het wegsturen van de bange mannen volgt de wet van Deut. 20:8.
4Yahweh zei tegen Gideon: „Het volk is nog te talrijk. Breng hen af naar het water. Daar zal Ik hen voor je toetsen. Van wie Ik tegen je zeg: ‘Deze gaat met je mee’, die zal met je meegaan. En van wie Ik tegen je zeg: ‘Deze gaat niet met je mee’, die zal niet meegaan.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
גִּדְע֗וֹן
(gidon)
Gideon
עוֹד֮
(od)
nog
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
רָב֒
(rav)
te veel
הוֹרֵ֤ד
(hored)
breng af
אוֹתָם֙
(otam)
hen
אֶל
(el)
naar
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
וְאֶצְרְפֶ֥נּוּ
(veetsrefenu)
en Ik zal hem toetsen
לְךָ֖
(lekha)
voor je
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
אֲשֶׁר֩
(asher)
van wie
אֹמַ֨ר
(omar)
Ik zeg
אֵלֶ֜יךָ
(eleikha)
tot je
זֶ֣ה
(ze)
deze
יֵלֵ֣ךְ
(yelekh)
gaat
אִתָּ֗ךְ
(itakh)
met je
ה֚וּא
(hu)
hij
יֵלֵ֣ךְ
(yelekh)
gaat
אִתָּ֔ךְ
(itakh)
met je
וְכֹ֨ל
(vekhol)
en al
אֲשֶׁר
(asher)
wie
אֹמַ֜ר
(omar)
Ik zeg
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tot je
זֶ֚ה
(ze)
deze
לֹא
(lo)
niet
יֵלֵ֣ךְ
(yelekh)
gaat
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
met je
ה֖וּא
(hu)
hij
לֹ֥א
(lo)
niet
יֵלֵֽךְ
(yelekh)
gaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צָרַף (tsaraf), ‘toetsen’: letterlijk ‘zuiveren’, zoals metaal wordt gezuiverd in het vuur.
5Hij bracht het volk af naar het water. Yahweh zei tegen Gideon: „Iedereen die met zijn tong water lapt, zoals een hond lapt, moet je apart zetten. Ook iedereen die op zijn knieën zakt om te drinken, moet je apart zetten.”
וַיּ֥וֹרֶד
(vayored)
en bracht af
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
naar
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
גִּדְע֗וֹן
(gidon)
Gideon
כֹּ֣ל
(kol)
al
אֲשֶׁר
(asher)
wie
יָלֹק֩
(yaloq)
lapt
בִּלְשׁוֹנ֨וֹ
(bilshono)
met zijn tong
מִן
(min)
van
הַמַּ֜יִם
(hamayim)
het water
כַּאֲשֶׁ֧ר
(kaasher)
zoals
יָלֹ֣ק
(yaloq)
lapt
הַכֶּ֗לֶב
(hakelev)
de hond
תַּצִּ֤יג
(tatsig)
zet
אוֹתוֹ֙
(oto)
hem
לְבָ֔ד
(levad)
apart
וְכֹ֛ל
(vekhol)
en al
אֲשֶׁר
(asher)
wie
יִכְרַ֥ע
(yikhra)
zakt
עַל
(al)
op
בִּרְכָּ֖יו
(birkav)
zijn knieën
לִשְׁתּֽוֹת
(lishtot)
om te drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לָקַק (laqaq), ‘lappen’: water met de tong opnemen, zoals een hond doet.
Het ‘lappen met de hand’ (vers 6) is: water met de hand naar de mond brengen en met de tong opnemen.
De mannen die zo drinken blijven waakzaam.
Zij die op hun knieën zakken, kijken niet om zich heen.
7Yahweh zei tegen Gideon: „Door de 300 man die gelapt hebben zal Ik jullie redden. Ik zal Midian in je hand geven. Al het andere volk moet gaan, ieder naar zijn plaats.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
גִּדְע֗וֹן
(gidon)
Gideon
בִּשְׁלֹשׁ֩
(bishlosh)
door drie
מֵא֨וֹת
(meot)
honderd
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
הַֽמֲלַקְקִים֙
(hamalaqqim)
de lappers
אוֹשִׁ֣יעַ
(oshia)
Ik zal redden
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
מִדְיָ֖ן
(midyan)
Midian
בְּיָדֶ֑ךָ
(beyadekha)
in je hand
וְכָל
(vekhal)
en al
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
יֵלְכ֖וּ
(yelekhu)
laat gaan
אִ֥ישׁ
(ish)
man
לִמְקֹמֽוֹ
(limqomo)
naar zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zij namen de voorraden van het volk in hun hand, en hun ramshoorns. Alle andere mannen van Israël stuurde hij weg, ieder naar zijn tent. De 300 man hield hij vast. Het kamp van Midian lag onder hem, in de vallei.
וַיִּקְח֣וּ
(vayiqchu)
en namen
אֶת
(et)
(obj.)
צֵדָה֩
(tseda)
voorraad van
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
בְּיָדָ֜ם
(beyadam)
in hun hand
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
שׁוֹפְרֹֽתֵיהֶ֗ם
(shoferoteihem)
hun ramshoorns
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
אִ֤ישׁ
(ish)
man van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
שִׁלַּח֙
(shilach)
stuurde weg
אִ֣ישׁ
(ish)
man
לְאֹֽהָלָ֔יו
(leohalav)
naar zijn tent
וּבִשְׁלֹשׁ
(uvishlosh)
en met drie
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
הֶֽחֱזִ֑יק
(hecheziq)
hield vast
וּמַחֲנֵ֣ה
(umachane)
en kamp van
מִדְיָ֔ן
(midyan)
Midian
הָ֥יָה
(haya)
was
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
מִתַּ֥חַת
(mitachat)
onder
בָּעֵֽמֶק
(baemeq)
in de vallei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צֵדָה (tsedah), ‘voorraden’: eten voor onderweg.
De 300 man nemen het eten en de ramshoorns van de weggestuurde mannen.
Een שׁוֹפָר (shofar) is een ramshoorn, zoals in Exod. 19:16 en Lev. 25:9.
11Je zult horen wat zij zeggen. Daarna zullen je handen sterk worden en zul je afdalen naar het kamp.” Hij daalde met Pura, zijn jongen, af tot aan de rand van de gewapende mannen die in het kamp waren.
וְשָֽׁמַעְתָּ֙
(veshamata)
en je zult horen
מַה
(ma)
wat
יְדַבֵּ֔רוּ
(yedaberu)
zij zeggen
וְאַחַר֙
(veachar)
en daarna
תֶּחֱזַ֣קְנָה
(techezaqna)
zullen sterk worden
יָדֶ֔יךָ
(yadeikha)
je handen
וְיָרַדְתָּ֖
(veyaradta)
en je zult afdalen
בַּֽמַּחֲנֶ֑ה
(bamachane)
naar het kamp
וַיֵּ֤רֶד
(vayered)
en daalde af
הוּא֙
(hu)
hij
וּפֻרָ֣ה
(ufura)
en Pura
נַעֲר֔וֹ
(naaro)
zijn jongen
אֶל
(el)
tot
קְצֵ֥ה
(qetse)
rand van
הַחֲמֻשִׁ֖ים
(hachamushim)
de gewapende mannen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בַּֽמַּחֲנֶֽה
(bamachane)
in het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲמֻשִׁים (chamushim), ‘gewapende mannen’: het woord komt ook voor in Exod. 13:18 en Joz. 1:14.
De betekenis is niet zeker; het kan ook ‘in vijftallen’ betekenen.
12Midian, Amalek en alle zonen van het oosten lagen neergevallen in de vallei, zo talrijk als sprinkhanen. Hun kamelen waren niet te tellen, zo talrijk als het zand aan de oever van de zee.
וּמִדְיָ֨ן
(umidyan)
en Midian
וַעֲמָלֵ֤ק
(vaamaleq)
en Amalek
וְכָל
(vekhal)
en alle
בְּנֵי
(benei)
zonen van
קֶ֨דֶם֙
(qedem)
het oosten
נֹפְלִ֣ים
(nofelim)
gevallen
בָּעֵ֔מֶק
(baemeq)
in de vallei
כָּאַרְבֶּ֖ה
(kaarbe)
als sprinkhanen
לָרֹ֑ב
(larov)
in menigte
וְלִגְמַלֵּיהֶם֙
(veligmaleihem)
en hun kamelen
אֵ֣ין
(ein)
geen
מִסְפָּ֔ר
(mispar)
getal
כַּח֛וֹל
(kachol)
als zand
שֶׁעַל
(sheal)
dat
שְׂפַ֥ת
(sefat)
aan oever van
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
לָרֹֽב
(larov)
in menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dezelfde vergelijking met sprinkhanen en zand staat in Richt. 6:5.
13Gideon kwam, en zie, een man vertelde zijn metgezel een droom. Hij zei: „Zie, ik heb een droom gedroomd. Zie, een rond gerstebrood rolde door het kamp van Midian. Het kwam bij de tent en sloeg die, zodat hij viel. Het keerde de tent ondersteboven, en de tent lag neer.”
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
גִדְע֔וֹן
(gidon)
Gideon
וְהִ֨נֵּה
(vehine)
en zie
אִ֔ישׁ
(ish)
man
מְסַפֵּ֥ר
(mesaper)
vertelde
לְרֵעֵ֖הוּ
(lereehu)
aan zijn metgezel
חֲל֑וֹם
(chalom)
droom
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנֵּ֧ה
(hine)
zie
חֲל֣וֹם
(chalom)
droom
חָלַ֗מְתִּי
(chalamti)
ik heb gedroomd
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
צְלִ֜יל
(tselil)
rond brood
לֶ֤חֶם
(lechem)
van brood
שְׂעֹרִים֙
(seorim)
gerst
מִתְהַפֵּךְ֙
(mithapekh)
rolde
בְּמַחֲנֵ֣ה
(bemachane)
in kamp van
מִדְיָ֔ן
(midyan)
Midian
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
עַד
(ad)
tot
הָ֠אֹהֶל
(haohel)
de tent
וַיַּכֵּ֧הוּ
(vayakehu)
en sloeg hem
וַיִּפֹּ֛ל
(vayipol)
en viel
וַיַּהַפְכֵ֥הוּ
(vayahafkhehu)
en keerde hem om
לְמַ֖עְלָה
(lemala)
naar boven
וְנָפַ֥ל
(venafal)
en viel
הָאֹֽהֶל
(haohel)
de tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צְלִיל לֶחֶם שְׂעֹרִים (tselil lechem se’orim), ‘een rond gerstebrood’: een brood van gerst, het brood van arme mensen.
Het woord צְלִיל (tselil) komt maar één keer voor, dus de betekenis is niet zeker.
Wij vertalen ‘rond brood’.
Het brood staat voor Gideon en Israël, de tent voor Midian.
14Zijn metgezel antwoordde: „Dit is niets anders dan het zwaard van Gideon, de zoon van Joas, de man van Israël. Elohim heeft Midian en heel het kamp in zijn hand gegeven.”
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en antwoordde
רֵעֵ֤הוּ
(reehu)
zijn metgezel
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֵ֣ין
(ein)
niet
זֹ֔את
(zot)
dit
בִּלְתִּ֗י
(bilti)
anders dan
אִם
(im)
indien
חֶ֛רֶב
(cherev)
zwaard van
גִּדְע֥וֹן
(gidon)
Gideon
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹאָ֖שׁ
(yoash)
Joas
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
נָתַ֤ן
(natan)
heeft gegeven
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
אֶת
(et)
(obj.)
מִדְיָ֖ן
(midyan)
Midian
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַֽמַּחֲנֶֽה
(hamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het ‘zwaard van Gideon’ is het zwaard van de man die Yahweh gebruikt.
De metgezel noemt hier Elohim, niet Yahweh: zo spreekt een Midianiet.
De uitleg van de droom bevestigt de belofte van Yahweh in vers 9.
15Toen Gideon het verhaal van de droom en de uitleg ervan hoorde, boog hij zich neer. Hij keerde terug naar het kamp van Israël en zei: „Sta op, want Yahweh heeft het kamp van Midian in jullie hand gegeven.”
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
כִשְׁמֹ֨עַ
(kishmoa)
toen hoorde
גִּדְע֜וֹן
(gidon)
Gideon
אֶת
(et)
(obj.)
מִסְפַּ֧ר
(mispar)
verhaal van
הַחֲל֛וֹם
(hachalom)
de droom
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שִׁבְר֖וֹ
(shivro)
de uitleg ervan
וַיִּשְׁתָּ֑חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
וַיָּ֨שָׁב֙
(vayashav)
en keerde terug
אֶל
(el)
naar
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
kamp van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ק֔וּמוּ
(qumu)
sta op
כִּֽי
(ki)
want
נָתַ֧ן
(natan)
heeft gegeven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיֶדְכֶ֖ם
(beyedkhem)
in jullie hand
אֶת
(et)
(obj.)
מַחֲנֵ֥ה
(machane)
kamp van
מִדְיָֽן
(midyan)
Midian
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּשְׁתַּחוּ (vayishtachu), ‘hij boog zich neer’: Gideon eert Yahweh, die hem zo bemoedigt.
18Ik blaas op de ramshoorn, ik en allen die bij mij zijn. Dan moeten ook jullie blazen op de ramshoorns, rondom heel het kamp. Zeg dan: ‘Voor Yahweh en voor Gideon!’”
וְתָקַעְתִּי֙
(vetaqati)
en ik blaas
בַּשּׁוֹפָ֔ר
(bashofar)
op de ramshoorn
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
וְכָל
(vekhal)
en al
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתִּ֑י
(iti)
met mij
וּתְקַעְתֶּ֨ם
(uteqatem)
en jullie zullen blazen
בַּשּׁוֹפָר֜וֹת
(bashofarot)
op de ramshoorns
גַּם
(gam)
ook
אַתֶּ֗ם
(atem)
jullie
סְבִיבוֹת֙
(sevivot)
rondom
כָּל
(kal)
heel
הַֽמַּחֲנֶ֔ה
(hamachane)
het kamp
וַאֲמַרְתֶּ֖ם
(vaamartem)
en jullie zullen zeggen
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וּלְגִדְעֽוֹן
(ulegidon)
en voor Gideon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De kreet ‘Voor Yahweh en voor Gideon’ staat in vers 20 met het woord ‘zwaard’ erbij.
19Gideon en de honderd man die bij hem waren kwamen aan de rand van het kamp, aan het begin van de middelste wake. Net hadden zij de wachters opgesteld. Zij bliezen op de ramshoorns en sloegen de kruiken stuk die in hun hand waren.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
גִ֠דְעוֹן
(gidon)
Gideon
וּמֵאָה
(umea)
en honderd
אִ֨ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁר
(asher)
die
אִתּ֜וֹ
(ito)
met hem
בִּקְצֵ֣ה
(biqtse)
aan de rand van
הַֽמַּחֲנֶ֗ה
(hamachane)
het kamp
רֹ֚אשׁ
(rosh)
begin van
הָאַשְׁמֹ֣רֶת
(haashmoret)
de wake
הַתִּֽיכוֹנָ֔ה
(hatikhona)
de middelste
אַ֛ךְ
(akh)
juist
הָקֵ֥ם
(haqem)
opgesteld
הֵקִ֖ימוּ
(heqimu)
hadden zij
אֶת
(et)
(obj.)
הַשֹּֽׁמְרִ֑ים
(hashomerim)
de wachters
וַֽיִּתְקְעוּ֙
(vayitqeu)
en bliezen
בַּשּׁ֣וֹפָר֔וֹת
(bashofarot)
op de ramshoorns
וְנָפ֥וֹץ
(venafots)
en sloegen stuk
הַכַּדִּ֖ים
(hakadim)
de kruiken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּיָדָֽם
(beyadam)
in hun hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַשְׁמֹרֶת (ashmoret), ‘wake’: de nacht is verdeeld in drie wakes.
De ‘middelste wake’ begint ongeveer rond tien uur ’s avonds.
20De drie groepen bliezen op de ramshoorns en braken de kruiken. Zij hielden de fakkels in hun linkerhand en de ramshoorns in hun rechterhand om te blazen. Zij riepen: „Een zwaard voor Yahweh en voor Gideon!”
וַֽ֠יִּתְקְעוּ
(vayitqeu)
en bliezen
שְׁלֹ֨שֶׁת
(sheloshet)
drie
הָרָאשִׁ֥ים
(harashim)
de groepen
בַּשּֽׁוֹפָרוֹת֮
(bashofarot)
op de ramshoorns
וַיִּשְׁבְּר֣וּ
(vayishberu)
en braken
הַכַּדִּים֒
(hakadim)
de kruiken
וַיַּחֲזִ֤יקוּ
(vayachaziqu)
en hielden vast
בְיַד
(beyad)
in de hand
שְׂמאוֹלָם֙
(semolam)
hun linker
בַּלַּפִּדִ֔ים
(balapidim)
de fakkels
וּבְיַ֨ד
(uveyad)
en in de hand
יְמִינָ֔ם
(yeminam)
hun rechter
הַשּׁוֹפָר֖וֹת
(hashofarot)
de ramshoorns
לִתְק֑וֹעַ
(litqoa)
om te blazen
וַֽיִּקְרְא֔וּ
(vayiqreu)
en riepen
חֶ֥רֶב
(cherev)
zwaard
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וּלְגִדְעֽוֹן
(ulegidon)
en voor Gideon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het zwaard (חֶרֶב, cherev) is hier de strijdkreet.
De mannen hebben alleen ramshoorns en fakkels in hun handen.
22Zij bliezen op de 300 ramshoorns. Toen zette Yahweh het zwaard van de een tegen de ander, in heel het kamp. Het kamp vluchtte tot Bet-Hasjitta, naar Zererat, tot aan de oever van Abel-Mechola, bij Tabbat.
וַֽיִּתְקְעוּ֮
(vayitqeu)
en bliezen
שְׁלֹשׁ
(shelosh)
drie
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
הַשּׁוֹפָרוֹת֒
(hashofarot)
de ramshoorns
וַיָּ֣שֶׂם
(vayasem)
en zette
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
חֶ֥רֶב
(cherev)
zwaard van
אִ֛ישׁ
(ish)
man
בְּרֵעֵ֖הוּ
(bereehu)
tegen zijn naaste
וּבְכָל
(uvekhal)
en in heel
הַֽמַּחֲנֶ֑ה
(hamachane)
het kamp
וַיָּ֨נָס
(vayanas)
en vluchtte
הַֽמַּחֲנֶ֜ה
(hamachane)
het kamp
עַד
(ad)
tot
בֵּ֤ית
(beit)
Bet
הַשִּׁטָּה֙
(hashita)
Hasjitta
צְֽרֵרָ֔תָה
(tsererata)
Zererat
עַ֛ד
(ad)
tot
שְׂפַת
(sefat)
oever van
אָבֵ֥ל
(avel)
Abel
מְחוֹלָ֖ה
(mechola)
Mechola
עַל
(al)
bij
טַבָּֽת
(tabat)
Tabbat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Bet-Hasjitta (‘huis van de acacia’) ligt waarschijnlijk bij het huidige Shatta, in de vallei van Charod (Israël).
Zererat is onbekend.
Abel-Mechola ligt in de Jordaanvallei, vermoedelijk bij Tell el-Maqlub of Tell Abu Sifri (Jordanië); dit is onzeker.
Het is ook de plaats van Elisa (1 Kon. 19:16).
Tabbat is onzeker, mogelijk Ras Abu Tabat in Jordanië.
De route volgt de vluchtweg van de Jizreëlvlakte naar de Jordaan.
Uitleg
De Midianieten keerden zich tegen elkaar in de verwarring.
24Gideon stuurde boodschappers door heel het bergland van Efraïm. Zij zeiden: „Ga Midian tegemoet naar beneden. Neem de wateren voor hen in, tot Bet-Bara, en ook de Jordaan.” Alle mannen van Efraïm werden opgeroepen. Zij namen de wateren in tot Bet-Bara, en ook de Jordaan.
וּמַלְאָכִ֡ים
(umalakhim)
en boodschappers
שָׁלַ֣ח
(shalach)
stuurde
גִּדְעוֹן֩
(gidon)
Gideon
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הַ֨ר
(har)
bergland van
אֶפְרַ֜יִם
(efrayim)
Efraïm
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
רְד֞וּ
(redu)
ga af
לִקְרַ֤את
(liqrat)
tegemoet aan
מִדְיָן֙
(midyan)
Midian
וְלִכְד֤וּ
(velikhdu)
en neem in
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
de wateren
עַ֛ד
(ad)
tot
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
בָּרָ֖ה
(bara)
Bara
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיַּרְדֵּ֑ן
(hayarden)
de Jordaan
וַיִּצָּעֵ֞ק
(vayitsaeq)
en werden opgeroepen
כָּל
(kal)
alle
אִ֤ישׁ
(ish)
man van
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
וַיִּלְכְּד֣וּ
(vayilkedu)
en namen in
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
de wateren
עַ֛ד
(ad)
tot
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
בָּרָ֖ה
(bara)
Bara
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Bet-Bara is een plaats of voorde aan de Jordaan, wier ligging niet bekend is.
Waarschijnlijk lag die in de Jordaanvallei, ten zuiden van de Jizreëlvlakte.
Efraïm moest de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan afsluiten, zodat Midian niet kon vluchten naar het oosten.
Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.
25Zij namen twee vorsten van Midian gevangen: Oreb en Zeëb. Oreb doodden zij bij de rots van Oreb, en Zeëb doodden zij bij de wijnpers van Zeëb. Zij achtervolgden Midian. De hoofden van Oreb en Zeëb brachten zij naar Gideon, aan de overkant van de Jordaan.
וַֽיִּלְכְּד֡וּ
(vayilkedu)
en namen gevangen
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
שָׂרֵ֨י
(sarei)
vorsten van
מִדְיָ֜ן
(midyan)
Midian
אֶת
(et)
(obj.)
עֹרֵ֣ב
(orev)
Oreb
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זְאֵ֗ב
(zeev)
Zeëb
וַיַּהַרְג֨וּ
(vayahargu)
en doodden
אֶת
(et)
(obj.)
עוֹרֵ֤ב
(orev)
Oreb
בְּצוּר
(betsur)
bij de rots van
עוֹרֵב֙
(orev)
Oreb
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זְאֵב֙
(zeev)
Zeëb
הָרְג֣וּ
(haregu)
doodden zij
בְיֶֽקֶב
(beyeqev)
bij de wijnpers van
זְאֵ֔ב
(zeev)
Zeëb
וַֽיִּרְדְּפ֖וּ
(vayirdefu)
en achtervolgden
אֶל
(el)
naar
מִדְיָ֑ן
(midyan)
Midian
וְרֹאשׁ
(verosh)
en hoofd van
עֹרֵ֣ב
(orev)
Oreb
וּזְאֵ֔ב
(uzeev)
en Zeëb
הֵבִ֨יאוּ֙
(heviu)
brachten
אֶל
(el)
naar
גִּדְע֔וֹן
(gidon)
Gideon
מֵעֵ֖בֶר
(meever)
van over
לַיַּרְדֵּֽן
(layarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De rots van Oreb en de wijnpers van Zeëb liggen ten westen van de Jordaan; hun ligging is onbekend.
De rots van Oreb wordt ook genoemd in Jes. 10:26.
Zie ook Ps. 83:12.
Uitleg
עֹרֵב (Orev), ‘raaf’, en זְאֵב (Ze’ev), ‘wolf’: de namen van de twee vorsten betekenen ‘raaf’ en ‘wolf’.
Lezing
‘Aan de overkant van de Jordaan’ (מֵעֵבֶר לַיַּרְדֵּן, me’ever layYarden) kan betekenen dat Gideon al aan de oostkant stond.