Elohim Bijbel

Markus 12

12345678910111213141516

De gelijkenis van de wijngaard, de vragen van de leiders, het grote gebod en de arme weduwe

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De gelijkenis van de wijngaard

1Hij begon in gelijkenissen tegen hen te spreken: „Een man plantte een wijngaard, zette er een omheining omheen, groef een wijnpers en bouwde een toren. Hij verpachtte de wijngaard aan pachters en reisde naar het buitenland.
Καὶ
(Kai)
en
ἤρξατο
(erxato)
begon
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ἐν
(en)
in
παραβολαῖς
(parabolais)
gelijkenissen
λαλεῖν
(lalein)
te spreken
Ἀμπελῶνα
(Ampelona)
wijngaard
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
ἐφύτευσεν
(ephyteusen)
plantte
καὶ
(kai)
en
περιέθηκεν
(perietheken)
zette
φραγμὸν
(phragmon)
omheining
καὶ
(kai)
en
ὤρυξεν
(oryxen)
groef
ὑπολήνιον
(hypolenion)
wijnpers
καὶ
(kai)
en
ᾠκοδόμησεν
(okodomesen)
bouwde
πύργον
(pyrgon)
toren
καὶ
(kai)
en
ἐξέδετο
(exedeto)
verpachtte
αὐτὸν
(auton)
hem
γεωργοῖς
(georgois)
aan pachters
καὶ
(kai)
en
ἀπεδήμησεν
(apedemesen)
reisde naar het buitenland
Bron: SBLGNT
Uitleg

De gelijkenis begint zoals het lied over de wijngaard in Jes. 5:1–2 (planten, toren, wijnpers). ἐκδίδωμι (ekdidomi), ‘verpachten’: tegen een deel van de opbrengst uitbesteden.

Zie ook Matt. 21:33–46; Luc. 20:9–19.

2Op de juiste tijd zond hij een knecht naar de pachters, om van hen een deel van de vruchten van de wijngaard te ontvangen.
καὶ
(kai)
en
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
πρὸς
(pros)
naar
τοὺς
(tous)
de
γεωργοὺς
(georgous)
pachters
τῷ
(to)
op de
καιρῷ
(kairo)
juiste tijd
δοῦλον
(doulon)
knecht
ἵνα
(hina)
opdat
παρὰ
(para)
van
τῶν
(ton)
de
γεωργῶν
(georgon)
pachters
λάβῃ
(labe)
hij ontvangt
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
καρπῶν
(karpon)
vruchten
τοῦ
(tou)
van de
ἀμπελῶνος
(ampelonos)
wijngaard
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’.

Een δοῦλος hoort bij een heer en doet zijn werk.

Wij schrijven overal ‘knecht’; voor διάκονος (diakonos) schrijven wij ‘dienaar’ (zie 9:35).

3Zij pakten hem, sloegen hem en zonden hem met lege handen weg.
καὶ
(kai)
en
λαβόντες
(labontes)
pakkend
αὐτὸν
(auton)
hem
ἔδειραν
(edeiran)
sloegen
καὶ
(kai)
en
ἀπέστειλαν
(apesteilan)
zonden weg
κενόν
(kenon)
leeg
Bron: SBLGNT
4Weer zond hij een andere knecht naar hen. Ook die sloegen zij op het hoofd en zij onteerden hem.
καὶ
(kai)
en
πάλιν
(palin)
weer
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
πρὸς
(pros)
naar
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἄλλον
(allon)
andere
δοῦλον
(doulon)
knecht
κἀκεῖνον
(kakeinon)
en die
ἐκεφαλίωσαν
(ekephaliosan)
sloegen op het hoofd
καὶ
(kai)
en
ἠτίμασαν
(etimasan)
onteerden
Bron: SBLGNT
5Weer een andere zond hij; die doodden zij. En ook vele anderen: sommigen sloegen zij, anderen doodden zij.
καὶ
(kai)
en
ἄλλον
(allon)
andere
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
κἀκεῖνον
(kakeinon)
en die
ἀπέκτειναν
(apekteinan)
doodden zij
καὶ
(kai)
en
πολλοὺς
(pollous)
vele
ἄλλους
(allous)
anderen
οὓς
(hous)
van wie
μὲν
(men)
wel
δέροντες
(derontes)
slaand
οὓς
(hous)
van wie
δὲ
(de)
maar
ἀποκτέννοντες
(apoktennontes)
dodend
Bron: SBLGNT
6Hij had nog één: een geliefde zoon. Die zond hij als laatste naar hen toe. Hij zei: ‘Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.’
ἔτι
(eti)
nog
ἕνα
(hena)
één
εἶχεν
(eichen)
had
υἱὸν
(huion)
zoon
ἀγαπητόν
(agapeton)
geliefde
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
αὐτὸν
(auton)
hem
ἔσχατον
(eschaton)
laatste
πρὸς
(pros)
naar
αὐτοὺς
(autous)
hen
λέγων
(legon)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Ἐντραπήσονται
(Entrapesontai)
zullen ontzag hebben
τὸν
(ton)
de
υἱόν
(huion)
zoon
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

υἱὸν ἀγαπητόν (huion agapeton), ‘geliefde zoon’: dezelfde woorden als in 1:11 en 9:7.

7Maar die pachters zeiden onder elkaar: ‘Dit is de erfgenaam. Kom, laten wij hem doden, en de erfenis zal van ons zijn.’
ἐκεῖνοι
(ekeinoi)
die
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
γεωργοὶ
(georgoi)
pachters
πρὸς
(pros)
tot
ἑαυτοὺς
(heautous)
zichzelf
εἶπαν
(eipan)
zeiden
ὅτι
(hoti)
dat
Οὗτός
(Houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
κληρονόμος
(kleronomos)
erfgenaam
δεῦτε
(deute)
kom
ἀποκτείνωμεν
(apokteinomen)
laten wij doden
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἡμῶν
(hemon)
van ons
ἔσται
(estai)
zal zijn
ἡ
(he)
de
κληρονομία
(kleronomia)
erfenis
Bron: SBLGNT
8Zij pakten hem, doodden hem en wierpen hem buiten de wijngaard.
καὶ
(kai)
en
λαβόντες
(labontes)
pakkend
ἀπέκτειναν
(apekteinan)
doodden
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἐξέβαλον
(exebalon)
wierpen uit
αὐτὸν
(auton)
hem
ἔξω
(exo)
buiten
τοῦ
(tou)
van de
ἀμπελῶνος
(ampelonos)
wijngaard
Bron: SBLGNT
9Wat zal de heer van de wijngaard doen? Hij zal komen, de pachters ombrengen en de wijngaard aan anderen geven.
τί
(ti)
wat
ποιήσει
(poiesei)
zal doen
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
heer
τοῦ
(tou)
van de
ἀμπελῶνος
(ampelonos)
wijngaard
ἐλεύσεται
(eleusetai)
zal komen
καὶ
(kai)
en
ἀπολέσει
(apolesei)
zal ombrengen
τοὺς
(tous)
de
γεωργούς
(georgous)
pachters
καὶ
(kai)
en
δώσει
(dosei)
zal geven
τὸν
(ton)
de
ἀμπελῶνα
(ampelona)
wijngaard
ἄλλοις
(allois)
aan anderen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁ κύριος (ho kyrios) is hier de eigenaar van de wijngaard, dus ‘heer’ met een kleine letter.

10Hebben jullie ook dit Schriftwoord niet gelezen: ‘De steen die de bouwers verwierpen, die is tot hoeksteen geworden.
οὐδὲ
(oude)
ook niet
τὴν
(ten)
de
γραφὴν
(graphen)
Schrift
ταύτην
(tauten)
deze
ἀνέγνωτε
(anegnote)
jullie lazen
Λίθον
(Lithon)
steen
ὃν
(hon)
die
ἀπεδοκίμασαν
(apedokimasan)
verwierpen
οἱ
(hoi)
de
οἰκοδομοῦντες
(oikodomountes)
bouwers
οὗτος
(houtos)
deze
ἐγενήθη
(egenethe)
is geworden
εἰς
(eis)
tot
κεφαλὴν
(kephalen)
hoofd van
γωνίας
(gonias)
hoek
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Ps. 118:22–23. κεφαλὴ γωνίας (kephale gonias) is letterlijk ‘hoofd van de hoek’; wij vertalen ‘hoeksteen’, zoals in Ps. 118:22.

11Dit is van Yahweh gekomen, en het is wonderbaar in onze ogen’?”
παρὰ
(para)
van
κυρίου
(kyriou)
Yahweh
ἐγένετο
(egeneto)
is gekomen
αὕτη
(haute)
dit
καὶ
(kai)
en
ἔστιν
(estin)
is
θαυμαστὴ
(thaumaste)
wonderbaar
ἐν
(en)
in
ὀφθαλμοῖς
(ophthalmois)
ogen
ἡμῶν
(hemon)
onze
Bron: SBLGNT
12Zij probeerden Hem te grijpen, maar zij werden bang voor de menigte. Zij begrepen namelijk dat Hij de gelijkenis tegen hen had gesproken. Zij lieten Hem achter en gingen weg.
Καὶ
(Kai)
en
ἐζήτουν
(ezetoun)
zochten
αὐτὸν
(auton)
Hem
κρατῆσαι
(kratesai)
te grijpen
καὶ
(kai)
en
ἐφοβήθησαν
(ephobethesan)
werden bang
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
ἔγνωσαν
(egnosan)
zij begrepen
γὰρ
(gar)
want
ὅτι
(hoti)
dat
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτοὺς
(autous)
hen
τὴν
(ten)
de
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
καὶ
(kai)
en
ἀφέντες
(aphentes)
achterlatend
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἀπῆλθον
(apelthon)
gingen weg
Bron: SBLGNT

Een vraag over de belasting

13Zij zonden enkele Farizeeën en Herodianen naar Hem toe om Hem met woorden te vangen.
Καὶ
(Kai)
en
ἀποστέλλουσιν
(apostellousin)
zenden
πρὸς
(pros)
naar
αὐτόν
(auton)
Hem
τινας
(tinas)
enkelen
τῶν
(ton)
van de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
καὶ
(kai)
en
τῶν
(ton)
van de
Ἡρῳδιανῶν
(Herodianon)
Herodianen
ἵνα
(hina)
opdat
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἀγρεύσωσιν
(agreusosin)
zij vangen
λόγῳ
(logo)
met een woord
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ἡρῳδιανοί (Herodianoi), ‘Herodianen’: aanhangers van de familie van Herodes.

Zie ook Matt. 22:15–22; Luc. 20:20–26.

14Zij kwamen naar Hem toe en zeiden: „Leraar, wij weten dat U waarachtig bent en dat U zich van niemand iets aantrekt. Want U kijkt niet naar het gezicht van mensen, maar U onderwijst in waarheid de weg van Elohim. Is het geoorloofd belasting aan de keizer te geven of niet? Moeten wij geven of niet geven?”
καὶ
(kai)
en
ἐλθόντες
(elthontes)
gekomen
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
οἴδαμεν
(oidamen)
wij weten
ὅτι
(hoti)
dat
ἀληθὴς
(alethes)
waarachtig
εἶ
(ei)
U bent
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
μέλει
(melei)
is het een zorg
σοι
(soi)
voor U
περὶ
(peri)
om
οὐδενός
(oudenos)
niemand
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
βλέπεις
(blepeis)
U kijkt
εἰς
(eis)
naar
πρόσωπον
(prosopon)
gezicht
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
ἀλλ’
(all’)
maar
ἐπ’
(ep’)
in
ἀληθείας
(aletheias)
waarheid
τὴν
(ten)
de
ὁδὸν
(hodon)
weg
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
διδάσκεις
(didaskeis)
U onderwijst
ἔξεστιν
(exestin)
geoorloofd
δοῦναι
(dounai)
te geven
κῆνσον
(kenson)
belasting
Καίσαρι
(Kaisari)
aan de keizer
ἢ
(e)
of
οὔ
(ou)
niet
δῶμεν
(domen)
zullen wij geven
ἢ
(e)
of
μὴ
(me)
niet
δῶμεν
(domen)
zullen wij geven
Bron: SBLGNT
Uitleg

κῆνσος (kensos), ‘belasting’: het woord komt van het Latijnse census en is de belasting die aan de Romeinse keizer werd betaald. Καῖσαρ (Kaisar), ‘keizer’: de titel van de Romeinse keizer.

‘Niet kijken naar het gezicht van mensen’ is een uitdrukking voor niet partijdig zijn.

15Maar Hij kende hun huichelarij en zei tegen hen: „Waarom stellen jullie Mij op de proef? Breng Mij een denarie, zodat Ik die kan zien.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἰδὼς
(eidos)
wetend
αὐτῶν
(auton)
hun
τὴν
(ten)
de
ὑπόκρισιν
(hypokrisin)
huichelarij
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Τί
(Ti)
wat
με
(me)
Mij
πειράζετε
(peirazete)
stellen jullie op de proef
φέρετέ
(pherete)
breng
μοι
(moi)
Mij
δηνάριον
(denarion)
denarie
ἵνα
(hina)
opdat
ἴδω
(ido)
Ik zie
Bron: SBLGNT
Uitleg

δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werken (zie ook Matt. 20:2).

Zie ookMat 20:2
16Zij brachten er een. Hij zei tegen hen: „Van wie zijn dit beeld en dit opschrift?” Zij zeiden tegen Hem: „Van de keizer.”
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἤνεγκαν
(enenkan)
brachten
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
Hij zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Τίνος
(Tinos)
van wie
ἡ
(he)
het
εἰκὼν
(eikon)
beeld
αὕτη
(haute)
dit
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
het
ἐπιγραφή
(epigraphe)
opschrift
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Καίσαρος
(Kaisaros)
van de keizer
Bron: SBLGNT
17Yeshua zei tegen hen: „Geef aan de keizer terug wat van de keizer is, en aan Elohim wat van Elohim is.” Zij verwonderden zich over Hem.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Τὰ
(Ta)
wat
Καίσαρος
(Kaisaros)
van de keizer
ἀπόδοτε
(apodote)
geef
Καίσαρι
(Kaisari)
aan de keizer
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
wat
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
τῷ
(to)
aan
θεῷ
(theo)
Elohim
καὶ
(kai)
en
ἐξεθαύμαζον
(exethaumazon)
verwonderden zich
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT

Een vraag over de opstanding

18Sadduceeën kwamen naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is. Zij vroegen Hem:
Καὶ
(Kai)
en
ἔρχονται
(erchontai)
komen
Σαδδουκαῖοι
(Saddoukaioi)
Sadduceeën
πρὸς
(pros)
naar
αὐτόν
(auton)
Hem
οἵτινες
(hoitines)
die
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
ἀνάστασιν
(anastasin)
opstanding
μὴ
(me)
niet
εἶναι
(einai)
te zijn
καὶ
(kai)
en
ἐπηρώτων
(eperoton)
zij vroegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks zegt zelf dat de Sadduceeën de opstanding ontkennen.

Zie ook Matt. 22:23–33; Luc. 20:27–40.

19„Leraar, Mozes heeft ons geschreven: als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat maar geen kind nalaat, dan moet zijn broer de vrouw nemen. Hij moet nageslacht opwekken voor zijn broer.
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
ἔγραψεν
(egrapsen)
schreef
ἡμῖν
(hemin)
ons
ὅτι
(hoti)
dat
ἐάν
(ean)
als
τινος
(tinos)
van iemand
ἀδελφὸς
(adelphos)
broer
ἀποθάνῃ
(apothane)
sterft
καὶ
(kai)
en
καταλίπῃ
(katalipe)
achterlaat
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
ἀφῇ
(aphe)
nalaat
τέκνον
(teknon)
kind
ἵνα
(hina)
opdat
λάβῃ
(labe)
neemt
ὁ
(ho)
de
ἀδελφὸς
(adelphos)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
καὶ
(kai)
en
ἐξαναστήσῃ
(exanastese)
laat opstaan
σπέρμα
(sperma)
nageslacht
τῷ
(to)
aan de
ἀδελφῷ
(adelpho)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie Deut. 25:5–10: wanneer een man kinderloos sterft, moet zijn broer de weduwe nemen.

Het Hebreeuws noemt dat ‘de plicht van een zwager vervullen’; vergelijk Gen. 38:8 (‘wek nageslacht op voor je broer’).

20Er waren 7 broers. De eerste nam een vrouw en stierf zonder nageslacht na te laten.
ἑπτὰ
(hepta)
7
ἀδελφοὶ
(adelphoi)
broers
ἦσαν
(esan)
waren
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
πρῶτος
(protos)
eerste
ἔλαβεν
(elaben)
nam
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
καὶ
(kai)
en
ἀποθνῄσκων
(apothneskon)
stervend
οὐκ
(ouk)
niet
ἀφῆκεν
(apheken)
liet na
σπέρμα
(sperma)
nageslacht
Bron: SBLGNT
21De tweede nam haar en stierf zonder nageslacht na te laten, en de derde evenzo.
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
δεύτερος
(deuteros)
tweede
ἔλαβεν
(elaben)
nam
αὐτήν
(auten)
haar
καὶ
(kai)
en
ἀπέθανεν
(apethanen)
stierf
μὴ
(me)
niet
καταλιπὼν
(katalipon)
nalatend
σπέρμα
(sperma)
nageslacht
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
τρίτος
(tritos)
derde
ὡσαύτως
(hosautos)
evenzo
Bron: SBLGNT
22En de 7 lieten geen nageslacht na. Als laatste van allen stierf ook de vrouw.
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἑπτὰ
(hepta)
7
οὐκ
(ouk)
niet
ἀφῆκαν
(aphekan)
lieten na
σπέρμα
(sperma)
nageslacht
ἔσχατον
(eschaton)
laatste
πάντων
(panton)
van allen
καὶ
(kai)
ook
ἡ
(he)
de
γυνὴ
(gyne)
vrouw
ἀπέθανεν
(apethanen)
stierf
Bron: SBLGNT
23In de opstanding, wanneer zij opstaan, van wie van hen zal zij de vrouw zijn? Want de 7 hebben haar tot vrouw gehad.”
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
ἀναστάσει
(anastasei)
opstanding
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἀναστῶσιν
(anastosin)
zij opstaan
τίνος
(tinos)
van wie
αὐτῶν
(auton)
van hen
ἔσται
(estai)
zal zijn
γυνή
(gyne)
vrouw
οἱ
(hoi)
de
γὰρ
(gar)
want
ἑπτὰ
(hepta)
7
ἔσχον
(eschon)
hadden
αὐτὴν
(auten)
haar
γυναῖκα
(gynaika)
tot vrouw
Bron: SBLGNT
24Yeshua zei tegen hen: „Dwalen jullie niet hierom, omdat jullie de Schriften niet kennen en de kracht van Elohim niet?
ἔφη
(ephe)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Οὐ
(Ou)
niet
διὰ
(dia)
om
τοῦτο
(touto)
dit
πλανᾶσθε
(planasthe)
dwalen jullie
μὴ
(me)
niet
εἰδότες
(eidotes)
kennend
τὰς
(tas)
de
γραφὰς
(graphas)
Schriften
μηδὲ
(mede)
en niet
τὴν
(ten)
de
δύναμιν
(dynamin)
kracht
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
25Want wanneer zij uit de doden opstaan, trouwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk gegeven, maar zijn zij als engelen in de hemelen.
ὅταν
(hotan)
wanneer
γὰρ
(gar)
want
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
ἀναστῶσιν
(anastosin)
zij opstaan
οὔτε
(oute)
noch
γαμοῦσιν
(gamousin)
trouwen
οὔτε
(oute)
noch
γαμίζονται
(gamizontai)
worden ten huwelijk gegeven
ἀλλ’
(all’)
maar
εἰσὶν
(eisin)
zijn
ὡς
(hos)
als
ἄγγελοι
(angeloi)
engelen
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
οὐρανοῖς
(ouranois)
hemelen
Bron: SBLGNT
26Maar over de doden, dat zij worden opgewekt: hebben jullie niet gelezen in het boek van Mozes, bij de braamstruik, hoe Elohim tegen hem zei: ‘Ik ben de Elohim van Abraham, de Elohim van Isaak en de Elohim van Jakob’?
περὶ
(peri)
over
δὲ
(de)
maar
τῶν
(ton)
de
νεκρῶν
(nekron)
doden
ὅτι
(hoti)
dat
ἐγείρονται
(egeirontai)
worden opgewekt
οὐκ
(ouk)
niet
ἀνέγνωτε
(anegnote)
jullie lazen
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
βίβλῳ
(biblo)
boek
Μωϋσέως
(Moyseos)
van Mozes
ἐπὶ
(epi)
bij
τοῦ
(tou)
de
βάτου
(batou)
braamstruik
πῶς
(pos)
hoe
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
λέγων
(legon)
zeggend
Ἐγὼ
(Ego)
Ik
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
Ἀβραὰμ
(Abraam)
van Abraham
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
Ἰσαὰκ
(Isaak)
van Isaak
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
Ἰακώβ
(Iakob)
van Jakob
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Exod. 3:6 (in ons Hebreeuws zonder ‘de’ voor Elohim; het Grieks heeft het lidwoord).

‘Het boek van Mozes’ en ‘de braamstruik’ (βάτος, batos) wijzen naar dat verhaal. ἐγείρονται (egeirontai), ‘worden opgewekt’.

Zie ookEx 3:6
27Hij is geen Elohim van doden, maar van levenden. Jullie dwalen zeer.”
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
θεὸς
(theos)
Elohim
νεκρῶν
(nekron)
van doden
ἀλλὰ
(alla)
maar
ζώντων
(zonton)
van levenden
πολὺ
(poly)
zeer
πλανᾶσθε
(planasthe)
dwalen jullie
Bron: SBLGNT

Het eerste gebod

28Een van de schriftgeleerden kwam naar Hem toe. Die had hen horen discussiëren en zag dat Yeshua hun goed had geantwoord. Hij vroeg Hem: „Welk gebod is het eerste van alle?”
Καὶ
(Kai)
en
προσελθὼν
(proselthon)
naartoe gekomen
εἷς
(heis)
één
τῶν
(ton)
van de
γραμματέων
(grammateon)
schriftgeleerden
ἀκούσας
(akousas)
gehoord hebbend
αὐτῶν
(auton)
hen
συζητούντων
(syzetounton)
discussiërend
ἰδὼν
(idon)
ziende
ὅτι
(hoti)
dat
καλῶς
(kalos)
goed
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
Hij antwoordde
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἐπηρώτησεν
(eperotesen)
vroeg
αὐτόν
(auton)
Hem
Ποία
(Poia)
welk
ἐστὶν
(estin)
is
ἐντολὴ
(entole)
gebod
πρώτη
(prote)
eerste
πάντων
(panton)
van alle
Bron: SBLGNT
Uitleg

συζητέω (syzeteo), ‘discussiëren’: wij vertalen het zo (ook 9:10, 9:14 en 9:16).

Zie ook Matt. 22:34–40; Luc. 10:25–28.

29Yeshua antwoordde: „Het eerste is: ‘Luister, Israël: Yahweh, onze Elohim, Yahweh is één.
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὅτι
(hoti)
dat
Πρώτη
(Prote)
eerste
ἐστίν
(estin)
is
Ἄκουε
(Akoue)
luister
Ἰσραήλ
(Israel)
Israël
κύριος
(kyrios)
Yahweh
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
ἡμῶν
(hemon)
onze
κύριος
(kyrios)
Yahweh
εἷς
(heis)
één
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Deut. 6:4–5. κύριος (kyrios) vertalen wij als ‘Yahweh’, zoals in Deut. 6:4.

30Je moet Yahweh, je Elohim, liefhebben met heel je hart, met heel je ziel, met heel je verstand en met heel je kracht.’
καὶ
(kai)
en
ἀγαπήσεις
(agapeseis)
je zult liefhebben
κύριον
(kyrion)
Yahweh
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
σου
(sou)
jouw
ἐξ
(ex)
uit
ὅλης
(holes)
heel
τῆς
(tes)
het
καρδίας
(kardias)
hart
σου
(sou)
jouw
καὶ
(kai)
en
ἐξ
(ex)
uit
ὅλης
(holes)
heel
τῆς
(tes)
de
ψυχῆς
(psyches)
ziel
σου
(sou)
jouw
καὶ
(kai)
en
ἐξ
(ex)
uit
ὅλης
(holes)
heel
τῆς
(tes)
het
διανοίας
(dianoias)
verstand
σου
(sou)
jouw
καὶ
(kai)
en
ἐξ
(ex)
uit
ὅλης
(holes)
heel
τῆς
(tes)
de
ἰσχύος
(ischyos)
kracht
σου
(sou)
jouw
Bron: SBLGNT
Uitleg

Deut. 6:5 noemt drie delen: hart, ziel en kracht.

Het Grieks heeft er vier: hart, ziel, verstand (διάνοια, dianoia) en kracht (ἰσχύς, ischys).

Zie ookDeut 6:5
31Het tweede is dit: ‘Je moet je naaste liefhebben als jezelf.’ Een groter gebod dan deze bestaat er niet.”
δευτέρα
(deutera)
tweede
αὕτη
(haute)
dit
Ἀγαπήσεις
(Agapeseis)
je zult liefhebben
τὸν
(ton)
de
πλησίον
(plesion)
naaste
σου
(sou)
jouw
ὡς
(hos)
als
σεαυτόν
(seauton)
jezelf
μείζων
(meizon)
groter
τούτων
(touton)
dan deze
ἄλλη
(alle)
ander
ἐντολὴ
(entole)
gebod
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Lev. 19:18: ‘Heb je naaste lief als jezelf’.

Zie ookLev 19:18
32De schriftgeleerde zei tegen Hem: „Goed, Leraar, naar waarheid hebt U gezegd dat Hij één is en dat er geen ander is behalve Hem,
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
ὁ
(ho)
de
γραμματεύς
(grammateus)
schriftgeleerde
Καλῶς
(Kalos)
goed
διδάσκαλε
(didaskale)
Leraar
ἐπ’
(ep’)
in
ἀληθείας
(aletheias)
waarheid
εἶπες
(eipes)
U zei
ὅτι
(hoti)
dat
εἷς
(heis)
één
ἐστιν
(estin)
Hij is
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ἄλλος
(allos)
ander
πλὴν
(plen)
behalve
αὐτοῦ
(autou)
Hem
Bron: SBLGNT
33en dat Hem liefhebben met heel het hart, met heel het inzicht en met heel de kracht, en de naaste liefhebben als zichzelf, meer is dan alle brandoffers en slachtoffers.”
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
het
ἀγαπᾶν
(agapan)
liefhebben
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐξ
(ex)
uit
ὅλης
(holes)
heel
τῆς
(tes)
het
καρδίας
(kardias)
hart
καὶ
(kai)
en
ἐξ
(ex)
uit
ὅλης
(holes)
heel
τῆς
(tes)
het
συνέσεως
(syneseos)
inzicht
καὶ
(kai)
en
ἐξ
(ex)
uit
ὅλης
(holes)
heel
τῆς
(tes)
de
ἰσχύος
(ischyos)
kracht
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
het
ἀγαπᾶν
(agapan)
liefhebben
τὸν
(ton)
de
πλησίον
(plesion)
naaste
ὡς
(hos)
als
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
περισσότερόν
(perissoteron)
meer
ἐστιν
(estin)
is
πάντων
(panton)
alle
τῶν
(ton)
de
ὁλοκαυτωμάτων
(holokautomaton)
brandoffers
καὶ
(kai)
en
θυσιῶν
(thysion)
slachtoffers
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁλοκαύτωμα (holokautoma), ‘brandoffer’, en θυσία (thysia), ‘slachtoffer’.

Vergelijk 1 Sam. 15:22 en Hos. 6:6.

34Toen Yeshua zag dat hij verstandig had geantwoord, zei Hij tegen hem: „Je bent niet ver van het koninkrijk van Elohim.” En niemand durfde Hem nog iets te vragen.
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἰδὼν
(idon)
ziende
αὐτὸν
(auton)
hem
ὅτι
(hoti)
dat
νουνεχῶς
(nounechos)
verstandig
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
hij antwoordde
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Οὐ
(Ou)
niet
μακρὰν
(makran)
ver
εἶ
(ei)
je bent
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
het
βασιλείας
(basileias)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
οὐκέτι
(ouketi)
niet meer
ἐτόλμα
(etolma)
durfde
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐπερωτῆσαι
(eperotesai)
te vragen
Bron: SBLGNT

De Messias en David

35Yeshua antwoordde en zei, terwijl Hij in de tempel onderwees: „Hoe zeggen de schriftgeleerden dat de Messias zoon van David is?
Καὶ
(Kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἔλεγεν
(elegen)
zei
διδάσκων
(didaskon)
onderwijzend
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
Πῶς
(Pos)
hoe
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
ὅτι
(hoti)
dat
ὁ
(ho)
de
χριστὸς
(christos)
Messias
υἱὸς
(huios)
zoon
Δαυίδ
(Dauid)
van David
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁ χριστός (ho christos), ‘de Messias’.

Zie ook Matt. 22:41–46; Luc. 20:41–44.

36David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: ‘Yahweh zei tegen mijn Heer: „Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik je vijanden onder je voeten leg.”’
αὐτὸς
(autos)
zelf
Δαυὶδ
(Dauid)
David
εἶπεν
(eipen)
zei
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
πνεύματι
(pneumati)
Geest
τῷ
(to)
de
ἁγίῳ
(hagio)
Heilige
Εἶπεν
(Eipen)
zei
κύριος
(kyrios)
Yahweh
τῷ
(to)
aan de
κυρίῳ
(kyrio)
Heer
μου
(mou)
mijn
Κάθου
(Kathou)
zit
ἐκ
(ek)
aan
δεξιῶν
(dexion)
rechterhand
μου
(mou)
Mijn
ἕως
(heos)
totdat
ἂν
(an)
(ooit)
θῶ
(tho)
Ik leg
τοὺς
(tous)
de
ἐχθρούς
(echthrous)
vijanden
σου
(sou)
jouw
ὑποκάτω
(hypokato)
onder
τῶν
(ton)
de
ποδῶν
(podon)
voeten
σου
(sou)
jouw
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Ps. 110:1.

Daar staat in het Hebreeuws ‘Uitspraak van Yahweh tot mijn Heer’; het Grieks heeft twee keer κύριος (kyrios).

Wij schrijven het eerste als ‘Yahweh’ en het tweede als ‘Heer’.

Het Hebreeuws heeft ‘totdat Ik je vijanden zet als voetbank voor je voeten’; de Griekse tekst heeft ‘totdat Ik je vijanden onder je voeten leg’.

ἐν τῷ πνεύματι τῷ ἁγίῳ (en to pneumati to hagio), ‘door de Heilige Geest’: letterlijk ‘in de Heilige Geest’.

Zie ookPs 110:1
37David zelf noemt Hem Heer. Hoe is Hij dan zijn zoon?” En de grote menigte luisterde graag naar Hem.
αὐτὸς
(autos)
zelf
Δαυὶδ
(Dauid)
David
λέγει
(legei)
noemt
αὐτὸν
(auton)
Hem
κύριον
(kyrion)
Heer
καὶ
(kai)
en
πόθεν
(pothen)
hoe
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἐστιν
(estin)
is
υἱός
(huios)
zoon
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
πολὺς
(polys)
grote
ὄχλος
(ochlos)
menigte
ἤκουεν
(ekouen)
luisterde
αὐτοῦ
(autou)
naar Hem
ἡδέως
(hedeos)
graag
Bron: SBLGNT

Pas op voor de schriftgeleerden

38In Zijn onderwijs zei Hij: „Pas op voor de schriftgeleerden die in lange gewaden willen rondlopen en begroetingen willen op de markten,
Καὶ
(Kai)
en
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
διδαχῇ
(didache)
onderwijs
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἔλεγεν
(elegen)
Hij zei
Βλέπετε
(Blepete)
pas op
ἀπὸ
(apo)
voor
τῶν
(ton)
de
γραμματέων
(grammateon)
schriftgeleerden
τῶν
(ton)
de
θελόντων
(thelonton)
willenden
ἐν
(en)
in
στολαῖς
(stolais)
lange gewaden
περιπατεῖν
(peripatein)
rondlopen
καὶ
(kai)
en
ἀσπασμοὺς
(aspasmous)
begroetingen
ἐν
(en)
op
ταῖς
(tais)
de
ἀγοραῖς
(agorais)
markten
Bron: SBLGNT
Uitleg

στολή (stole), ‘lang gewaad’: een lang, statig kleed.

Zie ook Matt. 23:5–7; Luc. 20:45–47.

39en de voorste zetels in de synagogen en de ereplaatsen bij de maaltijden willen.
καὶ
(kai)
en
πρωτοκαθεδρίας
(protokathedrias)
voorste zetels
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
συναγωγαῖς
(synagogais)
synagogen
καὶ
(kai)
en
πρωτοκλισίας
(protoklisias)
ereplaatsen
ἐν
(en)
bij
τοῖς
(tois)
de
δείπνοις
(deipnois)
maaltijden
Bron: SBLGNT
40Zij die de huizen van de weduwen opeten en voor de schijn lang bidden, die zullen een zwaarder oordeel ontvangen.”
οἱ
(hoi)
de
κατεσθίοντες
(katesthiontes)
opetende
τὰς
(tas)
de
οἰκίας
(oikias)
huizen
τῶν
(ton)
van de
χηρῶν
(cheron)
weduwen
καὶ
(kai)
en
προφάσει
(prophasei)
voor de schijn
μακρὰ
(makra)
lang
προσευχόμενοι
(proseuchomenoi)
biddend
οὗτοι
(houtoi)
dezen
λήμψονται
(lempsontai)
zullen ontvangen
περισσότερον
(perissoteron)
zwaarder
κρίμα
(krima)
oordeel
Bron: SBLGNT

De arme weduwe

41Hij ging tegenover de schatkamer zitten en keek hoe de menigte kopergeld in de schatkamer gooide. Veel rijken gooiden er veel in.
Καὶ
(Kai)
en
καθίσας
(kathisas)
gaan zitten
κατέναντι
(katenanti)
tegenover
τοῦ
(tou)
de
γαζοφυλακίου
(gazophylakiou)
schatkamer
ἐθεώρει
(etheorei)
keek
πῶς
(pos)
hoe
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
βάλλει
(ballei)
gooit
χαλκὸν
(chalkon)
koper
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
γαζοφυλάκιον
(gazophylakion)
schatkamer
καὶ
(kai)
en
πολλοὶ
(polloi)
velen
πλούσιοι
(plousioi)
rijken
ἔβαλλον
(eballon)
gooiden
πολλά
(polla)
veel
Bron: SBLGNT
Uitleg

γαζοφυλάκιον (gazophylakion), ‘schatkamer’: de plaats in de tempel waar geld werd ingelegd. χαλκός (chalkos), ‘koper’: kopergeld, kleingeld.

Zie ook Luc. 21:1–4.

42Er kwam een arme weduwe, en zij gooide er twee kleine munten in, dat is een kwadrans.
καὶ
(kai)
en
ἐλθοῦσα
(elthousa)
gekomen
μία
(mia)
één
χήρα
(chera)
weduwe
πτωχὴ
(ptoche)
arme
ἔβαλεν
(ebalen)
gooide
λεπτὰ
(lepta)
kleine munten
δύο
(dyo)
twee
ὅ
(ho)
wat
ἐστιν
(estin)
is
κοδράντης
(kodrantes)
kwadrans
Bron: SBLGNT
Uitleg

λεπτόν (lepton), ‘kleine munt’: de kleinste koperen munt. κοδράντης (kodrantes), ‘kwadrans’: een Romeinse munt van ongeveer 1/64 van een denarie.

Twee kleine munten waren dus heel weinig geld.

43Hij riep Zijn leerlingen bij Zich en zei tegen hen: „Voorwaar, Ik zeg jullie: deze arme weduwe heeft er meer in gegooid dan allen die in de schatkamer gooien.
καὶ
(kai)
en
προσκαλεσάμενος
(proskalesamenos)
bij zich roepend
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἀμὴν
(Amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
ἡ
(he)
de
χήρα
(chera)
weduwe
αὕτη
(haute)
deze
ἡ
(he)
de
πτωχὴ
(ptoche)
arme
πλεῖον
(pleion)
meer
πάντων
(panton)
dan allen
ἔβαλεν
(ebalen)
gooide
τῶν
(ton)
van de
βαλλόντων
(ballonton)
gooiende
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
γαζοφυλάκιον
(gazophylakion)
schatkamer
Bron: SBLGNT
44Want allen hebben erin gegooid van wat zij over hadden, maar zij heeft in haar tekort alles erin gegooid wat zij had, haar hele levensonderhoud.”
πάντες
(pantes)
allen
γὰρ
(gar)
want
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
περισσεύοντος
(perisseuontos)
overvloedige
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἔβαλον
(ebalon)
gooiden
αὕτη
(haute)
deze
δὲ
(de)
maar
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
het
ὑστερήσεως
(hystereseos)
tekort
αὐτῆς
(autes)
haar
πάντα
(panta)
alles
ὅσα
(hosa)
wat
εἶχεν
(eichen)
had
ἔβαλεν
(ebalen)
gooide
ὅλον
(holon)
heel
τὸν
(ton)
het
βίον
(bion)
levensonderhoud
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

βίος (bios), ‘levensonderhoud’: alles waarvan zij leefde.