Elohim Bijbel

Leviticus 25

123456789101112131415161718192021222324252627

Het sabbatsjaar en het jubeljaar

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De sabbat van het land

1Yahweh sprak tot Mozes op de berg Sinaï:
וַיְדַבֵּ֤ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
סִינַ֖י
(sinay)
Sinaï
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De berg Sinaï wordt traditioneel gezocht bij Jebel Musa, in het zuiden van het Sinaïschiereiland (Egypte).

De ligging is niet zeker.

Uitleg

De wetten van dit boek zijn op de Sinaï gegeven; zie ook Lev. 26:46 en 27:34.

2„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Wanneer jullie in het land komen dat Ik jullie geef. Dan moet het land rusten: een sabbat voor Yahweh.
דַּבֵּ֞ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
כִּ֤י
(ki)
wanneer
תָבֹ֨אוּ֙
(tavou)
jullie komen
אֶל
(el)
in
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
נֹתֵ֣ן
(noten)
geef
לָכֶ֑ם
(lakhem)
aan jullie
וְשָׁבְתָ֣ה
(veshaveta)
en zal rusten
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
שַׁבָּ֖ת
(shabat)
sabbat
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁבָּת (shabbat), ‘sabbat’, ‘rust’: het land houdt sabbat, net zoals het volk elke zevende dag.

Dit staat ook in Exod. 23:10–11.

Aanvullend

Jubileeën 50:2–3 bevestigt de sabbatten van het land en de jubeljaren.

3Zes jaar mag je je akker bezaaien en zes jaar je wijngaard snoeien en de opbrengst ervan binnenhalen.
שֵׁ֤שׁ
(shesh)
zes
שָׁנִים֙
(shanim)
jaren
תִּזְרַ֣ע
(tizra)
je zult zaaien
שָׂדֶ֔ךָ
(sadekha)
je akker
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en zes
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaren
תִּזְמֹ֣ר
(tizmor)
je zult snoeien
כַּרְמֶ֑ךָ
(karmekha)
je wijngaard
וְאָסַפְתָּ֖
(veasafta)
en je zult binnenhalen
אֶת
(et)
(obj.)
תְּבוּאָתָֽהּ
(tevuatah)
haar opbrengst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 23:10
4Maar het zevende jaar moet voor het land een sabbat van volledige rust zijn, een sabbat voor Yahweh. Je akker mag je niet bezaaien en je wijngaard niet snoeien.
וּבַשָּׁנָ֣ה
(uvashana)
en in het jaar
הַשְּׁבִיעִ֗ת
(hasheviit)
het zevende
שַׁבַּ֤ת
(shabat)
sabbat van
שַׁבָּתוֹן֙
(shabaton)
volledige rust
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לָאָ֔רֶץ
(laarets)
voor het land
שַׁבָּ֖ת
(shabat)
sabbat
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
שָֽׂדְךָ֙
(sadekha)
je akker
לֹ֣א
(lo)
niet
תִזְרָ֔ע
(tizra)
je zult zaaien
וְכַרְמְךָ֖
(vekharmekha)
en je wijngaard
לֹ֥א
(lo)
niet
תִזְמֹֽר
(tizmor)
je zult snoeien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁבַּת שַׁבָּתוֹן (shabbat shabbaton), ‘sabbat van volledige rust’: dezelfde woorden als bij de sabbatdag in Exod. 31:15.

Het land rust volledig.

5Wat na je oogst vanzelf opkomt, mag je niet maaien, en de druiven van je ongesnoeide wijnstok mag je niet plukken. Het moet een jaar van volledige rust zijn voor het land.
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
סְפִ֤יחַ
(sefiach)
wat vanzelf groeit van
קְצִֽירְךָ֙
(qetsirekha)
je oogst
לֹ֣א
(lo)
niet
תִקְצ֔וֹר
(tiqtsor)
je zult maaien
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עִנְּבֵ֥י
(inevei)
druiven van
נְזִירֶ֖ךָ
(nezirekha)
je ongesnoeide wijnstok
לֹ֣א
(lo)
niet
תִבְצֹ֑ר
(tivtsor)
je zult plukken
שְׁנַ֥ת
(shenat)
jaar van
שַׁבָּת֖וֹן
(shabaton)
volledige rust
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לָאָֽרֶץ
(laarets)
voor het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָפִיחַ (safiach), ‘wat vanzelf groeit’: het graan dat na de oogst zelf opkomt.

נָזִיר (nazir), ‘ongesnoeide wijnstok’: letterlijk ‘afgezonderde’. In het sabbatsjaar blijft de wijnstok onaangeroerd.

6Wat het land tijdens zijn sabbat voortbrengt, is voor jullie om te eten. Voor jou, je dienaar en je dienares, je loonarbeider en je bijwoner, die als vreemdeling bij je verblijven.
וְ֠הָיְתָה
(vehayeta)
en zal zijn
שַׁבַּ֨ת
(shabat)
sabbat van
הָאָ֤רֶץ
(haarets)
het land
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
לְאָכְלָ֔ה
(leakhela)
tot voedsel
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
וּלְעַבְדְּךָ֣
(uleavdekha)
en voor je dienaar
וְלַאֲמָתֶ֑ךָ
(velaamatekha)
en voor je dienares
וְלִשְׂכִֽירְךָ֙
(veliskhirekha)
en voor je loonarbeider
וּלְתוֹשָׁ֣בְךָ֔
(uletoshavekha)
en voor je bijwoner
הַגָּרִ֖ים
(hagarim)
die als vreemdeling verblijven
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁבַּת הָאָרֶץ (shabbat ha’arets), letterlijk ‘de sabbat van het land’: wij vertalen wat het land in zijn rustjaar voortbrengt.

Dat is voor iedereen: ook voor de dienaar, de dienares, de loonarbeider en de bijwoner (vergelijk Exod. 12:45).

7En voor je vee en voor de wilde dieren in je land moet heel de opbrengst ervan tot voedsel zijn.
וְלִ֨בְהֶמְתְּךָ֔
(velivhemtekha)
en voor je vee
וְלַֽחַיָּ֖ה
(velachaya)
en voor de wilde dieren
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּאַרְצֶ֑ךָ
(beartsekha)
in je land
תִּהְיֶ֥ה
(tihye)
zal zijn
כָל
(kal)
heel
תְּבוּאָתָ֖הּ
(tevuatah)
haar opbrengst
לֶאֱכֹֽל
(leekhol)
om te eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het jubeljaar: vrijheid uitroepen

8Tel voor jezelf zeven sabbatten van jaren, zeven jaar, zeven keer. De tijd van de zeven sabbatten van jaren is voor jou 49 jaar.
וְסָפַרְתָּ֣
(vesafarta)
en je zult tellen
לְךָ֗
(lekha)
voor jezelf
שֶׁ֚בַע
(sheva)
zeven
שַׁבְּתֹ֣ת
(shabetot)
sabbatten van
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaren
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִ֑ים
(peamim)
keer
וְהָי֣וּ
(vehayu)
en zullen zijn
לְךָ֗
(lekha)
voor jou
יְמֵי֙
(yemei)
dagen van
שֶׁ֚בַע
(sheva)
zeven
שַׁבְּתֹ֣ת
(shabetot)
sabbatten van
הַשָּׁנִ֔ים
(hashanim)
de jaren
תֵּ֥שַׁע
(tesha)
negen
וְאַרְבָּעִ֖ים
(vearbaim)
en veertig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zeven maal zeven jaar is 49 jaar.

Het vijftigste jaar volgt daarop (vers 10).

שַׁבְּתֹת שָׁנִים (shabbetot shanim), ‘sabbatten van jaren’: elke zeven jaar is er een sabbatsjaar.

9In de zevende maand, op de tiende van de maand, moet je de ramshoorn met luid geschal laten klinken. Op de Verzoendag moeten jullie de ramshoorn laten klinken in heel jullie land.
וְהַֽעֲבַרְתָּ֞
(vehaavarta)
en je zult laten klinken
שׁוֹפַ֤ר
(shofar)
ramshoorn van
תְּרוּעָה֙
(terua)
geschal
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשְּׁבִעִ֔י
(hashevii)
de zevende
בֶּעָשׂ֖וֹר
(beasor)
op de tiende
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
בְּיוֹם֙
(beyom)
op de dag van
הַכִּפֻּרִ֔ים
(hakipurim)
de verzoeningen
תַּעֲבִ֥ירוּ
(taaviru)
jullie zullen laten klinken
שׁוֹפָ֖ר
(shofar)
ramshoorn
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אַרְצְכֶֽם
(artsekhem)
jullie land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’.

De zevende maand is ongeveer september–oktober.

Op de tiende dag is de Verzoendag (Lev. 16:29–34).

יוֹם הַכִּפֻּרִים (yom hakkippurim), ‘Verzoendag’: letterlijk ‘dag van de verzoeningen’.

10Jullie moeten het vijftigste jaar heiligen en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn bewoners. Het moet een jubeljaar voor jullie zijn. Ieder van jullie keert terug naar zijn bezit en ieder naar zijn familie.
וְקִדַּשְׁתֶּ֗ם
(veqidashtem)
en jullie zullen heiligen
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
שְׁנַ֤ת
(shenat)
jaar van
הַחֲמִשִּׁים֙
(hachamishim)
de vijftig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וּקְרָאתֶ֥ם
(uqeratem)
en jullie zullen uitroepen
דְּר֛וֹר
(deror)
vrijheid
בָּאָ֖רֶץ
(baarets)
in het land
לְכָל
(lekhal)
voor alle
יֹשְׁבֶ֑יהָ
(yosheveiha)
haar bewoners
יוֹבֵ֥ל
(yovel)
jubeljaar
הִוא֙
(hi)
het
תִּהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
וְשַׁבְתֶּ֗ם
(veshavtem)
en jullie zullen terugkeren
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
naar
אֲחֻזָּת֔וֹ
(achuzato)
zijn bezit
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en ieder
אֶל
(el)
naar
מִשְׁפַּחְתּ֖וֹ
(mishpachto)
zijn familie
תָּשֻֽׁבוּ
(tashuvu)
jullie zullen terugkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּרוֹר (deror), ‘vrijheid’: de vrijlating van wie vastzit, in dit hoofdstuk van de verkochte broer en het verkochte land.

‘Vrijheid uitroepen’ (וּקְרָאתֶם דְּרוֹר, uqratem deror) is een kernuitdrukking.

Zie ook Jer. 34:8, 15 en 17, en Jes. 61:1, waar de uitroep terugkomt.

Yeshua leest Jes. 61:1–2 voor in Lukas 4:18–19.

יוֹבֵל (yovel), ‘jubeljaar’: het woord betekent ‘ram’ en ‘ramshoorn’. Het jaar is genoemd naar de hoorn waarmee het wordt aangekondigd (vers 9).

אֲחֻזָּה (achuzzah), ‘bezit’: het stuk land dat een familie in bezit heeft gekregen. In het jubeljaar komt het bij de familie terug.

Lezing

Wij nemen het vijftigste jaar als het jaar ná de 49 jaar van vers 8.

Of het jubeljaar samenvalt met het 49e jaar, zegt de tekst niet.

11Dat vijftigste jaar is voor jullie een jubeljaar. Jullie mogen niet zaaien, wat vanzelf opkomt niet maaien en de ongesnoeide wijnstokken niet plukken.
יוֹבֵ֣ל
(yovel)
jubeljaar
הִ֗וא
(hi)
het
שְׁנַ֛ת
(shenat)
jaar van
הַחֲמִשִּׁ֥ים
(hachamishim)
de vijftig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
תִּהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
לֹ֣א
(lo)
niet
תִזְרָ֔עוּ
(tizrau)
jullie zullen zaaien
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תִקְצְרוּ֙
(tiqtseru)
jullie zullen maaien
אֶת
(et)
(obj.)
סְפִיחֶ֔יהָ
(seficheiha)
wat vanzelf groeit ervan
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִבְצְר֖וּ
(tivtseru)
jullie zullen plukken
אֶת
(et)
(obj.)
נְזִרֶֽיהָ
(nezireiha)
haar ongesnoeide wijnstokken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het jubeljaar is ook een rustjaar: niet zaaien, niet maaien, niet plukken, zoals in het sabbatsjaar (vers 4–5).

Het Hebreeuws heeft hier ‘haar ongesnoeide wijnstokken’ (נְזִרֶיהָ, nezireha); in vers 5 staan de druiven ervan erbij.

12Want het is een jubeljaar; het moet heilig voor jullie zijn. Van het veld mogen jullie de opbrengst eten.
כִּ֚י
(ki)
want
יוֹבֵ֣ל
(yovel)
jubeljaar
הִ֔וא
(hi)
het
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
תִּהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
מִן
(min)
van
הַ֨שָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
תֹּאכְל֖וּ
(tokhlu)
jullie zullen eten
אֶת
(et)
(obj.)
תְּבוּאָתָֽהּ
(tevuatah)
haar opbrengst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13In dit jubeljaar moet ieder van jullie terugkeren naar zijn bezit.
בִּשְׁנַ֥ת
(bishnat)
in het jaar van
הַיּוֹבֵ֖ל
(hayovel)
het jubeljaar
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
תָּשֻׁ֕בוּ
(tashuvu)
jullie zullen terugkeren
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
naar
אֲחֻזָּתֽוֹ
(achuzato)
zijn bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Eerlijk kopen en verkopen

14Wanneer jullie iets aan je volksgenoot verkopen of van je volksgenoot kopen, mogen jullie elkaar niet benadelen.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
תִמְכְּר֤וּ
(timkeru)
jullie verkopen
מִמְכָּר֙
(mimkar)
een verkoop
לַעֲמִיתֶ֔ךָ
(laamitekha)
aan je volksgenoot
א֥וֹ
(o)
of
קָנֹ֖ה
(qano)
kopen
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
עֲמִיתֶ֑ךָ
(amitekha)
je volksgenoot
אַל
(al)
niet
תּוֹנ֖וּ
(tonu)
jullie zullen benadelen
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָנָה (yanah), ‘benadelen’: iemand onrecht aandoen, hier in de handel.

In Exod. 22:20 staat hetzelfde woord, daar vertaald als ‘slecht behandelen’.

15Je moet van je volksgenoot kopen naar het aantal jaren na het jubeljaar. Hij moet aan jou verkopen naar het aantal oogstjaren.
בְּמִסְפַּ֤ר
(bemispar)
naar het aantal van
שָׁנִים֙
(shanim)
jaren
אַחַ֣ר
(achar)
na
הַיּוֹבֵ֔ל
(hayovel)
het jubeljaar
תִּקְנֶ֖ה
(tiqne)
je zult kopen
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
עֲמִיתֶ֑ךָ
(amitekha)
je volksgenoot
בְּמִסְפַּ֥ר
(bemispar)
naar het aantal van
שְׁנֵֽי
(shenei)
jaren van
תְבוּאֹ֖ת
(tevuot)
oogsten
יִמְכָּר
(yimkar)
hij zal verkopen
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Land wordt in dit hoofdstuk niet voor altijd verkocht, maar voor een aantal oogsten (vers 16).

De prijs hangt af van het aantal jaren tot het jubeljaar.

16Zijn er veel jaren, dan moet je de koopprijs verhogen. Zijn er weinig jaren, dan moet je de koopprijs verlagen. Want hij verkoopt je een aantal oogsten.
לְפִ֣י
(lefi)
naar
רֹ֣ב
(rov)
de menigte van
הַשָּׁנִ֗ים
(hashanim)
de jaren
תַּרְבֶּה֙
(tarbe)
je zult vermeerderen
מִקְנָת֔וֹ
(miqnato)
zijn koopprijs
וּלְפִי֙
(ulefi)
en naar
מְעֹ֣ט
(meot)
het weinige van
הַשָּׁנִ֔ים
(hashanim)
de jaren
תַּמְעִ֖יט
(tamit)
je zult verminderen
מִקְנָת֑וֹ
(miqnato)
zijn koopprijs
כִּ֚י
(ki)
want
מִסְפַּ֣ר
(mispar)
aantal van
תְּבוּאֹ֔ת
(tevuot)
oogsten
ה֥וּא
(hu)
hij
מֹכֵ֖ר
(mokher)
verkoopt
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Jullie mogen elkaar niet benadelen. Vrees je Elohim, want Ik ben Yahweh, jullie Elohim.
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תוֹנוּ֙
(tonu)
jullie zullen benadelen
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
עֲמִית֔וֹ
(amito)
zijn volksgenoot
וְיָרֵ֖אתָ
(veyareta)
en je zult vrezen
מֵֽאֱלֹהֶ֑יךָ
(meeloheikha)
je Elohim
כִּ֛י
(ki)
want
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהֹוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Veilig wonen en de zegen van het zesde jaar

18Jullie moeten Mijn voorschriften doen en Mijn rechtsregels houden, en ze doen. Dan zullen jullie veilig in het land wonen.
וַעֲשִׂיתֶם֙
(vaasitem)
en jullie zullen doen
אֶת
(et)
(obj.)
חֻקֹּתַ֔י
(chuqotay)
Mijn voorschriften
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִשְׁפָּטַ֥י
(mishpatay)
Mijn rechtsregels
תִּשְׁמְר֖וּ
(tishmeru)
jullie zullen houden
וַעֲשִׂיתֶ֣ם
(vaasitem)
en jullie zullen doen
אֹתָ֑ם
(otam)
ze
וִֽישַׁבְתֶּ֥ם
(vishavtem)
en jullie zullen wonen
עַל
(al)
op
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לָבֶֽטַח
(lavetach)
in veiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Het land zal zijn vrucht geven. Jullie zullen eten tot jullie verzadigd zijn en er veilig wonen.
וְנָתְנָ֤ה
(venatena)
en zal geven
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
פִּרְיָ֔הּ
(piryah)
haar vrucht
וַאֲכַלְתֶּ֖ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
לָשֹׂ֑בַע
(lasova)
tot verzadiging
וִֽישַׁבְתֶּ֥ם
(vishavtem)
en jullie zullen wonen
לָבֶ֖טַח
(lavetach)
in veiligheid
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
daarop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Als jullie zeggen: ‘Wat moeten wij in het zevende jaar eten? Wij zaaien immers niet en wij halen onze opbrengst niet binnen!’
וְכִ֣י
(vekhi)
en wanneer
תֹאמְר֔וּ
(tomru)
jullie zeggen
מַה
(ma)
wat
נֹּאכַ֤֖ל
(nokhal)
zullen wij eten
בַּשָּׁנָ֣ה
(bashana)
in het jaar
הַשְּׁבִיעִ֑ת
(hasheviit)
het zevende
הֵ֚ן
(hen)
zie
לֹ֣א
(lo)
niet
נִזְרָ֔ע
(nizra)
wij zullen zaaien
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נֶאֱסֹ֖ף
(neesof)
wij zullen binnenhalen
אֶת
(et)
(obj.)
תְּבוּאָתֵֽנוּ
(tevuatenu)
onze opbrengst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft hier הֵן (hen), ‘zie’.

Wij vertalen ‘immers’.

21Dan zal Ik Mijn zegen over jullie gebieden in het zesde jaar. Die brengt de opbrengst voort voor de drie jaren.
וְצִוִּ֤יתִי
(vetsiviti)
en Ik zal gebieden
אֶת
(et)
(obj.)
בִּרְכָתִי֙
(birkhati)
Mijn zegen
לָכֶ֔ם
(lakhem)
aan jullie
בַּשָּׁנָ֖ה
(bashana)
in het jaar
הַשִּׁשִּׁ֑ית
(hashishit)
het zesde
וְעָשָׂת֙
(veasat)
en zij zal voortbrengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַתְּבוּאָ֔ה
(hatevua)
de opbrengst
לִשְׁלֹ֖שׁ
(lishlosh)
voor drie
הַשָּׁנִֽים
(hashanim)
de jaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Drie jaar’: het zesde, het zevende en het achtste jaar.

Het zesde jaar moet dus genoeg opleveren voor het rustjaar en voor het jaar daarna.

Vers 22 zegt dat zij tot de oogst van het negende jaar van de oude opbrengst eten.

22In het achtste jaar zaaien jullie en eten jullie van de oude opbrengst. Tot het negende jaar, tot haar opbrengst binnenkomt, eten jullie van de oude.
וּזְרַעְתֶּ֗ם
(uzeratem)
en jullie zullen zaaien
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
הַשָּׁנָ֣ה
(hashana)
het jaar
הַשְּׁמִינִ֔ת
(hasheminit)
het achtste
וַאֲכַלְתֶּ֖ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
מִן
(min)
van
הַתְּבוּאָ֣ה
(hatevua)
de opbrengst
יָשָׁ֑ן
(yashan)
oude
עַ֣ד
(ad)
tot
הַשָּׁנָ֣ה
(hashana)
het jaar
הַתְּשִׁיעִ֗ת
(hateshiit)
het negende
עַד
(ad)
tot
בּוֹא֙
(bo)
het komen van
תְּב֣וּאָתָ֔הּ
(tevuatah)
haar opbrengst
תֹּאכְל֖וּ
(tokhlu)
jullie zullen eten
יָשָֽׁן
(yashan)
oude
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het land is van Yahweh: lossing van land

23Het land mag niet voorgoed verkocht worden, want het land is van Mij. Want jullie zijn vreemdelingen en bijwoners bij Mij.
וְהָאָ֗רֶץ
(vehaarets)
en het land
לֹ֤א
(lo)
niet
תִמָּכֵר֙
(timakher)
zal verkocht worden
לִצְמִתֻ֔ת
(litsmitut)
voorgoed
כִּי
(ki)
want
לִ֖י
(li)
van Mij
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
כִּֽי
(ki)
want
גֵרִ֧ים
(gerim)
vreemdelingen
וְתוֹשָׁבִ֛ים
(vetoshavim)
en bijwoners
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
עִמָּדִֽי
(imadi)
bij Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִצְמִתֻת (litsmitut), ‘voorgoed’: zonder dat het kan worden teruggegeven.

Het land is van Yahweh (vergelijk Ps. 24:1).

Israël woont erop als vreemdeling en bijwoner.

24In heel het land van jullie bezit moeten jullie voor het land lossing toestaan.
וּבְכֹ֖ל
(uvekhol)
en in heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
אֲחֻזַּתְכֶ֑ם
(achuzatkhem)
jullie bezit
גְּאֻלָּ֖ה
(geula)
lossing
תִּתְּנ֥וּ
(titenu)
jullie zullen geven
לָאָֽרֶץ
(laarets)
aan het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּאֻלָּה (ge’ullah), ‘lossing’: het recht om land terug te kopen dat verkocht is.

Wij gebruiken ‘lossen’ voor גָּאַל (ga’al), ‘terugkopen’; in Exod. 6:6 staat hetzelfde woord, daar vertaald als ‘verlossen’.

25Wanneer je broer verarmt en iets van zijn bezit verkoopt, moet zijn naaste losser bij hem komen en de verkoop van zijn broer lossen.
כִּֽי
(ki)
wanneer
יָמ֣וּךְ
(yamukh)
verarmt
אָחִ֔יךָ
(achikha)
je broer
וּמָכַ֖ר
(umakhar)
en verkoopt
מֵאֲחֻזָּת֑וֹ
(meachuzato)
van zijn bezit
וּבָ֤א
(uva)
en komt
גֹֽאֲלוֹ֙
(goalo)
zijn losser
הַקָּרֹ֣ב
(haqarov)
de naaste
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
וְגָאַ֕ל
(vegaal)
en lost
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מִמְכַּ֥ר
(mimkar)
verkoop van
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֹּאֵל (go’el), ‘losser’: de naaste verwant die het land of de persoon terugkoopt.

Het recht en de plicht van de losser staan ook in Ruth 4:1–6.

26Heeft iemand geen losser, maar komt hij zelf aan genoeg voor zijn lossing,
וְאִ֕ישׁ
(veish)
en een man
כִּ֛י
(ki)
wanneer
לֹ֥א
(lo)
niet
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לּ֖וֹ
(lo)
voor hem
גֹּאֵ֑ל
(goel)
losser
וְהִשִּׂ֣יגָה
(vehisiga)
en bereikt
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
וּמָצָ֖א
(umatsa)
en vindt
כְּדֵ֥י
(kedei)
genoeg voor
גְאֻלָּתֽוֹ
(geulato)
zijn lossing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookLev 5:7
27dan moet hij de jaren sinds zijn verkoop berekenen en het overschot teruggeven aan de man aan wie hij verkocht heeft. Dan keert hij terug naar zijn bezit.
וְחִשַּׁב֙
(vechishav)
en hij zal rekenen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֣י
(shenei)
jaren van
מִמְכָּר֔וֹ
(mimkaro)
zijn verkoop
וְהֵשִׁיב֙
(veheshiv)
en hij zal teruggeven
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣עֹדֵ֔ף
(haodef)
het overschot
לָאִ֖ישׁ
(laish)
aan de man
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
aan wie
מָֽכַר
(makhar)
hij verkocht
ל֑וֹ
(lo)
aan hem
וְשָׁ֖ב
(veshav)
en hij zal terugkeren
לַאֲחֻזָּתֽוֹ
(laachuzato)
naar zijn bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het ‘overschot’ (הָעֹדֵף, ha’odef) is het deel van de koopprijs dat hoort bij de jaren die tot het jubeljaar nog over zijn.

Dat betaalt de verkoper terug aan de koper.

Land wordt verkocht voor oogsten (vers 15–16), niet voor altijd.

28Vindt hij niet genoeg om het aan hem terug te geven, dan blijft wat hij verkocht heeft in de hand van de koper tot het jubeljaar. In het jubeljaar komt het vrij, en hij keert terug naar zijn bezit.
וְאִ֨ם
(veim)
en als
לֹֽא
(lo)
niet
מָֽצְאָ֜ה
(matsea)
vindt
יָד֗וֹ
(yado)
zijn hand
דֵּי֮
(dei)
genoeg
הָשִׁ֣יב
(hashiv)
om terug te geven
לוֹ֒
(lo)
aan hem
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en zal zijn
מִמְכָּר֗וֹ
(mimkaro)
zijn verkochte
בְּיַד֙
(beyad)
in de hand van
הַקֹּנֶ֣ה
(haqone)
de koper
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
עַ֖ד
(ad)
tot
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
הַיּוֹבֵ֑ל
(hayovel)
het jubeljaar
וְיָצָא֙
(veyatsa)
en het zal uitgaan
בַּיֹּבֵ֔ל
(bayovel)
in het jubeljaar
וְשָׁ֖ב
(veshav)
en hij zal terugkeren
לַאֲחֻזָּתֽוֹ
(laachuzato)
naar zijn bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Wanneer iemand een woonhuis verkoopt in een ommuurde stad, dan kan hij het lossen tot het einde van het jaar van zijn verkoop. Een jaar lang geldt zijn lossing.
וְאִ֗ישׁ
(veish)
en een man
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִמְכֹּ֤ר
(yimkor)
hij verkoopt
בֵּית
(beit)
huis van
מוֹשַׁב֙
(moshav)
woning
עִ֣יר
(ir)
stad van
חוֹמָ֔ה
(choma)
muur
וְהָיְתָה֙
(vehayeta)
en zal zijn
גְּאֻלָּת֔וֹ
(geulato)
zijn lossing
עַד
(ad)
tot
תֹּ֖ם
(tom)
voltooiing van
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
מִמְכָּר֑וֹ
(mimkaro)
zijn verkoop
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
תִּהְיֶ֥ה
(tihye)
zal zijn
גְאֻלָּתֽוֹ
(geulato)
zijn lossing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָמִים (yamim), letterlijk ‘dagen’: hier een jaar.

Vers 30 zegt het met ‘een vol jaar’.

Een woonhuis in een ommuurde stad hoort niet bij het familiebezit van het land.

Daarom mag het alleen binnen een jaar worden gelost.

Zie ookLev 25:30
30Wordt het niet gelost voordat een vol jaar voorbij is, dan gaat het huis in de ommuurde stad voorgoed over aan de koper, voor al zijn generaties. In het jubeljaar komt het niet vrij.
וְאִ֣ם
(veim)
en als
לֹֽא
(lo)
niet
יִגָּאֵ֗ל
(yigael)
hij gelost wordt
עַד
(ad)
tot
מְלֹ֣את
(melot)
volledig zijn
לוֹ֮
(lo)
voor hem
שָׁנָ֣ה
(shana)
jaar
תְמִימָה֒
(temima)
vol
וְ֠קָם
(veqam)
en zal vaststaan
הַבַּ֨יִת
(habayit)
het huis
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּעִ֜יר
(bair)
in de stad
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֣וֹ
(lo)
voor haar
חֹמָ֗ה
(choma)
muur
לַצְּמִיתֻ֛ת
(latsemitut)
voorgoed
לַקֹּנֶ֥ה
(laqone)
aan de koper
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
לְדֹרֹתָ֑יו
(ledorotav)
voor zijn generaties
לֹ֥א
(lo)
niet
יֵצֵ֖א
(yetse)
zal uitgaan
בַּיֹּבֵֽל
(bayovel)
in het jubeljaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Huizen in dorpen zonder muur eromheen worden gerekend bij het veld van het land. Daarvoor geldt lossing, en in het jubeljaar komen ze vrij.
וּבָתֵּ֣י
(uvatei)
en huizen van
הַחֲצֵרִ֗ים
(hachatserim)
de dorpen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אֵין
(ein)
niet is
לָהֶ֤ם
(lahem)
voor hen
חֹמָה֙
(choma)
muur
סָבִ֔יב
(saviv)
rondom
עַל
(al)
tot
שְׂדֵ֥ה
(sede)
veld van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
יֵחָשֵׁ֑ב
(yechashev)
zullen gerekend worden
גְּאֻלָּה֙
(geula)
lossing
תִּהְיֶה
(tihye)
zal zijn
לּ֔וֹ
(lo)
voor hem
וּבַיֹּבֵ֖ל
(uvayovel)
en in het jubeljaar
יֵצֵֽא
(yetse)
zal uitgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲצֵרִים (chatserim), ‘dorpen’: nederzettingen zonder muur.

Zij horen bij het land eromheen en volgen dus de regels van het land: lossing, en vrij in het jubeljaar.

32Voor de steden van de Levieten, de huizen in de steden van hun bezit, geldt voor de Levieten altijd lossing.
וְעָרֵי֙
(vearei)
en steden van
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
בָּתֵּ֖י
(batei)
huizen van
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
אֲחֻזָּתָ֑ם
(achuzatam)
hun bezit
גְּאֻלַּ֥ת
(geulat)
lossing van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwigheid
תִּהְיֶ֥ה
(tihye)
zal zijn
לַלְוִיִּֽם
(lalviyim)
voor de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Wat iemand van de Levieten lost: het verkochte huis in de stad van zijn bezit komt in het jubeljaar vrij. Want de huizen in de steden van de Levieten zijn hun bezit te midden van de zonen van Israël.
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en wat
יִגְאַל֙
(yigal)
gelost wordt
מִן
(min)
van
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
וְיָצָ֧א
(veyatsa)
en zal uitgaan
מִמְכַּר
(mimkar)
verkoop van
בַּ֛יִת
(bayit)
huis
וְעִ֥יר
(veir)
en stad van
אֲחֻזָּת֖וֹ
(achuzato)
zijn bezit
בַּיֹּבֵ֑ל
(bayovel)
in het jubeljaar
כִּ֣י
(ki)
want
בָתֵּ֞י
(batei)
huizen van
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
הִ֚וא
(hi)
het
אֲחֻזָּתָ֔ם
(achuzatam)
hun bezit
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws is moeilijk: וַאֲשֶׁר יִגְאַל מִן־הַלְוִיִּם (va’asher yig’al min-halviyyim), ‘en wat gelost wordt van de Levieten’.

Wij lezen: wat iemand van de Levieten lost, komt in het jubeljaar vrij.

De reden staat in het tweede deel: de steden van de Levieten zijn hun bezit.

Het Hebreeuws zegt niet duidelijk wie lost; de uitkomst is in beide gevallen dat het huis in het jubeljaar bij de Leviet terugkomt.

34Maar het weideland rond hun steden mag niet verkocht worden, want het is hun bezit voor altijd.
וּֽשְׂדֵ֛ה
(usede)
en veld van
מִגְרַ֥שׁ
(migrash)
weidegrond van
עָרֵיהֶ֖ם
(areihem)
hun steden
לֹ֣א
(lo)
niet
יִמָּכֵ֑ר
(yimakher)
zal verkocht worden
כִּֽי
(ki)
want
אֲחֻזַּ֥ת
(achuzat)
bezit van
עוֹלָ֛ם
(olam)
eeuwigheid
ה֖וּא
(hu)
het
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִגְרָשׁ (migrash), ‘weideland’: de open grond rond de steden van de Levieten (Num. 35:2–5).

Hulp aan een verarmde broer

35Wanneer je broer verarmt en bij jou niet meer op eigen benen kan staan, moet je hem steunen. Als vreemdeling en bijwoner moet hij bij je kunnen leven.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יָמ֣וּךְ
(yamukh)
verarmt
אָחִ֔יךָ
(achikha)
je broer
וּמָ֥טָה
(umata)
en wankelt
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
bij jou
וְהֶֽחֱזַ֣קְתָּ
(vehechezaqta)
en je zult steunen
בּ֔וֹ
(bo)
hem
גֵּ֧ר
(ger)
vreemdeling
וְתוֹשָׁ֛ב
(vetoshav)
en bijwoner
וָחַ֖י
(vachay)
en hij zal leven
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָטָה יָדוֹ (matah yado), letterlijk ‘zijn hand wankelt’: hij kan niet meer voor zichzelf zorgen.

Wij vertalen ‘niet meer op eigen benen kan staan’.

גֵּר וְתוֹשָׁב (ger vetoshav), ‘vreemdeling en bijwoner’: zoals een vreemdeling die bij je woont, moet je hem een plaats geven.

36Neem geen rente en geen winst van hem. Vrees je Elohim, en laat je broer bij je leven.
אַל
(al)
niet
תִּקַּ֤ח
(tiqach)
je zult nemen
מֵֽאִתּוֹ֙
(meito)
van hem
נֶ֣שֶׁךְ
(neshekh)
rente
וְתַרְבִּ֔ית
(vetarbit)
en winst
וְיָרֵ֖אתָ
(veyareta)
en je zult vrezen
מֵֽאֱלֹהֶ֑יךָ
(meeloheikha)
je Elohim
וְחֵ֥י
(vechei)
en hij zal leven
אָחִ֖יךָ
(achikha)
je broer
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶשֶׁךְ (neshech), ‘rente’, en תַּרְבִּית (tarbit), ‘winst’: wat iemand bovenop het geleende vraagt.

Geld en voedsel dat iemand leent, mag niet met een toeslag worden teruggevraagd (vers 37).

Zie ook Exod. 22:24 en Deut. 23:20–21.

37Je geld mag je hem niet geven tegen rente, en je voedsel niet tegen winst.
אֶ֨ת
(et)
(obj.)
כַּסְפְּךָ֔
(kaspekha)
je geld
לֹֽא
(lo)
niet
תִתֵּ֥ן
(titen)
je zult geven
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
בְּנֶ֑שֶׁךְ
(beneshekh)
tegen rente
וּבְמַרְבִּ֖ית
(uvemarbit)
en tegen winst
לֹא
(lo)
niet
תִתֵּ֥ן
(titen)
je zult geven
אָכְלֶֽךָ
(akhelekha)
je voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Ik ben Yahweh, jullie Elohim, die jullie uit het land Egypte heb geleid om jullie het land Kanaän te geven en jullie Elohim te zijn.
אֲנִ֗י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
הוֹצֵ֥אתִי
(hotseti)
Ik uitleidde
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
לָתֵ֤ת
(latet)
om te geven
לָכֶם֙
(lakhem)
aan jullie
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kanaän is het land tussen de Jordaan en de Middellandse Zee, het huidige Israël, Palestina, Libanon en Jordanië (westelijk deel).

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit is de reden voor alle wetten van dit hoofdstuk: Yahweh heeft Israël bevrijd en geeft het land.

Een verkochte broer is geen slaaf

39Wanneer je broer bij jou verarmt en aan jou verkocht wordt, mag je hem geen slavenwerk laten doen.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יָמ֥וּךְ
(yamukh)
verarmt
אָחִ֛יךָ
(achikha)
je broer
עִמָּ֖ךְ
(imakh)
bij jou
וְנִמְכַּר
(venimkar)
en zich verkoopt
לָ֑ךְ
(lakh)
aan jou
לֹא
(lo)
niet
תַעֲבֹ֥ד
(taavod)
je zult laten dienen
בּ֖וֹ
(bo)
hem
עֲבֹ֥דַת
(avodat)
dienst van
עָֽבֶד
(aved)
slaaf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶבֶד (eved).

Wij vertalen ‘slaaf’ waar een mens wordt gekocht of verkocht (vers 39, 42, 44 en 46), zoals in Exod. 21.

Waar Israël Yahweh dient, vertalen wij ‘dienaar’ (vers 42 en 55).

Een verarmde Israëliet die zich verkoopt, mag niet als slaaf werken.

40Als een loonarbeider, als een bijwoner moet hij bij je zijn. Tot het jubeljaar mag hij bij je werken.
כְּשָׂכִ֥יר
(kesakhir)
als loonarbeider
כְּתוֹשָׁ֖ב
(ketoshav)
als bijwoner
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
hij zal zijn
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
bij jou
עַד
(ad)
tot
שְׁנַ֥ת
(shenat)
jaar van
הַיֹּבֵ֖ל
(hayovel)
het jubeljaar
יַעֲבֹ֥ד
(yaavod)
hij zal dienen
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂכִיר (sachir), ‘loonarbeider’ (Exod. 12:45): iemand die voor loon werkt en daarna weggaat.

41Dan gaat hij bij je weg, hij en zijn zonen met hem. Hij keert terug naar zijn familie, naar het bezit van zijn vaderen.
וְיָצָא֙
(veyatsa)
en hij zal uitgaan
מֵֽעִמָּ֔ךְ
(meimakh)
van bij jou
ה֖וּא
(hu)
hij
וּבָנָ֣יו
(uvanav)
en zijn zonen
עִמּ֑וֹ
(imo)
met hem
וְשָׁב֙
(veshav)
en hij zal terugkeren
אֶל
(el)
naar
מִשְׁפַּחְתּ֔וֹ
(mishpachto)
zijn familie
וְאֶל
(veel)
en naar
אֲחֻזַּ֥ת
(achuzat)
bezit van
אֲבֹתָ֖יו
(avotav)
zijn vaderen
יָשֽׁוּב
(yashuv)
hij zal terugkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Want zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit het land Egypte geleid heb. Zij mogen niet verkocht worden zoals een slaaf verkocht wordt.
כִּֽי
(ki)
want
עֲבָדַ֣י
(avaday)
Mijn dienaren
הֵ֔ם
(hem)
zij
אֲשֶׁר
(asher)
die
הוֹצֵ֥אתִי
(hotseti)
Ik uitleidde
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמָּכְר֖וּ
(yimakheru)
zij zullen verkocht worden
מִמְכֶּ֥רֶת
(mimkeret)
verkoop van
עָֽבֶד
(aved)
slaaf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Yahweh heeft Israël uit Egypte geleid: daarom zijn zij Zijn dienaren en kunnen zij niet het bezit van een mens worden.

43Je mag niet met wreedheid over hem heersen. Vrees je Elohim.
לֹא
(lo)
niet
תִרְדֶּ֥ה
(tirde)
je zult heersen
ב֖וֹ
(bo)
over hem
בְּפָ֑רֶךְ
(befarekh)
met wreedheid
וְיָרֵ֖אתָ
(veyareta)
en je zult vrezen
מֵאֱלֹהֶֽיךָ
(meeloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּרֶךְ (perech), ‘wreedheid’: dezelfde zware dwang als in Exod. 1:13, waaronder Israël in Egypte leed.

Slaven van de volken en een broer bij een vreemdeling

44Een slaaf en een slavin die jullie hebben, moeten van de volken rondom jullie komen. Van hen mogen jullie een slaaf en een slavin kopen.
וְעַבְדְּךָ֥
(veavdekha)
en je slaaf
וַאֲמָתְךָ֖
(vaamatekha)
en je slavin
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יִהְיוּ
(yihyu)
zullen zijn
לָ֑ךְ
(lakh)
voor jou
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
הַגּוֹיִ֗ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
סְבִיבֹ֣תֵיכֶ֔ם
(sevivoteikhem)
rondom jullie
מֵהֶ֥ם
(mehem)
van hen
תִּקְנ֖וּ
(tiqnu)
jullie zullen kopen
עֶ֥בֶד
(eved)
slaaf
וְאָמָֽה
(veama)
en slavin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Slaven uit de volken rondom mogen wel gekocht worden.

Hun regels staan in vers 45–46.

45Ook van de zonen van de bijwoners die als vreemdeling bij jullie verblijven, mogen jullie kopen. En van hun families die bij jullie zijn, die in jullie land geboren zijn. Zij worden jullie bezit.
וְ֠גַם
(vegam)
en ook
מִבְּנֵ֨י
(mibenei)
van de zonen van
הַתּוֹשָׁבִ֜ים
(hatoshavim)
de bijwoners
הַגָּרִ֤ים
(hagarim)
die als vreemdeling verblijven
עִמָּכֶם֙
(imakhem)
bij jullie
מֵהֶ֣ם
(mehem)
van hen
תִּקְנ֔וּ
(tiqnu)
jullie zullen kopen
וּמִמִּשְׁפַּחְתָּם֙
(umimishpachtam)
en van hun familie
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עִמָּכֶ֔ם
(imakhem)
bij jullie
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הוֹלִ֖ידוּ
(holidu)
zij verwekten
בְּאַרְצְכֶ֑ם
(beartsekhem)
in jullie land
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לַֽאֲחֻזָּֽה
(laachuza)
tot bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
46Jullie mogen hen aan jullie zonen na jullie laten erven, als erfelijk bezit. Voor altijd mogen jullie hen voor je laten werken. Maar over jullie broers, de zonen van Israël, mag je niet met wreedheid heersen, ieder over zijn broer.
וְהִתְנַחֲלְתֶּ֨ם
(vehitnachaltem)
en jullie zullen laten erven
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
לִבְנֵיכֶ֤ם
(livneikhem)
aan jullie zonen
אַחֲרֵיכֶם֙
(achareikhem)
na jullie
לָרֶ֣שֶׁת
(lareshet)
om te erven
אֲחֻזָּ֔ה
(achuza)
bezit
לְעֹלָ֖ם
(leolam)
voor altijd
בָּהֶ֣ם
(bahem)
met hen
תַּעֲבֹ֑דוּ
(taavodu)
jullie zullen laten werken
וּבְאַ֨חֵיכֶ֤ם
(uveacheikhem)
en over jullie broers
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
בְּאָחִ֔יו
(beachiv)
over zijn broer
לֹא
(lo)
niet
תִרְדֶּ֥ה
(tirde)
je zult heersen
ב֖וֹ
(bo)
over hem
בְּפָֽרֶךְ
(befarekh)
met wreedheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
47Wanneer een vreemdeling of bijwoner bij jou aan geld komt. En je broer bij hem verarmt en zich verkoopt aan die vreemdeling, die bijwoner bij je, of aan een nakomeling uit de familie van een vreemdeling,
וְכִ֣י
(vekhi)
en wanneer
תַשִּׂ֗יג
(tasig)
bereikt
יַ֣ד
(yad)
hand van
גֵּ֤ר
(ger)
vreemdeling
וְתוֹשָׁב֙
(vetoshav)
en bijwoner
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
bij jou
וּמָ֥ךְ
(umakh)
en verarmt
אָחִ֖יךָ
(achikha)
je broer
עִמּ֑וֹ
(imo)
bij hem
וְנִמְכַּ֗ר
(venimkar)
en zich verkoopt
לְגֵ֤ר
(leger)
aan een vreemdeling
תּוֹשָׁב֙
(toshav)
bijwoner
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
bij jou
א֥וֹ
(o)
of
לְעֵ֖קֶר
(leeqer)
aan een nakomeling van
מִשְׁפַּ֥חַת
(mishpachat)
familie van
גֵּֽר
(ger)
een vreemdeling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּשִּׂיג יָד (tassig yad), ‘zijn hand bereikt’: hij komt aan geld.

In vers 26 en 49 staat dezelfde uitdrukking: daar ‘aan genoeg komen’.

עֵקֶר (eqer), ‘nakomeling’: letterlijk ‘wortel’.

48dan heeft hij na zijn verkoop recht op lossing. Eén van zijn broers mag hem lossen:
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
nadat
נִמְכַּ֔ר
(nimkar)
hij zich verkocht heeft
גְּאֻלָּ֖ה
(geula)
lossing
תִּהְיֶה
(tihye)
zal zijn
לּ֑וֹ
(lo)
voor hem
אֶחָ֥ד
(echad)
één
מֵאֶחָ֖יו
(meechav)
van zijn broers
יִגְאָלֶֽנּוּ
(yigalenu)
hij zal hem lossen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
49zijn oom of de zoon van zijn oom, of iemand van zijn naaste bloedverwanten uit zijn familie. Of als hij zelf aan genoeg komt, wordt hij gelost.
אוֹ
(o)
of
דֹד֞וֹ
(dodo)
zijn oom
א֤וֹ
(o)
of
בֶן
(ben)
zoon van
דֹּדוֹ֙
(dodo)
zijn oom
יִגְאָלֶ֔נּוּ
(yigalenu)
hij zal hem lossen
אֽוֹ
(o)
of
מִשְּׁאֵ֧ר
(misheer)
van het overige van
בְּשָׂר֛וֹ
(besaro)
zijn vlees
מִמִּשְׁפַּחְתּ֖וֹ
(mimishpachto)
van zijn familie
יִגְאָלֶ֑נּוּ
(yigalenu)
hij zal hem lossen
אֽוֹ
(o)
of
הִשִּׂ֥יגָה
(hisiga)
bereikt
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
וְנִגְאָֽל
(venigal)
en hij wordt gelost
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְּׁאֵר בְּשָׂרוֹ (mishe’er besaro), letterlijk ‘van de rest van zijn vlees’: een naaste bloedverwant.

Zie ookLev 25:26
50Hij moet met zijn koper afrekenen, van het jaar dat hij zich aan hem verkocht heeft tot het jubeljaar. De prijs van zijn verkoop gaat naar het aantal jaren: hij is bij hem zoals een loonarbeider.
וְחִשַּׁב֙
(vechishav)
en hij zal rekenen
עִם
(im)
met
קֹנֵ֔הוּ
(qonehu)
zijn koper
מִשְּׁנַת֙
(mishenat)
vanaf het jaar
הִמָּ֣כְרוֹ
(himakhero)
van zijn zich verkopen
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
עַ֖ד
(ad)
tot
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
הַיֹּבֵ֑ל
(hayovel)
het jubeljaar
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en zal zijn
כֶּ֤סֶף
(kesef)
geld van
מִמְכָּרוֹ֙
(mimkaro)
zijn verkoop
בְּמִסְפַּ֣ר
(bemispar)
naar het aantal van
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
כִּימֵ֥י
(kimei)
zoals de dagen van
שָׂכִ֖יר
(sakhir)
loonarbeider
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
hij zal zijn
עִמּֽוֹ
(imo)
bij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De lossingssom wordt berekend naar de jaren die nog over zijn: zijn werk telt als het werk van een loonarbeider, jaar na jaar.

Hoe minder jaren, hoe lager de som (vers 51–52).

51Zijn er nog veel jaren, dan moet hij daarnaar zijn lossing teruggeven, uit het geld van zijn koopprijs.
אִם
(im)
als
ע֥וֹד
(od)
nog
רַבּ֖וֹת
(rabot)
veel
בַּשָּׁנִ֑ים
(bashanim)
in de jaren
לְפִיהֶן֙
(lefihen)
naar hen
יָשִׁ֣יב
(yashiv)
hij zal teruggeven
גְּאֻלָּת֔וֹ
(geulato)
zijn lossing
מִכֶּ֖סֶף
(mikesef)
van het geld van
מִקְנָתֽוֹ
(miqnato)
zijn koopprijs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
52Zijn er nog maar weinig jaren over tot het jubeljaar, dan moet hij met hem afrekenen. Naar zijn jaren moet hij zijn lossing teruggeven.
וְאִם
(veim)
en als
מְעַ֞ט
(meat)
weinig
נִשְׁאַ֧ר
(nishar)
overblijft
בַּשָּׁנִ֛ים
(bashanim)
in de jaren
עַד
(ad)
tot
שְׁנַ֥ת
(shenat)
jaar van
הַיֹּבֵ֖ל
(hayovel)
het jubeljaar
וְחִשַּׁב
(vechishav)
en hij zal rekenen
ל֑וֹ
(lo)
met hem
כְּפִ֣י
(kefi)
naar
שָׁנָ֔יו
(shanav)
zijn jaren
יָשִׁ֖יב
(yashiv)
hij zal teruggeven
אֶת
(et)
(obj.)
גְּאֻלָּתֽוֹ
(geulato)
zijn lossing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
53Als een loonarbeider, jaar na jaar, moet hij bij hem zijn. Hij mag niet met wreedheid over hem heersen, voor je ogen.
כִּשְׂכִ֥יר
(kiskhir)
als loonarbeider
שָׁנָ֛ה
(shana)
jaar
בְּשָׁנָ֖ה
(beshana)
in jaar
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
hij zal zijn
עִמּ֑וֹ
(imo)
bij hem
לֹֽא
(lo)
niet
יִרְדֶּ֥נּֽוּ
(yirdenu)
hij zal heersen over hem
בְּפֶ֖רֶךְ
(beferekh)
met wreedheid
לְעֵינֶֽיךָ
(leeineikha)
voor je ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
54Wordt hij op die manieren niet gelost, dan gaat hij in het jubeljaar vrij weg, hij en zijn zonen met hem.
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֥א
(lo)
niet
יִגָּאֵ֖ל
(yigael)
hij gelost wordt
בְּאֵ֑לֶּה
(beele)
op deze
וְיָצָא֙
(veyatsa)
en hij zal uitgaan
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
הַיֹּבֵ֔ל
(hayovel)
het jubeljaar
ה֖וּא
(hu)
hij
וּבָנָ֥יו
(uvanav)
en zijn zonen
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Op die manieren’ (בְּאֵלֶּה, be’elleh): door een verwant (vers 48–49) of door zichzelf (vers 49).

55Want voor Mij zijn de zonen van Israël dienaren. Zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit het land Egypte geleid heb. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.
כִּֽי
(ki)
want
לִ֤י
(li)
voor Mij
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
עֲבָדִ֔ים
(avadim)
dienaren
עֲבָדַ֣י
(avaday)
Mijn dienaren
הֵ֔ם
(hem)
zij
אֲשֶׁר
(asher)
die
הוֹצֵ֥אתִי
(hotseti)
Ik uitleidde
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit slot herhaalt vers 42.

Israël is door de uittocht Yahweh toegewijd en daarom vrij van elk ander meester.