Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De sabbat van het land
1Yahweh sprak tot Mozes op de berg Sinaï:
וַיְדַבֵּ֤ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
סִינַ֖י
(sinay)
Sinaï
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De berg Sinaï wordt traditioneel gezocht bij Jebel Musa, in het zuiden van het Sinaïschiereiland (Egypte).
De ligging is niet zeker.
Uitleg
De wetten van dit boek zijn op de Sinaï gegeven; zie ook Lev. 26:46 en 27:34.
2„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Wanneer jullie in het land komen dat Ik jullie geef. Dan moet het land rusten: een sabbat voor Yahweh.
דַּבֵּ֞ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
כִּ֤י
(ki)
wanneer
תָבֹ֨אוּ֙
(tavou)
jullie komen
אֶל
(el)
in
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
נֹתֵ֣ן
(noten)
geef
לָכֶ֑ם
(lakhem)
aan jullie
וְשָׁבְתָ֣ה
(veshaveta)
en zal rusten
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
שַׁבָּ֖ת
(shabat)
sabbat
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׁבָּת (shabbat), ‘sabbat’, ‘rust’: het land houdt sabbat, net zoals het volk elke zevende dag.
Dit staat ook in Exod. 23:10–11.
Aanvullend
Jubileeën 50:2–3 bevestigt de sabbatten van het land en de jubeljaren.
4Maar het zevende jaar moet voor het land een sabbat van volledige rust zijn, een sabbat voor Yahweh. Je akker mag je niet bezaaien en je wijngaard niet snoeien.
וּבַשָּׁנָ֣ה
(uvashana)
en in het jaar
הַשְּׁבִיעִ֗ת
(hasheviit)
het zevende
שַׁבַּ֤ת
(shabat)
sabbat van
שַׁבָּתוֹן֙
(shabaton)
volledige rust
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לָאָ֔רֶץ
(laarets)
voor het land
שַׁבָּ֖ת
(shabat)
sabbat
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
שָֽׂדְךָ֙
(sadekha)
je akker
לֹ֣א
(lo)
niet
תִזְרָ֔ע
(tizra)
je zult zaaien
וְכַרְמְךָ֖
(vekharmekha)
en je wijngaard
לֹ֥א
(lo)
niet
תִזְמֹֽר
(tizmor)
je zult snoeien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׁבַּת שַׁבָּתוֹן (shabbat shabbaton), ‘sabbat van volledige rust’: dezelfde woorden als bij de sabbatdag in Exod. 31:15.
5Wat na je oogst vanzelf opkomt, mag je niet maaien, en de druiven van je ongesnoeide wijnstok mag je niet plukken. Het moet een jaar van volledige rust zijn voor het land.
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
סְפִ֤יחַ
(sefiach)
wat vanzelf groeit van
קְצִֽירְךָ֙
(qetsirekha)
je oogst
לֹ֣א
(lo)
niet
תִקְצ֔וֹר
(tiqtsor)
je zult maaien
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עִנְּבֵ֥י
(inevei)
druiven van
נְזִירֶ֖ךָ
(nezirekha)
je ongesnoeide wijnstok
לֹ֣א
(lo)
niet
תִבְצֹ֑ר
(tivtsor)
je zult plukken
שְׁנַ֥ת
(shenat)
jaar van
שַׁבָּת֖וֹן
(shabaton)
volledige rust
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לָאָֽרֶץ
(laarets)
voor het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סָפִיחַ (safiach), ‘wat vanzelf groeit’: het graan dat na de oogst zelf opkomt.
נָזִיר (nazir), ‘ongesnoeide wijnstok’: letterlijk ‘afgezonderde’. In het sabbatsjaar blijft de wijnstok onaangeroerd.
6Wat het land tijdens zijn sabbat voortbrengt, is voor jullie om te eten. Voor jou, je dienaar en je dienares, je loonarbeider en je bijwoner, die als vreemdeling bij je verblijven.
וְ֠הָיְתָה
(vehayeta)
en zal zijn
שַׁבַּ֨ת
(shabat)
sabbat van
הָאָ֤רֶץ
(haarets)
het land
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
לְאָכְלָ֔ה
(leakhela)
tot voedsel
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
וּלְעַבְדְּךָ֣
(uleavdekha)
en voor je dienaar
וְלַאֲמָתֶ֑ךָ
(velaamatekha)
en voor je dienares
וְלִשְׂכִֽירְךָ֙
(veliskhirekha)
en voor je loonarbeider
וּלְתוֹשָׁ֣בְךָ֔
(uletoshavekha)
en voor je bijwoner
הַגָּרִ֖ים
(hagarim)
die als vreemdeling verblijven
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׁבַּת הָאָרֶץ (shabbat ha’arets), letterlijk ‘de sabbat van het land’: wij vertalen wat het land in zijn rustjaar voortbrengt.
Dat is voor iedereen: ook voor de dienaar, de dienares, de loonarbeider en de bijwoner (vergelijk Exod. 12:45).
9In de zevende maand, op de tiende van de maand, moet je de ramshoorn met luid geschal laten klinken. Op de Verzoendag moeten jullie de ramshoorn laten klinken in heel jullie land.
וְהַֽעֲבַרְתָּ֞
(vehaavarta)
en je zult laten klinken
שׁוֹפַ֤ר
(shofar)
ramshoorn van
תְּרוּעָה֙
(terua)
geschal
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשְּׁבִעִ֔י
(hashevii)
de zevende
בֶּעָשׂ֖וֹר
(beasor)
op de tiende
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
בְּיוֹם֙
(beyom)
op de dag van
הַכִּפֻּרִ֔ים
(hakipurim)
de verzoeningen
תַּעֲבִ֥ירוּ
(taaviru)
jullie zullen laten klinken
שׁוֹפָ֖ר
(shofar)
ramshoorn
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אַרְצְכֶֽם
(artsekhem)
jullie land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’.
De zevende maand is ongeveer september–oktober.
Op de tiende dag is de Verzoendag (Lev. 16:29–34).
יוֹם הַכִּפֻּרִים (yom hakkippurim), ‘Verzoendag’: letterlijk ‘dag van de verzoeningen’.
10Jullie moeten het vijftigste jaar heiligen en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn bewoners. Het moet een jubeljaar voor jullie zijn. Ieder van jullie keert terug naar zijn bezit en ieder naar zijn familie.
וְקִדַּשְׁתֶּ֗ם
(veqidashtem)
en jullie zullen heiligen
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
שְׁנַ֤ת
(shenat)
jaar van
הַחֲמִשִּׁים֙
(hachamishim)
de vijftig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וּקְרָאתֶ֥ם
(uqeratem)
en jullie zullen uitroepen
דְּר֛וֹר
(deror)
vrijheid
בָּאָ֖רֶץ
(baarets)
in het land
לְכָל
(lekhal)
voor alle
יֹשְׁבֶ֑יהָ
(yosheveiha)
haar bewoners
יוֹבֵ֥ל
(yovel)
jubeljaar
הִוא֙
(hi)
het
תִּהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
וְשַׁבְתֶּ֗ם
(veshavtem)
en jullie zullen terugkeren
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
naar
אֲחֻזָּת֔וֹ
(achuzato)
zijn bezit
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en ieder
אֶל
(el)
naar
מִשְׁפַּחְתּ֖וֹ
(mishpachto)
zijn familie
תָּשֻֽׁבוּ
(tashuvu)
jullie zullen terugkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דְּרוֹר (deror), ‘vrijheid’: de vrijlating van wie vastzit, in dit hoofdstuk van de verkochte broer en het verkochte land.
‘Vrijheid uitroepen’ (וּקְרָאתֶם דְּרוֹר, uqratem deror) is een kernuitdrukking.
Zie ook Jer. 34:8, 15 en 17, en Jes. 61:1, waar de uitroep terugkomt.
Yeshua leest Jes. 61:1–2 voor in Lukas 4:18–19.
יוֹבֵל (yovel), ‘jubeljaar’: het woord betekent ‘ram’ en ‘ramshoorn’. Het jaar is genoemd naar de hoorn waarmee het wordt aangekondigd (vers 9).
אֲחֻזָּה (achuzzah), ‘bezit’: het stuk land dat een familie in bezit heeft gekregen. In het jubeljaar komt het bij de familie terug.
Lezing
Wij nemen het vijftigste jaar als het jaar ná de 49 jaar van vers 8.
Of het jubeljaar samenvalt met het 49e jaar, zegt de tekst niet.
11Dat vijftigste jaar is voor jullie een jubeljaar. Jullie mogen niet zaaien, wat vanzelf opkomt niet maaien en de ongesnoeide wijnstokken niet plukken.
יוֹבֵ֣ל
(yovel)
jubeljaar
הִ֗וא
(hi)
het
שְׁנַ֛ת
(shenat)
jaar van
הַחֲמִשִּׁ֥ים
(hachamishim)
de vijftig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
תִּהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
לֹ֣א
(lo)
niet
תִזְרָ֔עוּ
(tizrau)
jullie zullen zaaien
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תִקְצְרוּ֙
(tiqtseru)
jullie zullen maaien
אֶת
(et)
(obj.)
סְפִיחֶ֔יהָ
(seficheiha)
wat vanzelf groeit ervan
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִבְצְר֖וּ
(tivtseru)
jullie zullen plukken
אֶת
(et)
(obj.)
נְזִרֶֽיהָ
(nezireiha)
haar ongesnoeide wijnstokken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het jubeljaar is ook een rustjaar: niet zaaien, niet maaien, niet plukken, zoals in het sabbatsjaar (vers 4–5).
Het Hebreeuws heeft hier ‘haar ongesnoeide wijnstokken’ (נְזִרֶיהָ, nezireha); in vers 5 staan de druiven ervan erbij.
16Zijn er veel jaren, dan moet je de koopprijs verhogen. Zijn er weinig jaren, dan moet je de koopprijs verlagen. Want hij verkoopt je een aantal oogsten.
לְפִ֣י
(lefi)
naar
רֹ֣ב
(rov)
de menigte van
הַשָּׁנִ֗ים
(hashanim)
de jaren
תַּרְבֶּה֙
(tarbe)
je zult vermeerderen
מִקְנָת֔וֹ
(miqnato)
zijn koopprijs
וּלְפִי֙
(ulefi)
en naar
מְעֹ֣ט
(meot)
het weinige van
הַשָּׁנִ֔ים
(hashanim)
de jaren
תַּמְעִ֖יט
(tamit)
je zult verminderen
מִקְנָת֑וֹ
(miqnato)
zijn koopprijs
כִּ֚י
(ki)
want
מִסְפַּ֣ר
(mispar)
aantal van
תְּבוּאֹ֔ת
(tevuot)
oogsten
ה֥וּא
(hu)
hij
מֹכֵ֖ר
(mokher)
verkoopt
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22In het achtste jaar zaaien jullie en eten jullie van de oude opbrengst. Tot het negende jaar, tot haar opbrengst binnenkomt, eten jullie van de oude.
וּזְרַעְתֶּ֗ם
(uzeratem)
en jullie zullen zaaien
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
הַשָּׁנָ֣ה
(hashana)
het jaar
הַשְּׁמִינִ֔ת
(hasheminit)
het achtste
וַאֲכַלְתֶּ֖ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
מִן
(min)
van
הַתְּבוּאָ֣ה
(hatevua)
de opbrengst
יָשָׁ֑ן
(yashan)
oude
עַ֣ד
(ad)
tot
הַשָּׁנָ֣ה
(hashana)
het jaar
הַתְּשִׁיעִ֗ת
(hateshiit)
het negende
עַד
(ad)
tot
בּוֹא֙
(bo)
het komen van
תְּב֣וּאָתָ֔הּ
(tevuatah)
haar opbrengst
תֹּאכְל֖וּ
(tokhlu)
jullie zullen eten
יָשָֽׁן
(yashan)
oude
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27dan moet hij de jaren sinds zijn verkoop berekenen en het overschot teruggeven aan de man aan wie hij verkocht heeft. Dan keert hij terug naar zijn bezit.
וְחִשַּׁב֙
(vechishav)
en hij zal rekenen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֣י
(shenei)
jaren van
מִמְכָּר֔וֹ
(mimkaro)
zijn verkoop
וְהֵשִׁיב֙
(veheshiv)
en hij zal teruggeven
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣עֹדֵ֔ף
(haodef)
het overschot
לָאִ֖ישׁ
(laish)
aan de man
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
aan wie
מָֽכַר
(makhar)
hij verkocht
ל֑וֹ
(lo)
aan hem
וְשָׁ֖ב
(veshav)
en hij zal terugkeren
לַאֲחֻזָּתֽוֹ
(laachuzato)
naar zijn bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het ‘overschot’ (הָעֹדֵף, ha’odef) is het deel van de koopprijs dat hoort bij de jaren die tot het jubeljaar nog over zijn.
Dat betaalt de verkoper terug aan de koper.
Land wordt verkocht voor oogsten (vers 15–16), niet voor altijd.
28Vindt hij niet genoeg om het aan hem terug te geven, dan blijft wat hij verkocht heeft in de hand van de koper tot het jubeljaar. In het jubeljaar komt het vrij, en hij keert terug naar zijn bezit.
וְאִ֨ם
(veim)
en als
לֹֽא
(lo)
niet
מָֽצְאָ֜ה
(matsea)
vindt
יָד֗וֹ
(yado)
zijn hand
דֵּי֮
(dei)
genoeg
הָשִׁ֣יב
(hashiv)
om terug te geven
לוֹ֒
(lo)
aan hem
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en zal zijn
מִמְכָּר֗וֹ
(mimkaro)
zijn verkochte
בְּיַד֙
(beyad)
in de hand van
הַקֹּנֶ֣ה
(haqone)
de koper
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
עַ֖ד
(ad)
tot
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
הַיּוֹבֵ֑ל
(hayovel)
het jubeljaar
וְיָצָא֙
(veyatsa)
en het zal uitgaan
בַּיֹּבֵ֔ל
(bayovel)
in het jubeljaar
וְשָׁ֖ב
(veshav)
en hij zal terugkeren
לַאֲחֻזָּתֽוֹ
(laachuzato)
naar zijn bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Wanneer iemand een woonhuis verkoopt in een ommuurde stad, dan kan hij het lossen tot het einde van het jaar van zijn verkoop. Een jaar lang geldt zijn lossing.
וְאִ֗ישׁ
(veish)
en een man
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִמְכֹּ֤ר
(yimkor)
hij verkoopt
בֵּית
(beit)
huis van
מוֹשַׁב֙
(moshav)
woning
עִ֣יר
(ir)
stad van
חוֹמָ֔ה
(choma)
muur
וְהָיְתָה֙
(vehayeta)
en zal zijn
גְּאֻלָּת֔וֹ
(geulato)
zijn lossing
עַד
(ad)
tot
תֹּ֖ם
(tom)
voltooiing van
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
מִמְכָּר֑וֹ
(mimkaro)
zijn verkoop
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
תִּהְיֶ֥ה
(tihye)
zal zijn
גְאֻלָּתֽוֹ
(geulato)
zijn lossing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יָמִים (yamim), letterlijk ‘dagen’: hier een jaar.
Vers 30 zegt het met ‘een vol jaar’.
Een woonhuis in een ommuurde stad hoort niet bij het familiebezit van het land.
Daarom mag het alleen binnen een jaar worden gelost.
30Wordt het niet gelost voordat een vol jaar voorbij is, dan gaat het huis in de ommuurde stad voorgoed over aan de koper, voor al zijn generaties. In het jubeljaar komt het niet vrij.
וְאִ֣ם
(veim)
en als
לֹֽא
(lo)
niet
יִגָּאֵ֗ל
(yigael)
hij gelost wordt
עַד
(ad)
tot
מְלֹ֣את
(melot)
volledig zijn
לוֹ֮
(lo)
voor hem
שָׁנָ֣ה
(shana)
jaar
תְמִימָה֒
(temima)
vol
וְ֠קָם
(veqam)
en zal vaststaan
הַבַּ֨יִת
(habayit)
het huis
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּעִ֜יר
(bair)
in de stad
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֣וֹ
(lo)
voor haar
חֹמָ֗ה
(choma)
muur
לַצְּמִיתֻ֛ת
(latsemitut)
voorgoed
לַקֹּנֶ֥ה
(laqone)
aan de koper
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
לְדֹרֹתָ֑יו
(ledorotav)
voor zijn generaties
לֹ֥א
(lo)
niet
יֵצֵ֖א
(yetse)
zal uitgaan
בַּיֹּבֵֽל
(bayovel)
in het jubeljaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Huizen in dorpen zonder muur eromheen worden gerekend bij het veld van het land. Daarvoor geldt lossing, en in het jubeljaar komen ze vrij.
וּבָתֵּ֣י
(uvatei)
en huizen van
הַחֲצֵרִ֗ים
(hachatserim)
de dorpen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אֵין
(ein)
niet is
לָהֶ֤ם
(lahem)
voor hen
חֹמָה֙
(choma)
muur
סָבִ֔יב
(saviv)
rondom
עַל
(al)
tot
שְׂדֵ֥ה
(sede)
veld van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
יֵחָשֵׁ֑ב
(yechashev)
zullen gerekend worden
גְּאֻלָּה֙
(geula)
lossing
תִּהְיֶה
(tihye)
zal zijn
לּ֔וֹ
(lo)
voor hem
וּבַיֹּבֵ֖ל
(uvayovel)
en in het jubeljaar
יֵצֵֽא
(yetse)
zal uitgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲצֵרִים (chatserim), ‘dorpen’: nederzettingen zonder muur.
Zij horen bij het land eromheen en volgen dus de regels van het land: lossing, en vrij in het jubeljaar.
33Wat iemand van de Levieten lost: het verkochte huis in de stad van zijn bezit komt in het jubeljaar vrij. Want de huizen in de steden van de Levieten zijn hun bezit te midden van de zonen van Israël.
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en wat
יִגְאַל֙
(yigal)
gelost wordt
מִן
(min)
van
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
וְיָצָ֧א
(veyatsa)
en zal uitgaan
מִמְכַּר
(mimkar)
verkoop van
בַּ֛יִת
(bayit)
huis
וְעִ֥יר
(veir)
en stad van
אֲחֻזָּת֖וֹ
(achuzato)
zijn bezit
בַּיֹּבֵ֑ל
(bayovel)
in het jubeljaar
כִּ֣י
(ki)
want
בָתֵּ֞י
(batei)
huizen van
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
הִ֚וא
(hi)
het
אֲחֻזָּתָ֔ם
(achuzatam)
hun bezit
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws is moeilijk: וַאֲשֶׁר יִגְאַל מִן־הַלְוִיִּם (va’asher yig’al min-halviyyim), ‘en wat gelost wordt van de Levieten’.
Wij lezen: wat iemand van de Levieten lost, komt in het jubeljaar vrij.
De reden staat in het tweede deel: de steden van de Levieten zijn hun bezit.
Het Hebreeuws zegt niet duidelijk wie lost; de uitkomst is in beide gevallen dat het huis in het jubeljaar bij de Leviet terugkomt.
35Wanneer je broer verarmt en bij jou niet meer op eigen benen kan staan, moet je hem steunen. Als vreemdeling en bijwoner moet hij bij je kunnen leven.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יָמ֣וּךְ
(yamukh)
verarmt
אָחִ֔יךָ
(achikha)
je broer
וּמָ֥טָה
(umata)
en wankelt
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
bij jou
וְהֶֽחֱזַ֣קְתָּ
(vehechezaqta)
en je zult steunen
בּ֔וֹ
(bo)
hem
גֵּ֧ר
(ger)
vreemdeling
וְתוֹשָׁ֛ב
(vetoshav)
en bijwoner
וָחַ֖י
(vachay)
en hij zal leven
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָטָה יָדוֹ (matah yado), letterlijk ‘zijn hand wankelt’: hij kan niet meer voor zichzelf zorgen.
Wij vertalen ‘niet meer op eigen benen kan staan’.
גֵּר וְתוֹשָׁב (ger vetoshav), ‘vreemdeling en bijwoner’: zoals een vreemdeling die bij je woont, moet je hem een plaats geven.
45Ook van de zonen van de bijwoners die als vreemdeling bij jullie verblijven, mogen jullie kopen. En van hun families die bij jullie zijn, die in jullie land geboren zijn. Zij worden jullie bezit.
וְ֠גַם
(vegam)
en ook
מִבְּנֵ֨י
(mibenei)
van de zonen van
הַתּוֹשָׁבִ֜ים
(hatoshavim)
de bijwoners
הַגָּרִ֤ים
(hagarim)
die als vreemdeling verblijven
עִמָּכֶם֙
(imakhem)
bij jullie
מֵהֶ֣ם
(mehem)
van hen
תִּקְנ֔וּ
(tiqnu)
jullie zullen kopen
וּמִמִּשְׁפַּחְתָּם֙
(umimishpachtam)
en van hun familie
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עִמָּכֶ֔ם
(imakhem)
bij jullie
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הוֹלִ֖ידוּ
(holidu)
zij verwekten
בְּאַרְצְכֶ֑ם
(beartsekhem)
in jullie land
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לַֽאֲחֻזָּֽה
(laachuza)
tot bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
46Jullie mogen hen aan jullie zonen na jullie laten erven, als erfelijk bezit. Voor altijd mogen jullie hen voor je laten werken. Maar over jullie broers, de zonen van Israël, mag je niet met wreedheid heersen, ieder over zijn broer.
וְהִתְנַחֲלְתֶּ֨ם
(vehitnachaltem)
en jullie zullen laten erven
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
לִבְנֵיכֶ֤ם
(livneikhem)
aan jullie zonen
אַחֲרֵיכֶם֙
(achareikhem)
na jullie
לָרֶ֣שֶׁת
(lareshet)
om te erven
אֲחֻזָּ֔ה
(achuza)
bezit
לְעֹלָ֖ם
(leolam)
voor altijd
בָּהֶ֣ם
(bahem)
met hen
תַּעֲבֹ֑דוּ
(taavodu)
jullie zullen laten werken
וּבְאַ֨חֵיכֶ֤ם
(uveacheikhem)
en over jullie broers
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
בְּאָחִ֔יו
(beachiv)
over zijn broer
לֹא
(lo)
niet
תִרְדֶּ֥ה
(tirde)
je zult heersen
ב֖וֹ
(bo)
over hem
בְּפָֽרֶךְ
(befarekh)
met wreedheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
47Wanneer een vreemdeling of bijwoner bij jou aan geld komt. En je broer bij hem verarmt en zich verkoopt aan die vreemdeling, die bijwoner bij je, of aan een nakomeling uit de familie van een vreemdeling,
וְכִ֣י
(vekhi)
en wanneer
תַשִּׂ֗יג
(tasig)
bereikt
יַ֣ד
(yad)
hand van
גֵּ֤ר
(ger)
vreemdeling
וְתוֹשָׁב֙
(vetoshav)
en bijwoner
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
bij jou
וּמָ֥ךְ
(umakh)
en verarmt
אָחִ֖יךָ
(achikha)
je broer
עִמּ֑וֹ
(imo)
bij hem
וְנִמְכַּ֗ר
(venimkar)
en zich verkoopt
לְגֵ֤ר
(leger)
aan een vreemdeling
תּוֹשָׁב֙
(toshav)
bijwoner
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
bij jou
א֥וֹ
(o)
of
לְעֵ֖קֶר
(leeqer)
aan een nakomeling van
מִשְׁפַּ֥חַת
(mishpachat)
familie van
גֵּֽר
(ger)
een vreemdeling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּשִּׂיג יָד (tassig yad), ‘zijn hand bereikt’: hij komt aan geld.
In vers 26 en 49 staat dezelfde uitdrukking: daar ‘aan genoeg komen’.
50Hij moet met zijn koper afrekenen, van het jaar dat hij zich aan hem verkocht heeft tot het jubeljaar. De prijs van zijn verkoop gaat naar het aantal jaren: hij is bij hem zoals een loonarbeider.
וְחִשַּׁב֙
(vechishav)
en hij zal rekenen
עִם
(im)
met
קֹנֵ֔הוּ
(qonehu)
zijn koper
מִשְּׁנַת֙
(mishenat)
vanaf het jaar
הִמָּ֣כְרוֹ
(himakhero)
van zijn zich verkopen
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
עַ֖ד
(ad)
tot
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
הַיֹּבֵ֑ל
(hayovel)
het jubeljaar
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en zal zijn
כֶּ֤סֶף
(kesef)
geld van
מִמְכָּרוֹ֙
(mimkaro)
zijn verkoop
בְּמִסְפַּ֣ר
(bemispar)
naar het aantal van
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
כִּימֵ֥י
(kimei)
zoals de dagen van
שָׂכִ֖יר
(sakhir)
loonarbeider
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
hij zal zijn
עִמּֽוֹ
(imo)
bij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De lossingssom wordt berekend naar de jaren die nog over zijn: zijn werk telt als het werk van een loonarbeider, jaar na jaar.