Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Ezra leest de wet voor
1Heel het volk verzamelde zich als één man op het plein voor de Waterpoort. Zij zeiden tegen Ezra, de schriftgeleerde, dat hij het boek van de wet van Mozes moest brengen. Yahweh had die wet aan Israël geboden.
וַיֵּאָסְפ֤וּ
(vayeasefu)
en verzamelden zich
כָל
(kal)
heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
כְּאִ֣ישׁ
(keish)
als een man
אֶחָ֔ד
(echad)
één
אֶל
(el)
naar
הָ֣רְח֔וֹב
(harechov)
het plein
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
שַֽׁעַר
(shaar)
de poort van
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
לְעֶזְרָ֣א
(leezra)
aan Ezra
הַסֹּפֵ֔ר
(hasofer)
de schriftgeleerde
לְהָבִ֗יא
(lehavi)
om te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
סֵ֨פֶר֙
(sefer)
het boek van
תּוֹרַ֣ת
(torat)
de wet van
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֲשֶׁר
(asher)
die
צִוָּ֥ה
(tsiva)
had geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Waterpoort (ligging onzeker): De Waterpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de Gihon.
De precieze plaats is niet zeker.
Uitleg
רְחוֹב (rechov), ‘plein’: een brede open ruimte in een stad.
Het volk komt bijeen op het plein voor de Waterpoort.
De Waterpoort komt ook voor in Neh. 3:26.
סֵפֶר תּוֹרַת מֹשֶׁה (sefer torat Mosheh), ‘het boek van de wet van Mozes’: wij laten open hoeveel van de wet dit boek bevatte. Zie ook Deut. 31:9–13, waar Mozes beveelt de wet voor heel het volk voor te lezen.
הַסֹּפֵר (hasofer), ‘de schriftgeleerde’: iemand die de geschriften kent, bewaart en uitlegt. Zie ook Ezra 7:6.
2Ezra, de priester, bracht de wet voor de vergadering: voor mannen en vrouwen en voor iedereen die kon verstaan wat hij hoorde. Het was de eerste dag van de zevende maand.
וַיָּבִ֣יא
(vayavi)
en bracht
עֶזְרָ֣א
(ezra)
Ezra
הַ֠כֹּהֵן
(hakohen)
de priester
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַתּוֹרָ֞ה
(hatora)
de wet
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor
הַקָּהָל֙
(haqahal)
de vergadering
מֵאִ֣ישׁ
(meish)
van man
וְעַד
(vead)
tot
אִשָּׁ֔ה
(isha)
vrouw
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en allen
מֵבִ֣ין
(mevin)
verstaand
לִשְׁמֹ֑עַ
(lishmoa)
om te horen
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag
אֶחָ֖ד
(echad)
eerste
לַחֹ֥דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הַשְּׁבִיעִֽי
(hashevii)
de zevende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַקָּהָל (haqqahal), ‘de vergadering’: de verzamelde gemeenschap.
Het volk is hier bij elkaar op de eerste dag van de zevende maand.
Zie Lev. 23:24 voor die dag.
מֵבִין לִשְׁמֹעַ (mevin lishmo’a), ‘iemand die kan verstaan wat hij hoort’: ook kinderen die het konden begrijpen hoorden erbij.
3Hij las eruit voor op het plein voor de Waterpoort, van het eerste licht tot halverwege de dag. Hij las voor ten overstaan van de mannen en de vrouwen en van allen die het konden verstaan. De oren van heel het volk waren gericht op het boek van de wet.
וַיִּקְרָא
(vayiqra)
en las voor
בוֹ֩
(bo)
daaruit
לִפְנֵ֨י
(lifnei)
voor
הָרְח֜וֹב
(harechov)
het plein
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
שַֽׁעַר
(shaar)
de poort van
הַמַּ֗יִם
(hamayim)
het water
מִן
(min)
van
הָאוֹר֙
(haor)
het licht
עַד
(ad)
tot
מַחֲצִ֣ית
(machatsit)
de helft van
הַיּ֔וֹם
(hayom)
de dag
נֶ֛גֶד
(neged)
tegenover
הָאֲנָשִׁ֥ים
(haanashim)
de mannen
וְהַנָּשִׁ֖ים
(vehanashim)
en de vrouwen
וְהַמְּבִינִ֑ים
(vehamevinim)
en wie konden verstaan
וְאָזְנֵ֥י
(veazenei)
en de oren van
כָל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
naar
סֵ֥פֶר
(sefer)
het boek van
הַתּוֹרָֽה
(hatora)
de wet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Waterpoort (ligging onzeker): De Waterpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de Gihon.
De precieze plaats is niet zeker.
Uitleg
מִן הָאוֹר עַד מַחֲצִית הַיּוֹם (min ha’or ad machatsit hayyom), ‘van het licht tot de helft van de dag’: van het eerste ochtendlicht tot ongeveer het midden van de dag.
4Ezra, de schriftgeleerde, stond op een houten podium dat zij voor deze gelegenheid hadden gemaakt. Naast hem stonden aan zijn rechterhand Mattitja, Sjema, Anaja, Uria, Hilkia en Maäseja. Aan zijn linkerhand stonden Pedaja, Misjaël, Malkia, Chasjum, Chasjbaddana, Zacharia en Mesjullam.
וַֽיַּעֲמֹ֞ד
(vayaamod)
en stond
עֶזְרָ֣א
(ezra)
Ezra
הַסֹּפֵ֗ר
(hasofer)
de schriftgeleerde
עַֽל
(al)
op
מִגְדַּל
(migdal)
een toren van
עֵץ֮
(ets)
hout
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשׂ֣וּ
(asu)
hadden gemaakt
לַדָּבָר֒
(ladavar)
voor de gelegenheid
וַיַּֽעֲמֹ֣ד
(vayaamod)
en stonden
אֶצְל֡וֹ
(etslo)
naast hem
מַתִּתְיָ֡ה
(matitya)
Mattitja
וְשֶׁ֡מַע
(veshema)
en Sjema
וַ֠עֲנָיָה
(vaanaya)
en Anaja
וְאוּרִיָּ֧ה
(veuriya)
en Uria
וְחִלְקִיָּ֛ה
(vechilqiya)
en Hilkia
וּמַעֲשֵׂיָ֖ה
(umaaseya)
en Maäseja
עַל
(al)
aan
יְמִינ֑וֹ
(yemino)
zijn rechterhand
וּמִשְּׂמֹאל֗וֹ
(umisemolo)
en aan zijn linkerhand
פְּ֠דָיָה
(pedaya)
Pedaja
וּמִֽישָׁאֵ֧ל
(umishael)
en Misjaël
וּמַלְכִּיָּ֛ה
(umalkiya)
en Malkia
וְחָשֻׁ֥ם
(vechashum)
en Chasjum
וְחַשְׁבַּדָּ֖נָה
(vechashbadana)
en Chasjbaddana
זְכַרְיָ֥ה
(zekharya)
Zacharia
מְשֻׁלָּֽם
(meshulam)
Mesjullam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִגְדַּל עֵץ (migdal ets), ‘toren van hout’: een hoog houten bouwsel.
Wij vertalen ‘podium’, omdat het om een verhoging gaat waarop Ezra boven het volk stond (vers 5).
לַדָּבָר (laddavar), ‘voor de zaak’: letterlijk ‘voor het woord’. Het kan betekenen: voor deze gelegenheid, of om vanaf te spreken. Wij vertalen ‘voor deze gelegenheid’.
Het Hebreeuws noemt zes mannen rechts van Ezra en zeven links. De namen zijn die van mannen van het volk. Sommige namen komen ook voor in Neh. 10 en 11.
6Ezra zegende Yahweh, de grote Elohim. Heel het volk antwoordde met opgeheven handen: „Amen, amen!” Zij bogen zich diep en wierpen zich neer voor Yahweh, met het gezicht naar de grond.
וַיְבָ֣רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
עֶזְרָ֔א
(ezra)
Ezra
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
de Elohim
הַגָּד֑וֹל
(hagadol)
de grote
וַיַּֽעֲנ֨וּ
(vayaanu)
en antwoordden
כָל
(kal)
heel
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
אָמֵ֤ן
(amen)
amen
אָמֵן֙
(amen)
amen
בְּמֹ֣עַל
(bemoal)
met opheffen van
יְדֵיהֶ֔ם
(yedeihem)
hun handen
וַיִּקְּד֧וּ
(vayiqedu)
en bogen zich
וַיִּשְׁתַּחֲוֻּ֛
(vayishtachavu)
en wierpen zich neer
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אַפַּ֥יִם
(apayim)
met het gezicht
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָמֵן אָמֵן (amen amen), ‘amen, amen’: de herhaling versterkt het ‘ja, het is waar’ van het volk.
Vergelijk Ps. 106:48 en Ps. 72:19.
וַיִּקְּדוּ וַיִּשְׁתַּחֲווּ (vayyiqqedu vayyishtachavu), ‘zij bogen zich en wierpen zich neer’: twee woorden voor diep buigen, in eerbied voor Yahweh.
7Jesua, Bani, Sjerebja, Jamin, Akkub, Sjabbetai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan, Pelaja en de Levieten lieten het volk de wet begrijpen. Het volk bleef op zijn plaats staan.
וְיֵשׁ֡וּעַ
(veyeshua)
en Jesua
וּבָנִ֡י
(uvani)
en Bani
וְשֵׁרֵ֥בְיָ֣ה
(veshereveya)
en Sjerebja
יָמִ֡ין
(yamin)
Jamin
עַקּ֡וּב
(aquv)
Akkub
שַׁבְּתַ֣י
(shabetay)
Sjabbetai
הֽוֹדִיָּ֡ה
(hodiya)
Hodia
מַעֲשֵׂיָ֡ה
(maaseya)
Maäseja
קְלִיטָ֣א
(qelita)
Kelita
עֲזַרְיָה֩
(azarya)
Azarja
יוֹזָבָ֨ד
(yozavad)
Jozabad
חָנָ֤ן
(chanan)
Chanan
פְּלָאיָה֙
(pelaya)
Pelaja
וְהַלְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
מְבִינִ֥ים
(mevinim)
die lieten begrijpen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לַתּוֹרָ֑ה
(latora)
de wet
וְהָעָ֖ם
(vehaam)
en het volk
עַל
(al)
op
עָמְדָֽם
(amedam)
hun plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְבִינִים (mevinim), ‘die deden begrijpen’: de Levieten verdeelden zich over het volk en maakten duidelijk wat er stond.
De namen zijn die van de Levieten.
Sommige komen ook voor in Neh. 10:10–14 (Hebr.).
וְהָעָם עַל עָמְדָם (vehaam al omdam), ‘en het volk stond op zijn plaats’: het volk bleef staan terwijl er werd uitgelegd.
9Nehemia, dat is de Tirsjata, en Ezra, de priester en schriftgeleerde, en de Levieten die het volk lieten begrijpen, spraken heel het volk toe. „Deze dag is heilig voor Yahweh, jullie Elohim. Rouw niet en huil niet.” Want heel het volk huilde toen het de woorden van de wet hoorde.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
נְחֶמְיָ֣ה
(nechemya)
Nehemia
ה֣וּא
(hu)
hij
הַתִּרְשָׁ֡תָא
(hatirshata)
de Tirsjata
וְעֶזְרָ֣א
(veezra)
en Ezra
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַסֹּפֵ֡ר
(hasofer)
de schriftgeleerde
וְהַלְוִיִּם֩
(vehalviyim)
en de Levieten
הַמְּבִינִ֨ים
(hamevinim)
die lieten begrijpen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
לְכָל
(lekhal)
tot heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
הַיּ֤וֹם
(hayom)
de dag
קָדֹֽשׁ
(qadosh)
heilig
הוּא֙
(hu)
hij is
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
אַל
(al)
niet
תִּֽתְאַבְּל֖וּ
(titabelu)
rouw
וְאַל
(veal)
en niet
תִּבְכּ֑וּ
(tivku)
huil
כִּ֤י
(ki)
want
בוֹכִים֙
(bokhim)
huilend
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
כְּשָׁמְעָ֖ם
(keshameam)
bij hun horen
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
הַתּוֹרָֽה
(hatora)
de wet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַתִּרְשָׁתָא (hattirshata), ‘de Tirsjata’: een Perzische titel van de gouverneur.
Zie ook Ezra 2:63 en Neh. 10:2 (Hebr.).
In Neh. 5:14 heet Nehemia ‘landvoogd’ (pechah), een ander woord.
Het werkwoord is enkelvoud (‘en hij zei’), omdat Nehemia als eerste wordt genoemd; Ezra en de Levieten spreken met hem mee.
הַיּוֹם קָדֹשׁ (hayyom qadosh), ‘de dag is heilig’: de eerste dag van de zevende maand is een rustdag (Lev. 23:24–25; Num. 29:1).
10Hij zei tegen hen: „Ga, eet vette gerechten en drink zoete dranken. Stuur porties aan wie niets heeft klaargemaakt. Want deze dag is heilig voor onze Heer. Wees niet bedroefd, want de vreugde van Yahweh is jullie kracht.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לָהֶ֡ם
(lahem)
tot hen
לְכוּ֩
(lekhu)
gaat
אִכְל֨וּ
(ikhlu)
eet
מַשְׁמַנִּ֜ים
(mashmanim)
vette gerechten
וּשְׁת֣וּ
(ushetu)
en drink
מַֽמְתַקִּ֗ים
(mamtaqim)
zoete dranken
וְשִׁלְח֤וּ
(veshilchu)
en stuur
מָנוֹת֙
(manot)
porties
לְאֵ֣ין
(leein)
aan wie niet
נָכ֣וֹן
(nakhon)
klaar is
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
כִּֽי
(ki)
want
קָד֥וֹשׁ
(qadosh)
heilig
הַיּ֖וֹם
(hayom)
de dag
לַאֲדֹנֵ֑ינוּ
(laadoneinu)
voor onze Heer
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּ֣עָצֵ֔בוּ
(teatsevu)
wees bedroefd
כִּֽי
(ki)
want
חֶדְוַ֥ת
(chedvat)
de vreugde van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הִ֥יא
(hi)
hij
מָֽעֻזְּכֶֽם
(mauzekhem)
jullie kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַשְׁמַנִּים (mashmannim), ‘vette gerechten’, en מַמְתַקִּים (mamtaqqim), ‘zoete dranken’: het gaat om het beste voedsel en drinken.
Dit is een feestmaal.
מָנוֹת (manot), ‘porties’: gedeelde stukken eten. Zie ook Est. 9:19 en 9:22.
לַאדֹנֵינוּ (ladonenu), ‘voor onze Heer’: het is Yahweh die hier ‘onze Heer’ heet. Zie Neh. 1:11 voor ‘Heer’ zonder Yahweh.
חֶדְוַת יְהוָה (chedvat Yahweh), ‘de vreugde van Yahweh’: de vreugde die Yahweh geeft, of de vreugde in Yahweh. Het Hebreeuws laat beide toe. Wij laten dat open.
מָעֻזְּכֶם (ma’uzzekhem), ‘jullie kracht’: ook ‘schuilplaats’ of ‘toevlucht’.
12Heel het volk ging eten en drinken, porties sturen en een groot vreugdefeest vieren. Want zij hadden de woorden begrepen die hun bekend waren gemaakt.
וַיֵּלְכ֨וּ
(vayelekhu)
en gingen
כָל
(kal)
heel
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
לֶאֱכֹ֤ל
(leekhol)
om te eten
וְלִשְׁתּוֹת֙
(velishtot)
en te drinken
וּלְשַׁלַּ֣ח
(uleshalach)
en te sturen
מָנ֔וֹת
(manot)
porties
וְלַעֲשׂ֖וֹת
(velaasot)
en te maken
שִׂמְחָ֣ה
(simcha)
vreugde
גְדוֹלָ֑ה
(gedola)
grote
כִּ֤י
(ki)
want
הֵבִ֨ינוּ֙
(hevinu)
hadden begrepen
בַּדְּבָרִ֔ים
(badevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הוֹדִ֖יעוּ
(hodiu)
waren bekendgemaakt
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Op de tweede dag kwamen de hoofden van de vaderhuizen van heel het volk, de priesters en de Levieten bijeen bij Ezra, de schriftgeleerde. Zij wilden inzicht krijgen in de woorden van de wet.
וּבַיּ֣וֹם
(uvayom)
en op de dag
הַשֵּׁנִ֡י
(hasheni)
tweede
נֶאֶסְפוּ֩
(neesfu)
verzamelden zich
רָאשֵׁ֨י
(rashei)
de hoofden van
הָאָב֜וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
לְכָל
(lekhal)
van heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
אֶל
(el)
bij
עֶזְרָ֖א
(ezra)
Ezra
הַסֹּפֵ֑ר
(hasofer)
de schriftgeleerde
וּלְהַשְׂכִּ֖יל
(ulehaskil)
en om inzicht te krijgen
אֶל
(el)
in
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
הַתּוֹרָֽה
(hatora)
de wet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָאשֵׁי הָאָבוֹת (rashe ha’avot), ‘de hoofden van de vaderhuizen’: de leiders van de families.
15Ook moesten zij in al hun steden en in Jeruzalem laten horen en laten uitroepen: „Ga naar het gebergte. Haal takken van de olijfboom, takken van de wilde olijf, takken van de mirte, palmtakken en takken van bomen met dicht loof. Maak daarmee hutten, zoals geschreven staat.”
וַאֲשֶׁ֣ר
(vaasher)
en dat
יַשְׁמִ֗יעוּ
(yashmiu)
zij moesten laten horen
וְיַעֲבִ֨ירוּ
(veyaaviru)
en laten uitroepen
ק֥וֹל
(qol)
een stem
בְּכָל
(bekhal)
in al
עָרֵיהֶם֮
(areihem)
hun steden
וּבִירוּשָׁלִַ֣ם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggend
צְא֣וּ
(tseu)
ga
הָהָ֗ר
(hahar)
naar het gebergte
וְהָבִ֨יאוּ֙
(vehaviu)
en breng
עֲלֵי
(alei)
takken van
זַ֨יִת֙
(zayit)
olijfbomen
וַעֲלֵי
(vaalei)
en takken van
עֵ֣ץ
(ets)
boom van
שֶׁ֔מֶן
(shemen)
olie
וַעֲלֵ֤י
(vaalei)
en takken van
הֲדַס֙
(hadas)
mirte
וַעֲלֵ֣י
(vaalei)
en takken van
תְמָרִ֔ים
(temarim)
palmen
וַעֲלֵ֖י
(vaalei)
en takken van
עֵ֣ץ
(ets)
boom van
עָבֹ֑ת
(avot)
dicht loof
לַעֲשֹׂ֥ת
(laasot)
om te maken
סֻכֹּ֖ת
(sukot)
hutten
כַּכָּתֽוּב
(kakatuv)
zoals geschreven staat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
עֲלֵי עֵץ שֶׁמֶן (ale ets shemen), ‘takken van de oliehoutboom’: dat is waarschijnlijk de wilde olijf.
Het gewone woord voor ‘olijfboom’ is זַיִת (zayit).
Wij vertalen ‘olijfboom’ en ‘wilde olijf’.
עֵץ עָבֹת (ets avot), ‘boom met dicht loof’: zoals in Lev. 23:40.
De lijst van bomen wijkt af van Lev. 23:40 (daar: de vrucht van prachtige bomen, palmtakken, een tak van een boom met dicht loof en wilgen van de beek). Hier dienen de takken om hutten van te maken.
16Het volk ging erop uit en bracht takken mee. Zij maakten zich hutten, ieder op zijn eigen dak en op hun binnenplaatsen. Ook maakten zij hutten in de voorhoven van het huis van Elohim, op het plein van de Waterpoort en op het plein van de Efraïmpoort.
וַיֵּצְא֣וּ
(vayetseu)
en gingen uit
הָעָם֮
(haam)
het volk
וַיָּבִיאוּ֒
(vayaviu)
en brachten
וַיַּעֲשׂוּ֩
(vayaasu)
en maakten
לָהֶ֨ם
(lahem)
voor zich
סֻכּ֜וֹת
(sukot)
hutten
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
עַל
(al)
op
גַּגּוֹ֙
(gago)
zijn dak
וּבְחַצְרֹ֣תֵיהֶ֔ם
(uvechatsroteihem)
en op hun binnenplaatsen
וּבְחַצְר֖וֹת
(uvechatsrot)
en in de voorhoven van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וּבִרְחוֹב֙
(uvirchov)
en op het plein van
שַׁ֣עַר
(shaar)
de poort van
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
וּבִרְח֖וֹב
(uvirchov)
en op het plein van
שַׁ֥עַר
(shaar)
de poort van
אֶפְרָֽיִם
(efrayim)
Efraïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Waterpoort (ligging onzeker): De Waterpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de Gihon.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Efraïmpoort (ligging onzeker): De Efraïmpoort was een poort in de noordmuur van Jeruzalem.
De precieze plaats is niet zeker.
Uitleg
חָצֵר (chatser): wij vertalen ‘binnenplaats’ bij de huizen en ‘voorhof’ bij het huis van Elohim.
Het is hetzelfde Hebreeuwse woord.
שַׁעַר הַמַּיִם (sha’ar hammayim), ‘Waterpoort’, en שַׁעַר אֶפְרַיִם (sha’ar Efrayim), ‘Efraïmpoort’: poorten in de muur van Jeruzalem. Zie ook 2 Kon. 14:13 voor de Efraïmpoort.
17Heel de vergadering van hen die uit de ballingschap waren teruggekeerd, maakte hutten en woonde in die hutten. Want sinds de dagen van Jozua, de zoon van Nun, hadden de zonen van Israël dit tot op die dag niet gedaan. Er was zeer grote vreugde.
וַיַּֽעֲשׂ֣וּ
(vayaasu)
en maakten
כָֽל
(kal)
heel
הַ֠קָּהָל
(haqahal)
de vergadering
הַשָּׁבִ֨ים
(hashavim)
die terugkeerden
מִן
(min)
uit
הַשְּׁבִ֥י
(hashevi)
de ballingschap
סֻכּוֹת֮
(sukot)
hutten
וַיֵּשְׁב֣וּ
(vayeshevu)
en woonden
בַסֻּכּוֹת֒
(basukot)
in de hutten
כִּ֣י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
עָשׂ֡וּ
(asu)
hadden gedaan
מִימֵי֩
(mimei)
sinds de dagen van
יֵשׁ֨וּעַ
(yeshua)
Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֥וּן
(nun)
Nun
כֵּן֙
(ken)
zo
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en was
שִׂמְחָ֖ה
(simcha)
vreugde
גְּדוֹלָ֥ה
(gedola)
groot
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֵשׁוּעַ בִּן נוּן (Yeshua bin Nun), ‘Jozua, de zoon van Nun’: de Hebreeuwse naam is hier Jesua.
Het gaat om Jozua, de opvolger van Mozes.
Zie Joz. 1:1.
Het feest van de hutten wordt ook genoemd in 2 Kron. 8:13 en in Ezra 3:4. Wij laten staan wat het Hebreeuws zegt: zo was het sinds de dagen van Jozua niet meer gevierd.
18Dag na dag las hij voor uit het boek van de wet van Elohim, van de eerste dag tot de laatste dag. Zij vierden het feest zeven dagen. Op de achtste dag was er een slotsamenkomst, volgens het recht.
וַ֠יִּקְרָא
(vayiqra)
en las voor
בְּסֵ֨פֶר
(besefer)
uit het boek van
תּוֹרַ֤ת
(torat)
de wet van
הָאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
י֣וֹם
(yom)
dag
בְּי֔וֹם
(beyom)
op dag
מִן
(min)
van
הַיּוֹם֙
(hayom)
de dag
הָֽרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הָאַחֲר֑וֹן
(haacharon)
de laatste
וַיַּֽעֲשׂוּ
(vayaasu)
en zij maakten
חָג֙
(chag)
feest
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
וּבַיּ֧וֹם
(uvayom)
en op de dag
הַשְּׁמִינִ֛י
(hashemini)
de achtste
עֲצֶ֖רֶת
(atseret)
slotsamenkomst
כַּמִּשְׁפָּֽט
(kamishpat)
volgens het recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲצֶרֶת (atseret), ‘slotsamenkomst’: de samenkomst op de achtste dag.
Zie ook Lev. 23:36 en Num. 29:35.
כַּמִּשְׁפָּט (kammishpat), ‘volgens het recht’: volgens de bepaling in de wet. Zie ook Lev. 23:33–36.
Het onderwerp van ‘hij las’ is niet genoemd. Het is waarschijnlijk Ezra.